36 765 Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten)

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR DIGITALISERING1 EN VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID2

Vastgesteld 2 juni 2026

Het wetsvoorstel heeft de leden de fractie van GroenLinks-PvdA, mede namens de leden van de fractie van PvdD, en de leden van de fracties van de BBB, VVD, D66, CDA, PVV en FVD aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Deze leden onderschrijven het belang van het verhogen van de fysieke weerbaarheid van «kritieke entiteiten», maar hebben nog enkele vragen.

Deze leden constateren dat voor de CER-richtlijn de omzettermijn 17 oktober 2024 is overschreden en ten aanzien van deze richtlijn inmiddels een inbreukprocedure is gestart door de Europese Commissie. Deze leden onderschrijven het belang van tijdige omzetting van Europese richtlijnen in nationale regelgeving en vragen de regering te reflecteren op het niet halen van de omzettermijnen en vragen de regering om dit nader toe te lichten.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Deze leden onderstrepen het belang van het beschermen en bevorderen van onze fysieke en digitale veiligheid. Dit geldt al helemaal in deze roerige tijden. Wel hebben deze leden nog enkele vragen over de uitvoering van deze wet.

De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wet weernaarheid kritieke entiteiten en de daarbij horende stukken. Deze leden hebben buiten het voorstel tevens kennisgenomen van het feit dat de Europese Commissie Nederland voor het Hof van Justitie van de EU daagt vanwege het uitblijven van de volledige implementatie van de CER-richtlijn. Nederland loopt ver voorop waar het gaat om digitale veiligheid en cybersecurity. Deelt de regering de zorg van deze leden dat gezwinde spoed afbreuk doet aan een kwalitatief adequate implementatie en daarmee de digitale weerbaarheid en cyberveiligheid van Nederland en is zij voornemens deze houding stellig te veroordelen? Deze leden lezen graag een gedegen onderbouwing van de beantwoording.

Kan de regering aan de leden van de fractie van FVD toelichten waarom ervoor wordt gekozen om onder tijdsdruk van een lopende inbreukprocedure wetgeving versneld door het parlement te loodsen? Welke gevolgen heeft dit voor de kwaliteit van de parlementaire controle? Acht de regering het wenselijk dat wetgeving op dit terrein primair wordt ingegeven door dreigende EU-sancties in plaats van inhoudelijke nationale afwegingen?

2. Algemeen deel/hoofdlijnen wetsvoorstel/aanleiding

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD hebben de volgende algemene vragen aan de regering.

  • 1. Hoe wordt voorkomen dat organisaties onder tegenstrijdige instructies van verschillende toezichthouders komen te staan?

  • 2. Kan de regering aangeven welke rol de Autoriteit Persoonsgegevens concreet krijgt bij toezicht op gegevensverwerking onder deze wet?

  • 3. Hoe wordt voorkomen dat organisaties te maken krijgen met dubbele of overlappende rapportageverplichtingen onder de Cyberbeveiligswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?

  • 4. Hoe beoordeelt de regering de risico’s van afhankelijkheid van Amerikaanse Cloud providers voor vitale infrastructuur? Welke gevolgen kan de Amerikaanse CLOUD Act in de optiek van de regering hebben voor Nederlandse vitale infrastructuur en overheidsdata? Deze leden lezen hier graag een analyse van.

  • 5. Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse regering om buitenlandse overnames van vitale digitale infrastructuur tegen te houden? Deze leden lezen hier graag een analyse van en tevens een reactie op de vraag of de regering voornemens is hier, al dan niet in Europees verband, regelgeving voor in het leven te roepen.

  • 6. Welke geopolitieke criteria worden betrokken bij aanbestedingen van vitale digitale diensten?

  • 7. Hoe worden klimaatrisico’s zoals overstromingen, droogte en hitte structureel meegenomen in de beoordeling van kritieke infrastructuur?

  • 8. Hoe beoordeelt de regering de weerbaarheid van vitale infrastructuur tegen gecombineerde klimaat- en cyberdreigingen?

  • 9. Welke concrete criteria worden gebruikt bij de aanwijzing van kritieke entiteiten onder de Wwke?

  • 10. Hoe transparant wordt het aanwijzingsproces voor organisaties die mogelijk als kritieke entiteit worden aangewezen?

  • 11. Hoe effectief is bezwaar en beroep mogelijk wanneer aanwijzingen gebaseerd zijn op vertrouwelijke risicoanalyses?

