Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XII nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XII nr. B |
Vastgesteld 22 november 2024
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 had kennisgenomen van het Jaarplan 2025 van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).2
Naar aanleiding hiervan is op 22 oktober 2024 een brief gestuurd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
De Minister heeft op 20 november 2024 gereageerd, mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (vragen over het toezicht door de Autoriteit woningcorporaties) en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Den Haag, 22 oktober 2024
De vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO) heeft met belangstelling kennisgenomen van het Jaarplan 2025 van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). U hebt dit Jaarplan, mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij brief van 17 september 2024 aan de Kamer aangeboden.3 Het aangeboden stuk is voor de leden van de fractie van de BBB aanleiding om een aantal vragen aan u voor te leggen. Ook de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD en OPNL wensen gezamenlijk een aantal vragen te stellen. De leden van de fractie van de BBB sluiten zich graag aan bij de hiervoor door genoemde leden gestelde gezamenlijke vragen 9, 10, 14, 15, 16, 17 en 24.
Vragen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben het Jaarplan van de ILT met belangstelling gelezen. Het leidt bij hen tot de volgende vragen.
1.
Wie bepaalt het Jaarplan van de ILT en de accenten die daarin worden gelegd?
2.
De ILT-organisatie moet volgens het Jaarplan «wendbaarder» worden en hieraan wordt ook het komende jaar gewerkt. Op deze wijze kan de organisatie sneller inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Wat wordt hiermee precies bedoeld? Op welke wijze wordt hieraan gewerkt? Kan dit worden toegelicht aan de hand van voorbeelden?
3.
Er wordt meer gewerkt met Artificial intelligence (AI). Er is bijvoorbeeld sprake van een risicomodel voor de binnenvaart met behulp van AI. Is de regering zich voldoende bewust van de risico’s van een dergelijke aanpak? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een toelichting.
4.
Op pagina 26 van het Jaarplan staat, in een passage over cybersecurity en fysieke veiligheid, dat als gevolg van het groeiend aantal Europese en Nederlandse wetten het aantal ondertoezichtstaanden is gegroeid van 45 naar 1.850.4 Dat lijkt de leden van de BBB-fractie een zorgelijke ontwikkeling. In welke periode heeft deze stijging plaatsgevonden? Wat houdt «onder toezicht staan» in dit geval precies in? Wat betekent dit voor de ondertoezichtstaanden?
Op dezelfde pagina staat dat de Autoriteit woningcorporaties (Aw), die is ondergebracht bij de ILT, op aanvraag zienswijzen geeft over de geschiktheid van toezichthouders in de corporatiesector. De ILT valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, maar de Aw valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De leden van de BBB-fractie stellen het daarom op prijs als de volgende vragen mede namens laatstgenoemde Minister beantwoord kunnen worden.
De Aw houdt toezicht in het kader van de wetten met betrekking tot de volkshuisvesting. Een van de taken van de Aw is, zo meldt ook het Jaarplan, het beoordelen van het intern toezicht bij woningcorporaties. De Aw toetst hiertoe de geschiktheid en betrouwbaarheid van interne toezichthouders (leden van de Raad van Commissarissen). Steeds vaker blijkt volgens de leden van de BBB-fractie dat bij de invulling van deze taak de Aw niet beschikt over een toereikend wettelijk kader en derhalve uitgaat van eigen handreikingen, waarmee de Aw invulling geeft aan haar eigen interpretatie van wet- en regelgeving. Regelmatig vormt ophef in de media de aanleiding, zo menen de leden van de BBB-fractie. Dit was onder meer het geval bij het eigen vastgoedbezit van interne toezichthouders. Uit het werkveld bereiken de leden van de BBB-fractie regelmatig berichten dat de Aw zichzelf een verregaande en onbegrensde bevoegdheid toeschrijft, die niet gestoeld is op concrete wet- en regelgeving of die de bedoeling van de wetgever niet weerspiegelt. Dit leidt naar het oordeel van deze leden tot inefficiënte inzet van overheidspersoneel en het vertrek van (wellicht) geschikte toezichthouders en bestuurders uit de sector volkshuisvesting. Ook zijn er deze leden gevallen bekend waarin er bij de Aw mogelijk sprake is van politieke sturing bij de beoordeling van interne toezichthouders. Dit lijkt de leden van de BBB-fractie een onwenselijke invulling van de taken van de Aw. Daarom stellen zij de volgende vragen:
5.
Als in het Jaarplan staat dat de Aw op aanvraag zienswijzen geeft over de geschiktheid van toezichthouders in de corporatiesector, is dit dan enkel op aanvraag of is het een wettelijke verplichting? Wie bepaalt de regels op basis waarvan dit wordt beoordeeld?
6.
Hoe beoordeelt de regering het functioneren van de Aw?
7.
Hoe legt de Aw verantwoording af aan de politiek verantwoordelijke ’inister?
8.
Is de regering, gelet op de bovengenoemde en andere signalen, bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het functioneren van de Aw?
Vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD en OPNL
In het Jaarplan 2025 van de ILT worden onder meer prioriteiten aangegeven, zo stellen de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD en OPNL vast:
«Zo werken we verder aan het verbeteren van het stelsel van toezicht, vergunningverlening en handhaving milieu en helpen we de omgevingsdiensten hun werk beter te doen.»5
In de voornemens van de ILT voor volgend jaar wordt de lijn doorgezet om het VTH-stelsel verder te verbeteren in samenwerking met de uitvoerende partijen. In de Begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2025 zijn de structurele extra middelen van 18 miljoen, die waren bedoeld voor het versterkingsprogramma VTH, echter komen te vervallen, evenals de 6 miljoen voor een versterkte aanpak van milieucriminaliteit bij de ILT en de uitvoeringspartijen. Dit leidt bij de leden van de genoemde fracties tot de volgende vragen:
1.
Waarom zijn de extra middelen voor het VTH-stelsel en de aanpak van milieucriminaliteit geschrapt? Wanneer is hiertoe besloten en wat was de concrete aanleiding?
2.
Wat was de aanvankelijke motivatie voor de extra middelen toen hierover werd besloten? En kan worden aangetoond waarom deze argumentatie inmiddels niet meer van toepassing is?
