Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36699 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36699 nr. C |
Ontvangen 10 februari 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het Wetsvoorstel herziening wettelijke grondslagen kerndoelen.
De regering is erkentelijk voor de getoonde belangstelling en de vragen van de leden van de fracties van BBB, FVD en SGP. Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling van het verslag.
BBB-fractie
Voorstellen voor de uitwerking van kerndoelen uit het wetsvoorstel zijn door Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) in 2025 gepubliceerd. Sommige uitwerkingen van één kerndoel beslaan tientallen pagina’s. Na commentaar van de Raad van State en het aangenomen amendement Ceder c.s. heeft de Staatssecretaris van OCW een ontwerpbesluit aan beide Kamers voorgelegd, houdende de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde. Er wordt gestreefd naar inwerkingtreding van het besluit met ingang van 1 augustus 2026. Dit lijkt de fractieleden van de BBB voor een zo belangrijk doel als verbetering van het onderwijs nog steeds een te lichte, haastige en onzorgvuldige procedure. Als de regering voor de volgende uitwerkingen van kerndoelen niet van de voorhangprocedure afziet, dan willen deze leden de voorhangtekst(en) kritisch bezien. Los hiervan vragen zij of de regering het met de fractieleden van de BBB eens is dat het belang van tenminste de kerndoelen leren schrijven, lezen, rekenen, geschiedenis en Nederlands, voor de Nederlandse samenleving zo groot is dat de uitwerking en/of definitie daarvan uiteindelijk wel in de wettekst zelf zou moeten worden vastgelegd. Op deze wijze kan dit uitgebreid in het parlement worden besproken en mogelijk worden aangepast. Is de regering bereid toe te zeggen zo snel mogelijk een nadere wetswijziging bij de Kamer in te dienen met daarin definities of een korte beschrijving van de belangrijkste kerndoelen?
Aan de inwerkingtredingsdatum is jaren van betrokkenheid vooraf gegaan. In september 2023 is de Tweede Kamer al meegenomen in de eerste versie van de kerndoelen. Daarna volgden nog twee conceptversies, die breed zijn afgestemd met het onderwijsveld, leidend tot de definitieve conceptversie die begin 2025 is aangeboden. Dit is een zeer zorgvuldige procedure geweest met brede betrokkenheid van het onderwijsveld.
In de verschillende sectorwetten1 zijn de onderwerpen opgenomen waarvoor kerndoelen worden vastgesteld. Dit zijn bijvoorbeeld de genoemde onderwerpen Nederlands, rekenen en geschiedenis. Het wetsvoorstel voorziet tevens in de delegatiegrondslag voor de regering om kerndoelen die aansluiten op de wettelijke onderwerpen bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen. Dit is conform de huidige praktijk. Met deze vormgeving wordt aangesloten bij de algemene stelregel dat gegeven het primaat van de wetgever de hoofdelementen van de wettelijke regeling bij wet worden vastgesteld, niet de uitwerking. De kerndoelen betreffen gedetailleerde uitwerkingen van de kennis, inzicht, vaardigheden en ervaringen die leerlingen moeten verwerven binnen het onderwijs. Het verheffen van dergelijke uitwerkingen naar wetsniveau schaadt de flexibiliteit van het stelsel en doet bovendien afbreuk aan het uitgangspunt dat de kerndoelen in samenwerking met het onderwijsveld worden vormgegeven. De regering is dan ook niet voornemens een inhoudelijke uitwerking, omschrijving of een nadere definiëring op te nemen in de sectorwetten. Met de in het wetsvoorstel opgenomen voorhangprocedure wordt de formele betrokkenheid van beide Kamers der Staten-Generaal geborgd.
Voor de onderwerpen Nederlands en rekenen en wiskunde is het ontwerpbesluit met daarin de kerndoelen in het kader van de voorhangprocedure met uw Kamer gedeeld op 14 januari 2026. In de besluittekst is terug te vinden welke kerndoelen de regering voornemens is vast te stellen en welke deelonderwerpen dus in het onderwijs over deze leergebieden terugkomen, zoals lezen en schrijven bij Nederlands. Het staat de leden van beide Kamers der Staten-Generaal uiteraard vrij om in het kader van de voorhangprocedure de regering daarop te bevragen.
In de Tweede Kamer is bij de behandeling van dit wetsvoorstel een amendement verworpen waarin aandacht werd gevraagd voor het feit dat spreekvaardigheid in het wetsvoorstel niet wordt benoemd. Het wetsvoorstel beperkt zich tot het benoemen van de vaardigheden lezen en schrijven. De Staatssecretaris heeft tijdens het debat mondeling aangegeven dat spreekvaardigheid «van groot belang» is en «terug [komt] in het nieuwe curriculum», maar de fractieleden van de BBB constateren dat het niet in het huidige wetsvoorstel staat. Zeker voor het Nederlands lijkt dit voor deze leden zeer voor de hand liggend. Daarom vragen zij of de regering bereid is toe te zeggen de Kamer een voorstel te doen dit alsnog in de wet op te nemen.
De regering onderschrijft dat spreekvaardigheid een belangrijk onderdeel is van het onderwijs in de Nederlandse taal. Daarom is deze vaardigheid meegenomen in de inhoudelijke uitwerking van de kerndoelen Nederlands. De amvb waarin deze kerndoelen zijn opgenomen ligt momenteel voor in uw Kamer in het kader van de voorhangprocedure. Ook in andere relevante kerndoelen komt deze vaardigheid terug, zoals bijvoorbeeld binnen het leergebied van de moderne vreemde talen. Het apart verankeren van spreekvaardigheid als onderwerp voor het onderwijs acht de regering dan ook niet nodig.
De Staatssecretaris heeft tijdens de behandeling in de Tweede Kamer aangegeven dat de «kerndoelen 70% van de onderwijstijd dekken». De fractieleden van de BBB vragen waarop dit percentage is gebaseerd. Waarom is niet gekozen een hoger percentage voor het Primair Onderwijs (PO) dan voor het Voortgezet Onderwijs (VO) als doel te stellen?
