Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-VIII nr. F |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-VIII nr. F |
Ontvangen 22 mei 2026
De regering heeft kennisgenomen van het verslag van de Eerste Kamer over de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026. De leden van de fractie GroenLinks-PvdA, de leden SP-fractie, de leden van de BBB-fractie, de leden van de PvdD-fractie, de leden van de fractie Volt en de fractie Visseren-Hamakers hebben enkele vragen gesteld aan de regering. Deze vragen worden hieronder behandeld. De oorspronkelijke tekst van het verslag is integraal opgenomen in deze nota en cursief weergegeven. Na de vragen volgt telkens de reactie van de regering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP gezamenlijk
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP stellen vast dat in deze begroting vrijwel geen ruimte is voor prijsbijstelling voor het mbo, hbo en wo, en voor de sectoren cultuur, onderzoek en emancipatie. Tijdens de behandeling van de suppletoire begroting 2025 in de Eerste Kamer is in debat met de toenmalige Minister op 14 oktober 2025 aan de orde geweest dat de korting op de prijsbijstelling een cumulatieve bezuiniging betreft die jaar op jaar doorwerkt.1 Dit gold voor 2025 en nu opnieuw voor 2026.
1.
Deze leden vragen welke maatregelen de regering – die zich erop laat voorstaan alle bezuinigingen op het onderwijs terug te draaien – voornemens is te nemen om te voorkomen dat de bezuinigingen van de afgelopen jaren, met hun cumulatieve effect, leiden tot een structurele onderfinanciering van het mbo, het hoger onderwijs en de andere genoemde sectoren.
Tijdens het voornoemde debat is tevens besproken of en hoe de Minister zich zou kunnen inspannen om de prijsbijstelling ook in andere onderwijssectoren (vo, mbo en hoger onderwijs, dus niet alleen in het po) een wettelijke basis te geven.
2.
Deze leden vragen de regering of en, zo ja, welke stappen hiertoe zijn genomen. Voorts vragen de leden welke stappen de regering van plan is te nemen om een op deze manier veroorzaakte systematische uitholling van een bepaald deel van het onderwijs te voorkomen.
In de Kamerbrief van 19 december 20252 hebben de vorige bewindspersonen van OCW aan beide Kamers toegelicht hoe de loon- en prijsbijstelling op de OCW-begroting werkt, welke opties er zijn om meer of minder wettelijke verplichte loon- en prijsbijstelling in te voeren en wat de voor- en nadelen hiervan zijn.
De loon- en prijsbijstelling is een regulier onderdeel van de begrotingssystematiek en is belangrijk voor toereikende financiering van het beleid van OCW. Het kabinet kan besluiten om de loon- en prijsbijstelling niet of gedeeltelijk uit te keren aan departementale begrotingen. Het parlement heeft over deze besluiten budgetrecht. Wettelijke verplichtingen rondom loon- en prijsbijstelling verkleinen de keuzemogelijkheden van het kabinet en van het parlement. Om deze reden acht het kabinet meer wettelijke verplichtingen niet verstandig. Andersom worden de keuzemogelijkheden voor het kabinet en het parlement groter als de wettelijke verplichtingen worden afgeschaft.
Voor OCW geldt dat meer wettelijke verplichtingen op prijsbijstelling in de onderwijssectoren de onzekerheid vergroten voor de andere onderdelen van de OCW-begroting, zoals cultuur, onderzoek en emancipatie. De zekerheid die dit biedt voor de onderwijssectoren is in de praktijk beperkt. Bij een rijksbrede korting, zoals bij de Voorjaarsnota 2025, kan namelijk alleen aan de wettelijke verplichtingen worden voldaan door elders binnen de OCW-begroting te bezuinigen. Bij hogere kortingen kan de situatie ontstaan dat onderwijssectoren die de prijsbijstelling verplicht hebben ontvangen, ook deels ter dekking hiervoor gekort moeten worden. Extra wettelijke verplichtingen bieden daarmee in de praktijk alleen zekerheid voor onderwijssectoren als de prijsbijstelling, zonder korting, aan de OCW-begroting wordt toegevoegd. Dit verhoogt echter weer de druk op andere departementale begrotingen.
Dit kabinet staat voor toereikende financiering van het onderwijs. Daarom is in het coalitieakkoord structureel € 1,5 miljard extra vrij gemaakt voor de OCW-begroting, waarmee de bezuinigingen van het vorige kabinet grotendeels teruggedraaid worden en een aantal andere intensiveringen gedaan kunnen worden.
De begrotingsstaat 2026 bevat een aanzienlijke bezuiniging van 170 miljoen op de brede brugklas. Het coalitieakkoord vermeldt echter dat de coalitie het van belang acht dat de subsidie voor de brede brugklas vanaf 2027 «een voldoende dekkend aanbod» biedt.3
3.
Deze leden vragen wat de regering verstaat onder «een voldoende dekkend aanbod». Hanteert de regering hiervoor criteria? Zo ja, welke? Zo nee, verricht de regering hiernaar onderzoek en, zo ja, op welke wijze?
In de ontwerpbegroting 2026 is er géén sprake van een nieuwe bezuiniging van € 170,0 miljoen op brede brugklassen. De bezuiniging waar brede brugklassen een deel van uitmaakte stamt nog uit het Hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet. Hierin werd besloten om structureel € 55,0 miljoen te bezuinigen door het afschaffen van de subsidieregeling voor Heterogene brugklassen en om structureel € 155,0 miljoen te bezuinigen op School en Omgeving, van deze laatste bezuiniging was € 40,0 miljoen reeds teruggedraaid via het amendement Bontebal c.s.4
De bezuiniging op brede brugklassen wordt met het coalitieakkoord van dit kabinet volledig teruggedraaid ten behoeve van het structureel stimuleren en faciliteren van scholen om een breed onderwijsaanbod te realiseren en zo ook brede brugklassen te (blijven) aanbieden. Dit kabinet zorgt ervoor dat er voldoende keuzevrijheid voor leerlingen is om het onderwijs te kunnen volgen dat bij hen past. Dit kan door toe te werken naar een goede regionale mix aan brede brugklassen en eersteklassen in één onderwijsrichting. Dit kabinet is voornemens de registratie van DUO hiervoor aan te passen, zodat het feitelijke aanbod van verschillende soorten brugklassen beter in beeld komt. Zo kunnen we structureel gerichter beleid voeren en de voor dit doel beschikbare middelen effectief en efficiënt inzetten. Eerst dient kortom onderzocht te worden wat de huidige situatie is van het aanbod aan bredere brugklassen, alvorens toegewerkt kan worden naar een wenselijk aanbod.
Ook zijn deze leden bezorgd dat de bezuiniging in het komende jaar kan leiden tot het afbreken van lopende programma’s die kort daarna opnieuw moeten worden opgebouwd.
4.
Weet regering welke brede brugklassen hierdoor in de problemen komen en om hoeveel scholen en leerlingen het daarbij gaat? Welke mogelijkheden ziet de regering om tegemoet te komen aan deze structuur- en kapitaalvernietiging?
Zie ook het antwoord op de vraag hiervoor. Uit de evaluatie van de subsidieregeling heterogene brugklassen blijkt dat scholen het weliswaar jammer vinden dat de eenmalige subsidieregeling niet is verlengd, maar dat dit voor hen geen aanleiding is om met het aanbieden van brede brugklassen te stoppen. In dat opzicht is er van structuur- en kapitaalvernietiging geen sprake. Het kabinet wil structureel investeren in een goede regionale mix aan brede brugklassen en in betrouwbare gegevens daarover.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
Bekostiging
1.
In de begroting lezen de leden van de BBB-fractie dat het Ministerie van OCW verantwoordelijk is voor de uitvoering van een aantal SDG-doelen.5 Wat wordt daarvoor aan extra activiteiten ondernomen die Nederland dus niet al eerder uitvoerde? Welke extra kosten brengt dit voor het Rijk met zich mee? Welke meerwaarde hebben deze extra activiteiten voor Nederland zelf?
De implementatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDGs) komt terug in het beleid van alle ministeries, decentrale overheden en maatschappelijke organisaties. Het Ministerie van OCW is eerstverantwoordelijk voor implementatie van de SDGs 4 (toegang tot kwalitatief onderwijs) en 5 (gendergelijkheid). De invulling van deze SDGs maakt integraal onderdeel uit van de begrotingsartikelen van het Ministerie van OCW en leidt vanuit het ministerie niet tot extra activiteiten of kosten. Vanaf dit jaar gaat het Ministerie van OCW in kaart brengen welke bestaande indicatoren gebruikt kunnen worden bij het monitoren van duurzame ontwikkelingsdoelen binnen de beleidsterreinen van het ministerie. Deze indicatoren zullen worden ontsloten in het nieuwe dossier Brede Welvaart op www.ocwincijfers.nl in de eerste helft van 2026.
2.
Welke voortgang is gemaakt in het project Einstein Telescoop?6 Hoeveel is daarin inmiddels door het Rijk geïnvesteerd, en hoeveel is daarvoor nog begroot? Welke activiteiten voert het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving (NEWS) inmiddels uit?7
Het Rijk heeft in 2022 € 42 miljoen beschikbaar gesteld voor de Einstein Telescope door de toekenning van het Nationaal Groeifonds. Hiervan is € 16 miljoen gebruikt voor de financiering van R&D, € 3 miljoen voor de opbouw van een innovatie-ecosysteem en de valorisatiestrategie en € 23 miljoen voor de opbouw van het ET-projectbureau en de benodigde haalbaarheidsonderzoeken. In 2024 hebben het Rijk, de provincie Limburg en NWO gezamenlijk een extra impuls gegeven voor de versterking van het wetenschappelijk en technologisch leiderschap in Europa, de internationalisering van de valorisatie-activiteiten en het betrekken van de brede onderwijswaaier. Hiervoor is door OCW en EZK gezamenlijk € 8,6 miljoen beschikbaar gesteld.
Bovenstaande middelen hebben ertoe geleid dat er een projectorganisatie is opgericht waarin Nederland intensief samenwerkt met onze partners uit België en Noordrijn-Westfalen om de benodigde haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren en een gedegen locatievoorstel voor te bereiden. Daarnaast zijn er hiermee zes consortia van kennisinstellingen en bedrijven gefinancierd voor technologieontwikkeling die noodzakelijk is om straks een werkend instrument te krijgen en werkt de onderwijswaaier in Zuid-Limburg (mbo, hbo, universiteit) aan het ontwikkelen van een regionale talentagenda die aansluit bij de arbeidsmarktbehoefte van dit hoogtechnologisch instrument. Daarnaast werken Nederland, België en Noordrijn-Westfalen aan een gezamenlijke internationale partnerstrategie om zoveel mogelijk (Europese) landen ervan te overtuigen om zich aan te sluiten bij de Einstein Telescope en ons locatievoorstel te steunen.
In de Voorjaarsnota 2026 is € 9,1 miljoen uit de eindejaarsmarge beschikbaar gesteld voor intensivering van de activiteiten bij het projectbureau zodat de haalbaarheidsonderzoeken succesvol afgerond kunnen worden en voor financiering van het projectbureau gedurende de periode tussen afronding van de haalbaarheidsonderzoeken en het locatiebesluit. In het Nationaal Groeifonds is € 870 miljoen gereserveerd voor de Nederlandse bijdrage aan de bouw van de Einstein Telescope. Zoals aangekondigd in de beleidsbrief heeft de Minister van OCW de inzet voor Einstein Telescope verder concrete invulling gegeven met het voorstel om daarnaast € 25 miljoen beschikbaar te stellen voor uitbreiding van de ET Pathfinder. In aanvulling op deze middelen hebben de provinciale staten van Limburg in een unanieme vergadering op 8 mei 2026 een investering van € 4 miljoen goedgekeurd voor deze uitbreiding van de ET Pathfinder in Maastricht.
De Minister van OCW zal in het najaar 2026 uw Kamer en de Tweede Kamer middels een voortgangsbrief uitgebreid informeren over de status en voortgang van het project.
Hoeveel draagt het Rijk financieel bij aan het NEWS?
Het Nationaal Expertisecentrum is werkzaam op het snijvlak van de wetenschap en de maatschappij. Het streeft ernaar de relatie tussen wetenschap en maatschappij te verbeteren door middel van wetenschapscommunicatie. NEWS gaat de dialoog aan met burgers en onderzoekers en is van mening dat de wetenschap beter wordt wanneer er samengewerkt wordt met de samenleving. NEWS organiseert activiteiten, zoals sessies waar verschillende experts in gesprek gaan met de samenleving over onderwerpen, zoals des- en misinformatie, die van invloed zijn op de relatie tussen wetenschap en samenleving. Tevens biedt NEWS de IMPACTLAB-methode aan experts aan: een werkwijze die professionals helpt om voorafgaand aan wetenschapscommunicatie-activiteiten bewust na te denken over doelen, doelgroep en de beoogde impact te meten, om zo de wetenschap toegankelijk te maken voor een breder publiek. OCW geeft in 2026 een subsidie van € 1,46 miljoen aan NEWS. Deze subsidie staat begroot tot en met 2031.
Welke uitgaven doet de regering in het kader van «immersieve digitale content»,8 zoals voor de ontwikkeling van VR, AR, MR, 360-graden video en interactiviteit? Hoe groot verwacht de regering dat het multipliereffect hiervan respectievelijk voor de Nederlandse economie is?
OCW voert een programma uit voor het Nationaal Groeifonds, genaamd CIIIC (Creative Industries Immersive Impact Coalition). Dit programma stimuleert de ontwikkeling van toepassingen en content voor immersieve ervaringen (IX), waaronder VR, AR, MR, 360-graden video en andere vormen van interactieve ervaring. CIIIC is in 2025 van start gegaan. Het is daarom nu nog te vroeg om de opbrengsten c.q. het multipliereffect ervan voor de Nederlandse economie met precisie vast te stellen.
Gaan we terug naar de ingediende aanvraag op basis waarvan het kabinet op 15 maart 2024 besloot het project te financieren, dan kunnen we aannemen dat CIIIC het Nederlandse duurzaam verdienvermogen zowel direct als indirect zal verhogen. Direct, doordat de investering in het opbouwen van vaardigheden voor IX-makers ertoe leidt dat Nederland minimaal de verwachte mondiale groei van de IX-markt kan bijbenen: een zesvoudige groei tussen 2022 en 2030. Indirect, doordat CIIIC het gebruik van IX in Nederlandse Business-to-Business toepassingen verhoogt, hetgeen vervolgens het duurzaam verdienvermogen in de Business-to-Business sectoren versterkt door ook andere bedrijven en sectoren effectiever en productiever te maken.
De algemene verwachting is dat de Europese markt voor Immersive Content diensten tussen 2022 en 2030 een jaarlijkse groei van 25% zal laten zien: dat betekent een verzesvoudiging van de omzet. Vanwege deze verwachte groei en diverse toepassingen van IX, heeft de adviescommissie van het NGF beoordeeld dat het aannemelijk is dat dit programma significant zal bijdragen aan het verdienvermogen van Nederland, terwijl tegelijkertijd ethische, publieke belangen betrokken worden bij de ontwikkeling van deze sector.
3.
Wat wordt de komende jaren gedaan voor de «speciale aandacht voor maritiem erfgoed»?9 Met welke (maritieme) organisaties vindt hierover overleg en samenwerking plaats? Welke extra investeringen doet de regering voor dit erfgoed?
Over de extra inzet ten aanzien van maritiem erfgoed heeft de Minister van OCW de Tweede Kamer op 3 juni 2025 geïnformeerd.10 De impuls wordt momenteel uitgewerkt in samenspraak met de betrokken overheden. In totaal gaat het om een eenmalige impuls van € 6,8 miljoen.
4.
Is de regering voornemens de bezuinigingen op apparaatsuitgaven uit het hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet11 ook na 2027 voort te zetten? Om hoeveel FTE aan ambtenaren gaat het hierbij in 2026, 2027 en daarna? Hoe groot is de totale efficiencytaakstelling in absolute bedragen en als percentage van de totale OCW-begroting die agentschappen en zbo’s in diezelfde jaren is opgelegd? Ziet de regering mogelijkheden om meer te reduceren dan door het vorige kabinet is afgesproken?
Ja, wij zijn voornemens om de taakstelling op de apparaatsuitgaven uit het hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet voort te zetten. Voor het kerndepartement gaat het om een taakstelling oplopend naar 209 fte vanaf 2029. De aantallen fte worden nog beïnvloed door de plannen van het nieuwe kabinet, waaronder verdere taakstellingen.
De efficiencytaakstelling voor agentschappen en ZBO’s bedraagt € 7,2 miljoen in 2026 (0,01% van de totale OCW-begroting), € 11,0 miljoen in 2027 (0,02%) en loopt op naar € 18,4 miljoen (0,03%) structureel vanaf 2029. Dat komt overeen met een efficiencykorting van 0,5% oplopend naar 2,5% van de apparaatskosten van de agentschappen en ZBO’s.
Ook in het coalitieakkoord van het huidige kabinet zijn vanaf 2027 apparaatstaakstellingen opgenomen. Deze taakstellingen hebben betrekking op het kerndepartement, de inspecties en op de uitvoeringsorganisaties van OCW en leiden tot een verdere reductie van de apparaatsuitgaven. De efficiencytaakstelling bedraagt € 5,7 miljoen in 2027 oplopend naar € 25,4 miljoen vanaf 2030. De taakstelling vernieuwing rijksdienst/slagvaardige overheid bedraagt € 27,2 miljoen in 2029 oplopend naar € 67,7 miljoen vanaf 2030.
5.
Waarom verdubbelen de uitgaven voor «alternatieve invulling taakstelling op de apparaatskosten» tot 2030?12
Met het hoofdlijnenakkoord is € 86,2 miljoen structureel bezuinigd op de apparaatsuitgaven van het Ministerie van OCW. Deze bezuiniging wordt voor € 70,3 miljoen gerealiseerd op artikel 95 (Apparaatskosten) en via een efficiencytaakstelling van jaarlijks 0,5% op zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en agentschappen van OCW, oplopend tot 2,5% in 2029. Vanaf 2026 is voor € 15,9 miljoen alternatieve dekking ingezet.13
Naast de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is er met het amendement Bontenbal c.s. een extra taakstelling op de apparaatskosten opgelegd van € 22,3 miljoen structureel. Voor deze extra taakstelling is ook alternatieve dekking ingezet en deze start in 2025. Vandaar de oploop van 2025 (alleen amendement Bontenbal (€ 22,3 miljoen)) naar 2026 (amendement Bontenbal plus deel taakstelling hoofdlijnenakkoord (€ 22,3 miljoen + € 15,9 miljoen)).14
6.
Waaruit bestaan de «overige intensiveringen», die tot 2030 verdubbelen?15
De overige intensiveringen hebben betrekking op mutaties bij de eerste suppletoire begroting 2025 en bestaan onder andere uit € 11,9 miljoen in 2030 (structureel € 2,0 miljoen) voor continue screening van verklaringen omtrent gedrag (VOG’s) in het funderend onderwijs, € 6,5 miljoen voor de functiemix Randstadregio’s en € 4,0 miljoen ten behoeve van het wetsvoorstel screening kennisveiligheid.
7.
Wat verklaart de grote verschillen onder «kasschuiven», met name tussen 2025 en 2026?16 Waarom is de regering van mening dat het mogelijk zal zijn na die jaren veel minder te hoeven «kasschuiven»?
Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. Het verschil tussen 2025 en 2026 waarnaar wordt verwezen betreft het totaal aan kasschuiven dat is doorgevoerd bij de eerste suppletoire begroting 2025. De voornaamste reden van het verschil tussen 2025 en 2026 is een schuif van € 970,0 miljoen van 2026 naar 2025 op het budget van de reisvoorziening van de vervoersbedrijven (de OV-studentenkaart). Dit zorgt ervoor dat er in 2025 en 2026 relatief grote verschillen zijn ten opzichte van de latere jaren. Met deze kasschuif werd de betaling aan de vervoersbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van 2025 in plaats van 2026 gedaan, zonder af te wijken van de afspraken met de vervoersbedrijven. Het verzoek tot deze kasschuif werd initieel door de vervoersbedrijven zelf ingediend.
8.
In de begroting wordt een Speciale Uitkering (SPUK) aan decentrale overheden genoemd.17 Hoeveel SPUK’s heeft OCW in 2026, en voor welk totaalbedrag? Hoe ziet de regering het aantal en totaalbedrag van SPUK’s onder haar verantwoordelijkheid de komende jaren ontwikkelen? Welke SPUK’s zijn nu al voorzien te worden beëindigd, en ziet de regering mogelijkheden er nog meer te beëindigen?
Een overzicht van de specifieke uitkeringen (spuks) van OCW staat in de ontwerpbegroting 2026 in bijlage 418. OCW heeft in 2026 vijf spuks met een totaalbedrag van € 785,4 miljoen, namelijk: regionaal programma, educatie, RMC’s, GOAB en Scholenprogramma Groningen.. Daarnaast loopt er nog een aantal specifieke uitkeringen (administratieve spuks) waarvoor geen betalingen meer worden gedaan vanuit het Rijk, maar waarvan op dit moment alleen nog de verantwoording doorloopt.
Vanaf 2027 zal de specifieke uitkering Regionaal Historische Centra (RHC’s) aan de spuks van OCW worden toegevoegd en komen we op een totaal van zes spuks. De hoogte van deze specifieke uitkering in 2027 zal gelijk zijn aan de bijdrage van het Rijk als deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling van alle RHC’s in 2026, met inbegrip van een eventuele loon- en prijsbijstelling over dat jaar. De precieze totaalbedragen van de bijdrage in 2026 en dus ook voor deze specifieke uitkering in 2027 liggen nog niet vast, maar zullen logischerwijs in lijn zijn met het totaalbedrag voor 2025 (€ 31,4 miljoen).
Aangaande de beëindiging van spuks heeft OCW het voornemen om de Specifieke uitkering Onderwijsachterstandenbeleid in 2028 en de Specifieke uitkering Educatie in 2029 om te zetten in bijzondere fondsuitkeringen (BFU). Het totaalbedrag aan spuks zal dan fors afnemen aangezien dit gaat om 567,8 miljoen voor de Specifieke uitkering Onderwijsachterstandenbeleid en € 84,7 miljoen voor de Specifieke uitkering Educatie gaat.
Afgezien van bovenstaande twee spuks ziet OCW voor nu geen verdere mogelijkheden om andere spuks te beëindigen. Voor nieuwe spuks zal nauwkeurig worden afgewogen of dit instrument noodzakelijk is of dat voor een andere uitkeringsvorm kan worden gekozen.
9.
De Algemene Rekenkamer geeft al vele jaren aan (grotendeels) niet te kunnen aantonen waar de bekostiging van de onderwijssector daadwerkelijk aan wordt besteed. Is de regering voornemens meer geoormerkte bekostiging in te voeren? Voor welke kostenposten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende nieuwe investeringen in het funderend onderwijs gedaan. Daarbij is gewerkt met tijdelijke subsidies, ook al zijn de middelen structureel beschikbaar. Dat zit scholen in de praktijk in de weg, omdat zij geen duurzame investeringen doen en dat gaat weer ten koste van de effectiviteit van beleid. Daarom is in het coalitieakkoord opgenomen dat we scholen/ schoolbesturen ruimte en stabiliteit geven door in structurele financiering te voorzien. Dit gebeurt onder andere door gerichte bekostiging. Momenteel wordt gewerkt aan het wetsvoorstel gerichte bekostiging, waarmee het mogelijk wordt om tijdelijk verplichtingen te verbinden aan bekostiging. Hiermee kunnen bestaande subsidies en nieuwe middelen worden omgezet in structurele bekostiging, waarbij tijdelijke verplichtingen zinvol kunnen zijn. Deze verplichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de uit te voeren activiteiten of de besteding van middelen. De eerste beoogde toepassing van gerichte bekostiging is voor de verbetering van basisvaardigheden. Voor de zomer van 2026 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel gerichte bekostiging.
10.
Met hoeveel procent krimpen de jaarcohorten onder de Nederlandse jeugd? Kan de capaciteit van basis- en middelbaar onderwijs niet evenredig worden gekort in de bekostiging vanuit het Rijk? Gebeurt dit al in de begroting? Zo niet, waarom niet?
Onderstaande tabel toont hoe de jaarcohorten van de leerplichtige leeftijden (5 tot en met 16 jaar) en het totale aantal personen in de leerplichtige leeftijd zich hebben ontwikkeld tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025 (bron: CBS). Het totale aantal personen in de leerplichtige leeftijd is tussen 2015 en 2025 met ruim 4,5% afgenomen.
Het is niet mogelijk de bekostiging van scholen evenredig te korten met de daling van leerlingenaantallen, omdat niet de volledige bekostiging afhankelijk is van het aantal leerlingen. Zo ontvangen scholen een vast bedrag per vestiging dat losstaat van het aantal leerlingen. Voor het deel van de bekostiging van het primair en voortgezet onderwijs dat wel leerlingafhankelijk is gebruikt OCW de Referentieraming. De Referentieraming telt en raamt elk jaar opnieuw het aantal leerlingen en studenten in het bekostigd onderwijs. Het aantal leerlingen in het bekostigd onderwijs volgt grotendeels dezelfde trend als het totale aantal personen in de bevolking voor de leerplichtige leeftijden, vanwege de leerplicht. De nieuwe raming wordt jaarlijks doorgerekend in de begroting. Als er op basis van de referentieraming minder leerlingen in het bekostigd onderwijs worden verwacht dan eerder is geraamd, wordt het leerlingafhankelijke deel in de begroting in het lopende jaren en voor de vijf jaren daarna evenredig naar beneden bijgesteld. Het vervolgonderwijs heeft de komende jaren ook te maken met dalende studentenaantallen, het beschikbare budget daalt op dezelfde wijze naar rato met het aantal studenten mee. Dit is ook verwerkt in de eerste suppletoire begroting van 2026.
|
Aantallen x 1.000 |
Leeftijd |
||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Jaar |
5 jaar |
6 jaar |
7 jaar |
8 jaar |
9 jaar |
10 jaar |
11 jaar |
12 jaar |
13 jaar |
14 jaar |
15 jaar |
16 jaar |
5–16 jaar |
|
2015 |
186 |
186 |
183 |
187 |
189 |
194 |
201 |
202 |
204 |
208 |
204 |
202 |
2.348 |
|
2016 |
186 |
187 |
187 |
184 |
187 |
189 |
195 |
202 |
203 |
205 |
209 |
205 |
2.340 |
|
2017 |
182 |
187 |
188 |
188 |
185 |
188 |
190 |
196 |
203 |
204 |
206 |
211 |
2.329 |
|
2018 |
180 |
183 |
188 |
189 |
189 |
186 |
189 |
191 |
197 |
204 |
205 |
207 |
2.310 |
|
2019 |
175 |
180 |
184 |
189 |
190 |
190 |
187 |
190 |
192 |
198 |
205 |
206 |
2.287 |
|
2020 |
180 |
177 |
181 |
185 |
190 |
191 |
192 |
188 |
191 |
193 |
199 |
206 |
2.272 |
|
2021 |
176 |
180 |
177 |
182 |
186 |
191 |
192 |
192 |
189 |
192 |
194 |
200 |
2.251 |
|
2022 |
177 |
177 |
181 |
178 |
183 |
187 |
192 |
193 |
193 |
190 |
193 |
195 |
2.239 |
|
2023 |
176 |
180 |
179 |
184 |
181 |
186 |
190 |
195 |
196 |
196 |
192 |
196 |
2.251 |
|
2024 |
175 |
178 |
181 |
181 |
185 |
182 |
187 |
191 |
196 |
197 |
198 |
194 |
2.245 |
|
2025 |
176 |
176 |
179 |
182 |
182 |
187 |
183 |
189 |
192 |
197 |
199 |
200 |
2.242 |
|
Verschil 2015–2025 |
– 5,46% |
– 5,41% |
– 2,44% |
– 2,48% |
– 3,56% |
– 3,95% |
– 8,87% |
– 6,74% |
– 5,83% |
– 5,28% |
– 2,43% |
– 1,35% |
– 4,51% |
11.
In het voortgezet onderwijs lijken steeds meer medewerkers te werken voor steeds minder leerlingen. Hoe heeft deze verhouding zich de afgelopen generatie ontwikkeld? Hoe verklaart de regering deze ontwikkeling? Is sprake van meer staf en management, maar ook van meer facilitaire medewerkers? Is deze ontwikkeling wenselijk? Welke maatregelen neemt de regering al, en welke is zij voornemens nog extra te nemen?
In het voortgezet onderwijs is de afgelopen tien jaar het aantal leerlingen met 6%, het aantal leraren met 1% en de schoolleiding met 16% gedaald. Het aantal onderwijsondersteuners is toegenomen met 26%. Deze stijging komt grotendeels door de stijging van het aantal onderwijsassistenten. Het aantal onderwijsassistenten is in deze periode verdubbeld van 2.500 naar 5.200. Deze stijging is met name het gevolg van de inzet van Nationaal Programma Onderwijs (NPO)-middelen. Scholen hebben in extra ondersteuning kunnen voorzien om corona-achterstanden weg te werken. Dit personeel wordt voornamelijk ingezet in het primaire proces. De verhoudingen tussen en binnen scholen kunnen hierbij sterk verschillen.
Het uitgangspunt is de kwaliteit van het onderwijs. De inzet van meer onderwijsassistenten kan bijdragen aan deze kwaliteit en kan ook de werkdruk van leraren verminderen. Besturen hebben zelf de verantwoordelijkheid te zorgen voor goed onderwijs op basis van de lumpsum. Het staat hen daarin vrij keuzes te maken over de invulling van het personeelsbeleid. We hebben op dit moment geen signalen dat de inzet van middelen te weinig terechtkomt in het primaire proces.
|
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
|
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
VO |
2.498 |
2.665 |
2.731 |
2.815 |
2.883 |
3.070 |
3.310 |
3.884 |
4.452 |
4.782 |
5.190 |
12.
Zijn Nederlandse hogescholen procentueel meer gaan uitgeven aan onderzoek? Hoe heeft dit zich de laatste (tien) jaren ontwikkeld? Hoe verhoudt dit aandeel zich tot dat van Nederlandse universiteiten? In hoeverre is deze ontwikkeling op hogescholen ten koste gegaan van budgetten en capaciteiten voor het geven van onderwijs? Welke hogescholen geven als percentage van hun begroting het meest uit aan onderzoek? Lijkt het de regering wenselijk voor hogescholen een maximumgrens te gaan hanteren, om zo ook het verschil met universiteiten te markeren?
In de monitor praktijkgericht onderzoek19 staat hoeveel hogescholen uitgeven aan praktijkgericht onderzoek. Tussen 2014 en 2024 zijn de middelen voor praktijkgericht onderzoek toegenomen van circa € 172 in miljoen in 2014 naar € 352 miljoen in 2022 en naar € 511 miljoen in 2024 (inclusief middelen uit de 2e en 3e geldstroom). Hiermee hebben hogescholen de afgelopen tien jaar een steeds grotere bijdrage geleverd aan onderzoek, innovatie en aansluiting van het onderwijs op de (regionale) arbeidsmarkt en beroepspraktijk.
De rijksbijdrage die hogescholen ontvangen voor onderzoek wordt door de hogescholen aangevuld met middelen die bestemd zijn voor onderwijs (rijksbijdrage onderwijs). In 2024 ging het om een aanvulling vanuit het onderwijsdeel van € 90 miljoen (2,3%), van de in totaal € 3,9 miljard aan ontvangen rijksbijdrage voor onderwijs. In 2023 was dit € 76 miljoen (1,9%).
Er wordt niet bijgehouden welke hogescholen het meeste uitgeven aan onderzoek als percentage van hun begroting. De bekostiging die hogescholen en universiteiten ontvangen is door de Wet op het hoger onderwijs bestedingsvrij. Daarom is een maximumgrens niet mogelijk. De totale investering vanuit de rijksbijdrage aan praktijkgericht onderzoek bij hogescholen was in 2024 € 288 miljoen. Dit is ongeveer 6% van de totale bekostiging van hogescholen. Bij universiteiten is voor onderzoek ongeveer 40% van de totale rijksbijdrage beschikbaar. Over de precieze besteding door universiteiten aan wetenschappelijk onderzoek uit de ontvangen bekostiging is geen nadere informatie beschikbaar. De rijksbijdrage die universiteiten ontvangen is namelijk bestedingsvrij. In de praktijk lopen onderwijs- en onderzoekstaken door elkaar heen, en uitgaven worden niet toegerekend aan één van beide taken.
13.
In hoeverre zijn medewerkers in de sectoren onderwijs, cultuur en wetenschap gecompenseerd voor de inflatie van de afgelopen jaren? Wil de regering dit aanvullen tot volledige compensatie?
In onderstaande grafiek staan de gemaakte loonafspraken («contractloonontwikkeling») en de inflatie van de afgelopen jaren.

Bron: De onderwijssectoren zijn samengestelde reeksen op basis van de loonafspraken uit de cao’s. Voor po is dit inclusief het dichten van de loonkloof in 2022 (ca 9%) en voor mbo en hbo inclusief nominale loonstijgingen in 2023 (resp. ca 2,4% en 3,6%). De overige reeksen zijn gebaseerd op CPB-data.
Overheids- en onderwijssectoren krijgen een jaarlijkse kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling. Ook loongevoelige subsidies aan bijvoorbeeld de kunst- en mediasector worden hiermee verhoogd. Het doel van die bijdrage is dat de overheid de ontwikkeling in de markt kan volgen; daarbij bestaat geen directe koppeling met inflatie. In de markt wordt via het loon ook niet zonder meer gecompenseerd voor de inflatie. Bijvoorbeeld omdat hogere prijzen ook voor bedrijven de ruimte voor loonontwikkeling verminderen. Of om een zogenaamde loon-prijsspiraal te voorkomen.
Het is aan werkgevers en werknemers om met de financiële ruimte vervolgens afspraken te maken over loonstijging. De afgelopen 10 jaar was de cumulatieve contractloonontwikkeling van alle onderwijssectoren per saldo hoger dan de inflatie.
14.
Hoeveel besparing zou opname van (de collectie van) het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in het Nationaal Archief naar schatting van de regering opleveren? Zou de regering deze en vergelijkbare efficiency-opties binnen haar verantwoordelijkheidsdomein willen overwegen, en de Kamer over de uitkomst afzonderlijk willen informeren?
Om meerdere redenen zien wij niet dat opname van de collectie van het NIOD in het Nationaal Archief (NA), of andere vergelijke efficiency-opties binnen ons verantwoordelijkheidsdomein tot besparingen zullen leiden. Het gaat namelijk om een verschuiving van taken en capaciteit voor bewaring, beheer en dienstverlening, niet om een vermindering. Het valt niet te verwachten dat de belangstelling voor deze archieven minder zal zijn als deze ondergebracht worden bij het Nationaal Archief. De beschikbaarstelling van oorlogsarchieven dient ook in dat geval even zorgvuldig te blijven gebeuren.
Daarnaast is het NIOD ook een wetenschappelijk onderzoeksinstituut met een centrale rol in nationaal en internationaal (Holocaust)onderzoek. De collectie van het NIOD ligt inhoudelijk dicht bij hun onderzoeksgebied. Ook herbergt het NIOD de hoofdzetel van EHRI-ERIC, een internationale onderzoeksinfrastructuur gericht op Holocaustonderzoek. Het internationaal ontsluiten van historische bronnen is een kerntaak van EHRI-ERIC, wat vraagt om een nauwe band met de collectie en expertise van het NIOD.
De internationale onderzoeksfunctie van het NIOD past niet bij de taken waarmee het NA wettelijk belast is. Het NA is de archiefdienst van het Rijk. Het is de taak van het NA om de overgebrachte archieven van het Rijk duurzaam toegankelijk te maken en te houden en om deze ter beschikking te stellen. Het past niet bij het NA om de (internationale) onderzoeksfunctie van het NIOD over te nemen.
15.
Welke bezittingen heeft het Ministerie van OCW volgens de regering meer dan destijds stond vermeld in het rapport «Zicht op Rijksbezit» van de Algemene Rekenkamer?20 Zijn er meer bezittingen dan in het rapport aan te duiden en/of is de waarde toegenomen? Welk afwegingskader hanteert de regering om te bepalen welke bezittingen kunnen worden verkocht of anderszins afgestoten? Voor welke waarde verkoopt het ministerie jaarlijks aan bezittingen? Ziet de regering mogelijkheden dit uit te breiden?
De agentschappen van OCW, Nationaal Archief en Dienst Uitvoering Onderwijs, hanteren het baten-lastenstelsel, waardoor de bezittingen van deze agentschappen zijn opgenomen in de informatievoorziening in de balans en toelichting daarop. Dit is te vinden in de agentschapsparagraaf die is aangehecht bij het departementale jaarverslag. OCW heeft geen zicht op bezittingen die niet genoemd zijn in het rapport van de Algemene Rekenkamer.
Wij hebben geen jaarlijkse opbrengsten als gevolg van de verkoop van bezittingen.
Leerresultaten
16.
Functioneel analfabetisme onder middelbare scholieren is de afgelopen decennia toegenomen. In hoeverre is deze achteruitgang van onderwijsresultaten volgens de regering te wijten aan immigratie? Hoe groot was de achteruitgang bij autochtone leerlingen en studenten? Welke extra maatregelen wil de regering voor de onderscheiden groepen nemen? Hoe kan worden voorkomen dat leerlingen met achterstanden anderen negatief beïnvloeden?
Op basis van het internationaal vergelijkende PISA-onderzoek weten we dat leerlingen die thuis meestal een andere taal spreken gemiddeld lagere leesvaardigheidsscores halen dan leerlingen die thuis meestal Nederlands spreken. Deze cijfers vragen echter om nuancering: taalvaardigheid hangt sterk samen met de sociaaleconomische achtergrond van een gezin. Wanneer hier rekening mee wordt gehouden, worden eerdergenoemde verschillen kleiner. Er is geen bewijs dat Nederlandstalige leerlingen slechter presteren in meertalige klassen.
Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van álle leerlingen. Daarnaast investeert het kabinet extra in kinderen met een groter risico op een achterstand met behulp van voorschoolse educatie en extra financiering aan scholen met een leerlingenpopulatie met een groter risico op een onderwijsachterstand.
17.
Tussen 1981 en 2021 is het percentage met hoogopgeleiden toegenomen van 11% naar 35%.21 Hoe verklaart de regering dit? Voor welk deel komt dit door emancipatie, met name meer kansen op toegang voor vrouwelijke en andere groepen studenten? Is daarnaast ook sprake geweest van «inflatie»: zijn studies makkelijker geworden? Wat wil de regering doen om studies (weer) moeilijker te maken?
Het percentage hoger opgeleiden is inderdaad toegenomen. Groepen die vroeger minder vaak door gingen leren zoals vrouwen of jongeren uit lagere inkomensgroepen zijn meer gaan deelnemen aan het hbo en wo.22 Er is hier niet één algemene verklaring voor. De invoering van het recht op studiefinanciering heeft onder andere de toegankelijkheid vergroot. Ook is onze economie sinds 1980 veranderd, we zijn meer een kennisland dan een maakland geworden. Dit zorgt ervoor dat in de loop van de tijd werkgevers om andere vaardigheden zijn gaan vragen en de vraag naar hbo- en wo-geschoolden is toegenomen. Vacatures die tot stand komen door de uitbreiding van bedrijvigheid doen in grotere mate een beroep op hoger opgeleiden dan vroeger vanwege de hogere complexiteit van bedrijfsactiviteiten.