3.
Hoe verhouden deze bezuinigingen zich tot de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen, waarin juist de noodzaak van investeringen in het VTH stelsel wordt bepleit?
4.
Wat is de impact van het verdwijnen van deze middelen op de verwachtingen, taken en uitvoeringspraktijk van de ILT en uitvoerende partijen? Kan daarbij expliciet worden ingegaan op de taken en kennis bij omgevingsdiensten?
5.
Kan worden aangeven welke taken worden geschrapt of, wanneer daar geen sprake van is, welke taken dan tot posterioriteit worden gemaakt?
6.
Zijn er gevolgen van het verdwijnen van deze middelen voor het Jaarplan 2025 van de ILT?
7.
Kan de regering reflecteren op het artikel «Personeelstekort en gebrekkige kwaliteit bij omgevingsdiensten»?6
8.
Welke stappen worden gezet de omgevingsdiensten, als onderdeel van het VTH-stelsel, op niveau te brengen? Kan de regering aangeven of de financiering voldoende is om de taken op niveau uit te voeren?
9.
Welke bijdrage wordt door de ILT geleverd als het gaat om het hebben van voldoende kennis over gevaarlijke stoffen?
10.
In het Jaarplan wordt gesproken over het richten op maatschappelijke risico`s en de scherpe keuzes wat wel en wat niet. Welke risico’s worden niet onderzocht en welke worden niet strafrechtelijk vervolgd? Waar ligt de grens?
De ILT heeft haar Inlichtingen- en Opsporingsdienst (ILT-IOD) versterkt. De ILT-IOD voert onder leiding van het Functioneel Parket (FP) van het openbaar ministerie (OM) strafrechtelijke onderzoeken naar complexe of georganiseerde (inter)nationale milieucriminaliteit uit. De huidige prioriteiten zijn grensoverschrijdende afvalstromen, ernstige bodemvervuiling, zeer zorgwekkende stoffen en fraude bij woningcorporaties. De ILT-IOD werkt nauw samen met zijn partners in het buitenland.
11.
De leden van de genoemde fracties ontvangen graag een overzicht van de verschillende onderzoeken, de resultaten en de strafrechtelijke uitspraken.
De REACH-verordening7 biedt een wettelijk kader voor het gebruik van chemische stoffen om risico’s voor mens en milieu te verlagen. Daarover hebben deze leden de volgende vragen.
12.
Op welke wijze gaat de ILT hierop toezien en handhave, en aan welke sancties wordt hierbij gedacht?
13.
Hoe gaat de ILT handhaven op onwenselijke lozingen en uitstoot van schadelijke stoffen in bodem, water en lucht, en welke consequenties heeft het gebruik van verboden gewasbeschermingsmiddelen op het in de handel brengen van de producten waarop deze middelen zijn gebruikt?
Veel van de controle op het voorkomen van uitstoot concentreert zich op nul uit de pijp. Er zijn echter ook voorbeelden waarbij uitstoot via de poort gaat (de verzadigde koolstoffilters van Chemours die via de poort naar een verbrandingsinstallatie in België gingen om aldaar uitstoot te veroorzaken die in Dordrecht verboden was) of dezelfde stoffen die via de poort op de plank bij winkels de uitstoot via consumentengebruik veroorzaken (via antiaanbakpannen, spray om schoenen en kleding waterdicht te maken enzovoorts).
14.
Welk beleid is in voorbereiding om nul uit de pijp én nul uit de poort te bewerkstelligen?
Tijdens de deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer over waterkwaliteit vertelde de vertegenwoordiger van Vewin over drinkwaterbedrijven die vervuiling uit water filteren (PFAS, medicijnresten en nog veel meer) en die dit vervolgens als reststroom terug op het oppervlaktewater brengen omdat zij niet de oorzaak van de vervuiling zijn en geen taak hebben om de vervuiling blijvend uit het systeem te reinigen.8 Drinkwaterbedrijven zouden de vervuiling veel liever permanent uit het milieu halen, maar kunnen dat niet zonder hulp.
15.
Op welke wijze is verbetering van de waterkwaliteit met behulp van drinkwaterbedrijven die verontreiniging permanent uit water verwijderen komend jaar onderdeel van de prioriteiten en op welke wijze gaat de regering helpen?
De afgegeven lozingsvergunningen aan (industriële) bedrijven zorgen voor een aantasting van (drink)water, schone lucht en een schoon leefmilieu. Provincies vragen al jaren om een afdwingbare revisievergunning om uitstootvergunningen die lang geleden afgegeven zijn te kunnen herzien, tot nu toe tevergeefs.
16.
In hoeverre staat het terugdringen van uitstoot met een afdwingbare revisievergunning op het netvlies bij de ILT en bij de regering?
De ILT houdt toezicht op recycling van elektronische apparaten (Stichting OPEN regelt dit namens haar). Bedrijven moeten 65% inzameling behalen, maar halen amper 45%. Hierdoor worden miljoenen euro`s voor de recycling niet gebruikt, wat in mindering wordt gebracht op de bijdrage die bedrijven moeten doen per verkocht product. Zodoende is er een prijsprikkel om minder te recyclen omdat de kosten voor het bedrijf dan lager worden. De afvalbeheerbijdrage voor bijvoorbeeld warmtepompen is van 9 cent naar 1,5 cent per kilo gegaan.9 Een vergelijkbare verkeerde prikkel bestaat bij niet ingeleverd statiegeld. Dat kan de frisdrankindustrie inzetten om kosten te dekken die zij anders zelf moest betalen.
17.
Welke inzet wordt er gepleegd om dergelijke onwenselijke prikkels, die recycling tegenhouden, te stoppen?
De ILT heeft als doel het toezicht op varend ontgassen te verbeteren. Een van de problemen hierbij is het ontbreken van installaties waar tanks veilig schoongemaakt kunnen worden. De kosten worden bovendien vaak afgewend op de schipper in plaats van op de eigenaar van de lading. Niet alleen bij ontgassen is het een probleem dat de resten van een lading het milieu verontreinigen, ook bij tankwagens is dit een probleem.10 Bij tankwagens wordt er daarnaast nog wel eens onvolledig melding gemaakt van de inhoud van een tank bij de reinigingslocatie, waardoor chemicaliën in het riool of de leefomgeving terechtkomen.
