Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XIV nr. H |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XIV nr. H |
Vastgesteld 27 januari 2025
Inleiding
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, het CDA, de SP, de ChristenUnie, PvdD en OPNL hebben met belangstelling kennisgenomen van het begrotingswetsvoorstel Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Diergezondheidsfonds 2025 (36 600 XIV).
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP, de ChristenUnie, PvdD en OPNL stellen in wisselende combinaties gezamenlijk enkele vragen. Daarnaast hebben de leden van de fracties van de SP en de PvdD in aanvulling hierop ook nog eigen vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. De leden van de fractie van Volt sluiten zich aan bij de vragen die de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP en PvdD gezamenlijk hebben gesteld.
De leden van de fracties van CDA en OPNL hebben met grote zorg kennisgenomen van de voorgestelde begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Om deze reden stellen deze leden gezamenlijk enkele vragen die zijn gericht op de uitvoerbaarheid en van de voorgestelde begroting over 2025. De leden van de ChristenUnie sluiten zich aan bij deze vragen.
Vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP en PvdD
1. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP en PvdD maken melding van de volgende passage uit de memorie van toelichting: »We streven ernaar om landen waar de omstandigheden om voedsel te produceren ongunstig zijn, te ondersteunen bij het zelf produceren van duurzaam en hoogwaardig voedsel. Het kabinet komt volgend jaar met een nationale voedselstrategie. Het zal zich ook hard maken voor een Europese voedselstrategie.»2
Deze leden vragen:
(a) hoe dit past binnen de voorgenomen bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en
(b) welke middelen er bij Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) voor worden uitgetrokken om dit mogelijk te maken. Verder
(c) informeren deze leden naar de langdurige strategie van LVVN op het gebied van internationale samenwerking wat betreft de vermelde ondersteuning op voedselproductie.
(d) Welke inzet wil de regering op dit vlak doen richting onze geografische buren in Noord-Afrika en het Midden-Oosten?
(e) Ziet de regering mogelijkheden om grootschalig te ondersteunen bij de wederopbouw van Gaza en de andere Palestijnse gebieden op het vlak van voedselproductie? Gaza is wereldwijd één van de gebieden waar honger als gevolg van de door Israël vernietigde landbouwsector het meest pregnant heerst.
2. Genoemde leden stellen voorts vast dat het kabinet ernaar streeft meer koolstof vast te leggen in het landgebruik daar waar dit haalbaar is. Zij hebben twijfels of en hoe deze ontwikkeling bijdraagt aan het oplossen van de klimaatcrisis en/of wellicht alleen een kortetermijnoplossingen biedt.3 Het lijkt daarbij een makkelijke manier voor zwaar vervuilende bedrijven om hun uitstoot te «compenseren» in plaats van energie in te zetten om de transitie naar een duurzame en volhoudbare landbouw vorm te geven binnen hun eigen bedrijfsprocessen.
Deze leden vragen:
(a) waarom is gekozen voor dit instrument en informeren hoe de effectiviteit van dit instrument wordt gemeten en afgewogen.
(b) Meer specifiek vragen zij hoe de effectiviteit wordt afgezet tegen de inzet van middelen.
(c) Wat bedraagt de prijs per reductie Mton CO2 en hoe verhoudt dit zich tot andere door de overheid gefinancierde reductietechnieken?
(d) Ook horen zij graag welke alternatieven er zijn als dit instrument niet effectief genoeg blijkt,
(e) hoeveel deze techniek bespaart in vergelijk tot effectievere instrumenten en
(f) wat de lange termijn uitkomsten zijn van de inzet van koolstofvastlegging.
3. Nieuwe technologieën en stalconcepten worden ondersteund om emissies te verlagen. Vanaf 2025 worden drie tot zes experimenteerlocaties opgezet voor deze innovatieve landbouwoplossingen.
(a) Genoemde leden vernemen graag of hier al meer over bekend is, wat er kan worden verwacht en welke doelen de regering hiermee wil bereiken.
(b) Ook horen zij graag welke scenario’s er zijn uitgedacht als deze experimenten mislukken.
(c) Hoe weten we zeker dat deze pilots een verstandige investering zijn? Waarom wordt de onderbouwing van deze technieken niet door de producent van betreffende technieken gefinancierd en beperkt de overheid zich niet tot het opzetten van een testkader?
(d) Ten slotte vragen de leden in dit verband hoe de regering gaat zorgdragen voor dierenwelzijn bij de inzet van innovatieve technieken. Zoals in een recent artikel uit de Volkskrant is te lezen zijn robots niet altijd diervriendelijk en soms zelf een gevaar voor het vee.4 Ook de ontwikkeling naar stallen waar varkens 24 uur per dag opgesloten zitten is een bekend voorbeeld van het gegeven dat milieu en dierenwelzijn niet elkaars vriend zijn. Welke eisen stelt de regering aan dierenwelzijn bij de besluitvorming over de inzet van zogenaamde «milieuvriendelijke» concepten, zo vragen deze leden.
4. Genoemde leden vragen of de regering bekend is met eerdergenoemd artikel uit de Volkskrant.5
(a) Zij vragen of het klopt dat de betreffende regeling slechts één techniek honoreert. Als dit het geval is dan vragen zij of de regering bekend is met het gegeven dat België deze techniek onvoldoende bewezen en effectief acht om mee te kunnen tellen in een effectieve stikstofreductie aanpak. Zo ja, dan vragen zij hoe de regering verklaart dat deze techniek in België blijkbaar niet of onvoldoende werkt maar in Nederland wel zou werken.
(b) In het verlengde hiervan vragen zij hoe hoog het subsidiepercentage is dat een boer kan aanvragen en hoe dit percentage en het feit dat er op dit moment maar één bedrijf baat van deze regeling heeft, zich verhoudt tot de staatssteunregels en een gezonde marktwerking waar de overheid niet marktverstorend werkt.
(c) Voorts vragen de leden of het klopt dat een toereikende effectieve werking van deze techniek (te weten: behalen van de genoemde reductie) ook hier zwaar leunt op het management in het bedrijf en dat bijvoorbeeld door langdurig dezelfde borstels te gebruiken de effectieve werking afneemt, zoals in meergenoemd krantenartikel wordt beschreven. Hoe heeft de regering deze negatieve beïnvloeding van de effectiviteit van de techniek meegenomen in de beoordeling van de effectiviteit van de techniek en de keuze tot subsidiering over te gaan, zo vragen deze leden.
