Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36741 nr. J |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36741 nr. J |
Vastgesteld 13 januari 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Defensie over Witboek Europese Defensie Gereedheid 2030. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 26 november 2025.
• De antwoordbrief van 6 januari 2026.
De waarnemend griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, Karthaus
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSHULP
Aan de Minister van Defensie
Den Haag, 26 november 2025
De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief2 van 28 oktober 2025, in reactie op de brief van de commissie van 1 oktober 2025 met nadere vragen over het Witboek3 over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. De leden van de fracties van FVD en PvdD hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie lezen in de beantwoording4 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger op de vragen van de commissie BDO onder meer over artikel 122 VWEU en de afwijzing van de Europese Commissie van het advies van de JURI-commissie van het Europees Parlement (zie vraag 24).
1. Kunt u toelichten welke concrete en objectieve criteria de regering hanteert om de door de Europese Commissie genoemde «uitzonderlijke omstandigheden» te beoordelen die volgens de Commissie het gebruik van artikel 122 VWEU voor het SAFE-instrument rechtvaardigen?
2. Deelt u de zorgen van de JURI-commissie van het Europees Parlement over het gebrek aan democratisch toezicht bij toepassing van artikel 122 VWEU, en bent u bereid geen onomkeerbare stappen te zetten zolang deze juridische twijfel niet is weggenomen?
Deze leden lezen vervolgens dat de Europese Commissie stelt dat lidstaten verantwoordelijk blijven, maar tegelijk werkt aan mobiliteitspakket, corridors en gezamenlijke aankoop (vragen 3–5)5.
3. Hoe beoordeelt de regering het risico dat EU-initiatieven zoals EDIP/EDIRPA en het mobiliteitspakket, ondanks formeel vrijwillig karakter, de facto leiden tot harmonisatie van nationale defensieplanning en prioriteitsstelling, doordat financiering wordt gekoppeld aan EU-prioriteiten?
4. Kunt u garanderen dat de kaart van «prioritaire militaire corridors» en het bijbehorende regelgevingskader voor grensoverschrijdend militair transport geen verplichtend karakter krijgen dat ingrijpt in de nationale zeggenschap over infrastructuur en logistiek?
De Europese Commissie benadrukt in de beantwoording de bescherming van sleuteltechnologieën, ASML, en strengere eisen rond dual-use (vragen 2, 9, 10).6
5. Hoe waarborgt de regering dat EU-financieringsinstrumenten ter bevordering van strategische technologieën niet leiden tot ongewenste beïnvloeding of inzage in bedrijfsgevoelige informatie van Nederlandse sleutelbedrijven zoals ASML?
6. Bent u bereid in te zetten op een verplichte MKB-impacttoets bij nieuwe EU-regelingen rond dual-use technologieën, aangezien de Europese Commissie zelf erkent dat de bureaucratische lasten vooral kleinere bedrijven raken?
Vervolgens constateren de leden van de FVD-fractie dat de Europese Commissie in de beantwoording het doel bevestigt van integratie van de Oekraïense defensie-industrie in de Europese industriële defensiebasis, het aangaan van een Drone Alliance met Oekraïne en gebruik van Ukraine Support Instrument (vraag 15).7
7. Acht u het wenselijk dat de EU actief stuurt op structurele integratie van de Oekraïense defensie-industrie in de Europese industriële defensiebasis, inclusief gezamenlijke productie en joint ventures, en welke gevolgen ziet u voor de Nederlandse autonomie in toekomstige veiligheidskeuzes?
8. Hoe borgt de regering dat bij samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven volledige naleving plaatsvindt van EU-regels rond exportcontrole, eindgebruik en conflictgevoeligheid, gezien de risico’s die de Europese Commissie zelf erkent?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de fractie van de PvdD danken u voor de antwoorden op hun vragen van 1 oktober 2025. Zij hebben nog een aantal aanvullende vragen en opmerkingen. Zij verzoeken u hierbij om alle vragen afzonderlijk te beantwoorden.
1. Op de vraag hoe «gezamenlijke investeringen» in defensie niet zullen leiden tot een wapenwedloop of andere vormen van escalatie, antwoordt u dat een «robuuste defensie in Europa, met een bijbehorende defensie-industrie» bijdraagt aan «een geloofwaardige collectieve afschrikking en daarmee aan het voorkomen van escalatie.» Ook zou er sprake zijn van «continue monitoring». Bij hoeveel wapens/welke wapens ligt bij u de grens? Wanneer is er sprake van voldoende geloofwaardige afschrikking? Is het niet zo dat juist continue monitoring impliceert dat versterking van de militaire capaciteit door Rusland, leidt tot versterking van militaire capaciteit van EU-landen? Is dat niet precies wat een wapenwedloop impliceert? En zo nee, waarom dan niet? Uit welke bronnen zou dat blijken?
