Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XVI nr. N |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XVI nr. N |
Ontvangen 21 maart 2025
Hierbij bied ik u de nota naar aanleiding van het derde verslag betreffende de Begrotingsstaten VWS 2025 aan. Daarnaast heb ik u afgelopen dinsdag middels een brief geïnformeerd over de alternatieve invulling voor de ombuiging «subsidie bij- en nascholing medisch specialisten». Daarmee hoop ik u voldoende duidelijkheid te hebben geboden over hoe de taakstelling van 165 miljoen euro wordt ingevuld.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M-F. Agema
Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, V. Maeijer
Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, V.P.G. Karremans
Inhoudsopgave
|
Introductie |
2 |
||
|---|---|---|---|
|
Leeswijzer |
2 |
||
|
1. |
Inleiding |
2 |
|
|
2. |
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van Groenlinks-PvdA, SP en PvdD gezamenlijk |
2 |
|
Introductie
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het derde verslag van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2025. Er zijn door de leden van de fracties van de GroenLinks-PvdA, SP en PvdD vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Ik hoop met de beantwoording van de gestelde vragen de nog bestaande onduidelijkheden te kunnen wegnemen.
Leeswijzer
In deze nota naar aanleiding van het derde verslag wordt de volgorde van het verslag aangehouden.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en PvdD hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het tweede verslag.1 Daarnaast heeft op 4 maart 2025 een deskundigenbijeenkomst over pandemische paraatheid plaatsgevonden.2 Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en PvdD gezamenlijk nog enkele vragen en opmerkingen.
1.
Kan de regering toelichten hoe de proef met het vaccineren van kippen tegen vogelgriep is georganiseerd? Welke ministeries zijn erbij betrokken en wie draagt de kosten?
Antwoord
Ik werk samen met de Minister van LVVN aan het beleid rondom de preventie van vogelgriep, zoals door onze voorgangers is vastgelegd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (TK-brief van 31januari 2025, 28 807, nr. 306). Een van de maatregelen uit dit plan is de pilot vaccinatie vogelgriep bij pluimvee. De Minister van LVVN werkt in deze pilot samen met sectorpartijen. Doel van de pilot is ervaring op te doen met de praktische uitvoering van vaccinatie op legbedrijven, de implementatie van het surveillanceprogramma conform de Europese verordening (EU) 2023/361 en het volgen en oplossen van mogelijk negatieve effecten op de handel. AVINED heeft deelnemers gezocht voor de pilot en heeft afspraken gemaakt met de pluimveehouders, de broederij en het pakstation. De eieren worden in Nederland afgezet. De Minister van LVVN draagt de kosten voor deze pilot.
2.
Kan de regering toelichten in hoeverre de proef uit vraag 1 bijdraagt aan het verminderen van besmettingsbronnen, of vooral gericht is op symptoombestrijding? In hoeverre is de regering van mening dat de proef een bijdrage kan leveren aan pandemische paraatheid?
Antwoord
Vaccinatie kan bijdragen aan het verlagen van de kans op vogelgriepuitbraken bij pluimvee, wat leidt tot een betere bescherming van zowel dier- als volksgezondheid. Door deze pilot komt de mogelijkheid om pluimvee in Nederland op grote schaal te vaccineren weer een stap dichterbij. Vaccinatie zal bijdragen aan het verminderen van de kans op besmetting en aan reductie van de besmettelijkheid. Vaccinatie is daarom géén symptoombestrijding.
3.
Kan de regering kwantificeren hoe de mortaliteit van het vogelgriepvirus zich verhoudt tot die van het coronavirus, mocht het nieuwe, gemuteerde virus overdraagbaar worden van mens op mens? Klopt het dat de huidige sterftecijfers in de praktijk boven de 50% liggen?3
Antwoord
De wereldwijd waargenomen sterfte ten gevolge van het vogelgriepvirus is op dit moment inderdaad veel hoger dan het coronavirus, waarbij percentages tot wel 50% worden genoemd. Deze zijn echter zeer onzeker, omdat onduidelijk is welk percentage van de besmettingen van mensen met vogelgriep ontdekt wordt. Het is dus niet bekend wat de zogenoemde case fatality rate (CFR) voor een eventueel nieuw pandemisch vogelgriepvirus zal zijn en hoe dat zich zou verhouden tot de CFR van het coronavirus.
4.