(d) Deze leden stellen deze vragen omdat in het verleden boeren zwaar de dupe zijn geworden van de inzet van ondeugdelijke technieken bij vergunningverlening. Zij refereren in dit verband aan het achteraf alsnog verliezen van een vergunning of de opbouw van enorme schulden om zogenaamde schone technieken aan te schaffen die later niet bleken te werken. De Raad van State is herhaaldelijk zeer kritisch geweest over de inzet van «innovatieve» technieken. Welke verantwoordelijkheid richting de boeren neemt de regering voor het geval de «Lely Sphere» alsnog onvoldoende blijkt te werken, zo vragen deze leden. Heeft zij juridische en financiële middelen gereed staan om optredend vergunning- of financieel leed voor betreffende boeren op te vangen? Zo niet, waarom niet? Met de onzekerheden die nu al rond de effectiviteit van de «Lely Sphere» leven, zijn deze leden van mening dat het belangrijk is om een eventuele schade als gevolg van de uitvoering van deze subsidieregeling niet te privatiseren richting individuele boeren maar voor rekening van de overheid moet komen die ondeugdelijke wet- en regelgeving blijft maken. Als er wel juridische en financiële middelen klaar staan voor de boeren willen deze leden graag weten hoe die er uit zien en op welke wijze de boer hiervoor in aanmerking komt.
(e) Ten slotte vragen zij in dit verband of de regering een overzicht van contacten kan geven die er formeel en informeel zijn geweest tussen bewindspersonen en de producent (in de ruimste zin van het woord, dus ook leden van de Raad van commissarissen of oud-medewerkers) van de producent van Lely Sphere. Kan op dezelfde wijze aangeven worden of en hoe contacten met andere producenten, die in aanmerking kwamen voor opname in deze subsidieregeling, verlopen zijn zo vragen deze leden.
5. In de memorie van toelichting staat met betrekking tot een toekomstbestendig voedselsysteem vermeld dat de Ministeries van Defensie en Justitie & Veiligheid en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) samenwerken aan een plan om Nederland voor te bereiden op crises en militaire conflicten.6
(a) Wat wordt er precies bedoeld met deze samenwerking en
(b) wat moet de uitkomst van deze samenwerking zijn, zo vragen deze leden.
6. Daarnaast wordt ter bevordering van een toekomstbestendig voedselsysteem gewerkt aan een nationale eiwitstrategie met aandacht voor plantaardige en dierlijke eiwitten.7
(a) Deze leden vragen waarom er een noodzaak is voor een eiwitstrategie van dierlijke eiwitten. De memorie van toelichting noemt de onmisbaarheid van de beschikbaarheid van dierlijke eiwitten.8 De gemiddelde Nederlander eet echter veel te veel dierlijke eiwitten. Deze leden vragen of de regering werk gaat maken van een vermindering van de inname van dierlijke eiwitten als onderdeel van deze strategie.
(b) Zij vragen of de regering bekend is met het feit dat in India honderden miljoenen mensen gezond leven op een volledig vegetarisch en vaak veganistisch dieet. Graag horen deze leden van de regering wat de term «onmisbaar» in dit verband betekent.
(c) Ten slotte vragen zij met betrekking tot dit onderwerp of de regering kan ingaan op de baten van een transitie van dierlijke eiwitten naar plantaardige eiwitten en welke acties de regering komend jaar op dit vlak gaat ondernemen.
7. Het kabinet heeft besloten de middelen voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) af te schaffen en te vervangen voor 5 miljard en 500 miljoen voor uitkoop, innovatie en agrarisch natuurbeheer.
(a) De leden vragen hoe de regering deze bezuiniging rechtvaardigt in de richting van agrariërs, natuurorganisaties en andere partijen die voor hun toekomstplannen rekenden op structurele ondersteuning vanuit het NPLG. Welk alternatief biedt de regering op de middellange termijn aan deze bedrijven/partijen, in de periode dat de koplopergelden opgemaakt zijn en welke projecten komen stil te liggen, zo vragen deze leden.
(b) Ook horen zij graag welke concrete gevolgen dit heeft voor de beoogde milieudoelen en het herstel van de natuur en
(c) welke gevolgen dit heeft voor jonge en duurzame boeren, die van het NPLG afhankelijk waren voor het realiseren van extensieve en toekomst vaste transitie van het bedrijf van hun ouders.
8. Het kabinet heeft de afgelopen jaar het basisrapport over zweefvliegen gepubliceerd.9
Zweefvliegen zijn, naast prachtige wezens met een bijna buitenaarde schoonheid, niet alleen een goede indicator species om te zien hoe het met de ontwikkeling van het lokale milieu gaat, ze spelen ook een belangrijke rol in de natuur, aldus deze leden.
(a) In genoemd rapport worden vier oorzaken genoemd voor de negatieve ontwikkeling in soorten.10 Deze leden vragen of de regering per hoofdoorzaak kan aangeven wat zij komend jaar en daarnaast de lopende kabinetsperiode gaat doen om de achteruitgang te stuiten.
(b) Verder vragen zij of de regering juridisch kan duiden welke verantwoordelijkheid de Nederlandse staat heeft in het beschermen van deze soorten.
(c) Ook vragen zij juridisch te reflecteren op het gegeven dat dertig soorten zijn verdwenen in de afgelopen decennia en dat twintig soorten ernstig bedreigd worden. In hoeverre had Nederland voor deze soorten de verantwoordelijkheid om de soort in stand te houden?
9. Voor genoemde leden is het behoud van jonge en duurzame boeren prioriteit in de stikstofaanpak. Eén van de redenen is de kosten-efficiëntie vanuit maatschappelijk perspectief. De vijf miljard die het kabinet gaat investeren betreft bijna 600 euro per huishouden en bijna 300 euro per persoon. Het is voor deze leden glashelder dat er in Nederland op termijn geen steun is voor intensieve, grootschalige bedrijven, waarbij de «boer» meerdere locaties heeft, waar vooral migranten voor lage lonen werken en efficiëntie (en niet dierenwelzijn, arbeiderswelzijn, of duurzaamheid) de kern van het management is. De maatschappelijke kosten van een dergelijke bedrijfsvorm zijn te hoog en het niveau van overlast en misstanden ook. Het kabinet laat de zaken op zijn beloop met als gevolg dat er op dit moment massaal bedrijven stoppen die wel voldoen aan het beeld van een toekomstbestendige boer, te weten: maatschappelijk ingebed en daardoor werkend met een toekomstbestendig bedrijfsmodel in het licht van de klimaat en biodiversiteitscrisis.