18.
Hoe is het toezicht op de eigenaar van een lading en diens verantwoordelijkheid om deze bij zowel tankwagens als schepen volledig uit een ruim of tank te verwijderen, geregeld?
19.
Op welke wijze gaat de ILT op varend ontgassen toezien (een nieuwe taak) en handhaven, en aan welke sancties wordt hierbij gedacht?
Varend ontgassen vindt voor een deel plaats omdat er telkens andere stoffen in een schip vervoerd worden.
20.
Welke inzet wordt er gepleegd om schepen (en tankwagens) meer dedicated voor één stof in te zetten in plaats van deze telkens te moeten reinigen voor een nieuwe stof?
21.
Welke fysieke controle zal er ingezet worden om te controleren of de vrachttransportinformatie klopt en er wordt voldaan aan de hiervoor geldende regels met betrekking tot de veiligheid?
22.
Welke stappen heeft de ILT genomen als het gaat om de veiligheid op rangeerterreinen. Daarbij merken deze leden op dat ProRail op de vijf rangeerterreinen in het Rijnmondgebied inmiddels maar liefst 34 keer een handhavingsbeschikking heeft gekregen.
Het is de leden van de genoemde fracties ter ore gekomen dat er een massaclaim van agrariërs tegen drinkwaterbedrijven in voorbereiding is vanwege het effect op het grondwaterpeil van drinkwaterwinning en het effect hiervan op de oogst.11
23.
Welk gevaar vormt de massaclaim voor de drinkwaterleveringszekerheid, zowel qua financiële robuustheid van de drinkwaterbedrijven als de implicaties die dit in de toekomst heeft voor drinkwaterwinning?
24.
Welke samenhang is er op dit moment tussen het verlenen van vergunningen voor bedrijven die een grote drinkwatervraag hebben12 en het feit dat de drinkwatervoorziening onder druk staat13?
Gezien de rol van de ILT bij het toezicht op het Bouwbesluit leggen de leden van de genoemde fracties graag een alarmerende casus uit Zwijndrecht voor. In Zwijndrecht staan relatief veel betaalbare (goedkope) huurwoningen. Vele hiervan zijn in slechtere staat dan ─ zo stelt het gemeentebestuur ─ te verantwoorden is als veilig en gezond huis. Nu vraagt de woningcorporatie een uitzondering op het Bouwbesluit bij de renovatie van deze meest betaalbare woningen. In het kort: de goedkoopste woningen mogen wat de corporatie betreft slechter zijn dan het Bouwbesluit eist bij gerenoveerde woningen, de allerarmsten en meest kwetsbaren zouden dan in slechte en ongezonde woningen blijven wonen.
25.
Op welke wijze voorkomt de ILT dat gerenoveerde of nieuwgebouwde woningen niet aan het Bouwbesluit voldoen?
De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Kemperman
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 november 2024
Op 22 oktober 2024 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur & Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO) per brief (kenmerk 175765.01U) vragen gesteld naar aanleiding van het Jaarplan 2025 van de Inspectie Leefomgeving en Transport (bijlage bij Kamerstuk I 2024/25, 36 600 XII, A).
Hierbij ontvangt u de beantwoording mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (vragen over het toezicht door de Autoriteit woningcorporaties) en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener
Deel 1 – vragen gesteld door de leden van de BBB-fractie
Vraag 1
Wie bepaalt het Jaarplan van de ILT en de accenten die daarin worden gelegd?
Antwoord
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft als onafhankelijk toezichthouder van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat eigen verantwoordelijkheid voor het bepalen van de inzet. De werkwijze is risicogericht en informatie-gestuurd, met als doel om schade voor mens en milieu zoveel mogelijk te beperken. Bij het bepalen van de inzet en prioritering wordt er gekeken naar (i) de ILT-brede risicoanalyse (IBRA) die laat zien waar de grootste risico’s binnen het takenpakket zitten, (ii) wettelijke- en verdragsrechtelijke verplichtingen en (iii) maatschappelijke ontwikkelingen. De ILT luistert daarbij naar de reflectie van stakeholders en betrekt mede het perspectief van burgers. De Inspecteur-Generaal van de ILT stelt het Jaarplan vast en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) keurt het Jaarplan goed. Voorafgaand aan de vaststelling vindt er consultatie plaats bij de departementen waarvoor de ILT taken uitvoert.
Vraag 2
De ILT-organisatie moet volgens het Jaarplan «wendbaarder» worden en hieraan wordt ook het komende jaar gewerkt. Op deze wijze kan de organisatie sneller inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Wat wordt hiermee precies bedoeld? Op welke wijze wordt hieraan gewerkt? Kan dit worden toegelicht aan de hand van voorbeelden?
Antwoord
De leefomgeving en het transport zijn continu in beweging. Inspecteurs van de ILT zien vanuit hun rol en functie concreet in de praktijk waar nieuwe ontwikkelingen, kansen en risico’s zich voordoen. Soms is er de behoefte om snel capaciteit vrij te kunnen spelen om ontwikkelingen of risico’s aan te pakken. Een voorbeeld was de snelle opschaling om als ILT mede toezicht te kunnen houden op de sanctiepakketten die vanaf februari 2022 zijn afgekondigd door de Europese Unie vanwege de inval van Oekraïne.
Om de wendbaarheid te vergroten, zorgt de ILT ervoor dat een deel van de medewerkers breed inzetbaar is en werkt zij deels programmatisch zodat er snel gereageerd en bijgestuurd kan worden.
Vraag 3
Er wordt meer gewerkt met Artificial intelligence (AI). Er is bijvoorbeeld sprake van een risicomodel voor de binnenvaart met behulp van AI. Is de regering zich voldoende bewust van de risico’s van een dergelijke aanpak? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een toelichting.