De suggestie dat opleidingen makkelijker zijn geworden blijkt niet uit onderzoeken naar de vaardigheden van studenten en afgestudeerden. Indicatoren ten aanzien van de kwaliteit van het Nederlands hoger onderwijs geven evenmin aanleiding om te veronderstellen dat studies «makkelijker» zijn geworden (IBO, talent op de juiste plek23). Wij herkennen dit beeld dus niet.
18.
De indruk bestaat dat steeds minder hogeronderwijsopleidingen verplichte jaarlijkse boekenpakketten voorschrijven. Heeft de regering hier zicht op? Welke verklaringen heeft de regering voor deze ontwikkeling, vindt zij deze (on)wenselijk en wil zij maatregelen nemen?
Hier is vanuit de overheid geen zicht op. Het is aan de instelling c.q. opleiding zelf om de inhoud van het onderwijs, waaronder het benodigde en meest passende studiemateriaal, te bepalen.
19.
Hoeveel is het lezen (en schrijven) binnen hogeronderwijsinstellingen het afgelopen decennium afgenomen? Hoe houdt de regering daar zicht op? Deze leden hebben ook de indruk dat meer dan in het verleden in het kader van opleidingen gevraagd wordt om audiovisuele producten te gebruiken en te maken. Deelt de regering de mening dat dit onwenselijk is? Wat doet de regering om leesbevordering,24 bibliotheekbezoek en schrijven binnen het curriculum van hogeronderwijsinstellingen te stimuleren? Ziet zij mogelijkheden deze inspanningen uit te breiden?
Wij hebben geen zicht of het lezen is afgenomen binnen het hbo en wo. Leesbevordering is geen wettelijke taak van hogescholen en universiteiten. Wij houden hier geen toezicht op omdat in principe het niveau wat betreft de Nederlandse taalbeheersing geborgd wordt door het havo- en vwo-diploma dat benodigd is om deel te kunnen nemen aan een opleiding op het hbo of wo. Het is aan de instelling hoe zij hun onderwijs vormgeven inclusief hun curriculum en onderwijsmateriaal.
20.
Hoeveel procent van de begrotingen van het hoger onderwijs wordt uitgegeven aan docenten? Hoe ontwikkelt dit percentage zich? Wat wil de regering extra doen om dit (verder) te laten stijgen?
In het hbo is in 2024 ongeveer 79% van de totale lasten uitgegeven aan personeelslasten. Dit percentage is in de periode 2020 t/m 2024 stabiel gebleven. Van het personeel is ongeveer 63% docent. Dit percentage is ook in de periode 2020 t/m 2024 nagenoeg gelijk gebleven. In het wo is in 2024 ongeveer 72% van de totale lasten uitgegeven aan personeelslasten. Dit percentage is ook nagenoeg gelijk gebleven in de periode 2020 t/m 2024.
Van het personeel in het wo is ongeveer 59% wetenschappelijk personeel. Dit betreft de functiecategorieën universitair (hoofd)docent, hoogleraren, overig wetenschappelijk personeel, en promovendi. Dit percentage is gelijk gebleven in de afgelopen jaren. Vanwege de verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek is niet exact aan te geven hoeveel procent hiervan specifiek aan doceren wordt besteed. Deze cijfers zijn gebaseerd op de jaarverslaggegevens van de instellingen en overzichten van Universiteiten van Nederland en Vereniging Hogescholen.
De onderwijsinstellingen ontvangen lumpsum bekostiging en hebben hierbij bestedingsvrijheid. Hieronder valt ook het personeelsbeleid.
|
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
Hbo |
79% |
79% |
79% |
79% |
79% |
|
Wo |
71% |
72% |
71% |
71% |
72% |
|
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
Hbo |
– |
64% |
64% |
63% |
63% |
|
Wo |
59% |
59% |
59% |
59% |
59% |
21.
Heeft de regering zicht op de cijfers die worden gegeven voor scripties? Is sprake van een langere trend van steeds hogere beoordelingen, zoals door sommigen van universiteiten in de Verenigde Staten wordt beweerd? Hoe verklaart de regering de haar bekende trends in Nederland? Deze leden hebben ook de indruk dat, waar vroeger bij het verkrijgen of verlengen van accreditatie vaak scriptiebeoordelingen werden getoetst door docenten of hoogleraren van andere hogescholen of universiteiten, met als doel te bepalen of niet te makkelijk een voldoende werd gegeven, dit nu in de regel niet meer plaatsvindt. Herkent de regering het geschetste beeld? Is het mede hierdoor makkelijker geworden een voldoende voor een scriptie te krijgen? Hoe houdt de regering toezicht op het feitelijke niveau van eindscripties? Welke maatregelen wil de regering nemen om de eisen aan scripties (weer) te verhogen?
In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn de aspecten opgenomen aan de hand waarvan de kwaliteit van een opleiding wordt beoordeeld. Eén van deze aspecten is het gerealiseerde eindniveau. Een onafhankelijke commissie van deskundigen (het panel) beoordeelt het eindniveau tijdens de visitatie, door eindwerken van de opleiding en de beoordeling daarvan te bekijken. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) stelt vervolgens vast of het oordeel van dit panel aan de eisen voor het verlenen c.q. behouden van accreditatie voldoet.
Wij zijn niet bekend met een longitudinaal onderzoek naar de beoordelingen van scripties en hebben uit de ons wel beschikbare informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de eisen die aan eindwerken worden gesteld.
22.
Sommige hogeronderwijsinstellingen bieden de mogelijkheid om twee studies te voltooien in slechts één jaar extra tijd. Doordat sommige vakken voor beide studies nodig zijn om het diploma te behalen en voor beide studies meetellen, hoeft voor twee diploma’s niet tweemaal zoveel te worden geleerd. Herkent de regering dit? Vindt de regering deze praktijk wenselijk? Wat wil de regering hiertegen doen?
Een opleiding bestaat uit vakken die tezamen het curriculum vormen. Het curriculum en de leerdoelen van een opleiding zijn vastgelegd in het Onderwijs- en examenreglement. Binnen het curriculum hebben studenten doorgaans de optie om bepaalde onderdelen van een opleiding naar keuze te volgen, denk aan bijvoorbeeld minoren of keuzevakken. Studenten hebben hiermee de vrijheid om een opleiding te volgen die goed aansluit bij hun persoonlijke interesses en ambities. De examencommissie van de opleiding bepaalt of de student de leerdoelen van die opleiding heeft behaald en geeft het diploma af. De leerdoelen, en daarmee het curriculum, van verschillende opleidingen kunnen overlap hebben. Het kan zo zijn dat – door de verwantschap tussen opleidingen – studenten bepaalde vakken van de ene opleiding kunnen gebruiken voor het behalen van leerdoelen van een andere opleiding. Hierdoor kan een student in relatief korte tijd twee opleidingen afronden. Aangezien de student hiermee de leerdoelen van beide opleidingen heeft bereikt, is er geen aanleiding om deze praktijk te wijzigen.
23.
In het Nederlandse voortgezet en hoger onderwijs wordt veel stage gelopen en vormen leerwerk- en leerarbeidsplaatsen bij sommige opleidingen een aanzienlijk deel van het curriculum. Sommige opleidingen bestaan voor bijna de helft uit werken bij een bedrijf of overheid. Dit leert leerlingen en studenten uiteraard werken, maar zij leren minder binnen hun opleiding. Toch krijgen zij hetzelfde diploma als in opleidingen die (bijna) geheel uit lessen bestaan. (Hoe) houdt de regering hier toezicht op? Hoe garandeert de regering dat leerlingen en studenten binnen hun opleiding voldoende leren? Hoe garandeert de regering dat voor diploma’s van verschillende opleidingen een vergelijkbare hoeveelheid lesstof wordt beheerst? Is de regering bereid te onderzoeken of een maximum aan het opdoen van werkervaring moet worden ingesteld?
Er zijn verschillende routes om tot hetzelfde diploma te komen. In het voortgezet -en vervolgonderwijs gebeurt dit vaak in een combinatie van leren op de werkplek en leren in een onderwijsinstelling. Bij leren op de werkplek zoals bij stages gaat het expliciet ook om leren en dus niet om werken. Leren op school en leren in de praktijk dragen beide bij aan het behalen van dezelfde leerdoelen en dus hetzelfde diploma.
Zo bestaan in het mbo verschillende leerwegen, zoals de beroepsopleidende leerweg (BOL) en de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). De onderwijsinstelling is uiteindelijk verantwoordelijk voor de examinering en diplomering van beide leerwegen, de Inspectie van het Onderwijs houdt daar toezicht. Dat is voor zowel BOL als BBL hetzelfde omdat ze dezelfde kwalificatie-eisen en hetzelfde diploma hebben.
Ook in het voortgezet onderwijs lopen leerlingen regelmatig stage, maar voor slechts een klein deel van de leerlingen is een stage een verplicht onderdeel van het curriculum: namelijk voor leerlingen die een leerwerktraject in de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo volgen en de leerlingen die de entreeopleiding in het vmbo volgen. Voor beide categorieën geldt dat de leerlingen aan de reguliere examenprogramma’s (de eisen per vak wat je moet kennen en kunnen) moeten voldoen. De Inspectie van het Onderwijs houdt in het (v)mbo toezicht op de kwaliteit. De inspectie controleert of opleidingen voldoen aan de eisen en of studenten het vereiste niveau behalen.
In het hbo en wo wordt periodiek de kwaliteit beoordeeld door onafhankelijke deskundigen. Hierbij wordt beoordeeld of de leerresultaten passen bij het niveau van de opleiding en of met de (inrichting van de) opleiding de beoogde leerresultaten worden behaald. Onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van deze opleidingen zijn ook de studielast, de studeerbaarheid (hoe goed een opleiding voor studenten haalbaar en uitvoerbaar is binnen de nominale studieduur) en het studieprogramma.
Een maximum aan werkervaring is in het voortgezet- en vervolgonderwijs is daarom niet nodig: het gaat hier in alle gevallen om verschillende routes naar hetzelfde eindniveau.
24.
Hoe heeft het percentage leerlingen dat op middelbare scholen in een klas of jaar blijft zitten zich de afgelopen decennia ontwikkeld? Is dit percentage gedaald? Hoe verklaart de regering dit? Welke ontwikkelingen zijn onwenselijk? Welke maatregelen neemt de regering al? Welke extra maatregelen wil de regering nemen?
Jaarlijks monitort DUO het aantal zittenblijvers in het voortgezet onderwijs (vo).
Het beeld daarvan is de afgelopen jaren relatief stabiel met een enkele trendbreuk in 2020 in verband met Covid-19, zie onderstaande tabel. Het blijft echter belangrijk om bepaalde ontwikkelingen te monitoren, zoals de positie van meiden en van leerlingen met een lage sociaal economische status (SES). Meiden zitten in leerjaar 3 bijvoorbeeld vaker boven en minder vaak onder hun schooladvies dan jongens: meiden lopen hier een eerdere onderschatting van capaciteiten in. Leerlingen met een lage SES doubleren in de onderbouw van het vo meer dan twee keer zo vaak dan leerlingen met een hoge SES. Ook komen zij vaker in het derde leerjaar van het vo onder hun schooladvies uit. Dit suggereert dat SES een rol speelt in de mogelijkheid van leerlingen om in het vo hun potentie waar te maken.
Het is voor dit kabinet van belang dat leerlingen in het vo voldoende ruimte hebben om van onderwijstype te wisselen en dat zij voldoende ondersteuning krijgen om hun talenten te ontdekken. Daar werkt dit kabinet de komende jaren aan. De genoemde ontwikkelingen houden we met monitoring en evaluatie in de gaten. Ondertussen kunnen scholen binnen de kaders die er zijn, zorgen voor ruimte en flexibiliteit in de onderwijsloopbanen van leerlingen, bijvoorbeeld met tweejarige dakpanklassen. Het kabinet wil hier ook structureel extra in gaan investeren en komt voor de zomer met een brief waarin het kabinet nader toelicht wat we met deze ambitie gaan doen.
|
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
5,23% |
5,80% |
6,20% |
6,32% |
5,76% |
5,51% |
5,21% |
5,16% |
5,42% |
5,71% |
5,91% |
3,29% |
5,95% |
6,09% |
6,53% |
6,10% |
6,00% |
25.
In het afgelopen decennium lijkt in het (wetenschappelijk) onderwijs een toename te zijn geweest van groepsopdrachten. Heeft de regering hier goed zicht op? In welke opzichten en in hoeverre heeft de toename van groepsopdrachten de kwaliteit van het onderwijs en het kennisniveau van leerlingen en studenten positief of negatief beïnvloed? Hoe verklaart de regering de geconstateerde effecten? Welke middelen en bevoegdheden heeft zij om ongewenste effecten te verminderen? Wil zij meer wettelijke bevoegdheden en, zo ja, welke?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun onderwijs, waarin zij de ontwikkelingen in de maatschappij en in het beroepenveld vertalen. Landelijk wordt niet bijgehouden op welke manier de toetsing binnen opleidingen is georganiseerd. Van alle in het hbo en wo aangeboden opleidingen wordt periodiek de kwaliteit beoordeeld door onafhankelijke deskundigen in het kader van het accreditatieproces. Onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van deze opleidingen is ook of de toetsing van de opleiding adequaat is en of het beoogde eindniveau wordt behaald. Er is geen aanleiding om de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden op dit punt te wijzigen.
26.
De leden van de BBB-fractie merken op dat voor veel hogeschool- en universitaire opleidingen het momenteel geen eis is dat op de middelbare school het betreffende vak is gevolgd, noch dat daarvoor een hoog gemiddeld eindcijfer is behaald. Zo kan bijvoorbeeld worden ingeschreven voor de studie economie zonder eindexamen te hebben gedaan in economie en zonder dat daarvoor ten minste een 7,5 is behaald. Herkent de regering dit beeld en wat vindt zij van deze situatie? Wat is de regering bereid te doen om vaker en hogere toelatingseisen voor vervolgonderwijs in te voeren?
Wij herkennen niet het door de leden van de fractie van de BBB geschetste beeld over de toelatingseisen. Wel klopt het dat het voor bachelor- en associate degree (hierna: ad) opleidingen in het hbo en wo niet is toegestaan om te selecteren op basis van cijfers, zoals in de vraag wordt gesteld. De reden hiervoor is dat in het Nederlandse onderwijssysteem als uitgangspunt geldt dat het diploma van de vooropleiding voldoende zekerheid biedt over de benodigde basisvaardigheden en -kennis van aspirant-studenten. Sommige opleidingen hanteren naast diploma-eisen nog nadere vooropleidingseisen. Bijvoorbeeld de eis dat een bepaald profiel onderdeel was van het examen van de vooropleiding van een aspirant-student. Deze eisen zijn vastgelegd in de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs. Het is aan opleidingen zelf om na te gaan of, en zo ja welke, nadere vooropleidingseisen gehanteerd moeten worden, zodat de juiste voorkennis aanwezig is voor het succesvol doorlopen van de opleiding. Zij kunnen immers op basis van hun curriculum hier zelf de beste inschatting van maken. Deze inrichting past ons inziens bij een toegankelijk stelsel, waarin hogescholen en universiteiten leerlingen met verschillende achtergronden (uit zowel het vo als het mbo) ontvangen en begeleiden. Wij zien geen aanleiding om hier verandering in te brengen.
Internationalisering
27.
Wat wordt bedoeld met en waarom verviervoudigt het «Reisproduct buitenland studerenden» tot 2030?25
Het reisproduct buitenland studerenden (RBS) is bedoeld voor studenten die Nederlandse studiefinanciering ontvangen en (tijdelijk) in het buitenland gaan studeren. De student kan dan een ov-vergoeding ontvangen (RBS) in plaats van het studentenreisproduct. De financiële vergoeding is qua waarde gelijk aan het studentenreisproduct.
In het coalitieakkoord van het kabinet Schoof was opgenomen dat het RBS afgeschaft werd. Uiteindelijk is gebleken dat dit juridisch niet haalbaar was. In de tabel op pagina 21 in de ontwerpbegroting is daarom een reeks opgenomen die dient als alternatieve dekking voor het niet afschaffen van het RBS. De kosten hiervan lopen in de eerste vier jaar op vanwege de prestatiebeurssystematiek die geldt voor studiefinanciering en worden dus niet veroorzaakt door een stijging in het gebruik van het product. De kosten van de prestatiebeurs (basisbeurs, aanvullende beurs en dus ook voor het studentenreisproduct of ov-vergoeding) worden pas gemaakt op het moment de student de opleiding heeft afgemaakt. Dan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift, en drukken de kosten op de begroting. De kosten groeien langzaam in en zijn structureel nadat er vier studiejaren (de vaakst voorkomende duur van een opleiding) zijn verstreken.
28.
In de begroting wordt vrij abstract geschreven over «grip op internationale studenten».26 Is in de afgelopen jaren het aantal respectievelijk het percentage studenten van buiten de EU teruggelopen? Bij welke opleidingen en in welke studentensteden heeft de reductie vooral plaatsgevonden? Welke maatregelen vanuit het Rijk hebben dit vooral veroorzaakt? Wat wil de regering nog meer doen om het aantal en percentage niet-EU-studenten te reduceren?
Uit cijfers van DUO27 blijkt dat in de afgelopen vijf jaar zowel het absolute aantal studenten van buiten de EER als hun aandeel in de totale studentenpopulatie is toegenomen. Het aantal niet-EER-studenten bedroeg 24.126 in 2020 en is ieder jaar gestegen tot 34.875 in 2025. Dit komt neer op een groei van circa 44,5% over deze periode. Ook het aandeel niet-EER-studenten in de totale studentenpopulatie is in deze periode jaarlijks gestegen: van 3,0% in 2020 naar 4,5% in 2025. Er is dus geen sprake van een daling, maar van een gestage toename, zowel in absolute zin als relatief.
Het is van belang deze groei in perspectief te plaatsen. Studenten van buiten de EER vormen een minderheid van de totale groep internationale studenten: in 2025 is 26,8% van de internationale studenten afkomstig van buiten de EER. De instroom van internationale studenten uit de EER is de afgelopen jaren juist sterk afgenomen, van 30.040 in 2021 naar 25.541 in 2025, een daling van circa 15%. Als gevolg hiervan is het totaal aantal ingeschreven internationale studenten (EER + niet-EER) in 2025 voor het eerst gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar, van 130.303 in 2024 naar 130.187 in 2025.