(a) De leden vragen welke acties de regering komend jaar gaat ondernemen om de jonge boeren te behouden voor ons land.
(b) Ook horen zij graag welke acties de regering komend jaar gaat ondernemen om faillissementen en bedrijfsbeëindiging van duurzaam werkende, extensieve boeren te voorkomen.
(c) Het kabinet heeft aangekondigd dat zij begin 2025 zal komen met een aanpak gericht op jonge boeren.11 Graag horen de leden van de regering waar zij deze aanpak kunnen terugvinden.
10. In de memorie van toelichting staat vermeld: «Het kabinet heeft de ambitie voedselverspilling tegen te gaan, hetzij door misoogsten of verliezen in de keten, hetzij door consumptiegewoonten. De impact van externe effecten zoals ziekten, plagen, weer en klimaat op de voedselopbrengst kan onder andere worden verlaagd door de ontwikkeling van veerkrachtige gewassen en robuuste akkers».12
(a) Deze leden vragen wat robuuste akkers en veerkrachtige gewassen specifiek inhouden en informeren of hier wordt geduid op kringlooplandbouw.
(b) Verder vragen zij hoe de regering van plan is de voedselverkopers en voedselproducenten aan te sporen op een minder verspillende manier te werk te gaan.
11. Agrarisch natuurbeheer is tot op heden helaas nog zelden een inhoudelijk succesvol middel geweest om de achteruitgang van de natuur te stoppen. Er zijn zwaardere beheersmaatregelen nodig in de aanpak om tot daadwerkelijk omkering van de negatieve trends te komen, aldus genoemde leden.
(a) Zij vragen of de regering een voorbeeld kan geven van een succesvol project in de sfeer van agrarisch natuurbeheer.
(b) Zo ja, dan vragen zij of de uitgetrokken middelen toereikend zijn om dat succes te reproduceren.
(c) Als de vraag ontkennend wordt beantwoord horen zij graag waarom er op deze maatregel wordt ingezet en
(d) of er andere maatregelen zijn overwogen.
(e) Als er andere maatregelen zijn overwogen willen deze leden graag weten om welke maatregelen het gaat en
(f) verzoeken zij de regering met een appreciatie te komen van deze maatregel(en).
Vragen en opmerkingen van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP, PvdD en OPNL
1. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP, PvdD en OPNL informeren hoe de regering aankijkt tegen de rol van onafhankelijke toezichthoudende instanties, en de «governance» van de relatie tussen beleidsmakers en toezichthouders.
2. Ook horen zij graag welke maatregelen de regering voor ogen heeft om de relatief lage nalevingsbereidheid in verschillende landbouw- en visserij-relateerde sectoren (zoals visserij, mest, gewasbeschermingsgebruik) te adresseren.
3. Verder vragen zij welke consequenties de rijks brede bezuinigingen op de uitvoeringscapaciteit van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben.
4. In het verlengde hiervan informeren zij op welke wijze de regering de uitvoeringscapaciteit van de NWVA wil waarborgen op de korte en middellange termijn.
5. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de wijziging Wet dieren in verband met verplicht cameratoezicht slachthuizen en verzamelcentra, zo vragen genoemde leden.
6. Als de sector de leiding neemt in het ontwikkelen van de combinatie van cameratoezicht en artificiële Intelligentie (AI) in slachthuizen, loopt de overheid het risico dat hiermee de sector bepaalt wat het gewenste niveau en de reikwijdte van dierenwelzijn is. Zij vragen op welke wijze de regering deze mogelijke ongewenste consequentie van het door de sector laten ontwikkelen van deze technologische toepassingen wil adresseren.
7. De leden vragen voorts of de regering voornemens is de koppeling van gegevens tussen de Divisie Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en andere handhavende instanties verder vorm te geven om effectieve aanpak van fraude op het terrein van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te kunnen garanderen.
8. Ten slotte vragen genoemde leden of de regering bereid is te onderzoeken hoe de hoogte van de uiteindelijk opgelegde sancties bij fraude meer in verhouding kan worden gebracht met de opbrengst van de frauduleuze praktijken om zodoende gedragsverandering teweeg te brengen.
Vragen en opmerkingen van de fracties van het CDA en OPNL
De leden van de fracties van het CDA en OPNL hebben de volgende vragen en opmerkingen.
Schrappen Transitiefonds en uitvoeringscapaciteit + visie PBL
Genoemde leden constateren dat de regering het Transitiefonds landelijk gebied heeft geschrapt.13 Tegelijkertijd zien deze leden dat de doelen voor onder andere landbouwverduurzaming en natuurherstel overeind blijven staan. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schrijft hierover dat er binnen N2000-gebieden minder herstel te verwachten is van natuur die momenteel in een ongunstige staat van instandhouding verkeerd.14 Voor natuuruitbreiding, gebiedsgericht beleid en actief grondbeleid zouden volgens het PBL immers minder middelen beschikbaar zijn. Deze leden vragen of de regering hierop kan reflecteren en of zij kan aangeven op welke manier zij met de voorgestelde middelen de uitvoering vorm gaat geven om de instandhoudingsdoelstellingen te gaan bereiken. In hoeverre heeft de regering er vertrouwen in dat de huidig voorgestelde middelen voldoende zijn?
Genoemde leden lezen in de reflectie van het PBL op het Hoofdlijnenakkoord dat de uitvoeringscapaciteit in de afgelopen jaren de «bottleneck» was om de gestelde ambities te verwezenlijken. Het PBL ziet daarin een belang om te investeren in voldoende uitvoeringscapaciteit om de middelen effectief en doelmatig te besteden. Deze leden vragen aan de regering om te reflecteren op deze stelling van het PBL. Ook vragen zij of de regering kan aangeven hoe zij wil zorgen voor voldoende uitvoeringscapaciteit.