Hoe hoog was de mortaliteit van het coronavirus? Klopt het dat dit sterftecijfer slechts een fractie bedraagt van het momenteel waargenomen sterftecijfer bij menselijke besmetting met vogelgriep?4
Antwoord
In een studie gebaseerd op cijfers van december 2019 tot en met augustus 2020 wordt geschat dat de mondiale «case fatality rate» (CFR) voor het coronavirus in juli-augustus 2020 varieerde van 2,5% tot 4,1%, afhankelijk van de wijze van berekenen5. In de loop van de pandemie nam de CFR af. Vaccinatie is hierop van grote invloed. Ook de opkomst van de omikronvariant zorgde voor een daling van de CFR. Inmiddels is de CFR van het coronavirus dus veel lager dan aan het begin van de pandemie.
De wereldwijd waargenomen sterfte ten gevolge van het vogelgriepvirus is op dit moment inderdaad veel hoger, waarbij percentages tot wel 50% worden genoemd6. Deze cijfers zijn echter zeer onzeker, omdat onduidelijk is welk percentage van de besmettingen van mensen met vogelgriep ontdekt wordt. Het is dus niet bekend wat de CFR voor een eventueel nieuw pandemisch vogelgriepvirus zal zijn en hoe dat zich zou verhouden tot de CFR van het coronavirus.
5.
Kan de regering de nieuwste inzichten delen over afstandsnormen in de veehouderij en hun rol bij virusoverdracht en -mutatie? In hoeverre beïnvloeden deze normen de verspreiding van griepvirussen tussen diersoorten zoals kippen, varkens, koeien en wilde dieren, en de overdracht op mensen?
Antwoord
De rapporten over mogelijke definities van bedrijfs- en dierdichtheid en waterrijke gebieden zijn in 2024 met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 28 807, nr. 296). In onze recente brief aan de Tweede Kamer van 31 januari jongstleden «Voortgangsrapportage Intensiveringsplan preventie vogelgriep» hebben mijn collega van LVVN en ik aangegeven dat in het intensiveringsplan is opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Dit is in lijn met de aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep zoönosen onder leiding van dhr. Bekedam.
Experts van Wageningen Economic Research (WEcR) voeren momenteel een impactanalyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Daarna zullen andere experts een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Dit soort structuurmaatregelen zijn ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse kan het kabinet tot een zorgvuldige besluitvorming komen, waarbij het uitgangspunt is dat eventuele maatregelen proportioneel, geschikt en noodzakelijk zijn en dat deze goed te onderbouwen zijn. Dit zal in nauw overleg met (decentrale) overheden en andere stakeholders worden gedaan.
6.
Heeft de regering in het kader van pandemische paraatheid plannen om via wettelijke voorschriften de afstand tussen bepaalde diersoorten en mensen te vergroten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?
Antwoord
Zoals in het Nationaal actieplan versterken zoönosebeleid is opgenomen, ziet de regering zoönosen als een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van pandemieën7. Het doel van het actieplan is om de risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak.
Voor de handreiking bij het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) waren afstandsadviezen opgesteld met betrekking tot veehouderij en gezondheid omwonenden. Met het stopzetten van het NPLG wordt nog nader overwogen of, en zo ja hoe hier een vervolg aan wordt gegeven. Deze adviezen kwamen voort uit al bestaande maatregelen die de GGD adviseert om vanuit voorzorg de gezondheidsrisico’s die ontstaan door veehouderij te verkleinen.
Omdat het vergroten van de afstand leidt tot lagere blootstelling, adviseert de GGD om uit voorzorg afstand in te bouwen tussen veehouderijen en gevoelige bestemmingen of groepen. Lokale afwegingen kunnen daarbij een rol spelen, vandaar een afstandsadvies met maatwerk8.
Zie voor verdere toelichting ook antwoord 5.
7.
Kan de regering aangeven of de huidige pandemische paraatheid groter of kleiner is dan tijdens het hoogtepunt van de coronapandemie?