2. De leden van de PvdD-fractie verwijzen nogmaals naar het rapport van de Friedrich Ebert Stiftung (FES) «Europe’s military capabilities – a call for strategic decision making» dat eind maart 2025 verscheen.8 Kunt u reageren op de vier belangrijkste conclusies uit dat rapport? Deze leden ontvangen graag per conclusie een reactie met een onderbouwing.
1. «The data clearly show that Europe is not at a disadvantage against Russia in conventional military terms.
2. Ensuring that Europe’s defence posture remains robust requires informed and targeted choices.
3. There is no imminent need to spend «whatever it takes» and to buy whatever weapons are available.
4. The focus should now shift towards strengthening European industrial capacities, refining existing capabilities, improving coordination among European allies, and investing in select areas that enhance strategic autonomy.»
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, K. Petersen
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 januari 2026
Hierbij ontvangt u de antwoorden op Eerste Kamervragen zoals gesteld door de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) naar aanleiding van de Kamerbrief9 van 28 oktober 2025, in reactie op de brief van de commissie van 1 oktober 2025 met nadere vragen over het Witboek10 over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.
De Minister van Defensie, R.P. Brekelmans
Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden van de Eerste Kamerfractie van Forum voor Democratie (FvD) en Partij voor de Dieren (PvdD) aan de Minister van Defensie inzake het witboek Europese Defensiegereedheid 2030.
Ingezonden 26 november 2025, kenmerk 178945
Vragen en opmerkingen van de leden van de Forum voor Democratie-fractie
De leden van de FVD-fractie lezen in de beantwoording11 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger op de vragen van de commissie BDO onder meer over artikel 122 VWEU en de afwijzing van de Europese Commissie van het advies van de JURI-commissie van het Europees Parlement (zie vraag 24).
1. Kunt u toelichten welke concrete en objectieve criteria de regering hanteert om de door de Europese Commissie genoemde «uitzonderlijke omstandigheden» te beoordelen die volgens de Commissie het gebruik van artikel 122 VWEU voor het SAFE-instrument rechtvaardigen?
Het kabinet heeft eerder12 aangegeven dat het gebruik van artikel 122 VWEU mogelijk is omdat de lidstaten geconfronteerd worden met ernstige economische verstoringen als gevolg van de Russische inval in Oekraïne en de verslechtering van de veiligheidscontext binnen de Unie sinds begin 2025. In beide gevallen betreft het buitengewone gebeurtenissen buiten de beheersing van de lidstaten.
2. Deelt u de zorgen van de JURI-commissie van het Europees Parlement over het gebrek aan democratisch toezicht bij toepassing van artikel 122 VWEU, en bent u bereid geen onomkeerbare stappen te zetten zolang deze juridische twijfel niet is weggenomen?
Nee, het kabinet deelt deze zorg niet. Democratisch toezicht vindt plaats op verschillende wijzen en niveaus, bijvoorbeeld via de nationale parlementen die toezicht houden op het standpunt van hun regeringen. Ook in het Nederlandse parlement heeft uitgebreide discussie plaatsgevonden over dit onderwerp. Bij gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 122 VWEU is er weliswaar geen sprake van medebeslissing door het Europees Parlement, maar dit laat de overige bevoegdheden van het Europees Parlement om controle over EU-beleid en -budget uit te oefenen onverlet. Het kabinet deelt de visie van de Commissie dat de urgentie en het strategisch belang van defensiegereedheid het gebruik van de bevoegdheid van artikel 122 VWEU rechtvaardigen.
Deze leden lezen vervolgens dat de Europese Commissie stelt dat lidstaten verantwoordelijk blijven, maar tegelijk werkt aan mobiliteitspakket, corridors en gezamenlijke aankoop (vragen 3–5)13.
3. Hoe beoordeelt de regering het risico dat EU-initiatieven zoals EDIP/EDIRPA en het mobiliteitspakket, ondanks formeel vrijwillig karakter, de facto leiden tot harmonisatie van nationale defensieplanning en prioriteitsstelling, doordat financiering wordt gekoppeld aan EU-prioriteiten?
