36 670 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt)

C NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 2 juni 2026

De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt). De regering is erkentelijk voor de getoonde belangstelling en de vragen van de leden van de fracties van BBB en D66. Bij de beantwoording van de vragen houdt de regering de indeling van het verslag aan.

Vragen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hebben bij dit wetsvoorstel de volgende vragen aan de regering.

1.

Hoe zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat voor jongeren in hun eigen regio, stad en dorp hoogwaardige werkgelegenheid behouden blijft en wordt ontwikkeld? Kan de regering daarbij tevens aangeven om hoeveel werkgelegenheid het naar verwachting gaat?

Met dit wetsvoorstel kan het mbo beter aansluiten op de specifieke situatie van de regionale arbeidsmarkt. Zo krijgen mbo-instellingen meer ruimte om keuzedelen aan te bieden die passen bij de baankansen op de regionale arbeidsmarkt. Ook krijgen mbo-instellingen meer ruimte om hun aanbod aan verkorte beroepsopleidingen voor mensen met relevante leer- of werkervaring af te stemmen op (tekort)beroepen in de regionale arbeidsmarkt. Hiermee sluiten we aan op het beleid van andere departementen en regionale overheden voor ontwikkeling en behoud van de werkgelegenheid op de regionale arbeidsmarkt. Hoeveel deze maatregelen hier precies aan zullen bijdragen is lastig voorspelbaar.

2.

Hoe biedt dit wetsvoorstel meer mogelijkheden voor om- en bijscholing? Kan de regering tevens aangeven om hoeveel mogelijkheden het naar verwachting gaat?

Ten eerste worden met dit wetsvoorstel meer mogelijkheden geboden om een mbo-opleiding in een kortere studieduur te volgen als studenten al beschikken over de nodige leer- of werkervaring. Met dit wetsvoorstel zorgen we voor meer transparantie over de toelating aan deze verkorte opleidingen en over welke leer- of werkervaring studenten dan moeten beschikken. Ten tweede zorgt dit wetsvoorstel voor een volwaardige positie voor de niet-bekostigde loopbaanbegeleidende leerweg. In deze leerweg, die op dit moment nog «de derde leerweg» wordt genoemd, kunnen werkenden en werkzoekenden zich om- en bijscholen met losse onderdelen van mbo-opleidingen. Hoeveel deze maatregelen in kwantitatieve zin zullen bijdragen aan meer bij- en omscholingsmogelijkheden is lastig voorspelbaar.

3.

Kan de regering garanderen dat tijdens stages of andere werkactiviteiten die het gevolg zijn van de invoering van dit wetsvoorstel, het gebruik van het Nederlands de norm is? Hoe moeten onderwijsinstellingen hierop toezicht houden en waarborgen dat correct Nederlands wordt gebruikt en geleerd?

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de huidige wettelijk vastgelegde normen voor de taal op mbo-instellingen. In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) is vastgelegd dat het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands (artikel 7.1.1 WEB). Hierop zijn specifieke uitzonderingen mogelijk wanneer het bevoegd gezag hiervoor een gedragscode opstelt en deze hanteert.

4.

Hoe wil de regering voorkomen dat onderwijsinstellingen voor de invoering en uitvoering van deze wet op grote schaal externe partijen zullen inhuren?

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de keuzes in het personeelsbeleid. De verwachting is niet dat de wetswijziging voor een forse toename van externe inhuur zal leiden. De wet schrijft voor dat onderwijsgevend personeel, zowel in vaste loondienst als externe inhuur, aan bepaalde bekwaamheidseisen moet voldoen. Hiermee wordt gegarandeerd dat studenten onderwijs genieten dat voldoet aan de basiskwaliteit.

5.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft in haar nader rapport aan dat DUO heeft aangegeven dat invoering van deze wet uitvoerbaar is per augustus 2025.Wanneer is volgens DUO invoering van de wet inmiddels uitvoerbaar?1 Wanneer is volgens DUO invoering van de wet inmiddels uitvoerbaar?

DUO heeft inmiddels aangegeven dat invoering van de wet per 1 augustus 2026 uitvoerbaar is. De definitieve invoeringsdatum is uiteraard afhankelijk van de parlementaire behandeling.

6.

Zowel door de Afdeling advisering van de Raad van State als tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is de zorg geuit dat in bepaalde regio’s het aanbod van verkorte opleidingen kan leiden tot verschraling van het reguliere aanbod. Indien uit evaluatie blijkt dat hiervan sprake is, kan de regering bij algemene maatregel van bestuur beperkingen stellen aan het soort en het aantal opleidingen dat als verkorte opleiding mag worden aangeboden, dan wel nader bepalen welke studenten voor toelating in aanmerking komen. De leden van de fractie van BBB achten de kans hierop in plattelandsgebieden reëel. Is de regering bereid deze evaluatie voor plattelandsgebieden niet na de voorgestelde vijf jaar, maar al na drie jaar uit te voeren?