Antwoord
De versterkingen pandemische paraatheid zijn gericht op het slagvaardig, wendbaar en opschaalbaar maken van alle aspecten van de zorg, waardoor we snel kunnen inspelen op wat er bij een uitbraak nodig is. Denk aan de oprichting van de Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding (de LFI), de initiatieven om de GGD’en en het RIVM te versterken en het ICT-landschap te verbeteren en de verschillende kennis- en onderzoeksprogramma’s die zijn opgezet. De versterking van de landelijke surveillance van een brede groep infectieziekten door het RIVM helpt ons om snel te zien wat er op ons afkomt en daar zo nodig op te acteren. Aanvullend op de versterkingen organiseer ik eind 2025 bovendien een landelijke oefening infectieziektebestrijding met een brede groep veldpartijen van VWS. Samen oefenen met een concreet scenario draagt ook bij aan de paraatheid van de Nederlandse zorg. We zijn dus goed op weg om de pandemische paraatheid te vergroten, maar we zijn er nog niet. Bovendien valt niet op voorhand te zeggen wat de impact van een nieuwe pandemie zal zijn, dat hangt onder andere af van de kenmerken van het betreffende pathogeen.
8.
Kan de regering aangeven hoe de medische sector de huidige pandemische paraatheid beoordeelt en is zij bereid daar nader onderzoek naar te verrichten?9
Antwoord
De term «medische sector» is een brede noemer voor een diverse samenstelling van organisaties die voor verschillende opgaven gesteld staan. Er is vanuit deze organisaties niet één standpunt over pandemische paraatheid, maar uiteraard bereiken mij wel signalen van deze partijen over de kwetsbaarheden die zij zien. Vanwege de verscheidenheid van partijen acht ik een separaat onderzoek naar hoe de medische sector de pandemische paraatheid beoordeelt niet zinvol.
Wel wordt op dit moment op andere manieren gemeten hoe de versterking van de pandemische paraatheid vordert. Nog dit voorjaar ontvang ik een gezamenlijke evaluatie uitgevoerd door de WHO en de Europese Commissie over de sterke en zwakke punten van onze paraatheid. Met de evaluatie kan ook een internationale vergelijking worden gemaakt. Deze evaluatie wordt elke drie jaar herhaald en resultaten worden gepubliceerd. In dit kader noem ik ook de landelijke oefening infectieziektebestrijding die ik eind 2025 organiseer en waaraan een brede groep velpartijen zal deelnemen.
9.
Kan de regering een helder beeld schetsen van de doorzettingsmacht van de diverse actoren die betrokken zouden zijn bij een toekomstige pandemie?
Antwoord
De coronapandemie heeft laten zien dat aanpassingen in de crisisstructuur van de zorgketen nodig zijn. Ik werk daarom aan wettelijke borging van landelijke regie en het expliciteren van de verschillende verantwoordelijkheden. In dit kader is in 2024 het wetsvoorstel Tweede tranche wijziging Wet publieke gezondheid aangeboden aan de Tweede Kamer. Hiermee wordt geregeld dat de Minister van VWS via de Landelijke Functie opschaling Infectieziektebestrijding (LFI) bij een uitbraak van een A-infectieziekte rechtstreeks kan sturen op de medisch-operationele processen van de GGD'en. Daarnaast wordt in het Landelijk Crisisplan Infectieziekten (LCP-I) beoogd een duidelijk in- en overzicht te geven van structuren en verhoudingen op nationaal en regionaal niveau, gericht op de beheersing van een (dreigende) crisis als gevolg van een A-infectieziekte met aanzienlijke maatschappelijke gevolgen. Ik verwacht dit LCP-I later dit jaar met uw Kamer te kunnen delen.
Tot slot wordt onderzocht of de bevoegdheden bij crisis en conflict voor de zorg voorzien in de behoeften van vandaag.
10.
Op welke wijze wordt rekening gehouden met het uitbreken van een nieuwe pandemie? Kan de regering aangeven binnen welke termijn een dergelijke pandemie wordt verwacht en hoe de huidige pandemische paraatheid zich daartoe verhoudt?
Antwoord
De Nederlandse infectieziektebestrijding zet zich elke dag in om uitbraken te voorkomen, beheersen en bestrijden. Onderdeel hiervan is dat er rekening wordt gehouden met het uitbreken van een volgende pandemie, waarbij vroegsignalering een grote rol speelt. Het RIVM heeft hierin een primaire rol in Nederland en houdt ook de internationale ontwikkelingen goed in de gaten. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de termijn waarop een volgende pandemie wordt verwacht, noch over de kenmerken van het betreffende pathogeen. De versterkingen zijn daarom gericht op het slagvaardig, wendbaar en opschaalbaar maken van alle aspecten van de zorg, waardoor we snel kunnen inspelen op wat er bij een uitbraak nodig is. Aanvullend op de versterkingen voor pandemische paraatheid wordt bovendien ingezet op «scenario-denken en -werken», zodat we ons voorbereiden op een breed scala aan mogelijke situaties.
