36 741 EU-voorstel: Gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 JOIN(2025)120

M VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 12 maart 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Defensie over Witboek Europese Defensie Gereedheid 2030. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 10 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 10 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSHULP

Aan de Minister van Defensie

Den Haag, 10 februari 2026

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief2 van 6 januari 2026, in reactie op de brief van de commissie van 26 november 2025 met nadere vragen over het Witboek3 over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. De leden van de fracties van de Fractie-Van de Sanden en de Fractie-Visseren-Hamakers hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers

1)

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers constateert dat pagina 10 van de beantwoording geen inhoudelijk antwoord gegeven op vraag 2, punt 1. Op welke bronnen zijn deze stellingen op gebaseerd? Dit lid ontvangt graag een inhoudelijke reactie met onderbouwing.

2)

Wat zijn de concrete én specifieke NAVO-verdedigingsplannen waarnaar wordt verwezen in beantwoording van vraag 2, punt 1 en 3?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Van de Sanden

1)

In uw beantwoording stelt u dat het gebruik van artikel 122, VWEU, gerechtvaardigd is vanwege uitzonderlijke omstandigheden.4 Hoe borgt de regering dat deze noodbevoegdheid niet structureel wordt ingezet voor meerjarig defensiebeleid, en kan zij concreet aangeven welke tijdelijke, objectieve en toetsbare criteria zij hanteert om te bepalen wanneer toepassing van artikel 122 VWEU niet langer proportioneel is?

2)

U geeft aan dat het kabinet het democratisch toezicht voldoende geborgd acht via nationale parlementen, ondanks het ontbreken van medebeslissingsrecht van het Europees Parlement.5 Hoe kan het nationale parlement effectief vooraf sturen of corrigeren, wanneer besluiten op EU-niveau worden genomen en nationale parlementen hoofdzakelijk achteraf worden geïnformeerd?

3)

In uw beantwoording benadrukt u dat lidstaten verantwoordelijk blijven voor hun nationale defensieplanning, terwijl Europese financiering wordt gekoppeld aan gezamenlijk vastgestelde prioriteiten.6 Acht u dit verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, en kan zij concreet aangeven welke beleidsvrijheid Nederland behoudt indien het afwijkt van door de EU vastgestelde defensieprioriteiten?

4)

Ten aanzien van militaire mobiliteit en prioritaire corridors spreekt u van

inspanningsverplichtingen zonder verplichtend karakter.7 Hoe wordt het budgetrecht van de Staten-Generaal geborgd indien deze inspanningsverplichtingen leiden tot substantiële investeringen in infrastructuur of tot langdurige ruimtelijke en financiële consequenties?

5)

Ten slotte verwijst u naar bestaande waarborgen bij EU-financieringsinstrumenten ter bescherming van sleuteltechnologieën en bedrijfsgevoelige informatie.8 Welke concrete rechtsbeschermingsmogelijkheden hebben Nederlandse bedrijven wanneer aanvullende veiligheidsvoorwaarden, informatieverplichtingen of deelnamevoorwaarden leiden tot beperking van ondernemingsvrijheid of concurrentienadelen?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, Koen Petersen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 maart 2026

Hierbij ontvangt u de antwoorden op nadere Eerste Kamervragen zoals gesteld door de leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) naar aanleiding van de Kamerbrief9 van 6 januari 2026, in reactie op de brief van de commissie van 26 november 2025 met nadere vragen over het Witboek10 over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

De Minister van Defensie, D. Yeşilgöz-Zegerius

Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden van de fractie-Visseren-Hamakers en de fractie-Van de Sanden aan de Minister van Defensie inzake het witboek Europese defensiegereedheid 2030.

Ingezonden op 10 februari 2026, kenmerk 179817.

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers

1)

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers constateert dat pagina 10 van de beantwoording geen inhoudelijk antwoord gegeven op vraag 2, punt 1. Op welke bronnen zijn deze stellingen op gebaseerd? Dit lid ontvangt graag een inhoudelijke reactie met onderbouwing.

In de vraag werd het kabinet gevraagd te reflecteren op een stelling over de mate waarin Europa in conventionele militaire termen in het nadeel is ten opzichte van Rusland. In de beantwoording wordt het belang van het op korte termijn invullen van NAVO-capaciteitsdoelstellingen toegelicht. Dit is nodig om de verdedigingsplannen van de NAVO goed uit te kunnen voeren en ter afschrikking van Rusland. Dit is gebaseerd op gerubriceerde interne NAVO-bronnen.

Daarnaast wordt benoemd dat Nederland additionele investeringen zal doen om de eigen capaciteiten uit te breiden. De Defensienota 2024 omschrijft op hoofdlijnen de benodigde toekomstige investeringen die daarmee gepaard gaan.