De lidstaten blijven verantwoordelijk voor de nationale defensieplanning en prioriteitsstelling. Het kabinet onderkent de urgente noodzaak om op grote schaal en op een gecoördineerde manier te investeren in pan-Europese projecten die Europa zullen beschermen tegen dringende dreigingen. Daarom zet het kabinet zich ervoor in dat Europese financiering bijdraagt aan het invullen van capability-tekorten en NAVO capability-doelstellingen. Bijvoorbeeld door gebruik van Europese EDIRPA-financiering door Nederland voor aanschaf van materieel. De capability-tekorten en NAVO-capability-doelstellingen bepalen mede de door de lidstaten afgesproken Europese prioriteiten. Zodoende versterkt Europese defensiesamenwerking de nationale defensie planning en prioriteitsdoelstellingen. In het kader van militaire mobiliteit onderstreept Nederland het belang van concrete, gezamenlijke stappen onder andere ter harmonisatie van (toepassing van) regelgeving en ten behoeve van aanpassing van de infrastructuur conform EU- en NAVO-standaarden. Nederland zet zich in EU-verband in om militaire mobiliteit te verbeteren.
4. Kunt u garanderen dat de kaart van «prioritaire militaire corridors» en het bijbehorende regelgevingskader voor grensoverschrijdend militair transport geen verplichtend karakter krijgen dat ingrijpt in de nationale zeggenschap over infrastructuur en logistiek?
De bepalingen met betrekking tot militaire-mobiliteitscorridors uit het voorgestelde mobiliteitspakket van de Commissie doen niets af aan de nationale zeggenschap van de lidstaten over hun infrastructuur en logistiek. Deze bepalingen omvatten inspanningsverplichtingen voor de lidstaten om onder andere dual-use-infrastructuur op het eigen grondgebied die als onderdeel van de militaire-mobiliteitscorridors is geïdentificeerd, met prioriteit te verbeteren, weerbaar te maken en aan te passen zodat die geschikt is voor gebruik door militaire transporten.
De Europese Commissie benadrukt in de beantwoording de bescherming van sleuteltechnologieën, ASML, en strengere eisen rond dual-use (vragen 2, 9, 10).14
5. Hoe waarborgt de regering dat EU-financieringsinstrumenten ter bevordering van strategische technologieën niet leiden tot ongewenste beïnvloeding of inzage in bedrijfsgevoelige informatie van Nederlandse sleutelbedrijven zoals ASML?
Het huidige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon Europe), het voornaamste EU-financieringsinstrument ter bevordering van strategische technologieën, bevat verscheidene waarborgen tegen ongewenste beïnvloeding en inzage in bedrijfsgevoelige informatie. Zo bestaat de mogelijkheid om samenwerking met derde landen in te perken in het geval dat de (economische) veiligheid van de EU in het geding komt. Ook gelden er provisies rondom intellectueel eigendom om gevoelige kennis te beschermen. Het kabinet zet zich in voor het duidelijk verankeren van zulke waarborgen in het toekomstige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. Het is voor Nederland belangrijk dat kennisveiligheidsmaatregelen, waar relevant en noodzakelijk, worden benoemd als een voorwaarde voor deelname aan Horizon Europe en worden verankerd in de gemeenschappelijke regels van het Europees Concurrentievermogenfonds.
6. Bent u bereid in te zetten op een verplichte MKB-impacttoets bij nieuwe EU-regelingen rond dual-use technologieën, aangezien de Europese Commissie zelf erkent dat de bureaucratische lasten vooral kleinere bedrijven raken?
Op grond van haar eigen «Betere Regelgevings-richtsnoeren», moet de Europese Commissie een MKB-impact toets uitvoeren als onderdeel van een impact assessment wanneer een voorstel waarschijnlijk effecten heeft op het MKB.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de Commissie daadwerkelijk impact assessments uitvoert, inclusief de MKB-impact toets. Nederland vraagt hier aandacht voor, zowel in regulier overleg met de Commissie en andere lidstaten over de uitvoering van het beleid inzake betere regelgeving, als bij de bespreking van concrete voorstellen voor EU-regelgeving.
Vervolgens constateren de leden van de FVD-fractie dat de Europese Commissie in de beantwoording het doel bevestigt van integratie van de Oekraïense defensie-industrie in de Europese industriële defensiebasis, het aangaan van een Drone Alliance met Oekraïne en gebruik van Ukraine Support Instrument (vraag 15).15
7. Acht u het wenselijk dat de EU actief stuurt op structurele integratie van de Oekraïense defensie-industrie in de Europese industriële defensiebasis, inclusief gezamenlijke productie en joint ventures, en welke gevolgen ziet u voor de Nederlandse autonomie in toekomstige veiligheidskeuzes?