Kan de regering aan de leden van de fractie van de BBB aangeven of oorlogsvoering een risico is waartegen kritieke entiteiten zich onder deze wet ook moeten voorbereiden, of valt oorlogsvoering buiten deze wet? Is dit inclusief nucleaire oorlogsvoering en hierbij horende elektromagnetische pulsen? Valt «cyber war» hier ook onder?

Kan de regering aan deze leden toelichten of deze wet alleen bedoeld is voor betere beveiliging door kritieke entiteiten waarvandaan grote maatschappelijke schade kan ontstaan of is deze wet ook bedoeld voor private of publieke organisaties die juist als taak hebben om schade te beperken, dus om incidenten te bestrijden?

De leden van de D66-fractie merken op dat de Minister van J&V een coördinerende rol heeft. De regering heeft aangegeven dat de vakminister «in overeenstemming met» de Minister van J&V nadere regels of besluiten voor sectoren kan vaststellen, in de gevallen dat de handelingen van de betrokken Minister het integrale stelsel raken. Wanneer is dat het geval? In de andere gevallen behoeft de vakminister alleen te overleggen met de Minister van J&V. Doet dat geen afbreuk aan het vermogen van deze Minister om coördinerend op te treden? Heeft de regering zicht op hoe andere lidstaten invulling geven aan de coördinerende rol van de Minister van J&V, specifiek ten aanzien van de vraag of in andere lidstaten de coördinerende Minister wel in alle gevallen samen met de vakminister tot besluiten komt? Hoe kan worden gegarandeerd dat in dergelijke gevallen alle, voor de uitvoering van deze wet verantwoordelijke, vakministers de wetgeving op dezelfde manier interpreteren en daarmee de ene Minister de ene sector niet strengere maatregelen oplegt dan de andere Minister dat bij een andere sector doet?

3. Rechtmatigheid/rechtsbeginselen/consistentie

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD vragen de regering hoe zij garandeert dat deze wetgeving enerzijds voldoende flexibel blijft om cyberdreigingen het hoofd te bieden, maar anderzijds niet leidt tot structurele onzekerheid over de juridische verplichtingen van organisaties?

  • 1. Waarom heeft de regering ervoor gekozen essentiële normen grotendeels via lagere regelgeving uit te werken in plaats van in de wet zelf?

  • 2. Op basis van welke concrete criteria kan een organisatie vooraf vaststellen dat zij voldoet aan de (zorgplicht) verplichting om «passende en evenredige maatregelen» te nemen? Kan de regering hierbij betrekken dat er geen sprake is van eenduidige wettelijke minimumnormen maar van uitwerking in lagere regelgeving?

  • 3. Hoe wordt voorkomen dat pas achteraf, bij toezicht of handhaving of via jurisprudentie duidelijk wordt of een organisatie aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan? Aan de hand van welke concrete criteria wordt beoordeeld of een organisatie voldoet aan de zorgplicht? Is dit op voorhand voldoende kenbaar?

  • 4. Kan de regering exact aangeven welke minimale beveiligingseisen in de wet zelf zijn vastgelegd, los van lagere regelgeving?

  • 5. Hoe wordt parlementaire controle gegarandeerd op normen die feitelijk pas in lagere regelgeving en toezichtpraktijk worden ingevuld?

  • 6. Hoe voorkomt de regering dat verschillende sectorale toezichthouders de open normen verschillend interpreteren en daarmee ongelijkheid in handhaving ontstaat?

  • 7. Welke juridische grenzen zijn gesteld aan de normstellende rol van toezichthouders via richtsnoeren en handhavingspraktijk?

  • 8. Hoe verhoudt deze open normstelling zich tot het rechtszekerheidsbeginsel en het vereiste van voorzienbare wetgeving onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?

Kan de regering aan de leden van de fractie van de BBB toelichten waarom in artikel 5 de genoemde overheidsorganisaties van de wet uitgezonderd zijn? Vallen alle in dit artikel niet genoemde overheidsorganisaties in principe wel onder de wet, ook organisaties die niet primair gericht zijn op ICT, maar wel ICT gebruiken? Deze leden noemen hierbij enkele voorbeelden zoals beheerders van tunnels, dammen en eigenaren van laboratoria?

Een deel van de kritieke entiteiten is afhankelijk van, of anderszins vervlochten met, andere kritieke entiteiten, zodat bijvoorbeeld cascade-effecten kunnen ontstaan. Deze leden vragen de regering of deze wet hen verplicht samen te werken om risico’s af te dekken en maatregelen te nemen? Staat deze verplichting ook expliciet in de wet? Zo nee, waarom niet?