Antwoord
De ILT gebruikt Artificiële Intelligentie (AI) als middel, bijvoorbeeld voor het geautomatiseerd analyseren van gegevens om tot betere selectie van schepen voor inspectie en controles te kunnen komen. Het gebruik is aan voorwaarden gebonden, zoals onder andere is vastgelegd in de AI verordening14. De ILT neemt bijvoorbeeld geen geautomatiseerde besluiten op basis van profilering in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De beslissing om een inspectie uit te voeren mede op basis van de uitkomst van een AI-model wordt altijd met menselijke tussenkomst, op basis van een eigen afweging door ILT-medewerkers, genomen. Er is geen sprake van geautomatiseerde besluitvorming. De ILT werkt samen met enkele andere inspectiediensten, TNO en twee universiteiten aan de zorgvuldige, verantwoorde en betrouwbare doorontwikkeling van AI-inzet voor effectief toezicht in een Innovation Center for Artificial Intelligence (ICAILab).
Vraag 4
Op pagina 26 van het Jaarplan staat, in een passage over cybersecurity en fysieke veiligheid, dat als gevolg van het groeiend aantal Europese en Nederlandse wetten het aantal ondertoezichtstaanden is gegroeid van 45 naar 1.850. Dat lijkt de leden van de BBB-fractie een zorgelijke ontwikkeling. In welke periode heeft deze stijging plaatsgevonden? Wat houdt onder toezicht staan in dit geval precies in?
Wat betekent dit voor de ondertoezichtstaanden?
Antwoord
De stijging van het aantal entiteiten dat onder toezicht van de ILT komt te vallen, is het gevolg van de doorvertaling van de Europese «Network and Information Security» (NIS2) richtlijn naar Nederlandse wetgeving, de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Deze wet zal naar verwachting in 2025 in werking treden en de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) vervangen. Het aantal publieke en private organisaties dat onder de NIS2-richtlijn valt en vanwege de ruimere werkingssfeer van de Cbw onder toezicht komt te staan, wordt veel groter dan nu het geval is onder de Wbni. Onder toezicht staan betekent dat deze bedrijven zich bijvoorbeeld moeten registreren, bepaalde incidenten moeten melden en moeten voldoen aan de in de wetgeving verankerde zorgplicht. De ILT controleert dat voor sectoren die vallen onder het Ministerie van IenW. Daarnaast geeft de Cbw deze instanties ook rechten, zoals de mogelijkheid van ondersteuning door de overheid in geval van een cybercalamiteit.
Vraag 5
Als in het Jaarplan staat dat de Aw op aanvraag zienswijzen geeft over de geschiktheid van toezichthouders in de corporatiesector, is dit dan enkel op aanvraag of is het een wettelijke verplichting? Wie bepaalt de regels op basis waarvan dit wordt beoordeeld?
Antwoord
Er is sprake van een wettelijke verplichting op grond van artikel 25, lid 2 en artikel 30, lid 2 van de Woningwet. Het is de raad van commissarissen van een woningcorporatie die op grond hiervan om de zienswijze verzoekt en hiervoor een aanvraag indient bij de Aw. De regels op basis waarvan de aanvraag wordt beoordeeld, zijn bepaald in de Woningwet en onderliggende regelgeving. Hiervoor verwijs ik bijvoorbeeld naar artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. De discretionaire ruimte die de Aw hierbij heeft, is nader ingevuld via de beleidsregel Aw. Deze beleidsregel is na een beleidstoets door de Minister van VRO door de Aw vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant. Wijzigingen van de beleidsregel worden via eenzelfde weg getoetst en gepubliceerd. De meest actuele versie van de beleidsregel is te vinden op de website van de Aw.
Vraag 6
Hoe beoordeelt de regering het functioneren van de Aw?
Antwoord
Zie het antwoord bij vraag 8.
Vraag 7
Hoe legt de Aw verantwoording af aan de politiek verantwoordelijke Minister?
Antwoord
De bevoegdheden van de Aw zijn door de Minister van VRO aan de inspecteur-generaal van de ILT in mandaat en via volmacht en/of machtiging verleend. De inspecteur-generaal heeft dit op zijn beurt doorgemandateerd aan de directeur, afdelingshoofden en toezichthouders van de Aw. Voor een zekere afstand tussen Minister en Aw is gekozen naar aanleiding van de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties. Zo geeft de Minister geen aanwijzingen met betrekking tot de oordelen bedoeld in artikel 61 lid 3 Woningwet (kort gezegd het toezichtswerk). Wel keurt de Minister het jaarwerkplan van de Aw goed dat door de Aw zelf is vastgesteld (artikel 61 a Woningwet). In het jaarverslag van de ILT is standaard een hoofdstuk gewijd aan de Aw. Dit jaarverslag wordt ook met de Minister van VRO gedeeld.
Vraag 8
Is de regering, gelet op de bovengenoemde en andere signalen, bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het functioneren van de Aw?
Antwoord
De Minister van VRO heeft geen reden om te twijfelen aan het functioneren van de Aw. In 2019 is de Woningwet geëvalueerd en is ook de rol van de Aw onderzocht. Uit deze evaluatie blijkt dat dat de maatregelen in de Woningwet hebben bijgedragen aan het verbeteren van het inzicht in de risico’s in de sector en dat met de oprichting van de Aw de versterking van het toezicht is bereikt.
Tegelijkertijd is in de evaluatie geconstateerd dat het toezicht vaak als te rigide en te veel op regels gebaseerd werd ervaren en daarmee de focus van de toezichthouder te veel lag op de rechtmatigheid. Om deze reden is ingezet op toezicht dat meer gebaseerd is op principes. Daarvoor is ook de Woningwet aangepast per 1 januari 2022. De Woningwet bevat sindsdien meer discretionaire bevoegdheid voor de toezichthouder, die vervolgens beleidsregels heeft opgesteld om de voorspelbaarheid te vergroten. De bedoeling van de wetgever was uitdrukkelijk om de Aw geen lijstjes meer te laten aflopen maar om meer ruimte te creëren in concrete gevallen.