Een cruciaal onderdeel van het vergroten van de Europese strategische autonomie op het gebied van veiligheid is het opschalen van de productiecapaciteit van de defensie-industrie. De Oekraïense defensie-industrie is in zeer korte tijd en onder uitdagende omstandigheden uitgegroeid tot een van de grootste en meest innovatieve industrieën van Europa. Het is van belang dat wij hiervan leren, onder andere door de Oekraïense defensie-industrie te integreren in de Europese Defensie technologische en industriële basis (EDTIB). Daarom is het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne een prioriteit van dit demissionaire kabinet.
Nederland werkt aan een samenwerking met de Oekraïense overheid om coproductie van Oekraïens materieel in Nederland mogelijk te maken. In lijn met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (DS-II) en het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) ziet Defensie concrete kansen op het gebied van gezamenlijke productie van onder andere onbemenste systemen. Dit sluit aan op de ambities van de Europese Commissie en draagt tevens bij aan onze productie- en leveringszekerheid en ons innovatievermogen.
8. Hoe borgt de regering dat bij samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven volledige naleving plaatsvindt van EU-regels rond exportcontrole, eindgebruik en conflictgevoeligheid, gezien de risico’s die de Europese Commissie zelf erkent?
Het kabinet hecht veel waarde aan een zorgvuldige controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie met het oog op het behouden en bevorderen van de internationale veiligheid. De controles zijn onder andere bedoeld om ongewenste verspreiding van wapens en overige militaire goederen te voorkomen, de verspreiding van gevoelige technologieën te beheersen en ervoor te zorgen dat export geen activiteiten ondersteunt die in strijd zijn met Nederlandse belangen en verplichtingen.
In dit kader stimuleert Nederland ook andere landen om een zorgvuldig en transparant exportcontrolebeleid te voeren (inclusief risicobeoordeling en controle op eindgebruik).
Dit komt ook voort uit internationale verplichtingen zoals het partij zijn bij het VN-wapenhandelsverdrag (ATT) en geldende Europese wetgeving.
Nederland stimuleert Oekraïne om een zorgvuldig en transparant exportcontrolebeleid te voeren, in overeenstemming met het Oekraïense EU-toetredingsperspectief en de noodzaak tot geleidelijke aanpassing aan het EU-acquis. In dat kader vormt het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) het referentiekader.
Bij de export van militaire goederen uit Nederland ten behoeve van de Oekraïense krijgsmacht wordt vastgelegd dat het materieel enkel ter zelfverdediging en voor militaire doeleinden kan worden ingezet, in overeenstemming met het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten. Er is daarmee beperkt risico voor verdere export van het materieel en oneigenlijk gebruik.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
1. Op de vraag hoe «gezamenlijke investeringen» in defensie niet zullen leiden tot een wapenwedloop of andere vormen van escalatie, antwoordt u dat een «robuuste defensie in Europa, met een bijbehorende defensie-industrie» bijdraagt aan «een geloofwaardige collectieve afschrikking en daarmee aan het voorkomen van escalatie.» Ook zou er sprake zijn van «continue monitoring». Bij hoeveel wapens/welke wapens ligt bij u de grens? Wanneer is er sprake van voldoende geloofwaardige afschrikking? Is het niet zo dat juist continue monitoring impliceert dat versterking van de militaire capaciteit door Rusland, leidt tot versterking van militaire capaciteit van EU-landen? Is dat niet precies wat een wapenwedloop impliceert? En zo nee, waarom dan niet? Uit welke bronnen zou dat blijken?
Rusland is de meest significante dreiging voor het NAVO-bondgenootschap. De Russische oorlog in Oekraïne heeft de veiligheidssituatie in Europa fundamenteel verslechterd en de NAVO – als defensieve alliantie – ziet zich daarom genoodzaakt om NAVO’s afschrikking te versterken door de eigen capaciteiten en industrieën te versterken en vergroten, om uiteindelijk hopelijk de wapens niet te hoeven gebruiken.
Het versterken van de NAVO heeft als doel agressie af te schrikken en vrede te bewaren. Het is daarbij niet mogelijk om exact te maken hoeveel wapens leiden tot voldoende afschrikking. Dit is afhankelijk van de context, situatie, en perceptie van een ander van onze capaciteiten en van onze geloofwaardigheid en bereidheid om deze in te zetten. Het is daarnaast niet wenselijk om in te gaan op specifieke capaciteiten of details over de inzet op gebied van afschrikking, omdat dit het doel van afschrikking juist ondermijnt.