De 30% vrije ruimte is gebaseerd op de ruimte die er nu ook is in het curriculum. Het is een schatting, beredeneerd vanuit een gemiddelde leerling. Maar niet iedere leerling leert even snel. Sommige leerlingen hebben meer tijd nodig om zich kennis en vaardigheden eigen te maken. Juist in het primair onderwijs kunnen de verschillen groot zijn, omdat leerlingen van alle niveaus met elkaar in de klas zitten. Daarom is het niet verstandig om in het primair onderwijs minder ruimte te hebben dan in het voortgezet onderwijs. Door ruimte in het curriculum te laten, kan die tijd besteed worden aan verlengde instructie, voor leerlingen die dat nodig hebben. Ook is het prettig voor scholen om tijd te hebben voor zaken die de school waardevol acht vanuit haar schooleigen visie, bijvoorbeeld vanwege haar regionale context. Door de vrije ruimte te verkleinen zouden deze uitgangspunten in het geding kunnen komen.
Waarom is «onderzoeken» of «onderzoek doen» niet als kerndoel is opgenomen, tenminste voor het VO?
Bij wet wordt bepaald welke onderwerpen in het onderwijs aan de orde moeten komen, en waarvoor dus kerndoelen moeten worden vastgesteld. Kerndoelen zien onder andere op vaardigheden die leerlingen op moeten doen. In de uitwerking van de kerndoelen komt de vaardigheid «onderzoeken» in alle leergebieden terug. Het apart opnemen van onderzoeken als onderwerp voor het onderwijs is daarmee niet nodig.
Hoe definieert de regering het kerndoel geschiedenis en op welke manier moet dit op de verschillende onderwijsniveaus in het curriculum worden opgenomen? Hoeveel moeten leerlingen en studenten van de Nederlandse geschiedenis weten?
Bij algemene maatregel van bestuur stelt de regering de kerndoelen vast, dat gebeurt voor alle in de wet genoemde onderwerpen in negen leergebieden. Deze amvb wordt in het kader van de in dit wetsvoorstel opgenomen voorhangprocedure met uw Kamer gedeeld. Het onderwerp geschiedenis valt onder het leergebied mens en maatschappij. Leergebieden omvatten de specifieke onderwijsinhoud die leerlingen moeten kennen en kunnen voor deze onderwerpen, dus ook voor geschiedenis. Het leergebied mens en maatschappij is onderverdeeld in kerndoelen voor primair en voortgezet onderwijs, en deze kerndoelen worden complexer gedurende de onderwijsloopbaan van leerlingen. Al deze kennis en vaardigheden zijn de minimale basis voor leerlingen, scholen mogen daar bovenop ook hun eigen doelen toevoegen. Steeds met het uiteindelijke doel voor ogen: om leerlingen optimaal voor te bereiden op de maatschappij en het vervolgonderwijs.
Waarom is de regering er voorstander van om «burgerschap» op te nemen als kerndoel en onderwijsinstellingen hierin les te laten geven, zo vragen de fractieleden van de BBB. Hoe kan de regering uitsluiten dat de overheid (het ministerie) en scholen een ideologie aan leerlingen opleggen, aanleren of opdringen?
Burgerschapsonderwijs maakt via de wettelijke burgerschapsopdracht al onderdeel van het onderwijs in Nederland. In het onderwijsveld bestaat echter behoefte aan meer duiding over de kennis, inzicht, vaardigheden en ervaringen die leerlingen binnen het burgerschapsonderwijs op moeten doen. Uit recente onderzoeken blijkt bovendien dat Nederland achterblijft bij scholen in vergelijkingslanden als het gaat om de aandacht die aan burgerschap wordt besteed op school.2 Daarbij komt dat de verschillen tussen scholen erg groot zijn als het gaat om de ontwikkeling van burgerschapscompetenties en burgerschapskennis bij leerlingen. De regering acht het dan ook wenselijk om via de kerndoelen scholen meer houvast te geven over wat er op het gebied van het burgerschapsonderwijs van hen wordt verwacht.
In het voorstel van wet zoals dat aan uw Kamer is voorgelegd is opgenomen dat de kerndoelen «met inachtneming van» de wettelijke burgerschapsopdracht dienen te worden vastgesteld. Dit houdt in dat de kerndoelen burgerschap normatief niet verder kunnen gaan dan de wettelijke burgerschapsopdracht zelf. Daarmee wordt voorkomen dat de kerndoelen burgerschap ideologisch verdergaand of breder zijn dan de wettelijke burgerschapsopdracht. Daarbij komt bovendien dat de regering bij het opstellen van alle kerndoelen, en dus ook de kerndoelen burgerschap, de in artikel 23 Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs in acht neemt.
Sinds 2006 geldt de Wet Burgerschapsopdracht voor onderwijsinstellingen. De fractieleden van de BBB vragen in hoeverre deze door het wetsvoorstel en de uitwerking van kerndoelen overbodig wordt.
De wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen burgerschap vullen elkaar aan en zijn allebei nodig. De wettelijke bepalingen ten aanzien van burgerschap in de sectorwetten kennen twee onderdelen: (burgerschaps-)onderwijs en schoolcultuur. De kerndoelen vormen een concrete uitwerking van het onderwijsinhoudelijke deel, maar niet van de opdracht aan het bevoegd gezag om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de burgerschapsopdracht.3 De kerndoelen gelden bovendien alleen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De burgerschapsopdracht geldt voor het gehele funderend onderwijs, dus ook voor de bovenbouw.
Tot slot zijn met de wettelijke burgerschapsopdracht de normatieve elementen van het burgerschapsonderwijs verankerd. Het gaat daarbij om het bijbrengen van kennis over maar ook respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet. Daarnaast dient het onderwijs zich herkenbaar te richten op het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan een pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. De kerndoelen vormen concrete uitwerkingen ten aanzien van de kennis, inzicht, vaardigheden en ervaringen die leerlingen binnen het onderwijs moeten opdoen om deze opdracht te bereiken, maar blijven binnen de burgerschapsopdracht.
Hoe gaat de regering onderwijsinstellingen, ouders/verzorgers dan wel leerlingen faciliteren bij de aanschaf van de digitale producten en diensten die nodig zijn om les te geven in «digitale geletterdheid»?
Onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de keuze en aanschaf van digitale producten en diensten die zij inzetten voor het onderwijs, waaronder digitale geletterdheid. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs ontvangen hiervoor een lumpsumbekostiging, waarmee zij deze keuzes zelfstandig kunnen maken, passend bij hun onderwijsvisie.
OCW faciliteert scholen door randvoorwaarden te creëren voor doordachte keuzes. Zo ontwikkelen het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) en Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) in opdracht van OCW een kwaliteitskader voor leermiddelen dat scholen naar schatting vanaf de zomer kunnen gebruiken. Dit kader ondersteunt scholen en leermiddelenmakers bij het maken van goed onderbouwde keuzes.
Jongeren maken buiten onderwijsinstellingen (te) veel gebruik van digitale middelen, zoals het internet. De fractieleden van de BBB vragen wat de regering gaat doen om ervoor te zorgen dat bij leerlingen een goede balans ontstaat tussen het gebruik van die middelen en onderwijsactiviteiten. In Australië is recentelijk een wet aangenomen die sociale mediagebruik onder de 16 jaar verbiedt. De fractieleden van de BBB vragen hoe de regering hierover denkt en of dit ook in Nederland wordt overwogen. Doet veelvuldig gebruik van social media in de praktijk juist in zekere mate geen afbreuk aan het goed leren lezen en schrijven?
De regering onderkent dat intensief scherm- en sociale mediagebruik risico’s kan hebben voor onder andere de ontwikkeling en leerprestaties van kinderen. Het borgen van een gezonde digitale balans bij jongeren overstijgt klaslokalen en de verantwoordelijkheid van de school. Het vraagt om bewuste keuzes bij ouders, scholen én jongeren zelf. Door actief gebruik van social media, zoals het plaatsen van berichten, reageren op content of deelnemen aan gesprekken, worden lees- en schrijfvaardigheden geactiveerd en dat kan positieve effecten hebben. Een overdaad aan passief gebruik van social media (filmpjes kijken, berichten scrollen) kan negatieve effecten hebben op het welzijn en daarmee ook indirect op het goed leren lezen en schrijven. Daarom is het van belang opvoeders en leerlingen goed te equiperen om verantwoord om te gaan met sociale media. In de kerndoelen digitale geletterdheid wordt afgebakend waar de verantwoordelijkheid van de school ligt. Daarbij is er aandacht in de kerndoelen voor verantwoord gebruik van digitale middelen en privacy.
Om ook ouders te ondersteunen heeft de toenmalig Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport in juni 2025 namens VWS de Richtlijnen gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik gepresenteerd. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en bieden ouders en opvoeders handvatten voor mediaopvoeding, en bevat o.a. het leeftijdsadvies van 15 jaar voor sociale media. Daarnaast hebben vertegenwoordigers van scholen, ouders en leerlingen afgesproken dat mobiele telefoons niet langer zijn toegestaan in de klas. Deze afspraak wordt breed nageleefd en de effecten zijn positief. Het beleid van OCW is erop gericht scholen te ondersteunen bij het maken van weloverwogen keuzes over de inzet van digitale en papieren middelen in het onderwijs. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het bewaken van een goede balans tussen digitaal educatief materiaal en onderwijsactiviteiten. Het kwaliteitskader voor leermiddelen kan scholen hier op termijn bij ondersteunen.
In het wetsvoorstel staan lijsten van maar liefst veertien kerndoelen voor het onderwijs: a t/m n. De fractieleden van de BBB informeren of er impliciet sprake is van een hiërarchische volgorde (van belang) zoals de Open Universiteit heeft bepleit in haar reactie in de internetconsultatie. Zo niet, is de regering dan bereid wel een volgorde van belang in de wet aan te gaan brengen, bij voorkeur per onderwijstype? Kunnen voor die volgorde van belang eventueel ook groepen van kerndoelen worden gemaakt? En hoe hangt het belang van verschillende kerndoelen samen met verplichte (eind)examenvakken?
Van een hiërarchisch volgorde is in de huidige opsomming geen sprake. Er zijn onderwijskundige en praktische bezwaren tegen het maken van een dergelijke hiërarchie. Dit heeft namelijk als risico dat scholen zich daarop te veel gaan focussen bij het vormgeven van hun rooster. Terwijl een dergelijke hiërarchie moeilijk onderwijskundig te verantwoorden is. Reken je immers een vak als geschiedenis als «belangrijker» dan een vak als biologie, kunst of lichamelijke opvoeding? En op basis waarvan? Kleinere vakken als kunstzinnige vakken of lichamelijke opvoeding kunnen immers net zo belangrijk (zo niet belangrijker) zijn voor de socialisatie en persoonsvorming van een leerling als een vak als rekenen en wiskunde. Ten slotte is het voor de brede vorming van de leerling belangrijk om met alle kerndoelen en leergebieden in aanraking te komen, ongeacht of deze vakken direct doorstromen naar een verplichte (eind)examenvak.
Kan met zo’n lange lijst (a t/m n) nog wel kan worden gesproken van «kerndoelen»? Zou een aantal doelen niet kunnen worden samengevoegd om een kortere lijst met breder gedefinieerde echte kerndoelen te krijgen?
De in de wetgeving opgenomen lijst ziet op de onderwerpen van het onderwijs waarvoor kerndoelen worden vastgesteld. Kerndoelen zijn de inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijs ten aanzien van de kennis, inzicht en vaardigheden die leerlingen moeten verwerven en de ervaringen die zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Anders dan de leden lijken te suggereren, beslaan de kerndoelen niet slechts een compacte kern van het onderwijs, maar reguleren zij veeleer de breedte van de onderwijsinhoud die binnen het onderwijs aan de orde moeten komen. Om te waarborgen dat leerlingen binnen het onderwijs in voldoende mate worden voorbereid op het vervolgonderwijs en succesvolle deelname in de maatschappij is het van belang dat het curriculum een zekere breedte omvat. Tegelijkertijd is de regering het met de leden eens dat het van belang is focus te behouden in het onderwijs en overladenheid tegen te gaan. De regering heeft daarom voor de verschillende onderwerpen een richtlijn voor de omvang van het curriculum meegegeven aan SLO bij het opstellen van de kerndoelen.