Met dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid om opleidingen in een verkorte duur aan te bieden voorzien van een aantal waarborgen, waarbij ook de toegankelijkheid van het mbo is geborgd. In het wetsvoorstel is opgenomen dat 5 jaar na inwerkingtreding van de wet zal worden geëvalueerd of de doelen van de wijzigingen zijn behaald. Deze termijn is in overeenstemming met de «Aanwijzingen voor de regelgeving» waarin een evaluatietermijn van vijf jaar als uitgangspunt wordt genomen (Aanwijzing 5.58). Daarbij is overwogen dat een termijn van minder dan vijf jaar mogelijk te kort is voor een evaluatie, omdat er dan nog weinig ervaring met de wet in de praktijk zal zijn opgedaan. Bovendien is het beleidsmatig wenselijk om bij het evalueren van de wet een integraal beeld te krijgen van de effecten van de wet voor heel Nederland, om een al te versnipperd beeld voor bepaalde gebieden te voorkomen.

Naar verwachting zal het aanbod van verkorte beroepsopleidingen veelal aanvullend zijn op het aanbod van reguliere opleidingen. De inzet is om het onderwijsaanbod in de regio te verrijken. In sommige gevallen is er alleen behoefte aan een verkorte opleiding, omdat er vanuit vmbo-leerlingen voor de opleiding in de reguliere duur (te) weinig belangstelling is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan opleidingen gericht op functies waarvoor de leeftijd minimaal 18 jaar moet zijn en bedrijven in de regio in een branche waarvoor geldt dat zij met name volwassen zij-instromers voor bepaalde functies in dienst nemen.

Er is vooralsnog geen reden te veronderstellen dat instellingen het bestaande aanbod van reguliere beroepsopleidingen gaan verkleinen. Voor de meeste studenten zal een beroepsopleiding in de reguliere duur namelijk het meest passend zijn. Alleen voor de groep studenten die voor de beroepsopleiding over relevante leer- en werkervaring beschikt zal de verkorte beroepsopleiding een mogelijkheid zijn.

Wel zal, vanaf het moment dat de wet in werking treedt, een vinger aan de pols worden gehouden ten aanzien van de wijze waarop instellingen gebruik maken van de geboden ruimte; welke beroepsopleidingen daadwerkelijk (alleen) verkort worden aangeboden en welke studenten aan deze verkorte beroepsopleidingen deelnemen. Als in de praktijk blijkt dat verkorte opleidingen de overhand krijgen ten opzichte van reguliere opleidingen, waardoor de toegankelijkheid van het mbo en keuzevrijheid voor mbo-studenten negatief beïnvloed zou worden, kan het aanbod van verkorte opleidingen worden beperkt.

7.

Kan de regering garanderen dat invoering van dit wetsvoorstel niet leidt tot verlaging van de kwaliteit van het desbetreffende onderwijs? Welke maatregelen wil de regering treffen om dit te waarborgen en te monitoren?

Het bevoegd gezag is altijd verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs binnen de instellingen. Hier houdt de Inspectie van het Onderwijs (inspectie) toezicht op. In het wetsvoorstel zijn de nodige waarborgen voor onderwijskwaliteit opgenomen. Allereerst is er bij de herziening van de urennorm in dit wetsvoorstel voor gekozen om naast de flexibele uren een robuuste basis van begeleide onderwijsuren en stages te behouden. Daarnaast moeten onderwijsteams schriftelijk vastleggen welke keuzes er zijn gemaakt voor het onderwijsprogramma en hoe deze passen binnen de onderwijskundige visie van de instelling. Ook houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De inspectie zal tijdens Steekproef Kwaliteitsonderzoeken (SKO’s) bij mbo-opleidingen ook nadrukkelijk kijken naar de invulling van en de verantwoording over de urennorm. Ook zal ik, zoals toegezegd tijdens de wetsbehandeling in de Tweede Kamer, de inspectie vragen om na drie jaar een thema-onderzoek uit te voeren waarin gekeken kan worden naar de invulling van de nieuwe urennorm.

8.

Op welke wijze zal deze wet bijdragen aan verbetering van de leerresultaten in het desbetreffende onderwijs? Kan de regering tevens aangeven welke verbetering zij verwacht?

Alle maatregelen in het wetsvoorstel zijn, ieder op een eigen manier, gericht op verbetering van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. Dit versterkt de kwaliteit van het beroepsonderwijs en dit kan, naar verwachting, ook effecten hebben op de leerresultaten van het betreffende onderwijs. Tot welke verbetering van leerresultaten van studenten dit leidt is vooraf lastig aan te geven.

9.