Het patroon van (militaire) escalatie en daaropvolgende groei van militaire capaciteiten kan worden doorbroken door de escalatie te stoppen en een rechtvaardige en duurzame vredesovereenkomst te sluiten. De NAVO en haar bondgenoten zetten zich doorlopend in voor de-escalatie, door het vredesproces tussen Oekraïne en Rusland te steunen en daarnaast de druk op Rusland hoog te houden door middel van sancties. Een toekomstige vredesovereenkomst kan ook de voorwaarden scheppen voor hernieuwde gesprekken over wapenbeheersing.
2. De leden van de PvdD-fractie verwijzen nogmaals naar het rapport van de Friedrich Ebert Stiftung (FES) «Europe’s military capabilities – a call for strategic decision making» dat eind maart 2025 verscheen.16 Kunt u reageren op de vier belangrijkste conclusies uit dat rapport? Deze leden ontvangen graag per conclusie een reactie met een onderbouwing.
1. «The data clearly show that Europe is not at a disadvantage against Russia in conventional military terms.
De bestaande militaire capaciteiten zijn onvoldoende om de verdedigingsplannen van de NAVO goed uit te kunnen voeren. Het niet volledig invullen van de NAVO’s capaciteitsdoelstellingen brengt grote risico’s met zich mee voor het bondgenootschap, voor een geloofwaardige afschrikking tegenover Rusland dat zich momenteel op grote schaal herbewapent, en voor de verdediging van Europa. Ook de VS vraagt van Europa dat het een groter deel van de collectieve afschrikking en verdediging van het continent voor zijn rekening neemt. Het is in ons eigen belang om hier meer verantwoordelijkheid voor te nemen. Hiervoor zijn meer middelen en militairen nodig.
2. Ensuring that Europe’s defence posture remains robust requires informed and targeted choices.
Europese bondgenoten moeten meer verantwoordelijkheid nemen door meer militaire capaciteit te leveren. De operationele plannen en bijbehorende capaciteitsdoelstellingen van de NAVO zijn hierbij leidend.
3. There is no imminent need to spend «whatever it takes» and to buy whatever weapons are available.
Het kabinet onderschrijft deze stelling. Wel is het zo dat er additionele investeringen nodig zijn om de benodigde militaire capaciteiten te leveren voor de NAVO-verdedigingsplannen. Dit gebeurt op een doelmatige en doeltreffende wijze, in lijn met de Defensienota 2024. Door te investeren in een sterke en slimme krijgsmacht, zorgen we samen met bondgenoten en industriële en maatschappelijke partners voor een weerbaarder Koninkrijk dat veilig en welvarend kan blijven.
4. The focus should now shift towards strengthening European industrial capacities, refining existing capabilities, improving coordination among European allies, and investing in select areas that enhance strategic autonomy.»
Het kabinet onderschrijft het belang van de in deze stelling genoemde elementen. Versterking van de Europese defensie-industrie is noodzakelijk voor het tijdig behalen van de NAVO-capaciteitsdoelstellingen. Hierbij speelt de EU een belangrijke rol. De Europese Commissie en de EU-lidstaten werken aan financiële instrumenten en wet- en regelgeving zodat productie kan worden opgeschaald en interoperabiliteit en gezamenlijke ontwikkeling en aanschaf worden gestimuleerd. Dit alles moet bijdragen aan de gereedheid van de Europese krijgsmachten. Nederland hecht daarnaast aan samenwerking met de NAVO-bondgenoten die geen lid zijn van de EU, zoals de VS, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk.
Samenstelling:
Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Friedrich Ebert Stiftung, «Europe’s Military Capabilities: A Call for Strategic Decision-Making» 24 maart 2025, https://peace.fes.de/e/europes-military-capabilities-a-call-for-strategic-decision-making.html.
Friedrich Ebert Stiftung, «Europe’s Military Capabilities: A Call for Strategic Decision-Making» 24 maart 2025, https://peace.fes.de/e/europes-military-capabilities-a-call-for-strategic-decision-making.html.
Samenstelling:
Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Friedrich Ebert Stiftung, «Europe’s Military Capabilities: A Call for Strategic Decision-Making» 24 maart 2025, https://peace.fes.de/e/europes-military-capabilities-a-call-for-strategic-decision-making.html.
Friedrich Ebert Stiftung, «Europe’s Military Capabilities: A Call for Strategic Decision-Making» 24 maart 2025, https://peace.fes.de/e/europes-military-capabilities-a-call-for-strategic-decision-making.html.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36741-J.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.