Kijkend naar de verdeling van niet-EER-studenten over opleidingssectoren, is zichtbaar dat de groei van deze groep studenten zich in de afgelopen vijf jaar in brede zin in alle sectoren heeft voorgedaan. Specifiek in het afgelopen jaar valt met name de technieksector op. Het aantal niet-EER-studenten in deze sector steeg van 7.902 in 2024 naar 8.747 in 2025, een groei van circa 10,7%. Er zijn geen algemeen beschikbare cijfers die specifiek inzicht geven in de ontwikkeling van het aantal niet-EER-studenten per studentenstad. Wel publiceert Nuffic gegevens over het totale aantal internationale studenten (zonder onderscheid naar EER en niet-EER) via een interactief dashboard.28
Er zijn geen specifieke beleidsmaatregelen aan te wijzen die een aantoonbaar causaal effect hebben gehad op de inschrijfcijfers van niet-EER-studenten. Wel hebben instellingen afgesproken in hun zelfregie om niet langer breed te werven, maar alleen nog gericht en specifiek gericht (voor tekortsectoren). Ook hebben zij onderling capaciteitsbeperkingen afgesproken, in het geval van universiteiten voor het totale aantal internationale studenten en in het geval van hogescholen voor anderstalige opleidingen in het economische domein. Verder werken instellingen al geruime tijd aan zelfregie op het thema internationalisering, waarbij zij onder meer afspraken hebben gemaakt over anderstalige opleidingen, huisvesting en het verbeteren van de blijfkans van internationale studenten, bijvoorbeeld door middel van het aanbieden van Nederlandse taallessen. Het kabinet wil met instellingen afspraken maken over internationale studentenstromen en werkt daarnaast aan de Wet Internationalisering in Balans (WIB). Voor de volledigheid is het van belang op te merken dat niet-EER-studenten relatief vaker in Nederland blijven na hun afstuderen dan EER-studenten, en ook relatief vaak studeren in tekortsectoren.29
29.
Voor veel buitenlandse studenten lijkt een studie in Nederland een tweede of derde keus, constateren de leden van de fractie van de BBB. Daardoor lijkt de binding met en latere bijdrage aan (de economie van) ons land minder waarschijnlijk. Heeft de regering zicht op de motivaties van buitenlandse studenten om naar Nederland te komen? Welke maatregelen bevorderen dat Nederland later meer aan deze studenten zal hebben? Welke extra maatregelen wil de regering nemen? Zou ook meer geselecteerd moeten worden op «Nederland als eerste keus», bijvoorbeeld door het vragen om een motivatiebrief en het aantonen van eerdere interesse voor Nederland?
Nuffic onderzocht in 2024 de invloed van macro-factoren op diploma-mobiliteit in het onderwijs30. Daaruit blijkt onder andere dat er een verband is tussen de instroom van internationale studenten en de relatief hoge posities van Nederlandse instellingen in internationale rankings. Ook komen er vooral studenten uit landen met hoge en middelhoge inkomens. Later dit jaar beoogt Nuffic een onderzoek te publiceren naar de individuele motivaties van studenten om naar Nederland te komen.
In het kader van zelfregie werken hogescholen en universiteiten aan maatregelen om de blijfkans van internationale studenten te verhogen. Het gaat daarbij onder andere om het aanbieden van meer Nederlandse taallessen en het verbinden van studenten aan de regionale arbeidsmarkt. Het kabinet waardeert het feit dat instellingen hierin meer verantwoordelijkheid tonen.
In het geval dat opleidingen hun studenten selecteren vanwege een capaciteitsbeperking (numerus fixus), dan is het aan instellingen zelf om hun selectieprocedures vorm te geven. In de WHW is bepaald dat selectie voor bacheloropleidingen met een numerus fixus uitsluitend kan plaatsvinden op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria, loting, of een combinatie daarvan. Bij de vormgeving van selectieprocedures is het van belang dat de selectiecriteria aansluiten op de inhoud van de opleiding. Kwalitatieve criteria zeggen iets over de kwaliteiten (kennis en vaardigheden) van een aspirant-student, zoals cognitieve vaardigheden, motivatie, relevante werkervaring, visie en verwachting van de opleiding of vakkennis. Opleidingen zouden in theorie ook de motivatie van studenten om te kiezen voor de Nederlandse arbeidsmarkt kunnen meewegen, naast ten minste nog een ander kwalitatief criterium. Bijvoorbeeld wanneer het opleidingen betreft met een sterke relatie met het werkveld in Nederland. Het is echter binnen het stelsel van decentrale selectie aan instellingen zelf om hun selectieprocedure vorm te geven. Het Ministerie van OCW heeft niet de intentie om voor te schrijven dat de interesse voor Nederland een verplicht onderdeel van selectieprocedures wordt.
30.
In welke landen ontvangen Nederlandse studenten die daar een opleiding volgen geen studiefinanciering, terwijl studenten uit diezelfde landen die in Nederland een opleiding volgen dat wel van de Nederlandse overheid krijgen? Uit welke van deze landen ontvangt Nederland, proportioneel naar de omvang van de bevolking, veel meer studenten dan andersom? Welke maatregelen wil de regering nemen om wederkerigheid met deze landen te vergroten?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over Nederlandse studenten die tijdens hun studie in het buitenland studiefinanciering ontvangen van het land waar zij studeren, omdat er geen gegevenswisselingen tussen DUO en buitenlandse overheden hierover plaatsvinden. De verwachting is echter dat slechts een zeer beperkte groep hiervan gebruik maakt. Nederlandse studenten kunnen hun studiefinanciering namelijk, onder voorwaarden, meenemen naar het buitenland (meeneembare studiefinanciering). Daarnaast is Nederlandse studiefinanciering in de meeste gevallen ruimer dan buitenlandse regelingen en is cumulatie van studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 verboden. Een student die studiefinanciering meeneemt, mag dus geen gebruik maken van buitenlandse studiefinanciering tijdens zijn/haar verblijf daar.
EER-studenten die in Nederland studeren kunnen onder specifieke voorwaarden aanspraak maken op Nederlandse studiefinanciering. Dit is mogelijk wanneer zij langdurig in Nederland verblijven31 of wanneer zij kwalificeren als migrerend werknemer.32 Van de EER-studenten die Nederlandse studiefinanciering ontvangen kan de nationaliteit niet worden achterhaald.
DUO registreert de nationaliteit van niet-Nederlandse studenten niet in het studiefinancieringssysteem, omdat dit gegeven niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor niet-EER-studenten geldt dat de voorwaarden voor het aanspraak maken op studiefinanciering strikter zijn dan voor EER-studenten. Het recht op studiefinanciering is afhankelijk van of niet-EER-studenten op grond van hun verblijfsstatus met Nederlanders gelijk worden gesteld.
Het is dus niet mogelijk om vast te stellen in welke landen Nederlandse studenten niet in aanmerking komen voor studiefinanciering, terwijl in Nederland studerende studenten uit diezelfde landen wel in aanmerking komen voor studiefinanciering. Het is daardoor ook niet mogelijk om vast te stellen of er bij dergelijke landen sprake is van een grotere inkomende dan uitgaande studentmobiliteit. Wel is in algemene zin bekend dat er meer EER-studenten naar Nederland komen om te studeren dan dat Nederlandse studenten naar andere EER-landen vertrekken. Nederland ontvangt de meeste internationale studenten uit de EER.33 Nederland zet zich daarom in internationale en Europese context in om tot gebalanceerde studentenmobiliteit te komen. Het kabinet wil hierover ook afspraken maken met instellingen, en werkt daarnaast aan de Wet Internationalisering in Balans.
31.
Hoe ontwikkelt het percentage Nederlandse studenten in volledig Engelstalige opleidingen op Nederlandse hogescholen en universiteiten zich? Hanteert de regering een bepaald maximum, zoals langdurig 70%, waarna zij afdwingt dat deze opleidingen niet meer in het Engels worden aangeboden?
Op dit moment bevat de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) geen definitie van een Nederlandstalige of anderstalige opleiding. Pas met het wetsvoorstel Internationalisering in Balans wordt een definitie geïntroduceerd. De Vereniging Hogescholen en de Universiteiten van Nederland monitoren het anderstalig opleidingsaanbod, maar gebruiken daarvoor momenteel beide een andere definitie van Nederlandstalig, anderstalig en tweetalig aanbod. Daarom is er momenteel geen landelijk overzicht van het anderstalige opleidingsaanbod en in aansluiting daarop ook geen zicht op het percentage Nederlandse studenten in volledig Engelstalige opleidingen. Het Ministerie van OCW hanteert daarbij geen maximum percentage voor Nederlandse studenten in anderstalige opleidingen, noch zijn wij voornemens dit te gaan doen.
32.
Waarom heeft Nuffic34 vestigingen buiten Nederland nodig? Hoeveel kosten deze? Hoe dragen deze bij aan het beleidsdoel om het aantal buitenlandse studenten in Nederland te reduceren? Hoeveel geld ontvangt Nuffic jaarlijks van de Europese Unie? Maakt dit de organisatie niet afhankelijk van de EU?
Nuffic heeft één vestiging in het buitenland: het kantoor in Jakarta. Dit kantoor wordt niet door OCW gefinancierd en dus zijn de kosten niet bij OCW bekend. Voor de taken van Nuffic die wél door OCW gefinancierd worden, geldt dat Nuffic rekening dient te houden met de kaders bij de invulling hiervan zoals verwoord in de Kaderbrief SLOA internationalisering 2025–2026 van het Ministerie van OCW.35 Daaronder valt ook dat Nuffic rekening moet houden met de beheersing van de instroom van internationale studenten in het hbo en wo, waar OCW aan werkt. In 2025 ontving Nuffic € 1,8 miljoen van de Europese Unie als het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training in Nederland niet wordt meegerekend. Het gaat dan om 9,1% van de totale inkomsten van Nuffic. Gezien dat percentage, zien wij geen reden tot zorg over de afhankelijkheid van Nuffic van de Europese Unie. Daarnaast ontving Nuffic € 5.9 miljoen vanuit de Europese Commissie als management fee voor het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training in Nederland. Als dit wordt meegerekend, ontvangt Nuffic 24,8% van haar inkomsten van de EU. Dat is een groter aandeel, maar hangt ook direct samen met het verrichten van een Europese taak.
33.
Draagt Nederland op basis van zijn bevolkingsomvang proportioneel bij aan het Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en de United Nations University (UNU)?36 Of staat in de betreffende verdragen een andere berekeningsmethode dan wel een vast percentage dat maakt dat Nederland boven proportioneel bijdraagt?
De contributie van Nederland aan het EUI komt neer op 5,8% van de totale bijdragen van de aangesloten landen. Om te bepalen of dit proportioneel is kan bijvoorbeeld gekeken worden naar het Bruto Binnenlands Product (BBP). Het BBP van Nederland bedraagt circa 6,5% van de cumulatieve BBP’s van de aangesloten landen.
Wat de United Nations University (UNU) betreft is in 1989 een jaarlijkse bijdrage van 1 miljoen gulden door Nederland afgesproken.37 Dit betreft een vaste bijdrage die jaarlijks wordt geïndexeerd en staat los van de bevolkingsomvang van Nederland. Het bedrag dat Nederland in 2026 betaalt is € 1,2 miljoen euro. Dit is ongeveer 4,7% van de totale bijdragen van de aangesloten landen van de UNU. Het BBP van Nederland bedraagt circa 5,9% van de cumulatieve BBP’s van de aangesloten landen. Ook de EU levert een bijdrage aan UNU, die bij deze berekening niet wordt meegerekend.
34.
Zijn Nederlandse universiteiten in de loop van de decennia minder onderzoek gaan doen naar de situatie en ontwikkelingen in Nederland zelf? In hoeverre heeft deze achteruitgang het Nederlandse onderwijs benadeeld, omdat minder over problemen en verbetermogelijkheden voor Nederland zelf les kon worden gegeven?
Binnen het Nederlandse onderzoeksstelsel wordt niet bijgehouden of de thema’s nationaal zijn. De (geografische) focus van het onderzoeksthema hoeft ook niet beperkend te werken in de toepassing van de kennis. Kennis opgedaan uit een onderzoek op een thema in bijvoorbeeld Duitsland, kan juist toegepast worden in de Nederlandse context, en visa versa. Omdat de focus in onderzoek niet wordt bijgehouden, weten we ook niet of en hoe dit doorwerkt in het onderwijs. Ook hier geldt dat onderzoek op vele verschillende manieren vertaald kan worden naar het onderwijs. Het is écht aan docenten zelf om het onderwijs vorm te geven. Docenten kunnen bij internationaal onderzoek of literatuur wel concrete voorbeelden en casussen gebruiken die betrekking hebben op de Nederlandse situatie. Steeds meer hogescholen en universiteiten zoeken de verbinding met de stad en de regio, zoals bij de City Deal Kennis Maken. In het hbo vindt het praktijkgericht onderzoek, en het daaraan verbonden onderwijs, vaak plaats in samenwerking met de beroepspraktijk die overwegend in Nederland is.
35.
Is er de afgelopen generatie sprake geweest van een achteruitgang van het aantal Nederlandse wetenschappelijke uitgeverijen en Nederlandstalige wetenschappelijke publicaties? Hoe sterk was deze en houdt deze nog aan? Vindt de regering dit wenselijk? Welke maatregelen neemt de regering reeds en wat wil zij extra doen?
Er vindt internationaal een proces van consolidatie van het aantal wetenschappelijke uitgeverijen plaats. De meest recente was de overname vorig jaar van Brill door De Gruyter. Er zijn nog enkele zelfstandige Nederlandse spelers: Amsterdam University Press (AUP), Boom Uitgevers, Eburon en SWP. In een poging die voortgaande consolidatie en commercialisering van het academisch publiceren tegen te gaan, wordt vanuit Open Science NL geprobeerd universiteiten te stimuleren om eigen institutionele uitgevers te beginnen. Afgelopen jaren hebben diverse universiteiten besloten tot dergelijke nieuwe universiteitsuitgevers. Zij hebben zich inmiddels gebundeld in het New University Presses Netherlands netwerk, en zij ontvingen daarvoor subsidie van Open Science NL.
Wat betreft ontwikkelingen ten aanzien van Nederlandstalige wetenschappelijke publicaties: cijfermatig is hier lastig iets over te zeggen doordat het ons aan bronnen voor dergelijke langjarige vergelijkingen ontbreekt. Zeker is dat de Nederlandse wetenschap afgelopen decennia steeds meer in het Engels is gaan publiceren. Dit komt doordat het Engels de gemeenschappelijke taal van de wetenschap is geworden. Wetenschap is van nature internationaal en dat vraagt om een gemeenschappelijke taal, kennis stopt niet bij de grenzen.
Beleid
36.
Waarom wordt in de begroting wel de informatievoorziening aan de Tweede Kamer beschreven, en niet die aan de Eerste Kamer?38 Wil de regering in volgende begrotingen waar relevant ook altijd de Eerste Kamer vermelden?
In de leeswijzer van de begroting wordt inderdaad het proces van informatievoorziening aan de Tweede Kamer middels de begroting beschreven, terwijl de begroting ook dient als informatievoorziening aan de Eerste Kamer. In het vervolg zal daar waar van toepassing ook de Eerste Kamer vermeld worden.
37.
Hoeveel zogenaamde «spookleerlingen» of «spookstudenten» zijn er volgens de Minister nog in het Nederlandse onderwijs? Neemt het aantal en percentage toe of af? Wat kosten spookstudenten/leerlingen de Nederlandse belastingbetaler in totaal? Hoe houdt de regering hier zicht op, en welke maatregelen neemt zij hiertegen?
De term «spookleerlingen en -studenten» is geen formeel begrip binnen onderwijs-beleid of -wetgeving. Dit kabinet heeft dus ook geen zicht op het aantal «spookleerlingen of -studenten» en dus ook niet op bijbehorende kosten. Wanneer gedoeld wordt op een leerling of student die wel ingeschreven staat bij een opleiding, hiervoor tegemoetkoming of studiefinanciering ontvangt (en de onderwijsinstelling bekostiging), maar afwezig is bij de lessen, dan bevatten de onderwijswetten verschillende mechanismen om ervoor te zorgen dat jongeren (terug) naar school gaan en het risico van ondoelmatige overheidsbestedingen beperkt wordt.
Zo verplichten de onderwijswetten onderwijsinstellingen om (langdurig) ongeoorloofd verzuim van bepaalde doelgroepen te melden. Bijvoorbeeld (via de Minister) aan de leerplichtambtenaar in het kader van de leer- en kwalificatieplicht of aan het Doorstroompunt voor de ondersteuning van 18- tot 27-jarige jongeren zonder startkwalificatie. Ook hanteren onderwijsinstellingen verzuimbeleid. Recent (7 april jl.) heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim39 aangenomen, dat onder andere het verzuimbeleid van scholen en mbo-instellingen versterkt.
Verder voorzien de onderwijswetten in het voorkomen van onterechte tegemoetkoming of studiefinanciering. Voor studiefinanciering aan studenten in mbo-3, -4, hbo en wo geldt de prestatiebeurssystematiek. Dit houdt in dat studenten het volledige bedrag moeten terugbetalen indien zij niet binnen tien jaar een diploma halen. Voor tegemoetkoming en studiefinanciering aan leerlingen (18+) en studenten in mbo-1, -2 en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs geldt eveneens een meldplicht bij langdurige ongeoorloofde afwezigheid. Een melding kan ertoe leiden dat het bedrag wordt omgezet in een lening of de aanspraak stopt.
Over verzuim van leer- en kwalificatieplichtige jongeren wordt ieder jaar de leerplichttelling gepubliceerd. De nieuwe gegevens over schooljaar 2024/25 worden voorafgaand aan het commissiedebat van 27 mei in de Tweede Kamer over Passend Onderwijs verzonden.
Dit kabinet heeft op dit moment geen aanvullend beleid ten aanzien van «spookleerlingen en -studenten» in voorbereiding.
38.
Stimuleert de regering, al dan niet in het kader van het programma «klimaat en energie»,40 het planten van extra bomen en planten, of de aanleg van grasvelden op scholen en andere locaties binnen haar verantwoordelijkheidsdomein? Zo niet, waarom niet? Zo wel, hoeveel wordt hierdoor jaarlijks gerealiseerd? Ziet de regering mogelijkheden hiertoe meer maatregelen te nemen?
Schoolpleinen vallen buiten de verantwoordelijkheid van OCW. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting van po, vo en het gespecialiseerd onderwijs en de schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud.
De regering moedigt vergroening van schoolpleinen wel aan, om voor zoveel mogelijk kinderen in Nederland een gezonde en groene schoolomgeving mogelijk te maken. Dit wordt ondersteund via het interdepartementale uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs41, gefinancierd vanuit klimaatfondsmiddelen, waarin speciale aandacht gaat naar het realiseren van schoolpleinen schoolpleinen met bomen, planten en hemelwaterafvoer. Voorbeelden hiervan zijn kennisdeling via het kennisplatform RuimteOK en het programma Gezonde Schoolpleinen van Jantje Beton, IVN en (mede) gefinancierd door het Ministerie van VWS.
39.
Wat doet de regering om te voorkomen dat binnen haar verantwoordelijkheidsdomein, ook bij onderwijsinstellingen, in het kader van «gelijke behandeling» en «diversiteit en inclusie»42 personen of groepen worden voorgetrokken?
Opleidingen in het hbo en wo mogen in bepaalde gevallen selectie toepassen. Bijvoorbeeld wanneer er meer aanmeldingen zijn dan kunnen worden toegelaten, vanwege te beperkte onderwijscapaciteit (numerus fixus). Studenten mogen daarbij uitsluitend geselecteerd worden op basis van kwalitatieve selectiecriteria, loting of een combinatie hiervan en niet op basis van achtergrondkenmerken zoals geslacht of etniciteit. Er zijn dus geen groepen studenten die op basis van achtergrondkenmerken worden voorgetrokken bij selecterende opleidingen. Wel kan zich de situatie voordoen dat door de wijze van selecteren bepaalde groepen studenten onbedoeld worden benadeeld (bias) in de selectieprocedure. Dat vindt het kabinet ongewenst. Daarom ligt er een wetsvoorstel in openbare internetconsultatie om instellingen te verplichten te onderbouwen hoe zij binnen selectieprocedures rekening houden met onbedoelde benadeling van bepaalde groepen op basis van achtergrondkenmerken.
40.