Indien er sprake is van politieke sturing of anderszins optreden van de Aw buiten de wettelijke bevoegdheden, dan staat daar bezwaar en beroep uit de Algemene wet bestuursrecht voor open. Bij een professionele relatie tussen toezichthouder en corporaties hoort dat, als zij het niet eens zijn met een besluit van de Aw, de corporatie gebruik maakt van deze mogelijkheden. De Minister van VRO ziet geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het functioneren van de Aw.
Deel 2 – vragen gesteld door de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD en OPNL (met aansluiting van de leden van de fractie vanBBB bij vragen 9, 10, 14, 15, 16, 17 en 24)
Vragen 1 t/m 6
1.
Waarom zijn de extra middelen voor het VTH-stelsel en de aanpak van milieucriminaliteit geschrapt?
Wanneer is hiertoe besloten en wat was de concrete aanleiding?
2.
Wat was de aanvankelijke motivatie voor de extra middelen toen hierover werd besloten? En kan worden aangetoond waarom deze argumentatie inmiddels niet meer van toepassing is?
3.
Hoe verhouden deze bezuinigingen zich tot de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen, waarin juist de noodzaak van investeringen in het VTH stelsel wordt bepleit?
4.
Wat is de impact van het verdwijnen van deze middelen op de verwachtingen, taken en uitvoeringspraktijk van de ILT en uitvoerende partijen? Kan daarbij expliciet worden ingegaan op de taken en kennis bij omgevingsdiensten?
5.
Kan worden aangeven welke taken worden geschrapt of, wanneer daar geen sprake van is, welke taken dan tot posterioriteit worden gemaakt?
6.
Zijn er gevolgen van het verdwijnen van deze middelen voor het Jaarplan 2025 van de ILT?
Antwoord
In 2021 heeft de commissie Van Aartsen in het rapport «Om de Leefomgeving» geconstateerd dat het VTH-stelsel milieu niet goed functioneert. In reactie hierop is jaarlijks structureel 24 miljoen euro extra ter beschikking gesteld voor de versterking van het VTH-stelsel, waarvan 6 miljoen euro voor de versterking van de ILT. Binnen de ILT is met deze extra middelen de ILT-Inlichtingen en Opsporingsdienst uitgebreid, waarmee de aanpak van milieucriminaliteit is geïntensiveerd.
Deze extra middelen zijn een integraal onderdeel geworden van de ILT-begroting. De middelen zijn dan ook niet geschrapt maar blijvend beschikbaar, zodat de ILT prioriteit kan blijven geven aan de bestrijding van de milieucriminaliteit.
Vraag 7
Kan de regering reflecteren op het artikel «Personeelstekort en gebrekkige kwaliteit bij omgevingsdiensten»?
Antwoord
De regionale omroepen en de NOS hebben onderzoek gedaan naar het functioneren van de omgevingsdiensten. Hierbij concluderen zij dat de omgevingsdiensten te weinig voldoende gekwalificeerd personeel hebben om hun taken goed uit te voeren. Dit zijn ernstige conclusies die bevestigen dat kennis en capaciteit bij omgevingsdiensten een belangrijk aandachtspunt is.
In het VTH-stelsel zijn gemeenten en provincies als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het functioneren van de omgevingsdiensten, waaronder het zorgdragen van voldoende capaciteit en kennis. Recent is het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) afgerond. In het IBP VTH is gewerkt aan het ontwerp van een kennisinfrastructuur voor het VTH-stelsel. Het voorstel hiervoor is inmiddels door alle partijen goedgekeurd en wordt vanaf nu uitgerold met inzet van rijksgelden. Hiermee wordt de kennisbasis van omgevingsdiensten aanzienlijk versterkt.
Daarnaast is in het IBP VTH gewerkt aan een arbeidsmarktcampagne voor het werken bij omgevingsdiensten. Deze arbeidsmarktcampagne is recent uitgebreid met radiospotjes en banners langs de Nederlandse wegen. De campagne loopt nog door tot in 2025.
Vraag 8
Welke stappen worden gezet om de omgevingsdiensten, als onderdeel van het VTH-stelsel, op niveau te brengen? Kan de regering aangeven of de financiering voldoende is om de taken op niveau uit te voeren?
Antwoord
Robuuste en deskundige omgevingsdiensten zijn het fundament onder het VTH-stelsel. Zij moeten de door de bevoegde gezagen aan hen opgedragen taken met gezag en professionaliteit kunnen uitvoeren. Er zijn goede stappen gezet in de richting van robuuste en deskundige omgevingsdiensten zoals het bestuurlijk vaststellen van de robuustheidscriteria, het vaststellen van een financierings-systematiek, het opzetten van een stevige kennisinfrastructuur en de onderlinge visitaties van de omgevingsdiensten.
Alle omgevingsdiensten hebben inmiddels een plan van aanpak ingediend waarin wordt aangegeven hoe zij op 1 april 2026 robuust zijn. Dit proces wordt gemonitord door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarnaast worden de robuustheidscriteria vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Het streven is dat deze op 1 juli 2026 in werking treedt.
Voor de versterking van de VTH taakuitvoering bij de omgevingsdiensten is voor de periode 2022–2024 een subsidie aan Omgevingsdienst NL ter hoogte van circa 6 miljoen euro beschikbaar gesteld. Aan de individuele omgevingsdiensten is via een specifieke uitkering voor 2022–2024 circa 15 miljoen euro beschikbaar gesteld. Er wordt gewerkt aan een volgende subsidie voor Omgevingsdienst NL voor 2025. In deze subsidie zijn de volgende onderwerpen opgenomen:
– versterking van het programmabureau van Omgevingsdienst NL en beheer van implementatie IBP VTH producten;
– financiering van de kennisinfrastructuur;
– versterking van de inzet van de boa capaciteit;
– middelen om de omgevingsdiensten te ondersteunen bij hun aanpak om in 2026 aan de robuustheidscriteria zoals vastgesteld in het IBP te voldoen;
– middelen bestemd voor de omgevingsdiensten voor het aanschaffen van meetapparatuur.
Vraag 9
Welke bijdrage wordt door de ILT geleverd als het gaat om het hebben van voldoende kennis over gevaarlijke stoffen?