Deze leden lezen in de PBL-reactie bovendien dat het de vraag is of er substantiële veranderingen in de beleidsuitvoering zullen komen als er niet substantieel wordt geïnvesteerd in de uitvoeringscapaciteit. Kan de regering reflecteren op deze stelling van het PBL, in relatie tot het schrappen van het Transitiefonds landelijk gebied?
Schrappen Nationaal Programma Landelijk Gebied
Deze leden constateren dat provinciale bestuurders onder het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPG) op gebiedsniveau uitwerkingen en gebiedsprogramma’s hebben opgesteld en ingediend. Tegelijkertijd constateren zij dat de regering het NPLG heeft geschrapt. De doelen die ten grondslag lagen aan het NPLG blijven echter overeind. Zij vragen de regering of deze constatering juist is.
Genoemde leden vragen in hoeverre nog geld beschikbaar is voor de landbouw-verduurzaming door provincies en agrarische ondernemers in de regio, gezien het schrappen van het NPLG en de daarbij behorende investeringen. Heeft de regering het voornemen voor het aanbieden van alternatieven?
Kan de regering voorts uitleggen hoe zij de doelen van het NPLG wil gaan uitvoeren zonder het nationale omgevingsprogramma te behouden? Kan de regering ingaan op welke manier ze in de uitvoering gaat samenwerken met bestuurders van medeoverheden? In hoeverre krijgen deze bestuurders, zoals gedeputeerde staten, ruimte om maatwerk te leveren binnen de gestelde Rijkskaders?
Agrarisch natuurbeheer
Deze leden lezen dat de regering voorstelt om 500 miljoen euro structureel te reserveren voor agrarisch natuurbeheer.15 Zij lezen dat deze middelen pas vanaf 2026 als zodanig zijn begroot en dat er in 2025 veertig miljoen beschikbaar is voor de start van de uitvoering. Zijn deze constateringen juist, zo vragen deze leden. Op welke manier is de regering van plan de middelen over 2025 te gaan uitgeven in de uitvoering en welke rol krijgen provinciale bestuurders hierbij in de uitvoering en welke ruimte krijgen zij om maatwerk te leveren binnen de Rijkskaders?
Uitspraak Raad van State in relatie tot schrappen fonds en NPLG
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State de vergunningsruimte voor projecten met mogelijke gevolgen voor N2000-gebieden met terugwerkende kracht heeft beperkt.16 Kan de regering reflecteren hoe deze uitspraak van 18 december jl. de uitvoering van de voorgestelde begroting gaat beïnvloeden en kan zij daarbij aangeven wat het schrappen van het Transitiefonds landelijk gebied en het NPLG voor gevolgen hebben voor de uitvoering van de doelen uit de begroting?
Maatwerk: zaakbegeleiders, piekbelasters, PAS-melders en gerichte beëindiging
Deze leden lezen dat de regering wil inzetten op maatwerk en persoonlijke begeleiding bij de aanpak piekbelasters en PAS-melders.17 Zij vragen of deze constatering juist is. Voorts constateren zij dat in 2024 nog 24,5 miljoen euro beschikbaar was voor de uitvoeringscapaciteit bij de aanpak piekbelasters en dat de regering nu voorstelt in 2025 13,7 miljoen euro beschikbaar te stellen voor dit doel.18
Deze leden vragen welke gevolgen dit heeft voor de uitvoerbaarheid van de gestelde doelen in de aanpak piekbelasters. Wat zijn de gevolgen hiervan voor de deelnemende agrarische ondernemingen, zaakbegeleiders en medeoverheden in de Peel en de Gelderse Vallei? In hoeverre is er voldoende uitvoeringscapaciteit beschikbaar om deze maatwerkaanpak en pilots ondernemingsplan aldaar te continueren? Wat zijn bovendien de gevolgen voor ondernemers die vallen onder het legalisatieprogramma PAS-melders?
Deze leden constateren verder dat er in 2024 185,3 miljoen euro beschikbaar was voor de Maatregel gerichte beëindiging (MGB) en dat er in 2025 110,4 miljoen euro beschikbaar is.19 Zij vragen of deze constatering juist is. Kan de regering aangeven wat het verschil in deze begroting voor gevolgen zal hebben voor het leveren van maatwerk in de uitvoering van de Maatregel gerichte beëindiging? Wat zijn de gevolgen voor provinciale bestuurders en deelnemende agrarische ondernemingen?
Aanpassing AERIUS Calculator
Deze leden lezen in het Hoofdlijnenakkoord dat de regering wil onderzoeken hoe de AERIUS Calculator kan worden vervangen en zien in de voorgestelde begroting een bedrag van 8,1 miljoen euro beschikbaar voor beheer, ontwikkeling, advies en actualisatie van dit rekeninstrument.20
De leden constateren verder dat uit TNO-onderzoek uit 2024 is gebleken dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is gevonden voor een ondergrens van stikstofdepositie. Er zijn vanuit de modeltheorie, de mate van ondersteuning door meetgegevens en de voorspelonzekerheid onvoldoende argumenten gevonden voor een waarde waaronder de berekende stikstofbijdragen ten gevolge van een bron met onvoldoende zekerheid aan die bron toe te schrijven zijn.21 TNO doet aanbevelingen om onder andere gericht veldexperimenten te doen en onderzoek te doen naar het depositieproces, omdat wel aannemelijk wordt geacht dat er een ondergrens bestaat.22
Deze leden vragen of de regering kan aangeven in hoeverre zij dit rapport meeneemt in de uitvoering van de ontwikkeling van de AERIUS Calculator. Kan de regering zeggen welke ruimte zij ziet om de AERIUS Calculator aan te passen of te vervangen in relatie tot het uitvoeren van de instandhoudingsdoelstellingen voor N2000-gebieden?
Deze leden constateren daarbij dat TNO in een verkennend onderzoek in 2022 heeft aangegeven dat de huidige rekenkundige ondergrens van stikstofdepositie van 0,005 mol/ha/ja ruis bevat en daardoor onzekerheid geeft in de toerekening van stikstofdepositie aan een individuele bron. Een hogere rekenkundige ondergrens wordt hierin genoemd als optie. De Minister gaf in de appreciatie van dit rapport aan vast te houden aan de rekenkundige ondergrens van 0,005 mol/ha/ja.