Deze leden vragen de regering of zij vindt dat het voor invoering van deze wet nodig is om wet- en regelgeving over screening en veiligheidsonderzoeken van medewerkers van kritieke entiteiten en hun dienstverleners te herzien? Zijn hier al plannen voor?

Deze leden vragen of eigenaren van kritieke entiteiten met deze wet ook aansprakelijk gemaakt worden voor het niet nakomen van de wet, zodat burgers en bedrijven schadevergoeding kunnen eisen? Of is deze aansprakelijkheid al in andere wetgeving vastgelegd? Is aansprakelijkheid voldoende in de wet vastgelegd?

Kan de regering aan de leden van de fractie van de VVD toelichten hoe de «essentiële entiteit» onder 36 764 zich tot de «kritieke entiteit» onder 36 765 verhoudt in gevallen waarin beide regimes van toepassing zijn? Kan de regering toezeggen dat er één loket en één meldlijn komt?

Ten aanzien van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten heeft de regering allereerst aangegeven dat de zorgplicht van kritieke entiteiten mogelijk kleur kan worden gegeven door sectorspecifieke voorschriften in een EU-rechtshandeling. De leden van de D66-fractie vragen de regering of zij zelf al ideeën heeft over die sectorspecifieke voorschriften in EU-verband en of zij daarom met een duidelijke inzet ten aanzien van de beoogde voorschriften naar Europa afreist.

Deze leden hebben eveneens een vraag over de voorgestelde uitzondering op de toepasselijkheid van de Wet open overheid (Woo). De regering motiveert deze uitzondering mede met het belang dat entiteiten erop moeten kunnen vertrouwen dat verstrekte informatie niet openbaar wordt gemaakt. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten waarom de reeds bestaande uitzonderingsgronden binnen de Woo onvoldoende worden geacht om gevoelige bedrijfs- en veiligheidsinformatie te beschermen.

4. Doeltreffendheid/doelmatigheid

Kan de regering aan de leden van de fractie van de VVD toelichten hoe de meldplicht «betekenisvol incident» geoperationaliseerd en voorkomen dat entiteiten uit voorzorg alles melden, met overbelasting van meldpunten tot gevolg?

5. Uitvoerbaarheid/handhaafbaarheid

In juni 2024 heeft de Eerste Kamer motie-Fiers c.s. aangenomen met daarin een aantal voorwaarden voor de behandeling van digitaliseringswetgeving.3 In deze motie wordt een drietal zaken gevraagd:

  • 1. bij de toekomstige wetsbehandeling van digitaliseringswetgeving (zowel nationale wetgeving als implementatiewetgeving van de Europese richtlijnen) inzicht te bieden in de samenhang van het voorliggende wetsvoorstel met bestaande en te verwachten digitaliseringswetten, zodat de Kamer een wetsvoorstel in de juridische context kan beoordelen;

  • 2. bij toekomstige voorstellen voor digitaliseringswetgeving altijd vooraf een Uitvoeringstoets Decentrale Overheden (UDO) te laten uitvoeren, waarbij de samenhang met bestaande en te verwachten digitaliseringswetgeving wordt meegenomen en getoetst op uitvoerbaarheid, waarmee rekening wordt gehouden met juridische, organisatorische en technische implicaties, zodat de Kamer deze kan betrekken bij de beoordeling van voorstellen van digitaliseringswetgeving;

  • 3. bij voorstellen voor toekomstige digitaliseringswetgeving een helder, met de medeoverheden afgestemd, implementatiepad aan te geven (onder andere AMvB’s, KB’s), met een haalbare implementatietermijn en met inschatting van de kosten voor invoering, zodat de Kamer dit kan betrekken bij de beoordeling om te komen tot zorgvuldige implementatie volgens de bedoeling van de wet.

Aan deze drie vereisten is niet voldaan. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD verzoeken de regering om hier alsnog aan te voldoen.

De Eerste Kamer heeft op 7 oktober 2025 per brief aan de regering te kennen gegeven dat uitvoerbaarheidstoetsen belangrijk zijn om de uitvoerbaarheid van wetgeving goed te kunnen beoordelen.4 In deze Kamerbrief wordt vervolgens ook ingegaan op een aantal kwalitatieve eisen waaraan een uitvoerbaarheidstoets moet voldoen. Bij deze voorliggende wet zijn consultatiereacties van enkele belangrijke uitvoerende instanties en overheden gevoegd, maar deze consultatiereacties, op de concept-wetgeving, geven geen zicht op de uitvoerbaarheid van de uiteindelijke wet die voorligt. Daarom verzoeken de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en PvdD aan de regering om de Eerste Kamer alsnog te voorzien van uitvoerbaarheidstoetsen op de voorliggende, geamendeerde, wet van de betrokken organisaties/instanties.