Antwoord
In het IBP VTH is een kennisinfrastructuur ontworpen die momenteel wordt ingevoerd. Deze kennisinfrastructuur is primair voor de omgevingsdiensten, maar biedt ook mogelijkheden voor andere diensten om aan te sluiten. Op het terrein van Zeer Zorgwekkende Stoffen en F-gassen doet de ILT ervaring op door aansluiting bij dit kennisnetwerk van omgevingsdiensten.
Kennis over gevaarlijke stoffen, externe veiligheid en indirecte lozingen brengt de ILT ook in bij het geven van adviezen en zienswijzen op aanvragen en ontwerpvergunningen in het kader van de Omgevingswet. Deze ontwerpvergunningen worden door omgevingsdiensten opgesteld en vaak heeft de ILT hierover overleg met omgevingsdiensten, waarin wederzijds kennis en inzichten worden gedeeld.
Op concrete dossiers, zoals Tata-steel en Chemours, werkt de ILT samen met de betrokken omgevingsdienst. Het betreft onder meer het delen van informatie, kennis en het gezamenlijk uitvoeren van inspecties.
Vraag 10
In het Jaarplan wordt gesproken over het richten op maatschappelijke risico’s en de scherpe keuzes wat wel en wat niet. Welke risico’s worden niet onderzocht en welke worden niet strafrechtelijk vervolgd? Waar ligt de grens?
Antwoord
De ILT heeft een breed takenpakket op ruim 160 onderwerpen. Bij het bepalen van de inzet geeft de ILT prioriteit aan onderwerpen met de grootste maatschappelijke risico’s. Naast keuzes over «wat» de inspectie aanpakt, wordt ook afgewogen «hoe» zij dat het beste kan doen: welk instrument of welke interventie is het meest effectief om een bepaald risico aan te pakken?
Ook bij taken met minder prioriteit blijft de ILT de ontwikkelingen in dat werkveld volgen. Dit bestaat onder meer op het op peil houden van kennis over een werkveld, het periodiek uitvoeren van een inspectie en het reageren of inspecteren op basis van signalen en meldingen. Voor alle situaties waarin de ILT daarbij misstanden signaleert, hanteert zij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) voor het bepalen van de passende interventie.
Afhankelijk van de overtreding en de ernst van de gevolgen kan daarbij ook het instrument strafrechtelijke handhaving worden ingezet. Het is aan het openbaar ministerie om te besluiten of er wel of niet strafrechtelijk wordt vervolgd.
Vraag 11
De leden van de genoemde fracties ontvangen graag een overzicht van de verschillende onderzoeken, de resultaten en de strafrechtelijke uitspraken.
Antwoord
De Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) bericht jaarlijks over haar inzet. Belangrijk daarbij is het handhavingsarrangement, waarin de afspraken staan tussen de ILT-IOD en het Functioneel Parket over de inzet van het strafrecht en de afhandeling van opsporingsonderzoeken. In het voor de zomer van 2024 gepubliceerde ILT-IOD Jaarverslag 2023 is toegelicht dat er in 2023 circa twintig strafrechtelijke onderzoeken liepen. Twaalf onderzoeken zijn eind 2023 afgerond en ingeleverd bij het openbaar ministerie (OM). Na afronding van een strafrechtelijk onderzoek door de ILT-IOD wordt een strafzaak verder door het OM afgehandeld. Het delen van gedetailleerdere informatie over de afgeronde onderzoeken is niet mogelijk omdat de informatie over deze onderzoeken onder de Wet Politiegegevens valt. De ILT-IOD is ook betrokken bij omvangrijke strafrechtelijke onderzoeken naar zware milieucriminaliteit waarbij er samenwerking is tussen diensten. Op dit moment voert de ILT-IOD circa 28 (middel)grote onderzoeken uit.
De ILT-IOD levert naast strafzaken ook andere resultaten op, zoals domeinbeelden, het dreigingsbeeld milieucriminaliteit en signalen voor (toezicht)partners in de keten. Verder publiceert de ILT-IOD regelmatig nieuwsberichten, bijvoorbeeld over onderzoeken naar staalproductie15, biociden16, energielabels17, PFAS18, afgedankte elektrische en elektronische apparaten19 en koudemiddelen en broeikasgassen20.
Vraag 12
Op welke wijze gaat de ILT hierop toezien en handhaven, en aan welke sancties wordt hierbij gedacht?
Antwoord
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is samen met inspectiepartners NVWA, NLA en SodM in Nederland verantwoordelijk voor het toezicht op het gebruik van chemische stoffen bij de Nederlandse bedrijven. De ILT zorgt daarbij voor de coördinatie en afstemming met de inspectiepartners, het EU Forum REACH en het Europese Agentschap voor chemische stoffen ECHA.
De ILT controleert de naleving van REACH voor chemische stoffen die toegepast worden door de industrie en professionals, de NVWA doet dit voor consumentenproducten, de NLA voorde naleving bij blootstelling van werknemers en SodM bij de bedrijven in de delfstof- en energiewinning.
De ILT voert haar REACH-taak risico gestuurd uit en werkt daarvoor samen met de bovengenoemde inspectiepartners en met de douane, omgevingsdiensten, experts en het ECHA. Bij het bepalen van haar prioriteit en het selecteren van bedrijven en producten voor een inspectie kijkt de ILT onder meer naar de gevaarlijke stoffen en producten met risico’s voor mens en gezondheid waarvoor extra strenge Europese wettelijke eisen gelden. Daarnaast kan een inspectie starten naar aanleiding van een melding van een inspectiepartner, derden of van het ECHA. In het laatstgenoemde geval kan de aanleiding bijvoorbeeld zijn het ontbreken van vereiste rapporten met onderzoeks- of testgegevens in een REACH-registratiedossier of het intrekken van een registratiedossier.
Indien overtredingen door de ILT worden vastgesteld, bepaalt de ILT een passende interventie aan de hand van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO). Die interventies variëren van een waarschuwing bij lichte overtredingen tot strafrechtelijk en bestuursrechtelijk optreden bij zware overtredingen.
Vraag 13
Hoe gaat de ILT handhaven op onwenselijke lozingen en uitstoot van schadelijke stoffen in bodem, water en lucht, en welke consequenties heeft het gebruik van verboden gewasbeschermingsmiddelen op het in de handel brengen van de producten waarop deze middelen zijn gebruikt?