Deze leden hebben over de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport de volgende vragen. Hoe reflecteert de regering op dit rapport in het kader van de huidige uitvoeringsopgaven in de landbouwverduurzaming en natuurherstel? In hoeverre zou een hogere rekenkundige depositieondergrens kunnen bijdragen aan de uitvoering van deze opgaven en ruimte kunnen geven in vergunningverlening? Wat is er volgens de regering voor nodig om een hogere rekenkundige ondergrens in te stellen? Kan de regering aangeven in hoeverre ze dit TNO-onderzoek meeneemt in de uitvoering van de ontwikkeling van de AERIUS Calculator?
Problemen rondom drinkwaterwinning in de regio
Genoemde leden ontvangen signalen dat het belang van drinkwaterwinning en natuurherstel op verschillende plekken in het land tot strijdigheden in de uitvoering leidt. Zo is bekend dat de uitbreiding van drinkwaterwinning bij de Regte Heide is aangevochten bij de rechter wegens mogelijke nadelige gevolgen voor de beschermde natuur. Ook projecten zoals het Wierdense Veld in Overijssel lopen in de uitvoering vast, doordat er geen duidelijkheid is hoe drinkwaterwinning en natuurherstel (project voor natte heidegebied) samen kunnen gaan, of op een correcte wijze kunnen worden afgewogen. Het gebrek aan duidelijk beleid op het gebied van natuurherstel (en stikstof) zou volgens provinciale bestuurders, waterschapsbestuurders en drinkwaterbedrijven ervoor zorgen dat de essentiële uitbreiding van drinkwaterwinning in gevaar komt.
In hoeverre herkent de regering zich in deze signalen en hoe reflecteert zij hierop? Hoeveel maatwerkruimte krijgen provinciale bestuurders in de uitvoering om deze problemen weg te nemen? In hoeverre biedt de voorgestelde begroting volgens de regering voldoende middelen om de problemen in de uitvoering weg te nemen, zo vragen deze leden
Vrees voor koude sanering
Deze leden constateren ten slotte dat instanties vrezen voor een koude sanering van de veestapel bij ongewijzigd beleid. Dit wordt nog versterkt door de recente uitspraak van de Raad van State inzake het verbieden van interne saldering met de terugwerkende kracht van vijf jaar.23 In hoeverre heeft de regering er vertrouwen in dat ze met de uitvoering van deze begroting en met deze voorgestelde financiële middelen ervoor kan zorgen dat een generieke korting wordt voorkomen? Indien de regering hierin vertrouwen heeft, kan zij dan aangeven hoe ze daarvoor wil gaan zorgen in de uitvoering?
Vragen en opmerkingen van de fractie van de SP
In de memorie van toelichting staat het volgende vermeld:
«De Nederlandse land- en tuinbouw en visserij zijn zeer sterke en innovatieve sectoren. Zij worden daar wereldwijd om gerespecteerd. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zet zich in voor een toekomst met verdienvermogen voor onze boeren, tuinders en vissers. Dit draagt bij aan een vitaal platteland, waar mensen elkaar kennen, waar sociale verbanden bestaan en waar zij goed kunnen leven. Daarnaast zet het ministerie zich in voor waardering, instandhouding en – waar nodig – herstel van de natuur en de biodiversiteit. De Nederlandse land- en tuinbouw kan niet alleen het platteland versterken en de balans in de natuur helpen herstellen, maar dragen zo ook bij aan andere duurzame oplossingen op tal van maatschappelijke terreinen.
Beleid moet werkbaar zijn op het erf, de kotter en in het landelijk gebied. Om voeling te houden met wat in de praktijk werkt en voor het versterken van het onderlinge vertrouwen, is samenwerking en overleg met medeoverheden, uitvoeringsorganisaties, sectorpartijen, gebiedspartners en de boeren, tuinders en vissers zelf vereist. LVVN zet daarom de komende jaren op al deze niveaus het gesprek voort voor een goede samenwerking.»24
De leden van de fractie van de SP hebben enkele vragen over deze passage uit de memorie van toelichting. In de eerste plaats vragen zij hoe het kan dat zeer sterke en innovatieve sectoren zoals de Nederlandse land- en tuinbouw en visserij zo slecht hebben ingespeeld op de kwaliteit van de leefomgeving en het klimaat. Verder vragen zie wie of wat wordt bedoeld met waardering en instandhouding en welke factoren bepalen of het herstel van de natuur en de biodiversiteit nodig is. Ook horen zij graag op welke significante wijze en op welke termijn de Nederlandse land- en tuinbouw gaat bijdragen aan het in balans brengen van de natuur en welke gevolgen het werkbaar houden van het beleid heeft op het beleid in het landelijk gebied.
Internationaal
Verder staat in de memorie van toelichting dat het kabinet «wil dat Nederland, als vooraanstaand en beeldbepalend landbouwland, in die wereld en in deze wereldomspannende voedselsystemen zijn voortrekkersrol blijft spelen. We streven ernaar om landen waar de omstandigheden om voedsel te produceren ongunstig zijn, te ondersteunen bij het zelf produceren van duurzaam en hoogwaardig voedsel. Het kabinet komt volgend jaar met een integrale nationale voedselstrategie. Het zal zich ook hard maken voor een Europese voedselstrategie.»25
In verband met deze passage hebben de leden van de SP, aanvullend op de vragen die zij reeds samen met de fracties van GroenLinks-PvdA en de PvdD stelden, de volgende vragen. Op welke wijze gaat dit kabinet landen ondersteunen bij de productie van duurzaam en hoogwaardig voedsel en hoeveel middelen trekt de regering hiervoor uit? Verder vragen zij of de regering bereid is om in het kader van de integrale nationale voedselstrategie, te onderzoeken in hoeverre de Nederlandse export van voedsel (mede) verantwoordelijk is voor het falen van de voedselproductie in deze landen. Ook vragen zij of de regering bereid is om in dit verband aanvullende regels te stellen aan de Nederlandse export van voedsel als uit dit onderzoek blijkt dat deze nadelig is voor de lokale voedselproductie.