De leden van de fractie van de BBB vragen of de kritieke entiteiten zich op de vrije markt kunnen verzekeren voor de risico’s en maatrelen waar deze wet zich op richt of zijn deze risico’s (deels) onverzekerbaar?

Deze leden vragen of de regering verwacht dat kritieke entiteiten door deze wet, om risico’s te verkleinen, sommige uitbestede werkzaamheden weer zelf, «binnenshuis», zullen moeten gaan uitvoeren? Zijn de kritieke entiteiten hier goed toe in staat?

Deze leden vragen of de organisatie die toezicht moet houden op de kritieke entiteiten voor de uitvoering van de wet hiervoor voldoende wettelijke bevoegdheden heeft, maar ook kwantitatief en kwalitatief voldoende capaciteit. Zijn hier extra inspanningen van de regering voor nodig?

Deze leden vragen of de regering voldoende zicht heeft op de risico’s van het gebruik van oude of verouderde ICT-systemen, ook wel «legacy systems» genoemd, door kritieke entiteiten? Worden hier door de overheid en/of bedrijven voldoende maatregelen tegen genomen?

Kan de regering de leden van de fractie van de VVD een totaaloverzicht geven van alle toezichthoudende instanties en hoe coördinatie (one-stop-shop) wordt geborgd?

Kan de regering deze leden toelichten hoe de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders zich verhoudt tot bestaande privaat- en bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsregimes? Bestaat het risico op over-compliance en defensief bestuur?

De leden van de fractie van D66 constateren dat de regering aangeeft dat toezichthouders onderling afspraken moeten maken om overlap van het uitoefenen van bevoegdheden op dezelfde terreinen te voorkomen. Vindt de regering dat hier ook een taak voor de Minister van J&V is weggelegd, vanuit de coördinerende rol van deze Minister, om het overzicht goed te bewaren en te achterhalen welke afspraken worden gemaakt en of toezichthouders erin slagen om deze overlap in de praktijk te voorkomen? De regering maakt zelf vooral melding van de noodzaak van afspraken tussen ambtenaren in dit kader. Nu het om essentiële verdelingen van taken en bevoegdheden gaat, vragen deze leden of het niet meer voor de hand ligt dat vakministers en topfunctionarissen van zbo’s hier ook onderling het gesprek over aangaan. Hoe denkt de regering over een register om de verschillende taken vanuit verschillende wetten van de verschillende toezichthouders op het gebied van veiligheid in kaart te brengen, zodat overlap voorkomen kan worden? Hoe denkt de regering daarnaast over het openbaar maken van een dergelijk register, zodat ook kritieke entiteiten zelf duidelijk en op een toegankelijke wijze kunnen achterhalen met wie ze van doen hebben?

Verder constateren deze leden dat de regering heeft aangegeven dat zij verwacht in het eerste kwartaal van 2026 duidelijk te hebben hoe een toezichthouder op de sector overheid onafhankelijk kan optreden. Zijn deze inzichten inmiddels beschikbaar? Wanneer dit het geval is, zouden deze gegevens gedeeld kunnen worden?

Daarnaast geeft de regering aan dat de vakministers momenteel bezig zijn met de risicobeoordelingen, maar dat het nog even kan duren voordat duidelijk zal zijn op welke entiteiten de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten specifiek toe gaat zien. Kan de regering voor deze leden een inschatting maken hoelang dit zal duren? Kan dit sterk per sector verschillen? Zo ja, wat zijn de belangrijkste factoren die voor dit verschil in tempo zorgen?

De regering maakt duidelijk dat zij van plan is om bedrijven te ondersteunen bij de verplichtingen die voortvloeien uit de wet. Verschillende manieren waarop de overheid kritieke entiteiten hierbij kan helpen, volgen ook uit de wet zelf. Kan de regering aan deze leden toelichten hoe zij kijkt naar het opzetten van een netwerk van kritieke entiteiten, zodat kritieke entiteiten (vooral in dezelfde sectoren) ook onderling informatie over het uitvoeren van de wettelijke verplichtingen kunnen uitwisselen? Is de regering voornemens om ook publieke kritieke entiteiten te ondersteunen? Zo ja, doet zij dat op dezelfde manier? Verder vragen deze leden in hoeverre de werklast binnen overheidsinstanties toeneemt vanwege de risicobeoordelingen en in hoeverre dit als een serieuze negatieve consequentie van de wet wordt gezien. Het gaat dan om de werklast van kritieke entiteiten binnen de sector overheid, maar ook over de werklast van degenen die toezien op de uitvoering van de wet.