Waar trekt de regering precies de grens tussen de verantwoordelijkheid van de (Rijks)overheid enerzijds en die van (potentiële) werknemers en (potentiële) werkgevers anderzijds voor om- en bijscholing/een «Leven Lang Leren»?43 Waar ligt de grens tussen algemeen en particulier/privébelang? Zijn om- en bijscholingen die onder verantwoordelijkheid van de regering worden uitgevoerd even effectief en efficiënt als om- en bijscholingsactiviteiten daarbuiten? Ziet de regering de noodzaak om meer aan de samenleving zelf over te laten?
De verantwoordelijkheid en belangen voor om- en bijscholing liggen op verschillende niveaus. Mensen die zich laten bij- of omscholen versterken daarmee hun positie op de arbeidsmarkt. Werkgevers die investeren in de scholing van werknemers investeren daarmee ook in de arbeidsproductiviteit en innovatiekracht van hun organisatie. Het landsbelang van om- en bijscholing sluit hierop aan. We hebben een sociale opgave om mensen te versterken op de arbeidsmarkt, en een economische opgave om ons verdienvermogen te versterken. Deze verschillende belangen gaan vaak hand in hand. Een precieze grens van waar particulier belang eindigt en algemeen belang begint is dus niet aan te brengen.
Over een mogelijk verschil in effectiviteit en efficiëntie tussen om- en bijscholing zijn geen cijfers bekend. Er bestaan allerlei verschillende vormen van om- en bijscholing met een eigen doel. Ze zijn daardoor lastig met elkaar te vergelijken en hebben ieder een belangrijke bijdrage. Zo wordt formeel onderwijs, dat onder verantwoordelijkheid van de Minister van OCW valt en gericht is op het behalen van een (deel van een) diploma, vooral ingezet voor om- en bijscholing van werkenden en werkzoekenden naar een (ander) beroep. Non-formele vormen van bij- en omscholing vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van OCW en zijn vaak van kortere duur en gericht op bijscholing in het huidige beroep.
We vinden het niet wenselijk om om- en bijscholing meer aan de samenleving zelf over te laten. Het vraagt inzet van individuen, werkgevers en de overheid.
41.
De laatste jaren is veel maatschappelijke ophef geweest over seksueel vormende (les)activiteiten op basisscholen. Is de regering bereid een wettelijke minimumleeftijd voor leerlingen voor deze activiteiten in te voeren?
Scholen zijn al verplicht om onderwijs te bieden rekening houdend met de leeftijd en de ontwikkeling van de leerlingen. Dit geldt ook voor onderwijs over seksualiteit en seksuele diversiteit, zoals dit in de huidige kerndoelen is opgenomen.
42.
Onlangs werd bekend dat het ministerie in 2025 de taalgids «Woorden, toon en boodschap tegen discriminatie en racisme» heeft laten maken, en dat deze ongeveer 40.000 euro aan belastinggeld heeft gekost.44 Heeft de Minister indertijd zelf opdracht gegeven voor het maken van deze gids? Was de Minister tijdens het opstellen ervan er zelf mee bekend? Gaat de regering opdracht geven de invoering en het gebruik van de gids binnen het ministerie terug te draaien?
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-demonstraties en het Toeslagenschandaal, hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een Rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijk programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme,45 welke door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022. Voor uitvoering van deze Agenda werd het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. Op verzoek van medewerkers, met steun van de ambtelijke leiding, is een praktisch hulpmiddel ontwikkeld om hier invulling aan te geven. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het Rijksportaal voor OCW-medewerkers. Het ministerie blijft streven naar zorgvuldig, gelijkwaardig, duidelijke en begrijpelijke communicatie. Dat past binnen het ambtelijk vakmanschap wat de samenleving van ambtenaren mag verwachten.
43.
Kunnen de (wetenschappelijke) instituten die ressorteren onder de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om meer of beter onderzoek te doen alsook meer onderwijs te geven, niet beter deel uitmaken van universiteiten? Is deze optie door de regering onderzocht? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo niet, zou de regering dit alsnog willen uitzoeken?
Er is geen onderzoek gedaan in opdracht van het Ministerie van OCW naar de samenvoeging van de NWO- en KNAW-instituten met de universiteiten. Wel heeft de Minister met NWO en de KNAW afgesproken dat hun instituten periodiek en in onderlinge samenhang geëvalueerd worden op hun nationale functie en meerwaarde.46 De resultaten van deze evaluatie kunnen inhouden dat nieuwe instituten worden opgericht, dat bestaande instituten hun missie aanpassen, dan wel dat bestaande instituten worden afgebouwd. Opgaan binnen een ander instituut, een universitaire structuur, of zelfs opheffing kunnen ook opties zijn.47 Al is het niet eenvoudig om instituten zodanig aan te passen of op te heffen. De laatste evaluatie dateert uit 2022. Het Ministerie van OCW is met KNAW en NWO in gesprek over het huidige proces van strategische sturing op het portfolio van onderzoeksinstituten.48 Bij dit gesprek worden de evaluatierapporten van de KNAW en NWO betrokken die voor de zomer worden verwacht. In deze evaluaties komt (de aansturing van) het portfolio van instituten naar verwachting aan bod. Daarnaast wordt het advies betrokken van de AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie) over de maatschappelijke en wetenschappelijke waarde van instituten. Dit advies zal na de zomer verschijnen. Tot slot hebben KNAW en NWO onlangs een gezamenlijke visie geschreven voor hun instituten die ook bij het gesprek wordt betrokken.49
Naar aanleiding van de evaluatie van de instituten in 2019 is een externe commissie ingesteld die inhoudelijk advies uitbrengt over het institutenportfolio aan de besturen van KNAW en NWO.50 Deze commissie heeft voor het laatst advies uitgebracht in 2022. De Minister van OCW zal reageren op de evaluaties van NWO en KNAW en de Tweede Kamer daarover informeren. Ook zal de Minister reageren op het advies van de AWTI. Daarbij wordt de gezamenlijke visie van KNAW en NWO voor de instituten gebruikt, alsook de relevante aanbevelingen uit de NWO- en KNAW-evaluaties.
Het is belangrijk te benadrukken dat reguliere zesjaarlijkse evaluaties de zeer hoge kwaliteit van het onderzoek van de NWO- en KNAW-instituten aantonen. De instituten doen niet alleen toponderzoek maar bieden ook toegang tot belangrijke onderzoeksinfrastructuur en zijn belangrijk voor het beheer van unieke collecties.51 Daarnaast werken de instituten samen met universiteiten waar zij ook soms onderwijs verzorgen.
44.
Welke Minister is verantwoordelijk voor toezicht op het academisch niveau van de activiteiten van wetenschappelijke instituten van politieke partijen? Als dit niet expliciet als taak is toebedeeld, wil de regering zich dan hiervoor opwerpen, een beoordelingskader ontwikkelen en hiermee daadwerkelijk toezicht uitvoeren?
De regering houdt geen toezicht hierop. De regering draagt alleen zorg voor een subsidie aan politieke partijen op basis van de wet financiering politieke partijen (Wfpp). Het past hier niet bij dat de regering toezicht houdt op politieke partijen.
45.
Welke maatregelen heeft de regering nu tegen ideologisering, door docenten, lesstof, eisen of anderszins, in het Nederlandse onderwijs? Welke mogelijkheden voor extra maatregelen ziet de regering?
In Nederland geldt de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Het Ministerie van OCW bepaalt wat leerlingen moeten leren, terwijl scholen verantwoordelijk zijn voor de invulling daarvan. Zij hebben ruimte om vanuit hun pedagogische of levensbeschouwelijke visie accenten te leggen, binnen de grenzen van de wet en onder toezicht van de Inspectie van het Onderwijs.
Dit kabinet zet in op kwalitatief goed en democratisch onderwijs met duidelijke en vernieuwde kerndoelen en examenprogramma’s, waaronder voor burgerschap, en met kwaliteitskaders voor leermiddelen, Deze instrumenten borgen dat leerlingen in het funderend onderwijs kennismaken met verschillende perspectieven en dat onderwijs plaatsvindt binnen de kaders van de democratische rechtsstaat.
In het vervolgonderwijs heeft het kabinet geen signalen van ideologisering opgevangen. Onderwijsinstellingen zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Instellingen zijn hier verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in. De overheid houdt zich verre van bemoeienis met de inhoud en de wijze waarop onderwijs wordt gegeven. De instellingen gaan zelf over hun opleidingsaanbod en daarmee ook de inrichting en inhoud van hun curriculum.
Wet- en regelgeving
46.
Wat is het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten? Waar staat dat in de wet? Als dat niet in de wet staat: is de regering bereid het wel op te gaan nemen?
Het Nederlandse hoger onderwijsstelsel kent twee basisoriëntaties: een oriëntatie op beroep en een oriëntatie op wetenschap. De kracht van het hoger beroepsonderwijs en praktijkgericht onderzoek is gelegen in de verbinding met het werkveld. Deze zijn complementair aan de kracht van het wetenschappelijk onderwijs in het opleiden van academisch denkenden en wetenschappelijk onderzoek dat internationaal goed staat aangeschreven. Het Nederlandse hoger onderwijsstelsel is een zogenoemd binair stelsel, waarbinnen hogescholen opleidingen en onderzoek van een gelijkwaardig niveau, maar met een andere oriëntatie dan universiteiten verzorgen respectievelijk doen. Dit stelsel komt tegemoet aan de behoefte aan variëteit en differentiatie van studenten en arbeidsmarkt en wordt ook in het buitenland erkend als een onderscheid dat bijdraagt aan de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs en onderzoek. De wettelijke taken van hogescholen en universiteiten staan in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (artikel 1.3), te weten het geven van onderwijs, doen van onderzoek en overdragen van kennis. Daarin wordt ook het verschil in oriëntatie genoemd.
47.
In Australië is in 2024 een wet aangenomen die sociale mediagebruik verbiedt onder de 16 jaar.52 Wat vindt de regering daarvan; wil zij dit ook voor Nederland overwegen? Doet veelvuldig gebruik van sociale media door jongeren in de praktijk afbreuk aan het goed leren lezen, schrijven en concentreren?
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, met privacy vriendelijke leeftijdsverificatie voor jongeren, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit werkt hier momenteel aan.
Het veelvuldig gebruik van sociale media kan invloed hebben op de concentratie en zodoende afbreuk doen aan het leerproces in de klas. Sinds 1 januari 2024 geldt er een landelijke afspraak om mobiele telefoons te weren in de klas. Leerlingen en leraren ervaren dat er minder afleiding is tijdens de les en dat er meer ruimte is voor sociaal contact. Samen met de onderwijssector kijken we hoe dit verder uitgevoerd kan worden.
48.
Hoeveel basis- en middelbare scholen verbieden leerlingen inmiddels mobiele telefoons te gebruiken op hun locaties? Welk percentage van alle scholen is dit? Hoe snel loopt dit percentage op? (Wanneer) wil de regering mobiele telefoons ten minste op basisscholen bij wet gaan verbieden?
Uit de eenmeting53 in 2025 blijkt dat 89% van de basisscholen en 99% van de middelbare scholen actief beleid voert op mobiele telefoons, waarvan het grootste deel een «thuis-of-in-de-kluis» beleid hanteert. 93% van de scholen in het gespecialiseerd onderwijs heeft een mobieltjesbeleid, met ruimte voor maatwerk: sommige leerlingen hebben specifieke ondersteuningsbehoeften of hebben uit medische noodzaak hun mobiele telefoon nodig. De eenmeting laat zien dat scholen goed met de afspraak overweg kunnen en dat scholen een mobieltjesbeleid kunnen inrichten dat past bij hun specifieke context.
49.
De meeste kinderen in Nederland gaan al vanaf hun vierde levensjaar naar school, maar de leerplicht gaat pas in bij vijf jaar. Wat vindt de regering van verlaging naar vier jaar? Wat zijn de voor- en nadelen? Is zij bereid een wetswijziging in te dienen om de leerplicht te verlagen naar vier jaar?
In de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start zijn de voor- en nadelen van een leerplichtverlaging beschreven.54 Het verlagen van de leerplicht is een ingrijpende stap, waarvoor het ook nodig is een nauwkeuriger beeld te krijgen van de onderwijsdeelname van vierjarigen. Voor de zomer 2026 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek. Om alle kinderen op tijd in beeld te krijgen en bij het onderwijs te betrekken, verkent het kabinet een aanmeldplicht voor kinderen vanaf 4 jaar. Het kabinet erkent dat het voor de ontwikkeling van kinderen belangrijk is om tijdig met bijvoorbeeld taal bezig te zijn. Een Goede vroege voorschoolse educatie, en met 4 jaarnaar school gaan, kunnen daarbij helpen.
50.
Een vaak gehoorde klacht is dat scholen(gemeenschappen) en hogeronderwijsinstellingen te groot zijn geworden, dat wil zeggen te veel leerlingen of studenten tellen. Wat vindt de regering van de schaalgrootte van onderwijs in Nederland? Welke bevoegdheden en andere mogelijkheden heeft de regering om hierin te sturen? Wil de regering meer wettelijke bevoegdheden?
In het funderend onderwijs kunnen kleine scholen meerwaarde hebben. Tegelijk kan die kleinschaligheid kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld als er een leraar uitvalt of bij een financiële tegenvaller. Het kabinet stuurt niet direct op schaalgrootte; het is aan het schoolbestuur hoe zij het onderwijs wil inrichten. Het is de grondwettelijke taak van het kabinet hier ruimte voor te laten. Tegelijkertijd is er de taak om de middelen die beschikbaar zijn voor het funderend onderwijs, doelmatig in te zetten. Daarom zit er een ondergrens aan hoe klein scholen mogen zijn om bekostigd te blijven. Deze ondergrens verschilt in het primair onderwijs per gemeente: in dunbevolkte regio’s mogen basisscholen kleiner zijn dan in grote steden. In het voortgezet onderwijs is de ondergrens landelijk bepaald. Op een bovengrens aan omvang wordt momenteel niet gestuurd en worden er geen signalen gezien die aanleiding zouden geven om hierop te sturen.
In het mbo, hbo en wo is er veel verschil in groottes van instellingen. Net als bij het funderend onderwijs, is de inrichting van het vervolgonderwijs de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de instellingen. Het is daarbij van belang dat er een goede balans is van doelmatig, kwalitatief, en toegankelijk onderwijs. Het kabinet hecht daarbij veel waarde aan sociale binding en de menselijke maat omdat dit veel effect heeft op zowel het mentale welzijn als de onderwijsprestaties van de student. Binnen grote instellingen is die taak weggelegd voor de opleidingen. Zij dienen daar zorg te dragen voor de benodigde kleinschaligheid, sociale binding en zicht op de student. Zo ontstaat er binnen een grote instelling de benodigde kleinschaligheid.
In het hbo en wo bieden veel opleidingen bijvoorbeeld naast grote colleges kleinere werkgroepen waar veel contact is tussen studenten onderling en met de docent. Bij de periodieke accreditatie wordt door de NVAO ook gekeken of de onderwijsleeromgeving het voor studenten mogelijk maakt om de beoogde leerresultaten te realiseren. In het mbo wordt het onderwijs in de grotere roc’s vaak kleinschalig georganiseerd binnen mbo-colleges, zodat een student zich thuis voelt op een school en deel uitmaakt van een kleine groep. Daarbij houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de veiligheid en het onderwijsklimaat.
Bij fusies in het vervolgonderwijs wordt een fusietoets uitgevoerd en is toestemming van de Minister nodig. Bij de beoordeling van fusieaanvragen wordt expliciet getoetst of de menselijke maat goed in de nieuwe organisatie wordt verankerd. Het kabinet ziet geen aanleiding om de wettelijke bevoegdheden om hier op te kunnen sturen verder te uit breiden.
51.
Is de ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) binnen het verantwoordelijkheidsdomein van de Minister de afgelopen jaren afgenomen? Zo ja, welke maatregelen zijn hiertegen met name effectief gebleken? Welke OBI neemt de Minister nog waar binnen haar verantwoordelijkheidsdomein? Welke aanscherpingen in wet- en regelgeving overweegt de regering tegen OBI?
Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI) is op alle beleidsterreinen een kwalijke zaak, daarom maakt OCW deel uit van de Rijksbrede OBI-aanpak. Deze interdepartementale aanpak van OBI vindt plaats onder coördinatie van de NCTV. Zoals ook in de fenomeenanalyse «Over de grens» uit 2024 staat, zijn niet alle verschijningsvormen van OBI makkelijk te kwantificeren. De daadwerkelijke omvang en het effect van OBI in de OCW-domeinen is dientengevolge ook lastig te kwantificeren. Voor het domein van OCW achten we het van groot belang dat bij kennisinstellingen bewustwording en kennis over OBI aanwezig is en wordt vergroot. Daarom hebben we het Loket Kennisveiligheid verzocht om de instellingen via de learning community actief te informeren over de risico’s en gaan we dit onderwerp verder uitdiepen in de Nationale Leidraad Kennisveiligheid. Het is onwenselijk dat een onvrij regime door middel van (informeel) onderwijs beleid voert gericht op het ondermijnen van onze democratische rechtsstaat en het tegenwerken van integratie. In het regulier onderwijs kunnen we daar al tegen optreden. Wanneer dergelijke regimes daar echter weekend- en avondscholen voor inzetten is het ook nodig in te kunnen grijpen. In het coalitieakkoord staat dat er wetgeving ontwikkeld zal worden waarmee het onder voorwaarden mogelijk wordt op deze plaatsen gericht toezicht in te zetten. Momenteel wordt uitgewerkt hoe dat gerichte toezicht eruit zou kunnen zien. Daarnaast zal de Minister van Justitie en Veiligheid, die coördinerend bewindspersoon is met betrekking tot de Rijksbrede OBI-aanpak, een brief naar de Tweede Kamer versturen over de stand van zaken van het bredere OBI-beleid, inclusief OCW-domeinen.
52.
Sommige personen die werken bij organisaties binnen het verantwoordelijkheidsdomein van de Minister lijken meer betaald te krijgen vanuit het Rijk en/of door het Rijk bekostigde organisaties, berekend op basis van een volledige fte (dus niet op parttimebasis), en inclusief nevenfuncties, vergoedingen voor aparte opdrachten, en winsten uit deelname in of eigenaarschap van bedrijven die direct of indirect worden betaald door het Rijk, dan is toegestaan op grond van de Wet normering topinkomens.55 Herkent de regering dit beeld? Wat is de regering bereid in genoemde wet aan te passen om de berekeningsbasis van de norm te verbreden?
De Wet normering topinkomes (WNT)-instellingen die onder het OCW-domein vallen rapporteren de bezoldiging van topfunctionarissen en de werktijdfactor in het jaarverslag van de instelling. Alle werkzaamheden die een topfunctionaris verricht voor de WNT-instelling moeten worden verantwoord in het jaarverslag en gecontroleerd door de instellingsaccountant. Eventuele nevenfuncties die een topfunctionaris heeft moeten bekend zijn bij de Raad van Toezicht van de betreffende instelling.
De doeltreffendheid en doelmatigheid van de WNT is recent geëvalueerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit rapport wordt binnenkort naar beide Kamers verstuurd.
Cultuur en media
53.
Ziet de regering mogelijkheden om het lidmaatschap van en de deelname aan de Nederlandse Taalunie uit te breiden met extra landen waar Nederlands wordt gesproken, ook als tweede taal? Zo ja, met welke landen? Welke initiatieven is de regering bereid hiervoor te nemen?
Het Taalunieverdrag uit 1980 werd gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België. Het verdrag biedt de mogelijkheid voor derde landen om zich aan te sluiten via een associatieovereenkomst. Suriname heeft in 2003 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Een uitbreiding van de Taalunie lijkt op dit moment niet noodzakelijk omdat de Taalunie, ook zonder associatieakkoord, al samenwerkt met veel andere landen aan de bevordering en verspreiding van de Nederlandse taal en cultuur.
54.