Hoofdlijnenakkoord
De begroting van het Ministerie van LVVN focust meer dan in voorgaande jaren op voedselzekerheid, de innovatiekracht van de landbouwsector en de toekomst van en waardering voor boeren, vissers en tuinders. De totale begroting bedraagt voor 2025 bijna € 4,7 miljard. Met het hoofdlijnenakkoord is een bedrag van € 40 miljoen toegevoegd aan de LVVN-begroting.26 Deze middelen zijn bestemd voor maatregelen ter verlichting van de mestmarkt (€ 15 miljoen), doelsturing (€ 8 miljoen), natuurmonitoring (€ 8 miljoen), visserij (€ 4,5 miljoen), innovatie (€ 3,5 miljoen) en dierwaardigheid (€ 1 miljoen).
Doelsturing
De leden van de fractie van de SP informeren welke wijziging ten opzichte van het huidige beleid wordt beoogd met het sturen op doelen. Verder vragen zij welke reikwijdte het door de boeren zelf laten bepalen wat nodig is voor de doorontwikkeling van hun bedrijf heeft en of dit ook kan betekenen dat men zelf tot de conclusie dient te komen dat voortzetting niet mogelijk is. Ook vragen zij welke voorwaarden de regering denkt te scheppen als het gaat om een eerlijke beloning van de voedselproductie in Nederland en welke maatregelen de regering gaat nemen om de import van niet duurzaam geproduceerde producten tegen te gaan.
Mestbeleid
De leden van de fractie van de SP informeren welke juridische mogelijkheden er zijn om boeren te compenseren voor de afbouw van de derogatie en vragen of deze ook houdbaar zijn in Europees verband. Welke extra kosten, anders dan het moeten afvoeren van mest, worden er door bedrijven gemaakt bij het afbouwen van de derogatie en op welke wijze verwacht de regering dat de waterkwaliteit achteruit zou gaan door het verdwijnen van de derogatieregeling?
Overige maatregelen rond mest
De derogatievrije zone rondom Natura 2000-gebieden wordt per 1 januari 2025 verkleind van 250 naar 100 meter. Dit betekent dat alleen percelen die voor de helft of meer binnen deze zone liggen, worden uitgesloten van derogatie. De leden van de SP-fractie vragen welke gevolgen deze verkleining van de derogatievrije zone heeft voor de depositie van stikstof in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden en hoeveel bedrijven met deze maatregel onder de derogatie regeling worden gebracht en voor hoelang. Verder horen zij graag welke gevolgen de verhoging van de stikstofcorrectiefactor en het verruimen van de uitrijddatum heeft voor de depositie van stikstof in natuurgebieden en de kwaliteit van het oppervlakte water, welke wetenschappelijke onderbouwing aan deze wijzigingen ten grondslag ligt en welke gevolgen de regering verwacht als het gaat om de afschaffing van de generieke norm van 170 kg stikstof per hectare. Graag ontvangen deze leden een overzicht van de normen per gewas en grondsoort. Daarnaast informeren deze leden hoe het staat met de onderhandelingen in Brussel als het gaat om deze voorstellen (derogatie 2026 en afschaffen 170 kg norm) en op welke termijn zij kunnen verwachten dat kunstmest deels wordt vervangen door bewerkte dierlijke mest, meer in het bijzonder hoe dit ligt in Europa. Ten slotte vragen zij in dit verband welke wetenschappelijke onderbouwing of andere motivatie ten grondslag heeft gelegen aan het aanwijzen van Nederland als kwetsbaar gebied en welke verandering ervoor heeft gezorgd dat Nederland geen kwetsbaar gebied meer is.
Op nationaal niveau worden verlaagde mestproductieplafonds ingevoerd, met als doel een vermindering van de mestproductie met ongeveer 10% ten opzichte van 2020, zo constateren de leden van de SP. Zij vragen of een verlaging van de mestproductie met 10% ten opzichte van 2020 voldoende is om te voldoen aan de geldende natuur- en klimaatdoelen. Als dat niet het geval is dan horen zij graag aan welke aanvullende maatregelen dit kabinet denkt. Welke eisen worden er, naar verwachting, door Europa gesteld aan de vrijwillige beëindigingsregeling en gaat Nederland hieraan voldoen?
Natuur en biodiversiteit op land
De leden van de SP-fractie vragen of er een overzicht bestaat van alle pilots en onderzoeksprogramma’s die, in het kader van stikstof, natuurherstel, biodiversiteit en bodemdaling zijn uitgevoerd na de uitspraak van de Raad van State in 2019. Als dat niet het geval is dan vragen zij of de regering bereid is een dergelijk overzicht, inclusief de behaalde resultaten aan te leveren. Verder vragen zij welke gevolgen bevindingen van de Ecologische Autoriteit kunnen hebben op vast te stellen gebiedsprogramma’s en natuurdoelanalyses.
Landelijk gebied
De leden van de SP-fractie informeren welke argumenten ten grondslag liggen aan het stoppen met het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Waarin verschilt het regionale maatwerk van de Provincies met de regionale aanpak van de rijksoverheid en welke gevolgen gaat het overnemen van de regie rond het agrarisch natuurbeheer door het kabinet hebben voor het agrarisch natuurbeheer en de huidige collectieven?
Dierwaardige veehouderij
De leden van de SP-fractie vragen hoe en door wie bepaald wordt wat dierwaardige producten zijn en welke criteria hieraan ten grondslag liggen. Klopt het dat de regering een dierwaardige veehouderij ondergeschikt maakt aan en afhankelijk maakt van een goede prijs? Ook vragen zij wat de regering gaat doen om de markt voor dierwaardig geproduceerde producten te versterken en wat zij gaat doen om het niet dierwaardig produceren van deze producten te ontmoedigen.
Subsidies
De leden van de SP-fractie vragen welke criteria er gelden als het gaat om vestigingssteun aan jonge landbouwers en op welke wijze hiermee de verduurzaming op landbouwbedrijven wordt bevorderd.
Duurzame veehouderij
De leden van de SP-fractie vragen welke voorwaarden er gelden voor boeren die hun bedrijfsvoering willen beëindigen. Wat gebeurt er met de aanwezige dierenrechten en fosfaatrechten bij het middels subsidies beëindigen van een agrarische onderneming, hoe worden deze rechten ingezet en op welke wijze is toezicht en handhaving geregeld als het gaat om gesubsidieerde brongerichte stal- en management verduurzamingsmaatregelen? Verder informeren zij aan welke criteria brongerichte stal- en management verduurzamingsmaatregelen moeten voldoen en welke garanties aan stoppende boeren wordt gevraagd als het gaat om het voorkomen van hervestiging binnen EU landen en welke regels hiervoor gelden in Europa.