11.
Kan de regering aangeven wat de rol van zoönosen is bij het ontstaan van pandemieën en hoe zij de veedichtheid in Nederland beoordeelt als risicofactor in dit opzicht?
Antwoord
Zoals in het Nationaal actieplan versterken zoönosebeleid is opgenomen, ziet de regering zoönosen als een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van pandemieën10. Het doel van het actieplan is om de risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. In dit plan wordt ook aandacht besteed aan de veedichtheid in Nederland. In de veehouderij wordt ingezet op versterking van de bioveiligheid op bedrijven.
Voor de handreiking bij het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) waren adviezen opgesteld voor dierziekten en zoönosen en op veehouderij en gezondheid omwonenden (zie ook het antwoord op vraag 6). Met het stopzetten van het NPLG wordt nader overwogen of, en zo ja hoe er een vervolg wordt gegeven aan deze actie.
Daarnaast is in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep11 opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Dit is in lijn met de aanbevelingen uit het rapport «zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam12. Experts van Wageningen Economic Research (WEcR) voeren momenteel een impactanalyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. De resultaten daarvoor worden voor de zomer verwacht. Daarna zullen andere experts een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Dit soort structuurmaatregelen zijn ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse kan het kabinet tot een zorgvuldige besluitvorming komen, waarbij het uitgangspunt is dat eventuele maatregelen proportioneel, geschikt en noodzakelijk zijn en dat deze goed te onderbouwen zijn. Dit zal in nauw overleg met (decentrale) overheden en andere stakeholders worden gedaan.
Van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid13 als het Intensiveringsplan vogelgriep14 is begin dit jaar de voortgang gerapporteerd.
12.
Kan de regering de Kamer een actueel inzicht geven in de ZOOver-signalering van het RIVM in relatie tot pandemische paraatheid, met name op de volgende gebieden:
• One Health-signalering;
• One Health-surveillance;
• One Health-datasharing en Informatie- en communicatietechnologie (ICT);
• Prioritering zoönosen;
• Kennis en innovatie;
• Internationaal;
• Respons;
• Leefomgeving;
• Zoönosegeletterdheid.
Antwoord
De voorbereiding op nieuwe pandemieën vraagt een verdere versterking van het zoönosebeleid. Bij het RIVM startte naar aanleiding van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid in 2022 het programma ZooVer (Versterking Zoönosen). Hierin versterkt het RIVM de signalering, surveillance, respons en preventie van zoönosen in een One Health-aanpak. Ik noem een aantal aspecten uit Zoover in mijn beantwoording. Het maandelijkse signaleringsoverleg zoönosen, waarin experts alle relevante zoönosesignalen bespreken en beoordelen, is geëvalueerd en uitgebreid met een expert van het Erasmus Medisch Centrum.
Het RIVM heeft voorbereidingen getroffen om te starten met een «horizon scanningsproject» waarin een of twee keer per jaar wordt bekeken welke veranderingen in de wereld (drivers) over 25 jaar te verwachten zijn, die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van nieuwe zoönosen met pandemisch potentieel. Bestaande of in ontwikkeling zijnde One Health surveillance systemen worden doorontwikkeld (ten aanzien van bijvoorbeeld westnijlvirus, influenza bij varkens en wildoverdraagbare zoönosen).
Ook werkt het RIVM met verschillende One Health partners aan een betere gegevensuitwisseling. In het kader van kennis en innovatie worden innovatieve detectiemethoden ontwikkeld om zoönosen sneller en/of makkelijker te detecteren. Met het One Health Strengthening Europe (OHSE)-project versterkt het RIVM de samenwerking op het gebied van One Health in Europa en worden andere landen gestimuleerd een zoönosenstructuur of iets soortgelijks op te zetten. Om de respons te versterken zet het RIVM in op (regionale) oefeningen, bovenregionale samenwerking en herziening van draaiboeken en richtlijnen.
Ten aanzien van de leefomgeving werkt het RIVM samen met het Centrum Monitoring Vectoren van de NVWA aan kennisvergaring, en -verspreiding van vectoren en vectorgebonden ziekteverwekkers in de leefomgeving en voor volksgezondheid. Ook bekijkt het RIVM mogelijkheden om signalen uit de leefomgeving beter te betrekken in de bestaande signaleringsstructuren.
Om de zoönosegeletterdheid van burgers te vergroten, heeft het RIVM online informatie geactualiseerd en in 2024 extra aandacht besteed aan teken. In 2025 zal de aandacht gaan naar reizigers.