Antwoord
De ILT handhaaft op onwenselijke lozingen en uitstoot van schadelijke stoffen in bodem, water en lucht indien de daarvoor gestelde wettelijke normen worden overtreden en dit binnen haar wettelijke bevoegdheid valt. Zij doet dit door gebruik te maken van de in vraag 12 beschreven LHSO.
De ILT houdt geen toezicht op de handel en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat doet de NVWA.
Vraag 14
Welk beleid is in voorbereiding om nul uit de pijp én nul uit de poort te bewerkstelligen?
Antwoord
Het kabinet zet in op een Europees verbod op het op de markt brengen van producten met PFAS. Ook als in plaats van een verbod strenge emissie-eisen worden opgelegd aan sommige toepassingen die op dit moment als maatschappelijk onmisbaar worden aangemerkt, zorgt dit voor een sterke vermindering van de productie en emissies van PFAS. De verlaging van de PFAS-productie zal leiden tot een vermindering van de hoeveelheid producten en productieafval die «de poort uitgaan».
Het is belangrijk dat het resterende productieafval op een manier wordt verwerkt waarbij geen emissies van PFAS naar het milieu optreden. Dat vereist speciale verwerking in daarvoor geschikte installaties.
Vraag 15
Op welke wijze is verbetering van de waterkwaliteit met behulp van drinkwaterbedrijven die verontreiniging permanent uit water verwijderen komend jaar onderdeel van de prioriteiten en op welke wijze gaat de regering helpen?
Antwoord
Drinkwaterbedrijven winnen grond- en oppervlaktewater en zuiveren dit tot drinkwater. Het is hun verantwoordelijkheid dat het geleverde drinkwater voldoet aan de gestelde kwaliteitsnormen in de Drinkwaterwet. De ILT blijft hier ook komend jaar aandacht aan schenken.
Drinkwaterbedrijven zijn niet verantwoordelijk voor de verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Afhankelijk van de bron zijn er verschillende autoriteiten verantwoordelijk voor de bescherming (en als gevolg daarvan eventuele verbetering) van de kwaliteit van de bron. In een ILT-signaalrapport over de bescherming van waterkwaliteit eerder dit jaar is een overzicht gegeven van de betrokken autoriteiten21.
Vraag 16
In hoeverre staat het terugdringen van uitstoot met een afdwingbare revisievergunning op het netvlies bij de ILT en bij de regering?
Antwoord
De ILT vindt het als wettelijk adviseur belangrijk dat vergunningen actueel worden gehouden, bij voorkeur aan de hand van een revisievergunning. Provincies als bevoegde gezagen hebben een instrument om een revisievergunning af te dwingen onder de omgevingswet.
Met een revisievergunning voldoet een bedrijf weer aan de nieuwste eisen op het gebied van opslag gevaarlijke stoffen, nieuwe inzichten in risicoberekening, nieuwe afvalregels, nieuwe regels ten aanzien van indirecte lozingen, enzovoort. Een revisievergunningstraject kan soms één of meerdere jaren duren en vraagt veel inzet van betrokken partijen (bevoegd gezag, omgevingsdienst, ILT en bedrijf). Dat kan mede een verklarende factor zijn voor het relatief lage aantal revisievergunningen. Het algemeen afdwingbaar maken van een revisievergunning juicht de ILT in eerste instantie uiteraard toe. Daarbij moet wel oog zijn voor de uitvoerbaarheid ervan bij omgevingsdiensten en de ILT zelf.
Vraag 17
Welke inzet wordt er gepleegd om dergelijke onwenselijke prikkels, die recycling tegenhouden, te stoppen?
Antwoord
Producenten van elektrische en elektronische apparaten (vertegenwoordigd door stichting OPEN) zijn verantwoordelijk voor de organisatie en bekostiging van het inzamelen en recyclen van afval van hun producten en het behalen van de wettelijke doelstellingen. Als dit niet gebeurt kan de ILT handhaven. En dit gebeurt ook in dit geval (in gewicht) van de op de markt gebrachte apparaten, of 85% van het voor recycling beschikbare afgedankte materiaal).
Vraag 18
Hoe is het toezicht op de eigenaar van een lading en diens verantwoordelijkheid om deze bij zowel tankwagens als schepen volledig uit een ruim of tank te verwijderen, geregeld?
Antwoord
De eigenaar van de lading is de verlader. Deze draagt in de binnenvaart, overeenkomstig het Verdrag voor de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI), de zorg en de kosten voor het ontgassen (reiniging) van het schip. De ILT houdt toezicht op het correct ontgassen en kan indien nodig handhavend optreden richting de verlader.
Bij tankwagens zijn er afspraken tussen de ladingeigenaren, de vullers van de tankwagens en de vervoerder/eigenaar van de tankwagens.
Als het gevaarlijke stoffen betreft volgens de Overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) moet de tank kenmerking en etikettering van de specifieke gevaarlijke stof voeren. Deze verplichting geldt ook na lossing, als de tank leeg maar nog ongereinigd is en de gevaarlijke eigenschappen dus nog aanwezig zijn. De ILT controleert als toezichthouder op het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen of er aan de ADR-voorschriften wordt gehouden. In voorkomende gevallen kijkt de ILT in dat kader ook of, na het verwijderen van de kenmerking en etikettering op de tank, alle gevaren daadwerkelijk zijn weggenomen. Ook wordt er opgetreden tegen het rijden met open deksels voor reiniging. Bij open deksels kunnen er namelijk gevaarlijke resten/dampen vrijkomen en is men in overtreding van het ADR.
Vraag 19
Op welke wijze gaat de ILT op varend ontgassen toezien (een nieuwe taak) en handhaven en aan welke sancties wordt hierbij gedacht?
Antwoord
De ILT zag al toe op het in de atmosfeer (varend) ontgassen op grond van reeds bestaande regelgeving uit de Overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (ADN). Nieuw sinds 1 juli 2024 is dat de ILT ook toeziet op het ontgassen van verboden stoffen uit het CDNI. Dit is een uitbreiding van het takenpakket van de ILT.