Het samenvoegen van verschillende onderwerpen in de lijst doet naar het oordeel van de regering afbreuk aan het primaat van de wetgever en de helderheid van de wetgeving. In theorie zou het weliswaar mogelijk zijn om – bijvoorbeeld – de onderwerpen «aardrijkskunde», «biologie», «natuur» en «techniek» allen te vatten onder de term «mens en natuur», wat de naam is van het leergebied waarin deze onderwerpen grotendeels zijn ondergebracht. De regering is echter van mening dat een dergelijke grondslag tot vaststellen van regels bij algemene maatregel van bestuur te onbepaald is en te weinig helderheid geeft aan het onderwijs over welke onderwerpen de wetgever van belang acht om aan de orde te komen. Om helderheid te bieden aan het veld over onderlinge samenhang tussen onderwerpen, zijn deze inderdaad wel op amvb-niveau geclusterd in zogenaamde leergebieden.
Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat met de uitwerking van de kerndoelen «de lat» wordt verhoogd voor de normen voor het niveau van onderwijs dat moet worden behaald? Hoe moet het onderwijs beter worden? Is daar verder onderzoek voor nodig? Welke precieze, uitgewerkte criteria of normen wil de regering hiervoor hanteren?
Doordat de herziene kerndoelen concreter zijn, is duidelijker wat er van scholen verwacht wordt. Daardoor kunnen scholen beter focussen op wat ze precies moeten doen. De kerndoelen zijn ook ambitieuzer geformuleerd dan eerder het geval was, waardoor leerlingen straks beter zijn voorbereid op hun toekomst. De nieuwe kerndoelen zijn voor scholen daarmee een kans om de algemene kwaliteit van onderwijs te verhogen.
Maar met een nieuw beoogd curriculum alleen zijn scholen er nog niet. In dit kader is er diverse ondersteuning op het gebied van professionalisering van lerarenteams en scholing, actualisatie van de leermiddelen, en verbetering van de toetsing. Dit kan allemaal bijdragen aan beter onderwijs.
Voor een cyclisch systeem van curriculumonderhoud is blijvend zicht op het curriculum van scholen in het funderend onderwijs nodig, met continue monitoring in alle fasen: van actualisatie tot implementatie en voorbereiding op herijking van kerndoelen en examenprogramma’s. Dit systeem moet lerend en ondersteunend van aard zijn. Informatie over het daadwerkelijk uitgevoerde curriculum – de concrete onderwijspraktijk – is daarbij essentieel. Door de school als startpunt te nemen, kan worden bekeken of en hoe het nieuwe curriculum daadwerkelijk landt. Ook is goed zicht op het uitgevoerde curriculum nodig voor verbanden met leeropbrengsten. In dit kader levert SLO eind 2026 een landelijke onderzoeksagenda «Zicht op Curriculum» op.
Waarom zijn de kerndoelen in het wetsvoorstel alleen gericht op de eerste twee jaar van het Voortgezet Onderwijs (artikel IV, nieuw artikel 2.13)? Moet hierna door de onderwijsinstellingen niets meer aan de kerndoelen worden gedaan?
De kerndoelen zijn inderdaad gericht op het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Onderdeel van het onderhavige wetsvoorstel is een uitbreiding van de grondslag waardoor ook voor het derde leerjaar van de havo en vwo voortaan kerndoelen kunnen worden vastgesteld.4 In de bovenbouw van het funderend onderwijs wordt het curriculum bepaald via de examenprogramma’s, die voortbouwen op de kerndoelen. Op grond van artikel 2.54 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 worden deze bij ministeriële regeling vastgesteld. Ook de examenprogramma’s worden in het kader van de curriculumherziening geactualiseerd. De nieuwe examenprogramma’s zullen in tranches vanaf 1 augustus 2027 worden vastgesteld.
De fractieleden van de BBB constateren dat voor dit wetsvoorstel wel een internetconsultatie is gehouden, maar geen uitvoeringstoets. De voorgestelde procedure, met een voorhang voor de uitwerking van de kerndoelen, lijkt helemaal niet te gaan plaatsvinden, omdat nergens het voorstel wordt gedaan om een volgende wetswijziging in te gaan dienen met daarin wel uitgewerkte kerndoelen. In de memorie van toelichting staat dat het nu voorliggende wetsvoorstel «als zodanig geen wezenlijke uitvoeringsgevolgen» heeft. Daaropvolgend staat vermeld dat het «op termijn vaststellen van kerndoelen voor digitale geletterdheid en burgerschap, alsmede voor de overige onderwerpen (...) echter wél uitvoeringsgevolgen [zal] hebben». De fractieleden van de BBB vragen daarom of de regering alsnog bereid is om de uitvoeringstoets te laten uitvoeren.
Ook op dit wetsvoorstel is een uitvoeringstoets gedaan, deze is terug te vinden op de wetgevingskalender.5 Hieruit zijn geen grote uitvoeringsgevolgen naar voren gekomen. De gevolgen voor de uitvoering, handhaving en voor scholen komen vooral voort uit de onderliggende besluiten waarin de kerndoelen worden vastgelegd. Voor het ontwerpbesluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde is deze al uitgevoerd. Ook voor de overige leergebieden die in een later besluit zullen worden vastgelegd zal om een uitvoeringstoets worden verzocht.
In de memorie van toelichting wordt ook niet inhoudelijk ingegaan op handhaving, aldus deze leden. Zij vragen of de regering kan aangeven hoe de Inspectie van het Onderwijs toezicht denkt te gaan houden op de naleving van de kerndoelen binnen onderwijsinstellingen, zeker gezien de doelstelling dat het leren van schrijven, lezen en rekenen significant en structureel moet verbeteren. Gaat de Inspectie ook effectief toezicht houden op de inhoud van te gebruiken nieuwe onderwijsmaterialen, zowel fysieke als digitale, mede gezien de zorgen dat de lessen zich niet zullen beperken tot kennis, maar ideologisch geladen kunnen worden? Welke verhoging van de begroting van de Inspectie voorziet de regering naar aanleiding van deze wetswijziging en is deze al in begrotingen voor volgende jaren opgenomen?