Tot slot wordt toegelicht dat Europese bondgenoten meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor het versterken van de Europese defensie-industrie. De EU speelt hierbij een belangrijke rol met het beschikbaar stellen van financiële instrumenten en door middel van wet- en regelgeving. Een voorbeeld daarvan is het SAFE-instrument (Security Action for Europe) dat is gericht op het versterken van de Europese defensie-industrie en de militaire paraatheid. Het biedt financiële ondersteuning aan lidstaten voor gezamenlijke aanbesteding van defensiematerieel, zoals munitie, luchtverdedigingssystemen en andere strategische capaciteiten. Op welke wijze de door het huidige kabinet aangekondigde extra investeringen in Defensie zullen worden aangewend, wordt vastgelegd in de nieuwe Defensienota. Het streven is deze voor de zomer aan de Kamer aan te bieden.

2)

Wat zijn de concrete én specifieke NAVO-verdedigingsplannen waarnaar wordt verwezen in beantwoording van vraag 2, punt 1 en 3?

Tijdens de NAVO-top van Vilnius in 2023 is besloten tot een nieuwe generatie regionale verdedigingsplannen. Deze plannen vormen de kern van de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied. De regionale plannen brengen de NAVO-planning meer in lijn met de nationale defensieplannen van de bondgenoten. Als onderdeel van de plannen is per regio vastgesteld welke troepen en capaciteiten nodig zijn en de wijze waarop deze tijdens een crisis kunnen worden ingezet. De regionale plannen zijn vertrouwelijk en worden derhalve niet openbaar gemaakt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Van de Sanden

1)

In uw beantwoording stelt u dat het gebruik van artikel 122, VWEU, gerechtvaardigd is vanwege uitzonderlijke omstandigheden.11 Hoe borgt de regering dat deze noodbevoegdheid niet structureel wordt ingezet voor meerjarig defensiebeleid, en kan zij concreet aangeven welke tijdelijke, objectieve en toetsbare criteria zij hanteert om te bepalen wanneer toepassing van artikel 122 VWEU niet langer proportioneel is?

Het gebruik van artikel 122 VWEU is beperkt tot uitzonderlijke situaties. Het kabinet beoordeelt voorstellen aan de hand van de concrete situatie en deelt die beoordeling met de Kamer. Het kabinet merkt daarbij op dat de bepaling ruim is geformuleerd en dat de Raad daardoor een ruime beoordelingsmarge heeft bij toepassing van de bepaling. Daarbij wordt door de Raad rekening gehouden met de volgende elementen: er is sprake van een noodsituatie of uitzonderlijke omstandigheid die leidt tot ernstige moeilijkheden in de economische situatie van de EU-lidstaten, en die niet met gewone maatregelen van de EU kunnen worden aangepakt; de maatregelen zijn proportioneel, tijdelijk en economisch van aard.

2)

U geeft aan dat het kabinet het democratisch toezicht voldoende geborgd acht via nationale parlementen, ondanks het ontbreken van medebeslissingsrecht van het Europees Parlement.12 Hoe kan het nationale parlement effectief vooraf sturen of corrigeren, wanneer besluiten op EU-niveau worden genomen en nationale parlementen hoofdzakelijk achteraf worden geïnformeerd?

Het parlement wordt met betrekking tot nieuw EU-beleid en -wetgeving geïnformeerd voordat besluitvorming plaatsvindt. Zodra de Europese Commissie een nieuw EU-voorstel of mededeling publiceert, ontvangt de Tweede Kamer dit zelf ook direct uit Brussel.

Het parlement wordt vervolgens binnen zes weken geïnformeerd over het standpunt van de regering middels het BNC-fiche (Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen). Dit bevat naast het kabinetsstandpunt een inschatting van de beleidsmatige, financiële en praktische consequenties van het plan voor Nederland. Een Kamercommissie kan in haar procedurevergadering een wijze van bespreking kiezen, bijvoorbeeld een rondetafelgesprek met belanghebbenden, een expertbriefing of een debat met de regering. Commissies stellen in bepaalde gevallen speciale EU-rapporteurs aan, die bijvoorbeeld informatie over het voorstel verzamelen en delen met alle leden van de commissie. In 2025 waren er bijvoorbeeld rapporteurs actief op het terrein van de Nitraatrichtlijn, de Europese tabakswetgeving en circulaire economie. Om ook na publicatie het Europese besluitvormingsproces te controleren, voert een commissie geregeld overleg met de betrokken bewindspersoon over de voortgang van de onderhandelingen. Dat gebeurt vooral rondom de EU-Raden. Elke Minister en Staatssecretaris die de Raad bijwoont, informeert de Kamer vooraf over de Nederlandse onderhandelingsinzet via een geannoteerde agenda.