In welke staten van de Verenigde Staten wordt door veel Nederlandse emigranten en hun nazaten nog vaak Fries gesproken? Is de regering bereid deze staten, naar het voorbeeld van de Nederlandse Taalunie, uit te nodigen voor het oprichten van een internationale Friese Taalunie?
Bij het Ministerie van OCW zijn geen gegevens bekend over het aantal Nederlandse emigranten en hun nazaten in de Verenigde Staten dat nog Fries spreekt. Ook heeft ons geen verzoek bereikt om hulp bij het behoud van de Friese taal in de afzonderlijke staten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken is het coördinerende ministerie op de erkende talen en daarmee ook het Fries. Via de BFTK (Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer 2024–202856) geeft het Rijk invulling aan haar verdragsverplichting om de Friese taal binnen de landsgrenzen te beschermen. Nederlandse emigranten in het buitenland zijn hier geen doelgroep bij.
55.
Bij wet zijn uitgevers verplicht om een exemplaar van alle Nederlandstalige boeken of uitgaven aan de Koninklijke Bibliotheek (National Library) te sturen. Sinds wanneer geldt dit? Vielen destijds ook publicaties uit Nederlandse koloniën onder deze wet? Welk deel van de uitgaven uit de koloniën is verzameld in de Koninklijke Bibliotheek? Is het volgens de regering wenselijk dat het verzamelen en conserveren van zo veel mogelijk uitgaven uit koloniaal Nederland een taak is van de Koninklijke Bibliotheek?
Nederland heeft sinds 1912 geen wettelijke depotplicht meer. Uitgevers zijn daarom niet verplicht om een exemplaar van Nederlandstalige boeken of uitgaven naar de nationale bibliotheek (KB) te sturen.57 De KB heeft wel informele afspraken met uitgevers gemaakt om fysieke exemplaren van Nederlandstalige boeken en uitgaven in de collectie op te nemen.58 In 1974 heeft de KB een vrijwillig depot ingesteld. Daartoe heeft zij afspraken gemaakt met uitgevers om via het Centraal Boekhuis één exemplaar van iedere publicatie te deponeren. De wettelijke depotplicht in de «Auteurswet 1881» (die in 1912 werd afgeschaft, zie hierboven) was mede van toepassing op Nederlands-Indië; publicaties die daar waren uitgegeven, diende men in te leveren bij de «directeur van justitie» en werden gepubliceerd in de Javasche Courant (conform de artikel 27 en 28 van de Auteurswet 1881, Staatsblad 1881, nr. 124).59 De inschatting is dat de KB uitgebreide publicaties uit en over de voormalig gekoloniseerde gebieden verzamelt, met name op de gebieden van de humaniora (taal, cultuur, letteren, geschiedenis). Dit ondanks dat er formeel gesproken in verschillende perioden in begin negentiende eeuw niet altijd een strikte (wettelijke) bewaartaak gold voor publicaties uit de voormalig gekoloniseerde gebieden. De KB hanteert momenteel in het kader van het vigerende Collectieplan het begrip van de «Nationale Bibliotheekverzameling», zoals ook geformuleerd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).60 Het is wenselijk om publicaties uit en over Nederland te bewaren. Daaronder worden ook publicaties uit de voormalig gekoloniseerde gebieden geschaard die als onderdeel van ons gedeelde verleden bewaard moeten worden.
56.
Hoeveel procent van de cultuurbegroting besteedt de regering aan culturele organisaties binnen de gemeente Amsterdam? Hoeveel procent van de Nederlandse bevolking woont in Amsterdam? Hoe rechtvaardigt de regering dit grote verschil, in aanmerking nemende dat veel Nederlanders kunnen genieten van cultureel aanbod in Amsterdam omdat dit door de regering wordt bekostigd, terwijl zij wellicht naar andere plaatsen zouden gaan als de regering daar meer cultureel aanbod zou bekostigen? Wat is de regering bereid te doen om dit verschil te verminderen?
Een kwalitatief, toegankelijk en pluriform cultuuraanbod in heel Nederland is van groot belang. De voormalig Minister van OCW Eppo Bruins heeft daarom onderzoek laten doen naar de geografische spreiding van cultuur om een feitelijk beeld van de huidige situatie en mogelijke handvatten voor beleid te krijgen. Dit onderzoek is recent aangeboden aan het parlement61. In Amsterdam is er een historisch gegroeid rijk en kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod met tal van instellingen van (inter)nationale betekenis. Als we specifiek kijken naar de meerjarig gesubsidieerde instellingen door het Ministerie van OCW en de Rijkscultuurfondsen in de culturele basisinfrastructuur in de periode 2025–2028 geldt dat circa 30% van de instellingen zich bevindt in Amsterdam en er circa 40% van het totale budget naartoe gaat. Deze concentratie is niet los te zien van de positie van Amsterdam als hoofdstad en de daarmee samenhangende aanwezigheid van een aantal grote nationale instellingen. Ongeveer 5% van de Nederlandse bevolking woont in de gemeente Amsterdam.
In bredere zin geldt dat er in het cultuurbestel sprake is van concentratie in een beperkt aantal stedelijke kernen, zowel qua omvang van bestede middelen als in het aantal voorzieningen. Daarbij is het van belang om steden met een geconcentreerd aanbod, die zich door heel Nederland bevinden, niet tegenover regio’s met relatief weinig aanbod te plaatsen, maar juist met elkaar te werken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Daarom is geografische spreiding een belangrijk agendapunt in de aankomende gesprekken met bestuurlijke partners van gemeenten en provincies. Een inhoudelijke reactie op het onderzoek ontvangt u in de volgende brief over het cultuurbestel, die naar verwachting na de zomer aan het parlement wordt gestuurd.
57.
Welke wettelijke beperkingen gelden nu voor publieke omroepverenigingen om hun uitzendingen en/of andere producties via internet te verspreiden? Welke wetswijzigingen wil de regering overwegen om deze beperkingen te verminderen? Op welke termijn wil de regering dat de publieke omroep helemaal afscheid neemt van radio- en tv-signalen en alleen via internet (non-lineair) en andere technieken of kanalen «uitzendingen» gaat aanbieden?
In de Mediawet 2008 is gekozen voor een platform-neutrale en techniekonafhankelijke benadering. Om deze reden gelden er geen specifieke wettelijke of beleidsmatige beperkingen voor het gebruik van internet door de publieke omroep. De Mediawet 2008 gaat uit van het begrip aanbodkanalen. Dit begrip heeft een inhoudelijke betekenis: een aanbodkanaal is een geordend geheel van media-aanbod dat onder een herkenbare naam wordt aangeboden. Voor de wijze waarop dat aanbod wordt aangeboden, bijvoorbeeld lineair of non-lineair, en via welke technische infrastructuur bevat de wet geen beperkingen. Internet is hierbij een volwaardige verspreidingswijze. Welke aanbodkanalen de publieke omroep verzorgt en hoe die worden verspreid, wordt bepaald door de NPO na overleg met omroepen. De jaarlijkse begroting van de NPO bevat een overzicht van het aantal aanbodkanalen. Het is in de wettelijke systematiek voor omroepen niet mogelijk om buiten aanbodkanalen aanbod te verspreiden in het kader van de hoofdtaak. Voor de wijze waarop het begrip aanbodkanalen toegepast wordt in de digitale omgeving wijzen wij nog op de Beleidsregel aanbodkanaal (2019).62 Op dit moment zien wij geen aanleiding om de systematiek van aanbodkanalen te herzien.
De omroephuizen en de NPO zijn in het toekomstige bestel zoals wij dat voor ons zien, gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht. Het is aan hen gezamenlijk om daaraan invulling te geven en de optimale programmeer- en distributiestrategie te bepalen. Het voornemen is om het wetsvoorstel over de hervorming van de landelijke publieke omroep rond de zomer in internetconsultatie te brengen. Gelijktijdig zal uw Kamer worden geïnformeerd over de inhoud van het wetsvoorstel middels een Kamerbrief.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
1.
Wanneer is de aangekondigde wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen,63 waarin een wettelijke zorgplicht voor gemeenten en provincies wordt opgenomen, te verwachten?
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel in februari van dit jaar ontvangen; de vaste commissie voor Onderwijs Cultuur en Wetenschap heeft op 23 april verslag uitgebracht. Na behandeling door de Tweede Kamer zal behandeling door de Eerste Kamer volgen. Publicatie en inwerkingtreding van de wetswijziging is op zijn vroegst begin 2027 te verwachten; om gemeenten en provincies enige voorbereidingstijd te geven wordt voorgesteld dat de zorgplicht voor gemeenten en provincies drie jaar later van kracht wordt.
2.
Wordt in de begroting 2026 al vooruitgelopen op een verhoging van de middelen voor bibliotheken in verband met de voorgenomen zorgplicht? Zo nee, waarom niet?
Ja. In 2023 en 2024 is het bibliotheeknetwerk gericht gerepareerd en versterkt door middel van een specifieke uitkering (spuk) aan gemeenten. Alle gemeenten krijgen sinds 2025 jaarlijks een decentralisatie-uitkering om de investeringen die met de spuk zijn gedaan te kunnen bestendigen, zich kunnen voorbereiden op de zorgplicht en de bibliotheek als lokale maatschappelijke voorziening kunnen blijven doorontwikkelen. Vanaf de invoering van de wetswijziging ontvangen gemeenten structureel financiering via het gemeentefonds. Het beschikbare budget zal op dezelfde wijze over de gemeenten worden verdeeld als via de decentralisatie-uitkering.
3.
Op dit moment kunnen jongeren die boeken willen lenen gratis lid worden van een openbare bibliotheek. Is er berekend welke kosten ermee gemoeid zouden zijn als iedere ingeschrevene gratis boeken zou kunnen lenen, en is onderzocht welke gunstige gevolgen daarvan te verwachten zijn, zoals het verhogen van de leesvaardigheid en daarmee van het arbeidspotentieel? Zo niet, is de regering bereid om zo’n onderzoek te laten uitvoeren?
Wij hebben een dergelijk onderzoek naar automatisch en gratis bibliotheeklidmaatschap recent laten uitvoeren door onderzoeksbureau AEF. Op 24 april jl. is het onderzoeksrapport64 samen met onze beleidsreactie65 naar de Tweede Kamer gestuurd. Op lokaal niveau wordt in Nederland veel geëxperimenteerd met verschillende vormen van gratis bibliotheeklidmaatschappen. In het onderzoek zijn enkele van deze lokale voorbeelden uitgediept. Het aanbieden van een (vorm van) gratis bibliotheeklidmaatschap blijkt gunstig uit te werken voor het aantal lidmaatschappen, maar effecten zoals het verhogen van leesvaardigheid en arbeidspotentieel zijn niet aan te tonen. De kosten zijn afhankelijk van de vorm van gratis lidmaatschap waarvoor wordt gekozen en van de doelgroep(en). Daarom heeft AEF in het onderzoek geen concrete bedragen voor een eventuele landelijke invoering kunnen noemen. Vast staat in ieder geval dat het aanbieden van elke vorm van gratis bibliotheeklidmaatschap kosten met zich meebrengt. Er is momenteel geen budget voor het compenseren van gemeenten bij het invoeren van een landelijk gratis bibliotheeklidmaatschap.
In meer dan de helft van de gemeenten kunnen volwassen inwoners al gratis lid worden van de bibliotheek, en dit aantal stijgt snel.66 We juichen lokale initiatieven toe en blijven de ontwikkelingen met interesse volgen.
4.
Wat kunnen bibliotheken betekenen voor het bevorderen van digitale geletterdheid? Het kabinet en in het bijzonder de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit pleiten voor zo’n bevordering. Op welke punten is de financiële ondersteuning daarvan in de begroting opgenomen? Is er een voornemen om die middelen in 2026 en de daaropvolgende jaren nog te verhogen?
Digitale geletterdheid omvat alle vaardigheden die nodig zijn om in de digitale samenleving goed mee te kunnen doen. Bibliotheken spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van digitale geletterdheid en digitale inclusie, met name via cursussen en trainingen, met inloopspreekuren en de Informatiepunten Digitale Overheid waar hulp en informatie wordt geboden. Digitale geletterdheid speelt ook een (bescheiden) rol in het programma de Bibliotheek op School waar veel bibliotheken aan meedoen. De cursussen en trainingen waar bibliotheken in voorzien worden deels betaald vanuit de WEB-middelen67 die OCW beschikbaar stelt aan gemeenten en deels vanuit de rijksbijdrage die het Ministerie van OCW jaarlijks aan de KB, nationale bibliotheek verstrekt. Onder beleidsmatige verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontvangen gemeenten via het Gemeentefonds financiering voor de Informatiepunten Digitale Overheid. De Bibliotheek op School wordt momenteel door het Ministerie van OCW gefinancierd via de Stichting Lezen. Er is momenteel geen voornemen om de komende jaren meer middelen voor digitale geletterdheid vrij te maken; wel wordt ingezet op rust, bestendiging en structurele bekostiging met lokaal ruimte voor maatwerk.
5.
Bij de behandeling van de begroting OCW in de Eerste Kamer op 25 maart 2025 sprak toenmalig Minister Paul de volgende woorden:
«De heer Nicolaï stelde twee vragen. De eerste vraag gaat over het voorkomen van gedachtegoed waarin vrouwenhaat een plaats inneemt. De heer Nicolaï vraagt zich af of ik de opvatting deel dat dit een belang is dat vanuit OCW beschermd dient te worden. Dat deel ik volledig. Vrouwenhaat is onacceptabel en moet keihard bestreden worden. Bijvoorbeeld moeten we de ontwikkelingen bestrijden die we nu online zien, onder meer vanuit de manosfeer, waar vrouwenhaat actief wordt gepromoot en waar veel jonge mannen vatbaar voor zijn. We zien daarover de onderzoeken en de reacties in bijvoorbeeld Australië en het Verenigd Koninkrijk, maar ook op veel andere plekken, met een heel kwalijke rol voor bepaalde influencers. Dat is iets waar we aandacht voor hebben.»68
a.
Deelt de regering de zorgen van de toenmalige bewindspersoon? Welke inzet is van de regering te verwachten? Komt er op korte termijn een beleidsdocument van uw hand waarin specifiek op dat punt wordt ingegaan?
Ja, wij delen de zorgen over vrouwenhaat en de invloed vanuit de manosfeer die ook online plaatsvindt. Wij zetten daarom in op het versterken van de primaire preventie van geweld tegen vrouwen. Dit richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid, het respecteren van wensen en grenzen, en het tegengaan van schadelijke opvattingen en stereotype beelden over vrouwen om zo oorzaken weg te nemen voor het ontstaan en voortduren van geweld tegen vrouwen.
Als onderdeel van deze versterkingen gaan wij een mannenalliantie ondersteunen. Dit is een samenwerkingsverband van organisaties die zich richten op de rol van jongens en mannen bij de aanpak van geweld tegen vrouwen. De mannenalliantie wordt onder andere gevraagd om te werken aan het voorkomen van het betrokken blijven of raken van mannen bij schadelijke online mannensubculturen waarin genderongelijkheid of geweld tegen vrouwen wordt genormaliseerd of verheerlijkt. Het is daarbij van belang om mannen de vaardigheden te geven om misogyne digitale content te herkennen, te begrijpen en te bevragen, en om alternatieve perspectieven aan te reiken die aansluiten bij een samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn. Aanvullend zal er worden gewerkt aan deskundigheid van professionals over hoe online subculturen zoals de manosfeer invloed kunnen uitoefenen op het zelfbeeld en de normen van plegers. De subsidieregeling voor de mannenalliantie wordt uiterlijk in het derde kwartaal van 2026 gepubliceerd.
Aanvullend werken de Ministeries van OCW, JenV en SZW onder leiding van het Ministerie van BZK samen aan de uitvoering van het plan tegen online discriminatie.69 Binnen dit plan wordt onder andere gewerkt aan de preventie van online discriminatie, racisme en haatspraak door in te zetten op bewustwording en het versterken van de sociale norm online. Ook is één van de doelen binnen dit plan dat alle partijen de verantwoordelijkheid hebben in het creëren van een sociaal veilige online omgeving ook nemen. Sociale media platformen, bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf: we hebben allemaal de verantwoordelijkheid om te zorgen dat wat we offline niet tolereren, ook niet online tolereren.
b.
Zien deze leden het goed dat in artikel 25 van de ontwerpbegroting 2026 wordt bezuinigd in vergelijking met 2025? Zo ja, om welke bedragen gaat het en welke activiteiten zullen daarvan de gevolgen ondervinden?
Nee. Er wordt niet bezuinigd op de begroting. In 2025 zijn incidentele middelen en (inter)departementale overboekingen toegevoegd aan de begroting. Deze zijn onder andere ten goede gekomen aan het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Daarmee is de begroting in 2025 incidenteel verhoogd, maar blijven de structurele middelen in 2026 gelijk ten opzichte van 2025. Vanaf 2027 maken we structureel € 13,4 miljoen per jaar extra vrij voor de primaire preventie van geweld tegen vrouwen.
c.
Kan de regering aangeven welke middelen in 2026 beschikbaar zullen zijn voor gender- en LHBTI-gelijkheid en voor het bestrijden van vrouwenhaat en van het gedachtegoed van het gedachtegoed van de manosfeer, en hoe die worden ingezet?
In 2026 is een bedrag van € 22,2 miljoen beschikbaar voor Gender- en LHBTI- gelijkheid. Deze middelen zetten we onder andere in ten behoeve van het doorbreken van stereotyperingen, het verbeteren van de veiligheid van vrouwen, het bestrijden van discriminatie en het vergroten van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. Vanuit het Ministerie van OCW ligt de focus daarbij op preventie door het wegnemen van de grondoorzaken van vrouwenhaat. Zo werken we in het onderwijs aan de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, ondersteunen we gemeenten bij het vergroten van de veiligheid van vrouwen middels het programma Veilige Steden, richten we een mannenalliantie op, steunen we de alliantie Act4Respect om respectvolle omgangsvormen te bevorderen en hebben we een campagne opgezet om seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden. Met dergelijke inspanningen bestrijden we vrouwenhaat en schadelijk gedachtegoed vanuit de manosphere op structurele basis, maar tegelijkertijd hebben ze ook een bredere werking. Het is daarom niet mogelijk om binnen de begroting exact aan te geven welke middelen louter worden ingezet op deze specifieke thema’s.
d.
Kan de regering aangeven welke allianties op dit moment zijn gesloten, welke plannen bestaan om deze uit te breiden en in hoeverre dat financieel gedekt wordt in 2026?
Op dit moment zijn er acht strategische allianties gesloten, te weten Kleurrijk en Vrij, Politica, Verandering van Binnenuit, Gezondheidszorg op Maat, Jong Gelijk, Worden wie je bent, Financieel sterk door werk en Act4Respect. De allianties lopen nog door tot en met 2027 en zijn financieel gedekt binnen de begroting. Aanvullend richten we in 2026 een mannenalliantie op om mannen en jongens te betrekken bij het bestrijden van vrouwenhaat en het bevorderen van gelijkwaardigheid. Hiervoor stellen wij vanaf 2026 € 1 miljoen per jaar aanvullend beschikbaar binnen de begroting voor de duur van vier jaar.
e.
Geeft het recent gepubliceerde onderzoek over onveiligheidsgevoelens van vrouwen aanleiding om op grotere schaal middelen beschikbaar te stellen in 2026 en de daaropvolgende jaren voor projecten die de veiligheid van vrouwen vergroten? Is daarmee al in de begroting rekening gehouden en, zo ja, op welke wijze?