Kan de regering garanderen dat invoering van deze wet niet leidt tot minder door docenten begeleide onderwijsuren? Welke maatregelen wil de regering treffen om dit te waarborgen en te monitoren?

De totale studielast en de minimale uren voor het onderwijsprogramma blijven gelijk. De verdeling van de uren over de verschillende soorten onderwijsactiviteiten wordt gewijzigd. Concreet wordt voorgesteld om het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming te verminderen om het aantal flexibel in te vullen uren te kunnen verhogen. Tevens voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor de instelling om de flexibele uren in te vullen met andere onderwijsactiviteiten dan begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. Een voorbeeld hiervan is de regio Twente en Groningen waarin mbo-, hbo- en wo-studenten samenwerken aan zeer innovatieve projecten waar de maatschappij echt om staat te springen. Er wordt gewerkt aan robots voor de agrarische sector die onkruid op kunnen sporen en aan drones die windturbines onderhouden. Nu werken studenten via stages aan dit soort projecten, maar de nieuwe urennorm kan er met de flexibele uren voor zorgen dat studenten ook op andere manieren kunnen bijdragen aan dit soort projecten, in samenwerking binnen de waaier van het onderwijs. Het aanbieden van dit soort vormen van onderwijs betekent geenszins dat hiermee de begeleiding van studenten in deze uren verdwijnt of minder wordt. Docenten blijven studenten begeleiden in het onderwijsproces, alleen de manier waarop kan veranderen.

10.

Richt dit wetsvoorstel zich uitsluitend op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo)? Zo nee, op welke andere onderwijsvormen richt het zich nog meer? Indien het wetsvoorstel zich niet richt op alle vormen van voortgezet en hoger onderwijs, waarom heeft de regering daarvoor gekozen?

Het wetsvoorstel komt voort uit door mbo-instellingen ervaren knelpunten bij de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. Omdat deze knelpunten te maken hebben met het huidig wettelijk kader voor het mbo, zijn de voorstellen gericht op wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Daarbij wordt opgemerkt dat de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen voor de urennorm doorwerken in de zogenoemde «doorlopende leerroute», met samenwerkingsconstructies van het mbo met het voortgezet (speciaal) onderwijs. De in het wetsvoorstel opgenomen uitbreiding van de wettelijke basis voor publicatie van statistische informatie rondom de arbeidsmarktsituatie van schoolverlaters, de onderwijskansenscore en het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO) is gericht op het mbo, het voortgezet onderwijs en het primair onderwijs.

11.

Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer werd gesteld dat bij bepaalde mbo-instellingen reeds 25% van de onderwijstijd uit stage bestaat en dat is geprobeerd dit aandeel te verhogen naar 40% van de onderwijstijd. Herkent de regering dit beeld? Hoe wil de regering voorkomen dat opleidingen als gevolg van dit wetsvoorstel in toenemende mate verworden tot werkplaatsen voor bedrijven of andere werkgevers en in mindere mate onderwijsinstellingen blijven?

Met de aanpassing van de urennorm in het onderhavige wetsvoorstel is een balans gezocht tussen enerzijds voldoende begeleide onderwijstijd, minimaal de helft van het onderwijsprogramma, en anderzijds een sterk beroepsgerichte component van stages en andere onderwijsvormen. Deze andere onderwijsvormen die in de flexibele uren kunnen worden aangeboden zijn nog altijd onder begeleiding van het onderwijsteam en daarmee de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling. Voordat de huidige urennorm in 2014 werd ingevoerd kende de wet geen onderscheid in begeleide onderwijsuren en stages. Dit resulteerde er in dat studenten een groot deel van hun opleiding in de stage doorbrachten. Met de huidige urennorm is er voor gezorgd dat er meer begeleide onderwijstijd voor studenten kwam. Ik herken me dus in het beeld dat voor de invoering van de huidige urennorm er een scheve verhouding kon ontstaan tussen begeleide onderwijstijd en stages.

Vragen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de verschillende wijzigingen van de regels over de onderwijstijd in het beroepsonderwijs ter bevordering van de aansluiting op de arbeidsmarkt. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen aan de regering.

De invulling van de urennorm wordt op dit moment door instellingen als te rigide ervaren. De leden van de fractie van D66 achten het van belang dat instellingen meer ruimte en vertrouwen krijgen om te doen wat goed is voor studenten en docenten. Met dit wetsvoorstel beoogt de regering meer flexibiliteit te introduceren: voor een driejarige mbo-opleiding wordt het aantal flexibele uren verhoogd van 100 naar 250. Waarom heeft de regering gekozen voor 250 flexibele uren en niet voor een hoger of lager aantal? Kan de regering onderbouwen dat met 250 flexibele uren in drie jaar wordt voorzien in de behoefte aan meer flexibiliteit, zodanig dat geen behoefte meer zal bestaan om van de urennorm af te wijken? Waarom wordt die mogelijkheid niet behouden?