Vragen en opmerkingen van de fractie van de ChristenUnie en OPNL
De leden van de fracties van de ChristenUnie en OPNL stellen vast dat het kabinet de rijksbijdrage aan Staatsbosbeheer in de periode 2025–2029 jaarlijks met 0,5% (structureel 2,5%) wil verlagen. De jaarverslagen van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) laten zien dat deze organisatie structureel verlies lijdt en dat hun taak als beheerder van natuurgebieden in het gedrang komt. Genoemde leden vragen op welke wijze de regering borgt dat de bezuiniging deze overheidsorganisatie niet verder financieel in het nauw brengt.
Over natuur, visserij en gebiedsgericht werken hanteert de memorie van toelichting als algemene doelstelling: «de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) streeft naar een sterke en veerkrachtige natuur, een duurzame en economisch rendabele visserijsector en draagt via gebiedsgericht werken bij aan het versterken van de brede welvaart.»27 Op de vastgestelde departementale begrotingsstaat 2025 staat voor natuur, visserij en gebiedsgericht werken 1,16 miljard gereserveerd. In 2024 bedroeg dit 1,37 miljard. Genoemde leden vragen of de regering kan toelichten wat de vermindering van 200 miljoen heeft veroorzaakt.
Vragen en opmerkingen van de fractie van de PvdD
In mei 2024 heeft de Eerste Kamer een motie aangenomen, waarin de regering wordt verzocht binnen zes maanden met een voorstel te komen waarin de Europese richtlijn, met betrekking tot het verbod op routinematig decouperen bij varkens, zodanig geïmplementeerd zal worden dat deze handhaafbaar is.28
1. De leden van de fractie van de PvdD informeren hoe het staat met de uitvoering van deze motie en stellen vast dat de in de motie genoemde termijn van zes maanden is inmiddels verstreken.
In een schriftelijk overleg heeft de Staatssecretaris van LVVN aangegeven meer ondersteuning te willen bieden aan het nemen van wolfwerende maatregelen, zoals wettelijk verplicht voor houders van dieren via artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren.29
2. De leden van de fractie van de PvdD vragen welke middelen zijn voorzien in de begroting voor deze ondersteuning.
In datzelfde schriftelijk overleg geeft de Staatssecretaris van LVVN aan dat hij een goede en bruikbare definities van een «probleemwolf» wil opstellen en deelt hij een conceptdefinitie.30 Die definitie wil de Staatssecretaris opnemen in een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De leden van de fractie van de PvdD merken op dat dit zou betekenen dat het parlement hierover niet kan meebeslissen, terwijl dit politiek en maatschappelijk een zeer belangrijk thema is, en potentieel een grote impact heeft op het natuurbeleid en haar implementatie en handhaving.
3. Zij vragen waarom ervoor gekozen wordt de hiervoor genoemde definities in een AMvB te regelen en
4. informeren of de regering bereid is zo’n besluit via wetgeving of een voorhangprocedure te nemen, zodat het parlement zeggenschap heeft in deze definities.
De Staatssecretaris refereert verder aan het feit dat Nederland een dichtbevolkt land is en er daarom, volgens zijn oordeel, Nederland op een andere wijze zou moeten omgaan met wolven dan andere, minder dichtbevolkte landen.31 Naar het oordeel van genoemde leden is er in een dichtbevolkt land geen ruimte voor de ruim 700.000 schapen die in Nederland worden gehouden.
5. Zij vragen of de regering kan reflecteren op deze verschillende perspectieven.
De regering wil zich inzetten om lange afstand transporten van dieren te beëindigen.32 Ook tijdens de Landbouw- en Visserijraad van december 2024 heeft Nederland zich hierover uitgesproken.33 Het verslag van deze vergadering liet ook zien dat er sommige lidstaten zorgen uiten over beleid ten aanzien van lange afstand transporten.
6. De leden van de fractie van de PvdD vragen wat de stand van zaken is van het voorstel van de Europese Commissie en
7. informeren wat het standpunt is van de regering ten aanzien van het voorstel.
8. Ook horen zij graag wat de regering specifiek gaat doen om lange afstand transporten van en naar de EU aan banden te leggen.
De regering zet verder in op de ontwikkeling van «groen» gas.34 De leden van de fractie van de PvdD hanteren de termen «bruin gas» en «kadaver gas» voor gas dat wordt geproduceerd met mest of «dierlijke bijproducten».
9. Zij vragen wat het totaalbedrag is dat naar het stimuleren, ontwikkelen of subsidiëren van projecten van «groen» gas in de LVVN-begroting gaat en informeren waar dit precies in de begroting is opgenomen.
10. Wordt «groen» gas ook door andere ministeries ondersteund? Als die vraag positief wordt beantwoord vragen zij waar dit precies in de begrotingen staat.
11. Het gebruik van verschillende grondstoffen en reststoffen valt onder «groen gas», onder meer mest en «dierlijke bijproducten». De leden van de fractie van de PvdD vragen welke categorieën dierlijke bijproducten (van de NVWA) worden gebruikt in «groen gas».
12. Verder vragen zij welke mest van welke diersoorten wordt gebruikt,
13. welke «bijproducten» van welke diersoorten wordt gebruikt,
14. welke lichaamsdelen van welke diersoorten worden hierbij gebruikt en
15. welke consequenties de productie van «groen gas» voor dieren in houderijsystemen heeft. Wat dat laatste betreft noemen deze leden als bijvoorbeeld de consequentie dat dieren vaker en langer in de stal staan voor het opvangen van mest.
16. Zij vragen ook of de regering mestverwerking en verwerking van slachtafval en andere «dierlijke bijproducten» als onderdeel ziet van de «bioeconomie». Hoe ziet de regering de «bioeconomie» en welke soorten producten zouden daar wat haar betreft onder vallen?
17. Ook horen zij graag waar en op welke schaal mest- en kadaververgisting al wordt toegepast in Nederland en omringende landen.
18. Hoe wordt een consument geïnformeerd als hij/zij dit soort bruin of kadaver gas koopt en kan een klant, bijvoorbeeld uit ethische overwegingen, dit gas weigeren?
19. Ten slotte vragen zij in dit verband wat de plannen van de regering zijn op het gebied van Renure.
De regering prioriteert voedselzekerheid.