De inspectie ontwikkelt momenteel het toezicht op de vernieuwde kerndoelen, daarbij nadrukkelijk rekening houdend met het belang van het leren lezen, schrijven en rekenen. Onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de keuze en aanschaf van de leermiddelen die zij inzetten voor het onderwijs. Het is op grond van artikel 23 Grondwet toegestaan voor scholen om een eigen ideologische overtuiging over te brengen binnen het onderwijs, waarbij in het bijzonder de vrije keuze der leermiddelen dient te worden geëerbiedigd. De ideologische overtuiging van de school kan dan ook in de leermiddelen tot uitdrukking komen. Op grond van de burgerschapsopdracht dient het schoolbestuur daarbij te waarborgen dat er sprake is van een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daar houdt de inspectie toezicht op.
De verwachting is dat het toezicht op de vernieuwde kerndoelen vanaf 2031 plaats kan vinden binnen de reguliere toezichtstaken van de inspectie. Hier zijn geen aparte middelen voor gereserveerd.
Gelden het wetsvoorstel en de kerndoelen ook en onverkort voor het door de regering bekostigde volwassenenonderwijs, onderwijs waar de Wet educatie beroepsonderwijs zich op richt, en onderwijs voor het leven lang ontwikkelen (LLO) van de regering? Indien dit niet het geval is, in hoeverre niet en waarom niet?
De opleidingen in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs zijn gericht op het behalen van een diploma voor het vmbo, havo of vwo. Om dit diploma te behalen moet aan dezelfde (inhoudelijke) eisen worden voldaan als in het voortgezet onderwijs, zoals opgenomen in de WVO 2020 en onderliggende regelgeving. Dit betekent dat ook het vavo moet voldoen aan de in de examenprogramma’s opgenomen eindtermen. Het onderwijs op het vavo is niet gericht op de kerndoelen, aangezien deze zien op de brede vorming van leerlingen voorafgaand aan het bovenbouwonderwijs dat gericht is op de examenprogramma’s.
Het wetsvoorstel geldt niet voor bekostigd onderwijs dat onder de Wet educatie beroepsonderwijs valt, omdat in die wetgeving geen sprake is van een systeem met kerndoelen zoals het primair en voortgezet onderwijs dat kennen. LLO-onderwijs valt deels onder de WEB en deels onder de WHW, waar ook geen sprake is van kerndoelen. Een deel van het LLO-onderwijs is onbekostigd en valt niet onder de WEB of andere onderwijswetgeving. Ook hierop is het wetsvoorstel niet van toepassing.
Geldt het wetsvoorstel ook voor onderwijs aan leraren en docenten die al werken voor onderwijsinstellingen (dus niet de PABO’s/lerarenopleidingen)? Zo niet, waarom is dit niet in het wetsvoorstel opgenomen? Is de regering bereid om dit dan alsnog in de/een wet op te nemen?
Het wetsvoorstel reguleert via de kerndoelen, die bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, de inhoud van het onderwijs. Op grond van de sectorwetten is het bevoegd gezag verplicht personeelsbeleid te voeren waarin een beschrijving is opgenomen over de wijze waarop de bekwaamheid wordt onderhouden. Ook in het professioneel statuut zijn afspraken opgenomen tussen de leraren en het bevoegd gezag over het onderhouden van de bekwaamheid. Het onderhouden van de bekwaamheid omvat ook het aansluiting houden bij nieuwe wettelijke verplichtingen zoals de herziene kerndoelen. Het bevoegd gezag zal dus samen met zijn leerkrachten waar nodig zorg moeten dragen voor bij- en nascholing. Het is dus niet nodig om hiervoor aanvullende wettelijke eisen te stellen.
Tot slot vragen de fractieleden van de BBB waarom er niet is gekozen voor «moderne buitenlandse taal» als kerndoel, in plaats van «Engels». In gebieden langs de grens met Duitsland is het voor leerlingen traditioneel van groot of zelfs groter belang om Duits dan Engels te leren spreken. In Zuid-Limburg kan wellicht hetzelfde beargumenteerd worden voor het Frans, aldus deze leden. Is de Minister bereid met onderwijsinstellingen uit die gebieden overleg te voeren om ook die talen in een breed gedefinieerd kerndoel te gaan opnemen?
Deze keuze sluit aan bij de huidige praktijk. Er is bewust gekozen om de actualisatie binnen de bestaande kaders plaats te laten vinden, om het behapbaar te houden voor scholen. In het primair onderwijs kan de school er al voor kiezen om naast de Engelse taal ook onderwijs te geven in de Duitse of de Franse taal. Bijvoorbeeld vanwege de regionale ligging van een school. In het voortgezet onderwijs omvat het onderwijsprogramma in onderbouw naast Engels ook de Duitse en/of Franse taal. Met uitzondering van leerlingen die naar verwachting uitstromen richting de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo. Voor hen is het niet verplicht om onderwijs te volgen in de Duitse of Franse taal. Het bevoegd gezag kan ervoor kiezen – binnen kaders – om in plaats van de Duitse of Franse taal een andere moderne vreemde taal aan te bieden.
FVD-fractie
De fractieleden van FVD leiden uit de memorie van toelichting af dat dit wetsvoorstel enerzijds is bedoeld is om docenten te ontlasten zodat zij zich kunnen focussen op het onderwijzen van lezen, schrijven en rekenen, terwijl het anderzijds juist extra taken oplegt, zoals onderwijs over «sociale media, deepfakes en AI», en het inspelen op «maatschappelijke ontwikkelingen en toenemende polarisatie van de samenleving». Hoe verhoudt de beoogde ontlasting van docenten zich tot het wetsvoorstel, dat tegelijkertijd nieuwe, brede en inhoudelijk complexe thema’s zoals sociale media, deepfakes, AI en maatschappelijke polarisatie introduceert, en daarmee extra kennis, tijd en inzet van docenten vereist, zo vragen genoemde leden.