De ILT houdt hier toezicht op met onder andere snuffelpalen (e-noses) en cameradrones en via meldingen van burgers. De ILT handhaaft het verbod samen met omgevingsdiensten, havenbedrijven, politie en Rijkswaterstaat. Bij geconstateerde overtredingen treedt de ILT bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk op tegen onder andere de verladers met bijvoorbeeld boetes en dwangsommen.
Zo legt de ILT aan verladers bij een eerste overtreding een last onder dwangsom op van € 30.000. Bij de tweede overtreding is de dwangsom € 40.000 en bij de derde en daaropvolgende overtreding € 50.000.
Vraag 20
Varend ontgassen vindt voor een deel plaats omdat er telkens andere stoffen in een schip vervoerd worden. Welke inzet wordt er gepleegd om schepen (en tankwagens) meer dedicated voor één stof in te zetten in plaats van deze telkens te moeten reinigen voor een nieuwe stof?
Antwoord
De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de sector zelf. ILT kan zelf geen inzet plegen om te komen tot meer eenheidstransport door schepen en tankwagens, maar moedigt dit in voorlichting en gesprekken met de sector wel aan. Het is de sector zelf die er steeds vaker voor kiest om op deze manier een ontgassing te voorkomen.
Vraag 21
Welke fysieke controle zal er ingezet worden om te controleren of de vrachttransportinformatie klopt en er wordt voldaan aan de hiervoor geldende regels met betrekking tot de veiligheid?
Antwoord
Per 1 juli 2024 is er sprake van een nieuwe losverklaring in de binnenvaart. De losverklaring vormt voor de verschillende betrokken partijen (inclusief de ILT) het bewijs dat de verplichtingen werden nagekomen en het afval volgens de regels werd afgegeven. Rijkswaterstaat en de havenbedrijven houden, naast de ILT, toezicht op de naleving van het CDNI-verdrag door schippers. De Omgevingsdiensten houden toezicht op de naleving door laad-, los- en overslagbedrijven.
Vraag 22
Welke stappen heeft de ILT genomen als het gaat om de veiligheid op rangeerterreinen. Daarbij merken deze leden op dat ProRail op de vijf rangeerterreinen in het Rijnmondgebied inmiddels maar liefst 34 keer een handhavingsbeschikking heeft gekregen.
Antwoord
Zowel de ILT als de DCMR Milieudienst Rijnmond houden toezicht op de vijf genoemde rangeerterreinen (havenemplacementen) van ProRail.
DCMR houdt toezicht op de naleving van de milieuregels en kan handhaven als de regels worden overtreden. De ILT houdt toezicht op de veilige berijdbaarheid van het spoor, daar vallen rangeerterreinen onder. Recent heeft de ILT naar aanleiding van inspecties op de Havenspoorlijn nog twee waarschuwingsbrieven afgegeven. De ILT spreekt ook met regelmaat de Raad van Bestuur van ProRail over de status en voortgang van verbeteringen op de Havenspoorlijn. Dit najaar wordt er door de ILT een audit uitgevoerd op de door ProRail toegezegde verbeteringen.
Vraag 23
Welk gevaar vormt de massaclaim voor de drinkwaterleveringszekerheid, zowel qua financiële robuustheid van de drinkwaterbedrijven als de implicaties die dit in de toekomst heeft voor drinkwaterwinning?
Antwoord
De impact op de financiële gezondheid en daarmee de lange termijn leveringszekerheid is afhankelijk van de hoogte van de uiteindelijke claim per drinkwaterbedrijf. Op basis van de huidige berichtgeving kan hierover nog geen inschatting worden gemaakt, de claims zijn immers nog niet bekend.
Vraag 24
Welke samenhang is er op dit moment tussen het verlenen van vergunningen voor bedrijven die een grote drinkwatervraag hebben10 en het feit dat de drinkwatervoorziening onder druk staat11?
Antwoord
Provincies staan primair aan de lat voor het verlenen van vergunningen voor de vestiging van bedrijven binnen het voorzieningsgebied van een drinkwaterbedrijf. Provincies dienen bij het verlenen van vergunningen rekening te houden met de zorg- en leveringsplicht voor drinkwater. Indien er onvoldoende drinkwater aanwezig is om aan de (toekomstige) drinkwatervraag te voldoen, krijgen de afnemers van drinkwater (huishoudelijk gebruik) voorrang boven de afnemers van ander water (industrieel gebruik).
De zorg- en leveringsplicht volgend uit de Drinkwaterwet geldt alleen voor huishoudelijk gebruik van drinkwater. Hiertoe worden onder andere huishoudens, ziekenhuizen, bejaardenhuizen, vakantieparken, enzovoorts gerekend.
Drinkwaterbedrijven zijn verplicht om bovengenoemde afnemers van water te voorzien (indien er al een aansluiting is) of om nieuwe afnemers een aanbod te doen voor een aansluiting. Dit geldt niet voor afnemers die het drinkwater inzetten voor industrieel gebruik.
Vraag 25
Op welke wijze voorkomt de ILT dat gerenoveerde of nieuwgebouwde woningen niet aan het Bouwbesluit voldoen?
Antwoord
De ILT heeft geen rol bij de handhaving en het toezicht op het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl, is op 1 januari 2024 in de plaats gekomen van het Bouwbesluit). Het zijn gemeenten die als bevoegd gezag bestuursrechtelijk kunnen optreden als niet wordt voldaan aan het Bbl. Ook tegen woningcorporaties, indien zij de regels overtreden. Indien een gemeente niet handhavend optreedt, dan ligt het tweedelijns toezicht bij de betreffende provincie.
Samenstelling:
Van Wijk (BBB), Kemperman (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Jaspers (BBB), Lievense (BBB), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Klip-Martin (VVD), Meijer (VVD), Kaljouw (VVD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Van Meenen (D66), Aerdts (D66), Van Kesteren (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen. Verordening (EG) Nr. 1272/2008.
Zie Drinkwateragenda 2024–2025: Vandaag actie nodig voor de toekomst van ons drinkwater – Vewin
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-XII-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.