Bij Voorjaarsnota 2026 is structureel € 13,4 miljoen per jaar extra vrijgemaakt voor de primaire preventie van geweld tegen vrouwen. Dit is boven op de middelen die het Ministerie van OCW al besteedt aan de veiligheid van vrouwen, bijvoorbeeld via het Programma Veilige Steden dat zich richt op het bevorderen van de veiligheid van vrouwen in de openbare ruimte, of de alliantie Act4Respect. Echter, het vergroten van de veiligheid van vrouwen vraagt om inzet vanuit verschillende beleidsterreinen. Het kabinet heeft daarom in het kader van de aanpak «Stop Femicide»70 en in lijn met ambities uit het coalitieakkoord vanaf 2027 structureel middelen vrijgemaakt boven op de bestaande programmagelden (incl. de middelen uit het amendement Mutluer 36 600 VI, nr. 3471) voor de interdepartementale aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld onder coördinatie van VWS. Dit betreft een structurele investering vanuit de envelop (nationale) veiligheid van indicatief € 10 miljoen per jaar.72 Onderdeel van deze interdepartementale aanpak is de aanstelling van de Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Vanuit het Ministerie van VWS zijn in 2025 middelen beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang.
6.
Minister Paul sprak tijdens de begrotingsbehandeling 2025 ook nog de volgende woorden:
«Het is misschien ook aardig om te noemen dat ik twee weken geleden in New York heb gesproken bij de UN Commission on the Status of Women, in feite de VN-top over vrouwenrechten en rechten van meisjes. Het was mooi, niet alleen om daar gewoon bepaalde zaken uit te spreken; door zaken uit te spreken, stel je ook een grens en normeer je, wat ik heel belangrijk vind. Maar het was tegelijkertijd ook een kans om met mijn Europese collega’s van gedachten te wisselen. Een van de belangrijke acties die we namelijk ook moeten nemen – dat is nog under construction – is dat we richting de grootste technologiebedrijven, de big tech, in het geweer moeten komen, omdat ook zij een verantwoordelijkheid te nemen hebben. Dat is best wel ingewikkeld in de huidige geopolitieke constellatie. We zien in andere landen ook van alles gebeuren. Maar ik weet één ding: als we als Nederland in ons eentje opereren, slaan we geen deuk in een pakje boter. We moeten daarin samen optrekken. Ik vond het heel bemoedigend om bij mijn collega’s, breed binnen de EU, te merken dat ze daar in gezamenlijkheid werk van willen maken. Ik ga daar dus verder mee aan de slag.»73
Is er voortgang geboekt op het terrein van het aanpakken van Big Tech om verspreiding van vrouwenhaat en het gedachtegoed van de manosfeer te bestrijden en te voorkomen? Worden projecten van organisaties die daarop gericht zijn op dit moment door de overheid financieel gesteund? Zo nee, is de regering bereid daarvoor middelen beschikbaar te stellen?
Het is belangrijk dat iedereen veilig online kan zijn. Online discriminatie en hate speech ondermijnen dat. Big Tech platforms spelen daarin een belangrijke rol. De Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) bevat verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor online tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, die erop gericht zijn om illegale online inhoud aan te pakken. Zo moeten zij actie ondernemen zodra zij over dergelijke inhoud worden geïnformeerd (bijvoorbeeld door een melding). De zeer grote online platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun dienst in kaart brengen en beperken. Dit omvat ook risico’s voortvloeiend uit de verspreiding van illegale inhoud, zoals online discriminatie, en werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld.
De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en werkt daarbij samen met de nationale toezichthouders voor de DSA. In Nederland is dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In dit kader is relevant dat de Europese Commissie in haar gendergelijkheidsstrategie heeft aangegeven dat ze met betrekking tot gendergerelateerd geweld verschillende activiteiten onderneemt bij de uitvoering van haar toezichtstaken op de DSA.74
Daarnaast kunnen organisaties met specifieke expertise in de bestrijding van illegale inhoud, de status van betrouwbare flagger (trusted flagger) onder de DSA aanvragen bij de digitaledienstencoördinator. In Nederland is dat de ACM. Zo heeft Offlimits de status van betrouwbare flagger gekregen. Deze organisatie speelt daarmee een belangrijke rol in het signaleren en bestrijden van illegale online content. Dit betekent dat hun meldingen prioriteit krijgen bij platforms, wat bijdraagt aan een snellere en effectievere aanpak van zulke content. Het kabinet steunt organisaties die Big Tech platforms ter verantwoording roepen als deze platforms discriminerende content uit schadelijke online subculturen, zoals de manosphere, niet voldoende tegengaan. Zo ontvangt Offlimits in 2026 een incidentele versterking van € 0,6 miljoen uit de begroting van Justitie en Veiligheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie Volt
De leden van de Volt-fractie hebben met verbazing en ernstige zorg kennisgenomen van het feit dat het huidige kabinet heeft gekozen de begroting van het demissionaire kabinet-Schoof vrijwel ongewijzigd over te nemen, inclusief de daarin opgenomen bezuinigingen op onderwijs voor het jaar 2026. Dit terwijl de coalitiepartijen D66, VVD en CDA nadrukkelijk hebben aangekondigd deze bezuinigingen met ingang van 2027 te zullen terugdraaien. Deze leden achten het onbegrijpelijk dat een kabinet dat structurele investering in onderwijs belooft, tegelijkertijd de schade van zijn voorganger voor een volledig jaar laat voortbestaan.
De fractieleden van Volt constateren bovendien dat deze bezuinigingen juist plaatsvinden op een moment waarop het hoger onderwijs voor omvangrijke structurele transities staat: de implementatie van de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs, de opkomst van AI in didactiek en toetsing, de noodzaak van blijvende docentprofessionalisering, dalende studentenaantallen door demografische krimp en de urgente vraag naar meer digitale soevereiniteit in de onderwijsinfrastructuur. Het zijn geen losstaande thema’s, maar opgaven die direct raken aan de uitvoerbaarheid van de begrotingsartikelen voor hoger onderwijs en personeelsbeleid. Innovatie zonder voldoende implementatiekracht blijft een papieren belofte, aldus deze leden.
Continuering bezuinigingen
Kan de regering toelichten op welke gronden is besloten de bezuinigingen uit de begroting van het demissionaire kabinet-Schoof integraal over te nemen voor het begrotingsjaar 2026, terwijl het coalitieakkoord 2026–2030 voorziet in een substantiële intensivering van onderwijsinvesteringen vanaf 2027? Hoe verhoudt dit besluit zich tot de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het huidige kabinet?
De Ontwerpbegroting 2026 is door het vorige kabinet ingediend en door de (nieuwe) Tweede Kamer aangenomen. Het is voor een effectieve uitvoering van de begroting en voor het scheppen van duidelijkheid voor instellingen en mensen in de werkvelden van het Ministerie van OCW van belang dat de Ontwerpbegroting tijdig wordt aangenomen en in uitvoering genomen kan worden, idealiter voor de start van het jaar.
Dit kabinet investeert fors in onderwijs, wetenschap en media. In 2027 wordt ruim € 1 miljard aan de OCW-begroting toegevoegd oplopend tot ruim € 1,5 miljard structureel. Deze intensiveringen gaan in vanaf 2027.
Schade in het transitiejaar
Heeft de regering een kwantitatieve analyse laten uitvoeren naar de concrete schade die de bezuinigingen in 2026 toebrengen aan het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs en de wetenschap? Zo ja, is de regering bereid deze analyse met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet, en hoe rechtvaardigt de regering de continuering van deze bezuinigingen zonder een dergelijke onderbouwing?
De bezuinigingen uit het Kabinet Schoof I zijn voor het eerst in de Ontwerpbegroting 2025 verwerkt. In de parlementaire behandeling hiervan is door het toenmalige kabinet uitvoerig met het parlement stil gestaan bij de gevolgen van deze bezuinigingen. Eerst in de Tweede Kamer, waar middels het amendement Bontenbal c.s. een verzachting is toegepast op de bezuinigingen, en vervolgens in uw Kamer. De begroting 2025 is vervolgens inclusief amendement Bontenbal c.s. vastgesteld.
Zoals toegelicht in het antwoord op de vraag hiervoor heeft dit kabinet besloten om de verhoging van de OCW-begroting (met structureel ruim € 1,5 miljard) vanaf 2027 in te laten gaan.
Wet leeruitkomsten hoger onderwijs en uitvoerbaarheid
De Wet leeruitkomsten hoger onderwijs vraagt van instellingen dat zij opleidingen flexibeler en modulair inrichten. Dat vergt curriculumherontwerp, professionalisering, aanpassing van toetsing en vaak ook digitalisering van processen. Kan de regering aangeven hoe de middelen binnen de begrotingsartikelen voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs toereikend zijn om deze implementatie daadwerkelijk mogelijk te maken? Hoe voorkomt de regering dat instellingen, als gevolg van dalende studentenaantallen, terughoudend worden ten aanzien van deze noodzakelijke vernieuwing?
De Wet Leeruitkomsten maakt het mogelijk om met flexibele opleidingsroutes te werken, maar verplicht dit niet. Instellingen wegen de werkdruk ten aanzien van de uitvoerbaarheid (curriculumontwikkeling, deskundigheidsbevordering en aanpassing van ondersteunende systemen en processen) mee in hun keuzes en afwegingen. Als een gefaseerde en getemporiseerde aanpak wenselijk is, dan kunnen instellingen daarvoor kiezen. De acht jaar ervaring in het Experiment Leeruitkomsten bij ongeveer 400 opleidingen van 21 instellingen leert dat de werkdruk aanvankelijk toeneemt in de ontwikkelfase en in de eerste fase van de uitvoering, maar gaandeweg afneemt en normaliseert. Uit het Experiment is ook gebleken dat, eenmaal opgestart, het bekostigde opleidingen veelal lukt om het flexibele concept te organiseren binnen de bestaande financiële kaders van bekostiging. Inmiddels is er veel ervaring en bewijs opgebouwd in het werken met eenheden van leeruitkomsten. Hier maken opleidingen, die voornemens zijn om met eenheden van leeruitkomsten te gaan werken, ook actief gebruik van. Dat de deelnemende hogescholen aan het experiment hebben gekozen voor opschaling geeft ook een positief beeld. OCW stimuleert het delen van ervaringen en bewijs tussen instellingen door onder meer tweemaal per jaar een landelijke bijeenkomst te organiseren in het teken van flexibilisering in het hbo en wo waar hogescholen en universiteiten aan deelnemen.
Tot slot ondersteunt het Nationaal Groeifonds programma Npuls de instellingen bij de transformatie die zij doormaken om met leeruitkomsten te kunnen werken. Bijvoorbeeld door de bouw van sectorvoorzieningen, door het subsidiëren van de opzet van Centers for Teaching and Learning bij alle instellingen en door de ontwikkeling van een kennisinfrastructuur ten behoeve van flexibilisering in het onderwijs. Npuls heeft hiervoor tot en met 2027 € 244,7 miljoen toegekend gekregen.
AI in didactiek en toetsing
Instellingen en docenten moeten steeds vaker omgaan met AI in lesontwerp, beoordeling en toetsing. Dat vraagt niet alleen beleid, maar ook tijd, scholing en duidelijke kaders. Welke middelen zijn binnen deze begroting concreet beschikbaar om docenten te professionaliseren op het gebied van AI-geletterdheid, AI-didactiek en verantwoord toetsen? Acht de regering dit voldoende in het licht van de snelheid waarmee deze ontwikkelingen zich aandienen?
Via het Nationaal Groeifonds-programma Npuls ondersteunt het kabinet instellingen bij de verbetering en vernieuwing van het onderwijs met behulp van digitalisering. Zo wordt vanuit Npuls onder meer ingezet op de professionalisering van docenten in het vervolgonderwijs op het gebied van AI. Daarbij wordt vanuit het programma gewerkt aan kennisdeling, community vorming en gezamenlijke kaders, richtlijnen en handreikingen over de inzet van AI in onderwijs en toetsing. Dit past bij uitstek bij de verantwoordelijkheid van de sector zelf voor de vormgeving van het onderwijs. Van belang is om te benadrukken dat het aanpassen van het onderwijs aan de ontwikkelingen in de maatschappij en arbeidsmarkt een iteratieve opgave is. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid is het Ministerie van OCW hier nauw bij betrokken. Zoals verzocht in de motie Rooderkerk c.s.75 zullen wij samen met het onderwijsveld verkennen hoe het vervolgonderwijs AI verantwoord kan gebruiken. Wij kijken daarbij wat er aanvullend nodig is ten opzichte van wat er al in de sector en door Npuls wordt gedaan. Wij zullen de Tweede Kamer hier eind 2026 nader over informeren.
Professionalisering van docenten
Behoorlijk hoger onderwijs staat of valt met goed toegeruste docenten, aldus de fractieleden van Volt. Toch zien deze leden dat juist professionalisering onder druk komt te staan wanneer middelen krapper worden. Hoe waarborgt de regering dat instellingen binnen deze begroting voldoende ruimte houden voor structurele docentprofessionalisering, juist op terreinen als blended learning, toetsingskwaliteit en technologische innovatie? Ziet de regering daarbij ook een eigen verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW, in plaats van dit volledig bij instellingen neer te leggen?
In de CAO HBO 2026 (Vereniging Hogescholen) zijn specifieke afspraken vastgelegd over de professionalisering van hbo-docenten. Hogescholen zijn verplicht om jaarlijks minimaal 6% van hun totale jaarinkomen te besteden aan professionalisering, zoals het behalen van de Basiskwalificatie Didactische Bekwaamheid (BDB). In de CAO Nederlandse Universiteiten (UNL) ligt de nadruk meer op de individuele loopbaanpaden (zoals onderzoek vs. onderwijs) en het behalen van specifieke kwalificaties, zoals de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO). Omdat ho-instellingen de aandacht voor docentprofessionalisering goed hebben georganiseerd en geborgd, is extra waarborg vanuit OCW niet nodig. Wel is OCW betrokken bij het landelijke groeifondsprogramma Npuls waarin onder andere Centers for Teaching & Learning (CTL’s) bij mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten worden gestimuleerd. Binnen deze CTL’s kunnen docenten terecht voor professionalisering, ondersteuning en onderwijskundig advies over bijvoorbeeld toetsing of digitalisering.
Kan de regering toelichten hoe Npuls, het achtjarige innovatieprogramma voor mbo, hbo en wo dat met € 640 miljoen wordt gefinancierd, waarvan € 560 miljoen uit het Nationaal Groeifonds en € 80 miljoen uit bijdragen van instellingen, zich verhoudt tot deze OCW-begroting, en hoe de regering borgt dat de via Npuls ontwikkelde innovaties op het gebied van docentprofessionalisering, digitalisering en gezamenlijke onderwijsinfrastructuur na afloop van deze tijdelijke programmagelden ook structureel uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor instellingen?
Het NGF-programma Npuls ondersteunt en draagt bij aan de digitale transformatie in het gehele bekostigde vervolgonderwijs om het onderwijs beter en wendbaarder te maken voor de toekomst en zo beter aan te sluiten bij de behoeften van de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het gehele vervolgonderwijs heeft zich aan Npuls gecommitteerd via twee beloftes, te weten doorlopend het beste onderwijs en leren zonder drempels, en zet hiervoor ook eigen financiële middelen in vanuit de rijksbijdrage op basis van de bestedingsvrijheid die daarbij geldt.
De NGF-bijdrage voor het programma Npuls is gebaseerd op positief advies van de NGF Commissie, onderdeel van de fondsbeheerders Ministerie van Financiën en Ministerie van Economische Zaken. De bijdrage voor Npuls wordt op basis van projectspecifieke afspraken in tranches toegekend aan (de begroting van) het Ministerie van OCW. De middelen worden als subsidies in tranches verstrekt aan de organisatie SURF die penvoerder is van programma Npuls.
De NGF-bijdrage voor Npuls van € 384,7 miljoen is gefaseerd toegekend waarbij:
1. € 140 miljoen initieel is toegekend voor de voorbereidende en eerste fase van het NGF-programma Npuls (uitvoeringsperiode juli 2022 t/m december 2025; eerste tranche);
2. € 244,7 miljoen is toegekend voor fase 2A (2026- tot juli 2028) ten behoeve van een subsidieregeling voor iedere publieke onderwijsinstelling voor het starten of doorontwikkelen van een Center for Teaching and Learning als subsidiabele activiteit; het ontwikkelen van een digitale sectorvoorziening waarmee lerenden zich kunnen aanmelden, inschrijven en intekenen in het publieke vervolgonderwijs; activiteiten in de periode 1 januari 2028 t/m 31 juni 2028 om de continuïteit van het NGF-programma Npuls te borgen.
Voor het vervolg van de tweede fase (2b) van de uitvoering van het NGF-programma Npuls is, op basis van het advies van de NGF Commissie, € 175,3 miljoen voorwaardelijk toegekend vanaf 1 januari 2028. Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat Npuls tot een plan komt om duurzame inbedding van de resultaten van het NGF-programma Npuls te realiseren, waaronder de governance voor het maken van afspraken in de onderwijssector, het beheren en (door)ontwikkelen van collectieve digitale sectorvoorzieningen, en een «infrastructuur» voor kennis over onderwijs(vernieuwing). Hierbij is oog voor het overdragen van ontwikkelde kennis, producten en infrastructuur aan bestaande organisaties zodat instellingen hier blijvend gebruik van kunnen maken.
Kwaliteit van toetsing en toezicht
Onderwijsinnovatie is alleen houdbaar als de kwaliteit van toetsing en diplomering goed geborgd blijven, aldus deze leden. Met modulaire routes, leeruitkomsten en AI-toepassingen neemt de complexiteit van die borging toe. Kan de regering toelichten of de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO), de Onderwijsinspectie en instellingen zelf binnen deze begroting over voldoende capaciteit beschikken om die kwaliteit te bewaken? En waarop baseert de regering dat oordeel?
Instellingen zijn voldoende in staat om de kwaliteit van toetsing en diplomering te waarborgen. De kwaliteitsborging vindt plaats binnen de instellingen. Dit doen zij zorgvuldig en daarvoor reserveren zij voldoende capaciteit. Het is daarbij van belang dat instellingen ook rekening houden met de capaciteit die nodig is voor examencommissies. Dit volgt ook uit het rapport «Verder vooruit: Examencommissies in een veranderend hoger onderwijs» dat de inspectie vorig jaar heeft gepubliceerd.76 De inspectie roept de instellingsbesturen op om dit met de examencommissies te bespreken en waar nodig te verbeteren. Wij hebben er vertrouwen in dat instellingen met deze aanbeveling aan de slag gaan. Bij ons zijn geen signalen bekend dat de NVAO en inspectie niet beschikken over voldoende capaciteit voor het bewaken van de kwaliteit van toetsing en diplomering.
Kansengelijkheid
De bezuinigingen raken onder meer programma’s gericht op kansengelijkheid, waaronder de gemeentelijke onderwijsachterstandsregelingen en het programma School en Omgeving. Welke concrete maatregelen treft de regering om te voorkomen dat kwetsbare leerlingen in 2026 onevenredig hard worden getroffen? Beschouwt de regering een vol jaar additionele achterstand in kansengelijkheid als aanvaardbaar in het licht van de beleidsomslag die is aangekondigd voor 2027?
In 2026 blijft dit kabinet investeren in verschillende programma’s gericht op kwetsbare kinderen zoals schoolmaaltijden, brugfunctionaris, School & Omgeving, overgangen PO-VO en gemeentelijk onderwijsachterstandsbeleid. Door het vorige kabinet is op een aantal van deze programma’s bezuinigd. Dit kabinet draait deze bezuinigingen terug. Voor de meeste programma’s is het niet uitvoerbaar of doelmatig om deze extra middelen in het lopende jaar aan de begroting toe te voegen. Vanaf 2027 zijn de bezuinigingen teruggedraaid en hebben scholen en gemeenten tijd om de middelen doelmatig te besteden aan de doelen waar deze voor bestemd zijn.