Voorheen gaven kerndoelen weinig richting, waardoor scholen en leermiddelenmakers voor de zekerheid neigden naar een brede interpretatie. Doordat de nieuwe kerndoelen concreter zijn, is het voor scholen duidelijker wat echt moet en wat optioneel is. In het ontwerp van de kerndoelen is er rekening gehouden met de introductie van twee nieuwe leergebieden. Ten eerste door slimme verbindingen te leggen met andere leergebieden. Zo kun je Nederlands combineren met digitale geletterdheid, bijvoorbeeld als het gaat om de betrouwbaarheid van bronnen. Ten tweede is aan de kerndoelenteams een richtlijn voor de omvang van ieder leergebied meegegeven, zodat het totaal uitvoerbaar blijft. Dit is ook beproefd en gebleken in de praktijk.
In de memorie van toelichting stelt de regering dat het mogelijk maken van uitwerkingen van kerndoelen niet leidt tot een uitbreiding van inhoudelijke voorschriften. Door kerndoelen verder te concretiseren verschuift de feitelijke normstelling naar het centrale bestuursniveau, waardoor de beleidsruimte van de regering toeneemt en de invloed van de Kamer afneemt, aldus de fractieleden van FVD. Tegelijkertijd wordt de professionele ruimte van docenten volgens deze leden beperkt. Zij krijgen geen zeggenschap over de mate van detaillering van kerndoelen en uitwerkingen, terwijl zij wel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering daarvan in de onderwijspraktijk.
De fractieleden van FVD zijn van mening dat met name bij burgerschap deze centralisering leidt tot inhoudelijke sturing op normatief gevoelige thema’s zoals waarden en houdingen. Dat gaat volgens deze leden verder dan kwaliteitsborging en raakt aan de pluralistische aard van het onderwijs. Het wetsvoorstel is daarmee volgens hen geen louter technische wijziging, maar een verschuiving van een pluriform naar een sterker centraal aangestuurd curriculum.
Deze leden vinden dat zeggenschap in het onderwijs juist breed gespreid moet blijven. Vertrouw de docent, behoud de invloed van de Kamer en bewaak de pluraliteit. De rol van de staat is het bewaken van het minimum, nooit het bepalen van het maximum, aldus de fractieleden van FVD.
In de memorie van toelichting stelt de regering dat uitwerkingen van kerndoelen geen uitbreiding van bevoegdheden vormen. De fractieleden van FVD vragen of de regering kan toelichten op welke manier deze uitwerkingen zich in de praktijk onderscheiden van bindende inhoudelijke voorschriften.
Onderscheid moet gemaakt worden tussen de mate waarin sprake is van een uitbreiding van de bevoegdheid van de regering tot het stellen van aanvullende regels en de mate waarin concretere uitwerkingen de ruimte van scholen en leerkrachten kunnen beperken.
De huidige wettelijke grondslag geeft de regering de bevoegdheid om inhoudelijke doelstellingen, in de vorm van kerndoelen, vast te leggen voor de in de wet genoemde onderwerpen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die leerlingen moeten opdoen. Met het voorstel van wet zoals dat momenteel in uw Kamer voorligt wordt voorgesteld om inhoudelijke doelstellingen vast te leggen zowel als kerndoel, als als uitwerking van dat kerndoel. Beide zijn bindende inhoudelijke voorschriften. Het wordt met deze uitbreiding mogelijk om doelstellingen inhoudelijk te clusteren en getrapt vorm te geven.
Ter voorbeeld. Het nieuwe kerndoel 2 omvat de inhoudelijke doelstelling voor het onderwijs «de leerling begrijpt teksten». Een onderliggende uitwerking daarvan is – onder andere – de doelzin «De leerling verkent de betrouwbaarheid van verschillende bronnen». Ook dat is een inhoudelijke doelstelling. Deze zou eveneens onder de huidige grondslag als zelfstandig kerndoel kunnen worden vastgesteld. In zoverre is de aanpassing van de delegatiegrondslag geen uitbreiding van de bevoegdheid van de regering tot het vaststellen van inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijs. Evenwel maakt deze aanpassing het mogelijk om te komen tot een inhoudelijk samenhangend, geclusterd en getrapt curriculum dat helderheid biedt voor scholen en leerkrachten, doordat helder kan worden gemaakt dat de ene inhoudelijke doelstelling voorwaardelijk is voor de ander.
De leden van de FVD-fractie vragen ook naar de mate waarin keuze om over te gaan tot concretere uitwerkingen de ruimte van scholen kan beperken. Tot op zekere hoogte is daar sprake van. De keuze van de regering om over te gaan tot een concreter curriculum biedt scholen meer richting en als zodanig helderdere verplichtingen over wat zij aan moeten bieden. Tegelijkertijd kan helderheid in regelgeving ook juist leiden tot een vergroting van – in ieder geval ervaren – keuzeruimte. Doordat helderder is wat moet, is ook helder wat niet hoeft. Dit vergroot de mogelijkheid van de leerkracht om curriculumbewust zelf keuzes te maken in de klas.
Tot slot vragen deze leden of de regering erkent dat waarheid, moraal en burgerschap in een vrije samenleving per definitie pluralistisch zijn. Zo ja, op welke concrete wijze wordt deze pluraliteit binnen het onderhavige wetsvoorstel gewaarborgd? Zo nee, op welke wettelijke gronden acht de regering het gerechtvaardigd dat de overheid hierin een normatief richtinggevend kader vaststelt?
Pluriformiteit ligt ten grondslag aan de wijze waarop het Nederlandse duale onderwijsbestel is ingericht. De in artikel 23 Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs waarborgt een pluriform onderwijsbestel, waarin scholen van verschillende richtingen kunnen bestaan. Daarnaast is in de Grondwet verankert dat het openbaar onderwijs met eerbiediging van eenieders godsdienst of levensovertuiging bij wet wordt geregeld. De wetgever heeft met de wettelijke burgerschapsopdracht overwogen dat burgerschapsvorming een kerntaak is van iedere school. Scholen kennen daarbij een hoge mate van vrijheid om zelf invulling te geven aan de burgerschapsopdracht, maar de kern daarvan is wettelijk verankerd. De kerndoelen burgerschap worden in nauwe aansluiting op die wettelijke burgerschapsopdracht vormgegeven.