13.
Kan de regering de stand van zaken aangeven van de eerder voorgenomen bezuinigingen op pandemische paraatheid, en is zij bereid bij de voorjaarsnota extra middelen vrij te maken voor de versterking van pandemische paraatheid?
Antwoord
Zoals ik eerder heb aangegeven, ben ik op zoek naar middelen om verder te gaan met de maatregelen die de Nederlandse zorg klaar maken voor dreigingen als een volgende pandemie. Daar is tijd voor nodig en ik kan u dan ook nu niet meer informatie geven dan dat ik verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te hebben over de middelen voor 2026 en verder. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordt in de komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. De pandemische paraatheid zal hierbij betrokken worden.
In de brief van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer van 5 maart 2025 stelt de Minister dat het uittreden van de VS uit de WHO grote consequenties zal hebben voor de pandemische paraatheid van Nederland.15 In de brief worden onder meer genoemd: een meer gefragmenteerde aanpak van infectieziekten en pandemieën, verminderde technische assistentie en financiële steun voor landen met gezondheidscrises, belemmeringen bij de levering van vaccins, medicatie en medische apparatuur, het bevriezen van wetenschappelijke contacten en het bemoeilijken van een vlotte uitwisseling van belangrijke gezondheidsdata. Tijdens de deskundigenbijeenkomst over pandemische paraatheid heeft mevrouw Koopmans deze zorgen eveneens geuit. Zij wees daarbij op de (financiële) tekorten die ontstaan door het vertrek van de VS uit de WHO.16 Op basis hiervan stellen de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en PvdD gezamenlijk de volgende vragen:
14.
Geven deze ontwikkelingen aanleiding om de bezuinigingen op pandemische paraatheid terug te draaien en zelfs de inzet op pandemische paraatheid te intensiveren bij de Voorjaarsnota?
Antwoord
Zoals ik eerder heb aangegeven, ben ik op zoek naar middelen om verder te gaan met de maatregelen die de Nederlandse zorg klaar maken voor een volgende pandemie en voor andere crises. Daar is tijd voor nodig en ik kan u dan ook nu niet meer informatie geven dan dat ik verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te hebben over de middelen voor 2026 en verder. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordt momenteel verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. De pandemische paraatheid zal hierbij betrokken worden.
15.
Is de regering bereid het financiële gat dat ontstaat door het vertrek van de VS uit de WHO deels op te vangen door extra middelen beschikbaar te stellen bij de Voorjaarsnota?
Antwoord
Het kabinet wil niet vooruit lopen op de besluitvorming in de voorjaarsnota.
Eerste Kamer, deskundigenbijeenkomst over pandemische paraatheid, 4 maart 2025, zie: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nviovewt451ug_j9vvkfvj6b325az/vmkuhtqjzvou
De Morgen, 18 april 2024, WHO «enorm bezorgd» over overdracht vogelgriep van dier op mens: «buitengewoon hoog» sterftecijfer bij mensen, zie https://www.demorgen.be/snelnieuws/who-enorm-bezorgd-over-overdracht-vogelgriep-van-dier-op-mens-buitengewoon-hoog-sterftecijfer-bij-mensen~b29c41e4/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
Domus Medica, Wat is het mortaliteitspercentage bij bevestigde COVID-19 patiënten?, zie https://www.domusmedica.be/richtlijnen/coronavirus/wetenschappelijk/wat-het-mortaliteitspercentage-bij-bevestigde-covid-19
Abou Ghayda R, Hwa Lee K, Joo Han Y et al. Estimation of global case fatality rate of coronavirus disease 2019 (COVID-19) using meta-analyses: Comparison between calendar date and days since the outbreak of the first confirmed case. Int J Infect Dis. 2020; 100: 302–308. https://doi.org/10.1016/j.ijid.2020.08.065.
GGD GHOR Nederland, 15 september 2024, Bezuinigingen pandemische paraatheid bedreigen gezondheid en veiligheid van inwoners Nederland, zie https://ggdghor.nl/actueel-bericht/bezuinigingen-pandemische-paraatheid-bedreigen-gezondheid/
Eerste Kamer, deskundigenbijeenkomst over pandemische paraatheid, 4 maart 2025, zie: https://eerstekamer.nl/9370000/1/j4nviovewt451ug_j9vvkfvj6b325az/vmkuhtqjzvou
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-XVI-N.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.