Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36699 nr. D |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36699 nr. D |
Vastgesteld 17 maart 2026
Inleiding
De leden van de fracties van de BBB, het CDA, FVD en de SGP hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag.2 Naar aanleiding van de antwoorden van de regering hebben deze leden nog een aantal aanvullende vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB wensen de regering nogmaals te vragen waarom zij niet bereid is om van elk van de belangrijkste doelen van het onderwijs, zoals lezen, schrijven, rekenen, Nederlands en geschiedenis, een korte, maar adequate omschrijving of definitie van wat onder het betreffende doel valt in de wet op te nemen. Zijn er niet veel (semi)overheidsorganisaties waarvan de taken of belangrijkste doelen nu al in een wet staan?
Is de regering van mening dat het parlement, namens de kiezers, de belangrijkste doelen van (semi)overheidsorganisaties mag vastleggen? Is dat niet een belangrijk doel van een democratie, vragen de leden van de BBB-fractie.
Kan de besteding van een aanzienlijk deel van de belastingen die de Nederlandse bevolking aan onderwijsinstellingen betaalt, via het parlement niet duidelijker worden gestuurd door definities van de belangrijkste doelen van het onderwijs in de wet vast te leggen?
Daarnaast vragen de leden van de fractie van de BBB of een dergelijke wettelijke vastlegging er bovendien niet aan zou kunnen bijdragen dat een opvolger van de Minister deze belangrijkste doelen minder eenvoudig kan wijzigen, omdat het parlement deze via een uitgebreid, democratisch proces vaststelt. Vormt dat geen belangrijke bescherming tegen modieuze meningen en tijdelijke en/of extreme ideologische voorkeuren? Zouden dergelijke definities bovendien niet wenselijk zijn, omdat het voor de samenleving van groot belang is dat goed Nederlands en voldoende kennis van de geschiedenis van ons land worden onderwezen, zodat dit niet eenvoudig kan worden verminderd of zelfs geheel kan worden geschrapt?
Zou een dergelijke wettelijke vastlegging ouders en (oud-)leerlingen bovendien een duidelijke rechtsgrond kunnen geven om een rechtszaak aan te spannen wanneer een onderwijsinstelling in een hoofddoel duidelijk tekortschiet? En zou zij tevens waarde kunnen hebben als referentie voor de inburgering van nieuwe Nederlanders, vragen de leden van de BBB-fractie tot slot.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA vragen in welke fase de concept-AMvB zich bevindt waarin de kerndoelen worden geformaliseerd. Welke procedure doorloopt deze concept-AMvB? Is er nog een onderscheid tussen verschillende soorten kerndoelen in bestaande wetgeving en in de voorliggende wet?
Deze leden vragen zich voorts af welke wetsgrondslag er is op basis waarvan de concept-AMvB wordt uitgewerkt. Kan de regering aangeven hoe deze uitwerking eruit komt te zien? Kan de regering aangeven welke wetsgrondslag er is voor het funderend onderwijs, en wat de wetsgrondslag is voor het mbo? Is er sprake van een verschillende wetsgrondslag hiervoor?
Ook vragen de leden van de CDA-fractie wat de gevolgen zijn van eventuele verschillende wetsgrondslag voor mogelijke rechterlijke toetsing. Toetsing aan de Grondwet is namelijk uitgesloten, maar toetsing aan formele wetten kan wel. Op welke wijze is het onderscheid tussen de AMvB voor het funderend onderwijs en die voor het mbo wetstechnisch en juridisch vormgegeven in relatie tot artikel 23 van de Grondwet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie FVD
Taakverzwaring docenten
De leden van de fractie FVD merken op dat de regering stelt dat de nieuwe kerndoelen in de praktijk uitvoerbaar zijn gebleken, maar dat deze stelling niet met concrete gegevens wordt onderbouwd. Deze leden vragen de regering of zij precies kan aangeven op welke pilots, onderzoeken of praktijkproeven zij zich baseert, inclusief het aantal betrokken scholen en docenten, de gehanteerde methodologie en de gemeten effecten op de tijdsbesteding van docenten.
Begrenzing van concretisering kerndoelen
De leden van de FVD-fractie constateren dat de regering erkent dat verdergaande concretisering van kerndoelen de ruimte van scholen kan beperken. Kan de regering toelichten welke juridische of beleidsmatige criteria worden gehanteerd om te bepalen wanneer concretisering nog verenigbaar is met de vrijheid van inrichting van het onderwijs? Op welke wijze wordt bij toekomstige aanpassingen van kerndoelen getoetst of deze niet leiden tot een onevenredige inperking van de vrijheid van scholen, zoals beschermd door artikel 23 van de Grondwet? Bestaat hiervoor een expliciet toetsingskader of beoordelingssystematiek?