SGP-fractie
De bijzondere positionering van de vaardigheden lezen, schrijven en rekenen is volgens de fractieleden van de SGP een trendbreuk. Hier is in de wetsbehandeling al aandacht aan gegeven. Het is voor deze leden echter nog niet helder waarom deze vaardigheden apart worden benoemd. Onderdeel van de onderbouwing is dat deze vaardigheden moeten worden geoefend in andere vakken. De fractieleden van de SGP wijzen er echter op dat voor de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid ook is aangegeven dat dit geen aparte vakken hoeven te zijn, maar dat deze kerndoelen kunnen terugkomen in het onderwijs met betrekking tot de andere kerndoelen. Daarmee geldt voor burgerschap en digitale geletterdheid hetzelfde als voor lezen, schrijven en rekenen.
Deze leden vragen of de regering nogmaals kort kan toelichten wat de eigenstandige positie van lezen, schrijven en rekenen rechtvaardigt en in de beantwoording te betrekken waarom dat voor andere vaardigheden zoals spreekvaardigheid niet geldt. Ook vragen zij waarom vaardigheden wel een eigenstandige positie krijgen maar kennis niet.
De focus op lezen, schrijven en rekenen is noodzakelijk. Uit verschillende onderzoeken blijkt immers dat het met de prestaties van leerlingen op deze vaardigheden niet goed gaat. Dat is problematisch, zeker ook omdat die vaardigheden essentieel zijn om ook die inderdaad belangrijke kennis in andere leergebieden te kunnen opdoen. Een integrale aanpak van deze vaardigheden is van belang en daarom krijgen juist lezen, schrijven en rekenen deze specifieke aandacht. Daarom krijgen deze vaardigheden een eigenstandige positie en kennis niet, hoewel die kennis uiteraard breed aanwezig is in de andere onderwerpen voor het onderwijs. Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de integrale aanpak van lezen, schrijven en rekenen expliciet te verankeren in de sectorwetten. Spreekvaardigheid is ook belangrijk en wordt behandeld binnen de kerndoelen Nederlands.
De fractieleden van de SGP begrijpen het belang van concrete kerndoelen. Tegelijk lezen zij dat de uitwerking van kerndoelen kan worden vormgegeven in inhoudelijke doelstellingen, terwijl ook wordt betoogd dat deze wijziging niet resulteert in een uitbreiding van de bevoegdheid tot het geven van inhoudelijke voorschriften aan scholen. Dit geldt met name waar kerndoelen gesteld kunnen worden die randvoorwaardelijk zijn om leerlingen in staat te stellen zich de in de kerndoelen beschreven lesstof eigen te maken en wat daarbij van de school wordt verwacht. Hoewel doelstellingen en voorschriften semantisch van elkaar verschillen, kan volgens deze leden in de praktijk onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een inhoudelijke doelstelling niet tevens een voorschrift is.
Hoe duidt de regering het onderscheid tussen een doelstelling en een voorschrift?
Een inhoudelijke doelstelling kan inderdaad tevens een voorschrift zijn. De kerndoelen zijn dat ook. Zij vormen voorschriften ten aanzien van de inhoudelijke doelstellingen die het bevoegd gezag moet hanteren bij het vormgeven van haar onderwijs. De kerndoelen blijven echter beperkt daartoe, zij gaan zogezegd enkel over het «wat» niet over het «hoe». Scholen bepalen zelf binnen de wettelijke kaders hoe zij hun onderwijs vormgeven – onder meer – op basis van hun eigen pedagogisch didactische visie.
Hoeveel ruimte behouden scholen om op basis van de ideologische grondslag van de school een interpretatief kader mee te geven dat past bij die ideologische grondslag?
Met de curriculumherziening wordt niet getreden in de ruimte die scholen hebben om op basis van de eigen ideologische grondslag van de school een interpretatief kader mee te geven dat past bij die ideologische grondslag. De kerndoelen worden vastgesteld met inachtneming van de wettelijke burgerschapsopdracht en zijn als zodanig normatief niet verstrekkender dan deze al bestaande wettelijke verplichting. Scholen behouden de vrijheid om binnen het onderwijs een eigen levensovertuiging of religie over te dragen. Uiteraard binnen de kaders van de wettelijke burgerschapsopdracht.
Deze leden zijn van mening dat dergelijke randvoorwaarden en concrete verwachtingen (aanboddoelen), die aan scholen kunnen worden gesteld, in de praktijk onbedoeld een ideologische kleuring hebben of schuren met de ideologische grondslag van de onderwijsinstelling. Zij lezen herhaaldelijk dat de vrijheid van onderwijs niet beperkt wordt, maar zien tegelijkertijd dat hier in de praktijk schuring kan ontstaan met de vrijheid van onderwijs.
Welke garantie is er dat de aanboddoelen geen ideologische inkleuring krijgen waarbij de vrijheid van de school om in overeenstemming met haar karakter invulling te geven aan deze doelen?
De vrijheid van onderwijs neemt de regering in acht bij het vaststellen van de kerndoelen. Dat geldt ook voor de zogenaamde aanboddoelen. Het gaat daarbij zowel om de vrijheid om binnen het onderwijs een eigen levensovertuiging of religie over te dragen als de vrijheid om het onderwijs op basis van een eigen pedagogisch-didactische visie in te richten. Dit wordt onder meer geborgd door de wettelijke verankering dat de kerndoelen – alle kerndoelen – «met inachtneming van» de burgerschapsopdracht worden vastgesteld. Onderliggend daaraan is het uitgangspunt dat de kerndoelen niet normatief verstrekkender mogen zijn dan de door de formele wetgever geformuleerde burgerschapsopdracht. Daarmee wordt gewaarborgd dat er ruimte blijft voor het overdragen van de eigen ideologische grondslag van de school.
De fractieleden van de SGP lezen verder dat het bevoegd gezag moet zorgdragen voor het creëren van een omgeving waar leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd voelen. Zij onderschrijven het grote belang van veiligheid, respect en fatsoen. Tegelijk hebben deze leden vraagtekens bij de open formulering van deze acceptatie-eis.