Daarnaast heeft de regering aangeven dat de Europese Commissie momenteel een richtsnoer ontwikkelt om kritieke entiteiten te ondersteunen. Deze leden vragen of hier inhoudelijk al meer over bekend is. Bovendien vragen zij of het duidelijk is wanneer deze richtsnoeren opgesteld zullen zijn.

Verder merken deze leden op dat het gaat hier gaat om het implementeren van een richtlijn en niet om een verordening. De CER-richtlijn heeft als doel om een minimumniveau aan harmonisatie te creëren. Het staat lidstaten vrij om verder te gaan dan de CER-richtlijn. Heeft de regering in dit kader momenteel plannen voor aanvullende nationale wetgeving ten aanzien van kritieke entiteiten? Zijn er uit de besprekingen ten aanzien van de CER-richtlijn inzichten opgedaan voor nieuwe nationale wetgeving, bijvoorbeeld doordat op Europees niveau punten besproken zijn die uiteindelijk niet in de richtlijn terecht zijn gekomen, maar wel als wenselijk worden gezien? Ten aanzien van de sector overheid vragen deze leden of minimumharmonisatie in dit geval met zich meebrengt dat op nationaal niveau aanvullende maatregelen zouden kunnen worden genomen ten aanzien van belangrijke overheidsinstanties die niet onder de definitie van overheid vanuit de CER-richtlijn vallen. Zo ja, acht de regering het wenselijk dat dezelfde bepalingen vanuit de CER-richtlijn ook van toepassing zullen zijn op overheidsinstanties waar de CER-richtlijn niet op toeziet, zoals de rechterlijke macht en de Raad van State?

De regering geeft aan dat het een aandachtspunt is dat informatie-uitwisseling vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), bijvoorbeeld aan de Europese Commissie, plaatsvindt via een betrouwbaar en veilig proces en vertrouwelijkheid zou moeten borgen. Is het nodig dat dit een aandachtspunt is en is het daarmee op dit moment geen gegeven dat informatie-uitwisseling op die manier zal plaatsvinden? Op wat voor manier is de regering voornemens om hier aandacht aan te besteden of dit onder de aandacht te brengen?

De leden van de fractie van het CDA constateren dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen zorgen hebben geuit over de uitvoerbaarheid van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten voor decentrale overheden. Daarbij wordt onder andere gewezen op financiële en organisatorische consequenties die uitvoering van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten met zich brengt. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe deze zorgen worden ondervangen.

6. Kosten

De leden van de fractie van de BBB vragen de regering hoe groot zij de totale extra kosten van de kritieke entiteiten schat om de eerste vijf jaren om aan de eisen van deze wet, zoals beveiligings- en veiligheidsmaatregelen, te gaan voldoen? In hoeverre staan deze of anderen wetten toe dat zij deze kosten aan burgers en bedrijven doorbelasten? Is hier additionele wetgeving voor nodig?

7. Overgangsrecht

Kan de regering voor de leden van de fractie van FVD uiteenzetten waarom Nederland ervoor heeft gekozen om de CER-richtlijn grotendeels één-op-één te implementeren, in plaats van kritisch te bezien welke onderdelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn binnen de Nederlandse context? In hoeverre is hierbij nog sprake van nationale beleidsruimte, en waarom is die ruimte wel of niet benut?

8. Overig

De leden van de fractie van de BBB vragen of de regering bereid is de komende tijd vertrouwelijke, besloten technische briefings aan het parlement te verzorgen om inzicht te geven in de uitdagingen die de invoering van deze wet oplevert?

De vaste commissies voor Digitalisering en Justitie & Veiligheid zien met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit verslag.

De voorzitter van de vaste commissie voor Digitalisering, Veldhoen

Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

De griffier voor het verslag, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Hartog (Volt), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Kanis (D66), Lievense (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Panman (BBB) (ondervoorzitter), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 382, D.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 31 731/29 362, X.


X Noot
1

Samenstelling:

Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Hartog (Volt), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Kanis (D66), Lievense (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Panman (BBB) (ondervoorzitter), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 382, D.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 31 731/29 362, X.

Naar boven