Waarborging van pluraliteit binnen kerndoelen
De leden van de fractie FVD merken op dat de regering verwijst naar de vrijheid van onderwijs als grondslag voor pluraliteit. Zij vragen de regering concreet uiteen te zetten op welke wijze pluraliteit binnen de inhoud en formulering van de kerndoelen zelf wordt gewaarborgd. Zijn er binnen het kader van de kerndoelen normatieve begrenzingen of interpretatiekaders die voorkomen dat één specifieke visie op burgerschap of maatschappelijke vraagstukken de facto als leidend wordt voorgeschreven? Hoe wordt dit bij toezicht en handhaving door de Onderwijsinspectie meegewogen, vragen deze leden tot slot.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP
De leden van de fractie van de SGP constateren dat er onduidelijkheid is over de bevoegdheden die worden gecreëerd in het wetsvoorstel. Enerzijds wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat de uitwerking van de doelstelling niet leidt tot een uitbreiding van de bevoegdheid tot het geven van inhoudelijke voorschriften,3 terwijl in de nota naar aanleiding van het verslag wordt aangegeven dat een inhoudelijke doelstelling tevens een voorschrift kan zijn.4 Hoewel wordt aangegeven dat de doelstellingen uitsluitend zien op het wat, en niet op het hoe, is daarmee, volgens de leden van de SGP-fractie, niet uitgesloten dat deze doelstellingen een ideologisch gekleurd voorschrift behelzen. Deze leden vragen de regering welke waarborgen zij stelt om ervoor te zorgen dat de kerndoelen zo geformuleerd worden dat zij geen beperking opleveren voor de ideologische grondslag van een onderwijsinstelling.
Er bestaat onduidelijkheid rondom burgerschap, omdat enerzijds de burgerschapsopdracht wettelijk is verankerd in artikel 8, terwijl anderzijds burgerschap als kerndoel is vastgelegd in artikel 9, lid 4, sub c van de Wet op het primair onderwijs. In het spreken over burgerschap en de burgerschapsopdracht kan hierdoor spraakverwarring ontstaan, wat de duidelijkheid van de wet niet ten goede komt. Uit de wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht blijkt bovendien dat voor 58% van de respondenten niet duidelijk is wat wel en wat niet aan de wettelijke vereisten voldoet.5 Daarom geeft 56% aan meer te willen weten over de verwachtingen vanuit de overheid en wenst 52% meer duidelijkheid over de rol of bruikbaarheid van de conceptkerndoelen.6 De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom ervoor gekozen is om burgerschap als kerndoel dezelfde noemer te geven als burgerschap als opdracht. Is de regering bereid om de naam van het kerndoel te heroverwegen of hier tenminste een verduidelijking voor te stellen? En ziet de regering een risico dat de Onderwijsinspectie in haar toezichtswerkzaamheden de ideologische onderwijsvrijheid zal toetsen aan het kerndoel burgerschap, omdat zij dit interpreteert als de nadere uitwerking van de burgerschapsopdracht?
In de wetsevaluatie lezen de leden van de fractie van de SGP dat ook onduidelijk bestaat over de wijze waarop de Onderwijsinspectie het burgerschapsonderwijs toetst. Tevens blijkt dat 58% van de respondenten van mening is dat de beoordeling door de inspectie niet aansluit bij de onderwijspraktijk en 65% het toezicht niet voldoende duidelijk vindt.7 Kan de regering hierop reflecteren? Hoe wordt bewaakt dat de inspectie zich houdt aan de grenzen van haar opdracht en niet mede op ideologische gronden gaat oordelen?
De meerderheid van de onderwijsinstellingen vindt dat de burgerschapsopdracht voldoende ruimte biedt om naar eigen inzicht een invulling te geven. Uit de interviews met onderwijsprofessionals blijkt echter dat de Onderwijsinspectie minder ruimte biedt.8 Daarbij speelt ook dat de focus ligt op formele vastlegging en niet op wat er in de praktijk gebeurt. Dit levert extra overladenheid op, omdat scholen van de inspectie meer moeten vastleggen dan de wet vereist. De leden van de fractie van de SGP vragen de regering hoe zij hiermee omgaat.
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het tweede verslag graag uiterlijk dinsdag 14 april 2026.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Graag
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan-Kilic (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», figuur 6, p. 23.
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», figuur 5, p. 20.
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», p. 20.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan-Kilic (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», figuur 6, p. 23.
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», figuur 5, p. 20.
Kamerstukken II 2025/26, 35 352, nr. 35, bijlage: «Burgerschapsonderwijs in ontwikkeling; wetsevaluatie van de verduidelijkte burgerschapsopdracht», p. 20.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36699-D.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.