Stelt de regering zich op het standpunt dat, indien een christen solliciteert op een Islamitische school, maar niet volgens het gebruik van de school op bepaalde momenten willen bidden tot Allah, de Islamitische school dat zou moeten accepteren en de christen aannemen in lijn is met de burgerschapsopdracht? Of het scenario waar een docent op een Joods-Orthodoxe school zich bekeert tot het Satanisme en voortaan in plaats van onderwijs vanuit de Tenach het godsdienstige element op de school wil invullen vanuit de Satansbijbel. Moet de school dit dan accepteren in het kader van de burgerschapsopdracht? De fractieleden van de SGP geven aan dat dit extreme voorbeelden zijn, maar voor subtielere situaties geldt voor hen dezelfde vraag.
Hoever reikt de acceptatieplicht en wat moet daaronder worden verstaan? Welke vrijheid behoudt een school om, overeenkomstig de ideologische of godsdienstige identiteit van de school, beleid te voeren op het gebied van personeelszaken dan wel het aannemen of weigeren van leerlingen vanwege de identiteit van de school?
De door de leden van de SGP-fractie aangehaalde eis maakt onderdeel uit van de reeds in de sectorwetgeving opgenomen burgerschapsopdracht. Dat leerlingen zich op school veilig en geaccepteerd weten acht de regering een basisvoorwaarde. Dit houdt in dat het bevoegd gezag zorg moet dragen voor een cultuur waarin ook leerlingen die anders zijn dan de algemene norm zich veilig voelen. Concreet betekent dat dat leerlingen ongeacht bijvoorbeeld hun geloof, seksuele geaardheid of handicap zich op elke school veilig moeten weten. Leerkrachten vormen een belangrijke factor in het creëren van een veilige schoolcultuur. Het bevoegd gezag draagt een zekere verantwoordelijkheid om te borgen dat het handelen van leerkrachten die veilige schoolcultuur niet aantast. Dat laat onverlet dat het bijzonder onderwijs het recht heeft om van onder andere leerkrachten te vragen de richting van de school te onderschrijven. Deze vrijheid geldt voor het bijzonder onderwijs ook voor het aannemen of weigeren van leerlingen vanwege de identiteit van de school, zolang er sprake is van helder en consistent beleid te dienaangaande.6 In die vrijheid brengt onderhavig wetsvoorstel geen verandering.
De fractieleden van de SGP constateren dat in het wetsvoorstel het verminderen van overladenheid en het creëren van duidelijkheid een belangrijk aandachtspunt is. Het voorkomen van overladenheid is van belang in verband met de uitvoerbaarheid van de wet. Toch constateren deze leden dat ervoor is gekozen om burgerschap en digitale geletterdheid als nieuwe kerndoelen toe te voegen. Verder wordt het aandachtspunt «het opdoen van ervaringen» toegevoegd.
Hoe wordt er ruimte geschapen voor het realiseren van de nieuwe kerndoelen zodat het curriculum niet (nog verder) overladen raakt?
Om deze overladenheid tegen te gaan is er bij het ontwikkelen van de kerndoelen gewerkt met een kader ontwerpruimte. 70% van de onderwijstijd wordt besteed aan de kerndoelen. Per leergebied is er een deel van die 70% gereserveerd. Dit geldt ook voor burgerschap en digitale geletterdheid. De haalbaarheid en uitvoerbaarheid van alle kerndoelen is uitgebreid getest in de fase van beproeven. Scholen, schoolleiders en leraren hebben feedback gegeven die is meegenomen in de definitieve kerndoelen, zodat deze bruikbaar zijn voor de onderwijspraktijk.
In een eerder voorstel over kerndoelen waren de disciplines dans, theater en film als dwingende elementen van de expressie-activiteiten voorgeschreven. Deze leden constateren dat dit is aangepast naar een algemenere aanduiding waarin van de vijf disciplines tenminste muziek en beeldende vorming worden aangeboden, alsmede één van de drie disciplines dans, theater of film. Deze aanpassing duiden de fractieleden van de SGP in ieder geval als positief.
Wel zijn zij benieuwd waarom andere disciplines, zoals schrijven of voordragen als een kunstvorm of creatief ontwerpen zoals architectuur of mode niet zijn beschreven. De huidige vijf disciplines beslaan volgens deze leden niet alle waardevolle kunstvormen en beperken scholen in hun aanbod. Natuurlijk heeft de school de vrijheid om die toe te voegen maar dit wordt op deze manier niet gestimuleerd, aldus de fractieleden van de SGP.
Hoewel alle kunstdisciplines waardevol zijn, is het niet mogelijk om leerlingen met deze allemaal in aanraking te laten komen. Het onderwijs zou dan overvol raken. In aansluiting op de brede, oriënterende functie van het voortgezet onderwijs, geven deze vijf disciplines leerlingen voldoende basis om een gerichte keuze te maken in het vervolgonderwijs voor een passende opleiding. De keuze voor deze vijf disciplines is gebaseerd op een advies van de werkgroep vakkenstructuur kunstvakken bovenbouw, bestaande uit leraren en experts van alle vakverenigingen binnen de kunsten en curriculumexperts van SLO.7 Om optimale doorlopende leerlijnen te realiseren, is ervoor gekozen dezelfde disciplines in de kerndoelen terug te laten komen.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Te weten: de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020).
Daas, R., ten Dam, G., Dijkstra, A.B., Karkdijk, E.M., Naayer, H.M., Nieuwelink, H., & van der Veen, I. (2023). Burgerschap in Beeld. Burgerschapscompetenties en burgerschapsonderwijs invergelijkend perspectief. Amsterdam University Press.
Zie voor een uitgebreidere uiteenzetting de infographic: Burgerschapsonderwijs – wat zijn de huidige verplichtingen en welke veranderingen komen eraan? | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
Wetgevingskalender | Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen | Voorbereidende documentatie.
Te weten: de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020).
Daas, R., ten Dam, G., Dijkstra, A.B., Karkdijk, E.M., Naayer, H.M., Nieuwelink, H., & van der Veen, I. (2023). Burgerschap in Beeld. Burgerschapscompetenties en burgerschapsonderwijs invergelijkend perspectief. Amsterdam University Press.
Zie voor een uitgebreidere uiteenzetting de infographic: Burgerschapsonderwijs – wat zijn de huidige verplichtingen en welke veranderingen komen eraan? | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
Wetgevingskalender | Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen | Voorbereidende documentatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36699-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.