Met de herziening van de urennorm krijgen de onderwijsteams meer ruimte en flexibiliteit om het onderwijs in te richten naar de huidige tijd. Hiermee kan beter worden aangesloten bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Per studiejaar moet een onderwijsteam een onderwijsprogramma samenstellen van minimaal 1.000 klokuren. Van deze 1.000 klokuren moeten minimaal 500 uren begeleide onderwijstijd beslaan, minimaal 250 uren stage en blijven er nog 250 uren flexibele uren per jaar over om in te vullen met ofwel begeleide onderwijstijd, ofwel stages, ofwel andersoortige onderwijsactiviteiten. Bij de aanpassing van de urennorm is gezocht naar een evenwichtige balans tussen enerzijds een robuust deel van begeleide onderwijstijd en stages om studenten een stevige basis mee te geven, en anderzijds naar voldoende flexibiliteit om goed in te kunnen spelen op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het onderwijs en de arbeidsmarkt. Ik ben van mening dat met de voorgestelde verdeling van de uren deze balans gevonden is. Omdat de urennorm in het wetsvoorstel al een dusdanig grote component flexibele uren heeft, namelijk 250 klokuren per jaar, is het niet meer nodig om naast deze geboden flexibiliteit nog af te wijken van de urennorm.

De leden van de fractie van D66 achten het van belang dat studenten in het mbo, hbo en wo gelijkwaardig worden behandeld. In het hbo en wo geldt geen minimale urennorm. Onderwijsactiviteiten binnen flexibele uren zijn daar derhalve reeds mogelijk. Hoe reflecteert de regering op het verschil in flexibiliteit tussen mbo, hbo en wo en de gevolgen daarvan voor de gelijkwaardige positie van het mbo binnen de waaier van onderwijs?

Het klopt dat er in het hbo en wo geen minimale urennorm geldt zoals we deze voor het mbo wel kennen. Het mbo is een onderwijssector waar verschillende groepen studenten binnen eenzelfde opleiding onderwijs genieten. Hierbij gaat het vaak om minderjarige studenten zonder een startkwalificatie. Om deze reden kiezen we er in het mbo voor om wel een minimale urennorm te hanteren, om studenten een stevige basis mee te geven alvorens zij uitstromen op de arbeidsmarkt of instromen in een vervolgopleiding. Daarnaast willen we, in lijn met het hbo en wo, meer flexibiliteit creëren om ook hybride, praktijkgerichte vormen van onderwijs mogelijk te maken.

Deze leden lezen dat de wijzigingen niet worden doorgevoerd in Caribisch Nederland, maar onderdeel vormen van de grotere wetswijziging waarbij de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES) in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) wordt geïncorporeerd. Zij achten het van belang dat studenten in Caribisch Nederland dezelfde mogelijkheden hebben als studenten in Europees Nederland en dat hun diploma’s gelijkwaardig zijn. Wat is de stand van zaken van deze wetswijziging en welk tijdpad voorziet de regering?

Het wetsvoorstel Modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland2 is momenteel aanhangig bij de Tweede Kamer. De vaste Kamercommissie OCW van de Tweede Kamer heeft op 12 maart jl. het verslag vastgesteld. Momenteel wordt gewerkt aan de reactie daarop in de nota naar aanleiding van het verslag. De beoogde inwerkingtredingsdatum van dat wetsvoorstel is 1 augustus 2027.

Zodra, naast het onderhavige wetsvoorstel, ook dat wetsvoorstel in werking treedt gaan de wijzigingen uit het onderhavige wetsvoorstel eveneens gelden voor Caribisch Nederland. Daarop vooruitlopend zijn onlangs diverse bepalingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES rondom de «derde leerweg» in werking getreden (Stb. 2025, 282). Voorheen was het in Caribisch Nederland nog niet mogelijk om andere leerwegen dan de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg te erkennen. Met ingang van 1 januari 2026 is het ook in Caribisch Nederland mogelijk om de «derde leerweg» te verzorgen en om certificaten uit te reiken. Bij inwerkingtreding van de wet Modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland wordt de «derde leerweg» ook voor Caribisch Nederland hernoemd tot loopbaanbegeleidende leerweg.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert


X Noot
1

Afdeling advisering van de Raad van State, advies W05.24.00088/I, zie www.raadvanstate.nl/adviezen/@143281/w05-24-00088/.

X Noot
2

Voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland) (Kamerstukken 36 878).


X Noot
1

Afdeling advisering van de Raad van State, advies W05.24.00088/I, zie www.raadvanstate.nl/adviezen/@143281/w05-24-00088/.

X Noot
2

Voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland) (Kamerstukken 36 878).

Naar boven