Demografische krimp en stelselverantwoordelijkheid
De komende jaren krijgen hogescholen en universiteiten te maken met lagere instroom door demografische krimp.77 Hoe voorkomt de regering dat deze krimp in combinatie met budgetdruk leidt tot verschraling van het opleidingsaanbod, juist in regio’s waar toegankelijkheid en arbeidsmarktrelevantie al kwetsbaar zijn? Welke stelselverantwoordelijkheid neemt de regering hier zelf?
OCW heeft als doel om een kwalitatief goed en divers mbo-, hbo- en wo-aanbod beschikbaar te houden, zeker ook in de regio’s waar de impact van de dalende studentenaantallen het grootst is. Voor het mbo en hbo zijn daarom krimpmiddelen ter beschikking gesteld (voor het hbo in 2022 en 2025). Dit betrof € 90 miljoen voor het hbo en € 90 miljoen voor het mbo. De middelen dienen als overbrugging naar structurele aanpassingen in de bekostiging en ondersteunen maatregelen om vitale opleidingen te behouden, regionaal samen te werken en het aanbod beter te laten aansluiten op de arbeidsmarkt. Voor de lange termijn is het doel een stelsel dat beter omgaat met krimp en groei, maar dat ook stabiliteit en rust biedt en uitnodigt tot samenwerking tussen instellingen. Daartoe wordt gewerkt aan een stabielere bekostiging, een beleidskader om meer richting te geven aan een landelijk dekkend opleidingsaanbod en het sterker borgen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen voor het opleidingsaanbod.
Hoger onderwijs en wetenschap
De structurele bezuiniging van 215 miljoen euro per jaar op sectorplannen en startersbeurzen voor het wetenschappelijk onderwijs is per 2026 ingegaan.78 Wetenschappelijk talent dat nu vertrekt of geen aanstelling krijgt, is niet eenvoudig terug te winnen. Welke maatregelen neemt de regering om braindrain en verlies van onderzoekscapaciteit in 2026 te beperken? Is de regering bereid in kaart te brengen hoeveel wetenschappelijke posities in dit begrotingsjaar verloren gaan?
Het vorige kabinet heeft niet bezuinigd op sectorplannen, wel op de startersbeurzen. Deze bezuiniging ging in 2025 in. Het kabinet erkent dat de bezuinigingen van het vorige kabinet gevolgen kunnen hebben voor het aantrekken en het behouden van wetenschappelijk talent. Het is aan de instellingen zelf om maatregelen te treffen om kennis te borgen en de negatieve effecten van eventueel vertrek te beperken. Daarnaast hebben universiteiten de ruimte om, als zij dat willen, vanuit eigen middelen beurzen ter beschikking te stellen. De verantwoordelijkheid voor het duurzaam aantrekken en behouden van talent ligt primair bij de kennisinstellingen zelf, die hiervoor middelen ontvangen via de eerste en tweede geldstroom. De aangekondigde investeringen in onderzoek en wetenschap van het kabinet bieden instellingen hier weer meer ruimte voor. Het kabinet beschikt niet over een volledig overzicht van het aantal wetenschappelijke posities dat verloren gaat als gevolg van de bezuinigingen. Universiteiten van Nederland (UNL) geeft aan dat dergelijke cijfers niet centraal beschikbaar zijn. Op 24 april heeft het kabinet met de beleidsbrief79 de Kamers geïnformeerd over haar ambities en plannen voor wetenschap.
Leraren en arbeidsmarkt
Het lerarentekort is nog altijd een acuut knelpunt. Hoe verhoudt de overname van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof zich tot de ambitie van de huidige regering om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en het tekort terug te dringen? Welke effecten verwacht de regering op de instroom van lerarenopleidingen en het behoud van zittende leraren als gevolg van de bezuinigingen in 2026? Welke concrete gevolgen ziet de regering voor zijinstroom en hybride docentschap, terwijl juist daar de vraag groot is, maar financiering, routes en uitvoerbaarheid in de praktijk nog vaak belemmerend werken?
Dit kabinet investeert in het onderwijs. Met de investeringen zoals opgenomen in het coalitieakkoord kunnen stappen worden gezet in het verbeteren van onderwijskwaliteit en het aanpakken van knelpunten op bijvoorbeeld het gebied van routes naar het leraarschap. Naar aanleiding van de motie in het debat van 25 maart 202680 gaan we in gesprek met het onderwijsveld om te bezien of binnen de onderwijsregio’s animo is en mogelijkheden zijn voor het stimuleren van hybride docentschap voor de beroepsgerichte vakken in vmbo, vso en mbo. Daarnaast komt er meer geld beschikbaar voor zij-instroom (oplopend vanaf 2027 tot structureel € 88 miljoen), omdat dit de afgelopen jaren een succesvolle maatregel is gebleken en we tegelijkertijd zien dat, zoals ook de leden van uw Kamer stellen, er meer nodig is om de kwaliteit van de trajecten duurzaam te borgen. De instroom in de pabo is de afgelopen jaren gestegen. Van ruim 5.100 eerstejaars studenten in 2015 naar 8.521 in 2025. De maatregelen bouwen voort op eerdere investeringen. Zo zijn bijvoorbeeld de salarissen in het po en vo gelijkgetrokken. Er is geïnvesteerd in de aanpak van werkdruk en er is meer aandacht voor ontwikkeling en professionalisering van leraren en schoolleiders.
Digitale soevereiniteit
Onderwijsinstellingen zijn voor hun primaire processen sterk afhankelijk van enkele grote, vaak niet-Europese technologieaanbieders. Tegelijk groeit de wens om publieke waarden, regie op data en digitale autonomie beter te borgen.81 Hoe ondersteunt de regering instellingen bij de overstap naar meer digitaal soevereine alternatieven? Zijn daarvoor binnen deze begroting middelen, coördinatie of gezamenlijke aanbestedingskracht beschikbaar? En hoe voorkomt de regering dat instellingen deze transitie wel moeten maken, maar zonder voldoende implementatieondersteuning?
Publieke waarden, zoals autonomie, menselijkheid en rechtvaardigheid, staan hoog in het vaandel bij onderwijsinstellingen. In het gehele onderwijs is veel aandacht voor het versterken van digitale autonomie. Verschillende organisaties ondersteunen scholen en onderwijsinstellingen hierin, zoals SIVON en Kennisnet in het funderend onderwijs en SURF en Npuls in het vervolgonderwijs. OCW ondersteunt deze organisaties met projectsubsidies om pilots op te zetten om de autonomie te versterken, zoals een Open Source Program Office (OSPO), maar ook met middelen uit het Nationaal Groeifonds. De Groeifondsprogramma’s, Npuls82 en NOLAI, werken samen met de ICT-organisatie Kennisnet en SURF83 in het onderwijs en lopen tot en met 2031. Zij stimuleren en ontwikkelen alternatieven voor big tech in het onderwijs. Vanuit het programma Npuls en door SURF wordt ondersteuning aan instellingen geboden om te werken met technologieaanbieders, op voorwaarden die passen bij de onderwijsinstellingen. Daarnaast werkt het programma Npuls aan digitale sectorvoorzieningen, die onderwijsinstellingen helpen om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van technologie. Een voorbeeld hiervan is EduGenAI, waarmee onderwijsinstellingen in het (bekostigde) hoger onderwijs op een soevereine, beveiligde en transparante manier gebruik kunnen maken van generatieve AI-modellen.
Daarnaast werkt OCW op dit moment – ook in uitvoering van de motie Kathmann-Rooderkerk84 – samen met de partijen in het onderwijs, andere departementen en op EU-niveau om de digitale autonomie in de samenleving en het onderwijs te versterken en dit verder te versnellen. Daarbij hebben wij ook oog voor de capaciteiten van scholen en onderwijsinstellingen om de transitie naar digitale autonomie te kunnen maken en voor de stappen die de sectoren hierin al zetten. Wij informeren de Tweede Kamer hier voor de zomer over.
Jojobeleid
Onderwijsinstellingen, gemeenten en wetenschappelijke instellingen worden geconfronteerd met het zogenaamde jojobeleid: bezuinigingen in 2026 worden gevolgd door beloften van intensiveringen in 2027. Dit leidt tot organisatorische onzekerheid, personeelsonrust en reputatieschade, aldus deze leden. Welke concrete maatregelen treft de regering om de schade van deze beleidsinconsistentie voor instellingen en hun medewerkers te beperken?
Zie de antwoorden op de eerste twee vragen die door de fractie van Volt zijn gesteld.
Tijdelijkheid versus structurele opgaven
De opgaven waar het hoger onderwijs voor staat zijn structureel van aard: flexibilisering, technologische verandering, professionalisering, krimp en digitale onafhankelijkheid. Waarom kiest de regering er dan voor een begroting vast te stellen die instellingen vooral dwingt tot korte-termijnbeheersing, in plaats van hen in staat te stellen deze structurele transities goed uit te voeren?
Het kabinet herkent de opgaven voor het hoger onderwijs die hier worden geschetst. Daarom heeft dit kabinet ook besloten om te investeren in het onderwijs. In het coalitieakkoord is een investering van € 1,5 miljard opgenomen voor het onderwijs en de wetenschap. Hiermee komt ook voor het hbo en wo onderwijs geld ter beschikking om bepaalde opgaven op te pakken. Zo investeren we bijvoorbeeld in Leven Lang Ontwikkelen en investeren we structureel € 428 miljoen in onderzoek en wetenschap. Deze intensiveringen worden in de begroting verwerkt na uitwerking van de maatregelen uit het coalitieakkoord.
Cultuur en media
De begroting bevat eveneens bezuinigingen op cultuur en media. Kan de regering een overzicht geven van welke culturele instellingen en publieke media-instellingen in 2026 directe budgetkortingen ontvangen? Op welke wijze wordt geborgd dat de pluriformiteit van het culturele aanbod in dit transitiejaar niet structureel wordt aangetast?
In 2026 vinden geen directe budgetkortingen plaats op culturele instellingen of media-instellingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers vraagt welke bezuinigingen ten opzichte van de voorgaande vier jaren zijn doorgevoerd voor het jaar 2026 met betrekking tot het hoger onderwijs en de cultuursector. Daarnaast verzoekt het lid om een overzicht van de uitgaven voor hoger onderwijs en de cultuursector over de periode 2022–2026. Tot slot vraagt het lid naar de concrete gevolgen van deze bezuinigingen voor zowel het hoger onderwijs als de cultuursector.
In de ontwerpbegroting 2026 zijn geen nieuwe bezuinigingen doorgevoerd die betrekking hebben op het hoger onderwijs en de cultuursector.
In onderstaand overzicht zijn de uitgaven van artikel 6 en 7 (hoger onderwijs) en artikel 14 (cultuur) in de jaren 2022–2026 weergegeven. Voor 2022 tot en met 2025 is daarbij uitgegaan van de realisatiecijfers, voor 2026 van de raming bij stand voorjaarsnota 2026.
|
Bedragen x € 1.000 |
2022 (realisatie) |
2023 (realisatie) |
2024 (realisatie) |
2025 (realisatie) |
2026 |
|---|---|---|---|---|---|
|
Hoger onderwijs |
11.301.205 |
11.644.984 |
12.119.252 |
12.055.068 |
12.472.026 |
|
– waarvan artikel 6 |
4.646.642 |
4.550.502 |
4.705.811 |
4.649.407 |
4.837.971 |
|
– waarvan artikel 7 |
6.654.563 |
7.094.482 |
7.413.441 |
7.405.661 |
7.634.055 |
|
Cultuur (artikel 14) |
1.648.336 |
1.285.438 |
1.389.026 |
1.456.669 |
1.457.241 |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, J.Z.C.M. Tielen
Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA, p. 47.
De Algemene Rekenkamer, 2021, «Zicht op rijksbezit; De gewoonste zaak van de wereld?», p. 84–88.
Centraal Bureau voor de Statistiek, «Meer hoogopgeleiden en beroepsniveau steeg mee», 18 oktober 2022, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/42/meer-hoogopgeleiden-en-beroepsniveau-steeg-mee.
Voor de beantwoording van de datavragen is uitgegaan van cijfers over het gehele hogeronderwijsstelsel (hbo en wo, inclusief associate degrees, bachelors en masters gezamenlijk). Daarbij wordt in de beschikbare statistieken geen onderscheid gemaakt naar studenten van buiten de EU, maar naar studenten van buiten de Europese Economische Ruimte (EER). Dit betreft naast de 27 EU-lidstaten ook Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.
Abbink, H., Bakens, J., & Meijer, R. (2024). Blijfkansen van afgestudeerde internationale studenten uit het Nederlandse hoger onderwijs en hun impact op arbeidsmarktramingen. ROA
Nuffic (2024), De invloed van macro-factoren op diplomamobiliteit Een verkenning van wereldwijde invloeden op de instroom van internationale diplomastudenten in Nederland.
Iemand kwalificeert als migrerend werknemer als deze persoon gemiddeld 32 uur per maand werkt of 24 uur per maand werkt en dit bestendig doet voor een periode van meer dan 6 maanden. Naarmate de omvang van de werkzaamheden geringer is komt meer gewicht toe aan de bestendigheid van de arbeidsverhouding. Als iemand niet aan de urennorm voldoet, wordt nog gekeken of de student minimaal 50 procent van de bijstandsnorm verdient.
OECD. (2023). Share of mobile students enrolled at tertiary level by country of destination. Note: These OECD figures refer to absolute shares of globally mobile tertiary students and do not take into account the size of each country’s population or domestic student body.
Nuffic is de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, van basisschool tot universiteit.
wetten.nl – Regeling – Memorandum van Overeenstemming tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties – BWBV0002316
NOS nieuws, «Kabinet: inclusieve taalgids ministerie «betuttelend» en «overbodig»», 7 april 2026, zie https://nos.nl/artikel/2609496-kabinet-inclusieve-taalgids-ministerie-betuttelend-en-overbodig.
Kamerstuk, Vergaderjaar 2022–2023, Agenda tegen Discriminatie en Racisme: Kamerstuk 30 950, nr. 318 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen
Zie: Wetenschapsvisie 2025: Keuzes voor de toekomst, p. 35. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2014D43456&did=2014D43456
Dit betreft evaluaties volgens het Standaard Evaluatie Protocol (SEP) https://www.universiteitenvannederland.nl/files/publications/Strategy%20Evaluation%20Protocol%202027-2033%20v6.pdf
NOS nieuws, «Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16», 28 november 2024, zie Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16.
Bron: A.W. Willemsen, «Het wettelijk depot van publikaties in Nederland. Enkele kanttekeningen bij een slepende affaire», in: M.S. Geesink (red.), Koninklijke Bibliotheek en bibliotheekbeleid, Verspreide geschriften 1983–1990. A.W. Willemsen, Den Haag: Koninklijke Bibliotheek 1991). Bron: Law Library of Congress (U.S, Mandatory deposit laws in selected jurisdictions, geactualiseerd in 2024).
Afspraken tussen de KB en uitgevers van de Mediafederatie: Uitgevers | KB en Opnamecriteria Depot van Nederlandse Publicaties | KB, de nationale bibliotheek
Bron Delpher: Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1881, 01-01-1881 » 01 jan 1881 – Pag. 390 | Delpher).
Mark Deckers, 12 april 2026, «Meer dan 50% van alle bibliotheken kent een gratis lidmaatschap boven 18 jaar.»
Van Dijck & Meijer, «Towards a collective digital autonomy for Dutch universities», Universiteit Utrecht, zie: https://www.uu.nl/sites/default/files/IOS%20Think%20Paper%207%20EN.pdf.
SURF is een faciliteit van het vervolgonderwijs. Deze wordt door het onderwijs zelf gefinancierd.
Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA, p. 47.
De Algemene Rekenkamer, 2021, «Zicht op rijksbezit; De gewoonste zaak van de wereld?», p. 84–88.
Centraal Bureau voor de Statistiek, «Meer hoogopgeleiden en beroepsniveau steeg mee», 18 oktober 2022, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/42/meer-hoogopgeleiden-en-beroepsniveau-steeg-mee.
Voor de beantwoording van de datavragen is uitgegaan van cijfers over het gehele hogeronderwijsstelsel (hbo en wo, inclusief associate degrees, bachelors en masters gezamenlijk). Daarbij wordt in de beschikbare statistieken geen onderscheid gemaakt naar studenten van buiten de EU, maar naar studenten van buiten de Europese Economische Ruimte (EER). Dit betreft naast de 27 EU-lidstaten ook Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.
Abbink, H., Bakens, J., & Meijer, R. (2024). Blijfkansen van afgestudeerde internationale studenten uit het Nederlandse hoger onderwijs en hun impact op arbeidsmarktramingen. ROA
Nuffic (2024), De invloed van macro-factoren op diplomamobiliteit Een verkenning van wereldwijde invloeden op de instroom van internationale diplomastudenten in Nederland.
Iemand kwalificeert als migrerend werknemer als deze persoon gemiddeld 32 uur per maand werkt of 24 uur per maand werkt en dit bestendig doet voor een periode van meer dan 6 maanden. Naarmate de omvang van de werkzaamheden geringer is komt meer gewicht toe aan de bestendigheid van de arbeidsverhouding. Als iemand niet aan de urennorm voldoet, wordt nog gekeken of de student minimaal 50 procent van de bijstandsnorm verdient.
OECD. (2023). Share of mobile students enrolled at tertiary level by country of destination. Note: These OECD figures refer to absolute shares of globally mobile tertiary students and do not take into account the size of each country’s population or domestic student body.
Nuffic is de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, van basisschool tot universiteit.
wetten.nl – Regeling – Memorandum van Overeenstemming tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties – BWBV0002316
NOS nieuws, «Kabinet: inclusieve taalgids ministerie «betuttelend» en «overbodig»», 7 april 2026, zie https://nos.nl/artikel/2609496-kabinet-inclusieve-taalgids-ministerie-betuttelend-en-overbodig.
Kamerstuk, Vergaderjaar 2022–2023, Agenda tegen Discriminatie en Racisme: Kamerstuk 30 950, nr. 318 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen
Zie: Wetenschapsvisie 2025: Keuzes voor de toekomst, p. 35. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2014D43456&did=2014D43456
Dit betreft evaluaties volgens het Standaard Evaluatie Protocol (SEP) https://www.universiteitenvannederland.nl/files/publications/Strategy%20Evaluation%20Protocol%202027-2033%20v6.pdf
NOS nieuws, «Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16», 28 november 2024, zie Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16.
Bron: A.W. Willemsen, «Het wettelijk depot van publikaties in Nederland. Enkele kanttekeningen bij een slepende affaire», in: M.S. Geesink (red.), Koninklijke Bibliotheek en bibliotheekbeleid, Verspreide geschriften 1983–1990. A.W. Willemsen, Den Haag: Koninklijke Bibliotheek 1991). Bron: Law Library of Congress (U.S, Mandatory deposit laws in selected jurisdictions, geactualiseerd in 2024).
Afspraken tussen de KB en uitgevers van de Mediafederatie: Uitgevers | KB en Opnamecriteria Depot van Nederlandse Publicaties | KB, de nationale bibliotheek
Bron Delpher: Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1881, 01-01-1881 » 01 jan 1881 – Pag. 390 | Delpher).
Mark Deckers, 12 april 2026, «Meer dan 50% van alle bibliotheken kent een gratis lidmaatschap boven 18 jaar.»
Van Dijck & Meijer, «Towards a collective digital autonomy for Dutch universities», Universiteit Utrecht, zie: https://www.uu.nl/sites/default/files/IOS%20Think%20Paper%207%20EN.pdf.
SURF is een faciliteit van het vervolgonderwijs. Deze wordt door het onderwijs zelf gefinancierd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-VIII-F.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.