20. De leden van de fractie van de PvdD vragen hoe de regering de Nederlandse voedselzekerheid wil garanderen als de veehouderij op grote schaal afhankelijk is van de import van veevoer. Dit maakt de sector – en haar klanten – toch enorm kwetsbaar?
21. De regering wil minder afhankelijk worden van importen. Dan wordt het op grote schaal op een intensieve manier houden van dieren toch onmogelijk?
21. Er wordt 1.651 miljoen besteed aan natuur in Caribisch Nederland.
22. De leden van de fractie van de PvdD vragen of dit de totale bijdrage van de rijksoverheid is aan natuurbeheer in Caribisch Nederland. Als dat niet het geval is dan vragen zij waar de overige budgetten op de rijksbegroting zijn.
23. Volgens bijlage 7 bij de memorie van toelichting v werd er in 2024 8.046 miljoen besteed en in 2025 nog maar 1.651 miljoen.35 De leden van de fractie van de PvdD vragen waarom dit budget substantieel is verlaagd.
24. Vanaf 2026 is verdere substantiële afname van het budget voorzien. Waarom is gekozen voor deze verdere afbouw van dit budget?
25. Ook horen deze leden graag of deze bedragen voldoende zijn voor ondersteuning van natuurbeheer in dit gebied met bijzondere biodiversiteit.
26. Zij vragen hoe dit budget precies wordt besteed.
27. Er wordt in bijlage 7 van de memorie van toelichting ook gesproken over de «versterking van de voedselveiligheid».36 Welke activiteiten worden hiermee bedoeld?
Bijlage 10 bij de memorie van toelichting geeft inzicht in Europese geldstromen (ELGF: 4.2 mld (Europees landbouwgarantiefonds); ELFPO: 1.4 mld (plattelandsontwikkeling); EMFAF: 139 mln (oceans and fisheries).37
28. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe deze budgetten precies worden besteed en waar dit overzicht kan worden gevonden.
29. Hoe hoog is de nationale co-financiering en waar op de begroting kan deze worden gevonden en
30. hoe is de verdeling tussen Rijk en provincies hierin? Er wordt verwezen naar het jaarverslag van LVVN, maar de leden van de fractie van de PvdD zouden deze informatie graag ook hier teruglezen.
31. De basisinkomenssteun onder het ELGF wordt afgebouwd. Genoemde leden vragen of dit betekent dat deze tot 0 wordt afgebouwd en informeren hoe ver deze basissteun in 2025 is afgebouwd, in het licht van de geleidelijke afbouw in de periode 2023–2027. Ook horen zij graag hoeveel budget er in totaal wordt overgeheveld naar de tweede pijler in deze periode en hoeveel er nog over blijft voor basisinkomenssteun, zowel EU-breed als voor Nederland.
32. Ten slotte vragen zij in dit verband wat het bijenprogramma doet.
Overige punten
De leden van de fractie van de PvdD hebben nog enkele overige vragen.
33. In de eerste plaats vragen zij wat de plannen van de regering zijn inzake dierwaardige veehouderij.
34. Verder informeren zij naar de stand van zaken van het kabinetsbeleid ten aanzien van stikstof.
35. Wat betekenen de bezuinigingen (verlaging subsidiebudgetten Lbv en Lbv-plus regelingen met 1.9%; dierwaardige veehouderij verlaging 0.1 mln; landschapselementen 1 mln. verlagen, etc.) voor de doeltreffendheid van het beleid en het bereiken van gestelde doelen, zo vragen genoemde leden.
36. Hoe wil de regering de klimaatdoelen van de landbouwsector realiseren, met name maatregelen om methaan uitstoot te reduceren?
37. De Europese Commissie heeft Nederland geadviseerd om meer maatregelen te nemen op het gebied van duurzame landbouw. Zij vragen hoe de regering invulling gaat geven aan dit advies.
38. Zet het kabinet overheidsgelden in om in het buitenland intensieve veehouderij, en/of producten van de Nederlandse intensieve veehouderij, te stimuleren of ondersteunen? Zo ja, waar zijn deze budgetten opgenomen op de Rijksbegroting? Alleen bij LVVN of ook bij bijvoorbeeld Buitenlandse Zaken? Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdD een overzicht van de betreffende budgetten.
39. Verder vragen de leden van de fractie van de PvdD hoe de regering zich inzet voor dierenwelzijn in de visserij en de «productie» van schaal- en schelpdieren. Wordt er gewerkt aan het «meer humaan» doden van vissen? Zo ja, hoe en zo nee, waarom niet?
40. Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdD op welke punten de regering EU-regels op het gebied van biotechnologie wil wijzigen, met welk doel en op welke wijze.
41. Ten slotte vernemen zij graag welke maatregelen, werkzaamheden en activiteiten worden gefinancierd met de subsidie voor natuurbeheer in de Kroondomeinen.
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag en ontvangt deze graag uiterlijk vrijdag 31 januari 2025, 10:00 uur.
De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Oplaat
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer
Samenstelling:
Oplaat (BBB) (voorzitter), Kemperman (BBB), Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Kluit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Meijer (VVD), Van de Linden (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Van Kesteren (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Koolstofvastlegging | Atlas Natuurlijk Kapitaal; Soil carbon sequestration to mitigate climate change - ScienceDirect.
Volkskrant d.d. 4 januari 2025 «Het kabinet zet vol in op de stikstofbelofte van één bedrijf: «Bent u melkveehouder? Investeer in een Lely Sphere»».
REFLECTIE PBL OP HET HOOFDLIJNENAKKOORD 2024–2028. Achtergrondnotitie onderdeel Landbouw en natuur, Juni 2024.
Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, d.d. 13 september 2024, p. 54.
ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac); ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale).
Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, d.d. 13 september 2024, p. 54.
Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XIV, nr. 2 (MvT), p. 45; Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XIV, nr. 2 (MvT), p. 94.
Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, d.d. 13 september 2024, p. 53.
TNO 2024 R11334 15 augustus 2024. Een ondergrens in de berekening van stikstofdepositiebijdragen voor vergunningverlening, p. 4.
TNO 2024 R11334 15 augustus 2024. Een ondergrens in de berekening van stikstofdepositiebijdragen voor vergunningverlening, p. 5.
ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac); ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale).
Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, d.d. 13 september 2024, p. 54.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-XIV-H.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.