Het parlement staat nog andere instrumenten voor controle vooraf ter beschikking. Zoals het parlementair voorbehoud, en de gele of de oranje kaart die samen met andere nationale parlementen kan worden getrokken. Een gele kaart kan ingezet worden wanneer een derde van de nationale parlementen binnen acht weken bezwaar maakt tegen een EU-voorstel op grond van subsidiariteit. De Europese Commissie moet het voorstel dan heroverwegen. De oranje kaart kan worden getrokken wanneer meer dan de helft van de nationale parlementen bezwaren heeft en het Europees Parlement of de Raad het daarmee eens is. In dat geval moet de Europese Commissie het voorstel definitief terugtrekken. Van dit instrument is recent geen gebruik gemaakt.

3)

In uw beantwoording benadrukt u dat lidstaten verantwoordelijk blijven voor hun nationale defensieplanning, terwijl Europese financiering wordt gekoppeld aan gezamenlijk vastgestelde prioriteiten.13 Acht u dit verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, en kan zij concreet aangeven welke beleidsvrijheid Nederland behoudt indien het afwijkt van door de EU vastgestelde defensieprioriteiten?

Ja, dit is verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel. Nederland blijft soeverein met betrekking tot het bepalen van zijn defensieprioriteiten en -planning. Nederland heeft samen met andere Europese lidstaten o.a. in het kader van NAVO verplichtingen gezamenlijk 22 Capability Development Prioriteiten vastgesteld. De EU prioriteiten zijn hierop gebaseerd, en zijn vastgesteld door de regeringsleiders in de Europese Raad. Het is positief dat EU-financiering aan die prioriteiten is gekoppeld, want dat komt onze collectieve verdediging ten goede. De lidstaten zijn niet verplicht om gebruik te maken van EU-financiering.

4)

Ten aanzien van militaire mobiliteit en prioritaire corridors spreekt u van inspanningsverplichtingen zonder verplichtend karakter.14 Hoe wordt het budgetrecht van de Staten-Generaal geborgd indien deze inspanningsverplichtingen leiden tot substantiële investeringen in infrastructuur of tot langdurige ruimtelijke en financiële consequenties?

Zoals ook in het BNC-fiche staat, dienen eventuele budgettaire gevolgen te worden ingepast op de begrotingen van de beleidsverantwoordelijke departementen. Het budgetrecht van de Staten-Generaal zal derhalve middels het reguliere Rijksbegrotingsproces worden geborgd.

5)

Ten slotte verwijst u naar bestaande waarborgen bij EU-financieringsinstrumenten ter bescherming van sleuteltechnologieën en bedrijfsgevoelige informatie.15 Welke concrete rechtsbeschermingsmogelijkheden hebben Nederlandse bedrijven wanneer aanvullende veiligheidsvoorwaarden, informatieverplichtingen of deelnamevoorwaarden leiden tot beperking van ondernemingsvrijheid of concurrentienadelen?

Bedrijven zijn niet verplicht om deel te nemen aan EU-programma’s. Indien zij dit doen zullen zij aan de (beveiligings)voorwaarden moeten voldoen. Die voorwaarden beperken hun ondernemingsvrijheid niet en het kabinet heeft geen aanwijzingen om aan te nemen dat die leiden tot concurrentienadelen, aangezien deze voorwaarden voor alle deelnemende bedrijven gelden.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J.

X Noot
3

JOIN (2025)120, gepubliceerd op 19 maart 2025.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J, blz. 6.

X Noot
5

Ibidem.

X Noot
6

Ibidem.

X Noot
7

Idem, blz. 7.

X Noot
8

Ibidem.

X Noot
9

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J.

X Noot
10

JOIN (2025)120, gepubliceerd op 19 maart 2025.

X Noot
11

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J, blz. 6.

X Noot
12

Ibid.

X Noot
13

Ibid.

X Noot
14

Ibid,blz. 7.

X Noot
15

Ibid.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J.

X Noot
3

JOIN (2025)120, gepubliceerd op 19 maart 2025.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J, blz. 6.

X Noot
5

Ibidem.

X Noot
6

Ibidem.

X Noot
7

Idem, blz. 7.

X Noot
8

Ibidem.

X Noot
9

Zie verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J.

X Noot
10

JOIN (2025)120, gepubliceerd op 19 maart 2025.

X Noot
11

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, J, blz. 6.

X Noot
12

Ibid.

X Noot
13

Ibid.

X Noot
14

Ibid,blz. 7.

X Noot
15

Ibid.

Naar boven