36 600 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2025

G NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET TWEEDE VERSLAG

Ontvangen 27 februari 2025

Inleidende opmerkingen

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het tweede verslag van de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en voor Digitalisering over het wetsvoorstel tot Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2025. We danken de leden voor hun inbreng en gaan graag in op de in het verslag gestelde vragen.

In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het tweede verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording van de vragen in gewone typografie. Daarbij is de volgorde van het verslag aangehouden.

1. Inleiding

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en hebben naar aanleiding daarvan de volgende vragen. De leden verzoeken de regering om de (sub)vragen afzonderlijk te beantwoorden.

De leden van de Volt-fractie hebben in het verslag een aantal vragen gesteld naar aanleiding van de begrotingsstaten BZK 2025 die inmiddels zijn beantwoord, waarvoor zij de regering danken. Over een aantal antwoorden hebben de leden aanvullende vragen.

2. Discriminatie binnen de Rijksoverheid

De leden van de Volt-fractie hebben in het verslag gevraagd hoe en wat er wordt gedaan om discriminatie binnen de rijksoverheid op te lossen. In de beantwoording wordt ingegaan op allerlei plannen die er nog aan komen. Op 4 februari 2025 berichtte vakbond FNV dat op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waaronder ook Rijkswaterstaat valt, de werkvloer onvoldoende veilig is.1 Veel ambtenaren hebben bij FNV aangegeven te maken te krijgen met intimidatie, pesten en discriminatie. De leden zijn van mening dat er meer haast gemaakt moet worden om discriminatie aan te pakken binnen de rijksoverheid. Daarom vragen deze leden wat de regering heeft gedaan naar aanleiding van de berichtgeving van de FNV? De leden hebben ook gevraagd of er specifiek middelen gericht zijn op bepaalde groepen binnen de rijksoverheid die discriminatoir gedrag vertonen. Heeft de regering naar aanleiding van het onderzoek van FNV zicht op wie of welke groep het is die er voor zorgt dat er sprake is van discriminatie bij I&W? Hebben de bewindspersonen van I&W invloed op de ontstane werksituatie bij het Ministerie van I&W? Waarom denkt de regering dat dat wel of niet zo is?

Uit het recente FNV-onderzoek komt naar voren dat een deel van de medewerkers bij IenW, Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport onvoldoende sociale veiligheid ervaren. Uit eerder onderzoek van de FNV bij andere departementen (VWS en JenV) komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Het kabinet is geschrokken van het beeld dat de FNV schetst. Het is onacceptabel als medewerkers zich op hun werk niet veilig voelen. Net als de FNV is het kabinet van mening dat ongewenste omgangsvormen en uitsluiting, laat staan grensoverschrijdend gedrag, niet thuishoren binnen het Rijk. De bevindingen die zijn opgetekend in de FNV-onderzoeken beschouwt dit kabinet als een stimulans om het ingezette beleid met nog meer energie verder te brengen.

Artikel 44 van de Grondwet bepaalt dat ministeries onder leiding staan van een Minister. Deze ministeriële leiding hangt samen met de ministeriële verantwoordelijkheid, zoals vastgelegd in artikel 42, tweede lid van de Grondwet. De vragen die betrekking hebben over het specifieke personeelsbeleid bij het Ministerie van IenW zal ik daarom doorgeleiden naar de Minister van IenW voor beantwoording.

3. Slavernijverleden

De leden van de PvdD-fractie hebben een drietal vragen over het slavernijverleden.

Vraag 1: Kan de regering bevestigen dat de gelden uit het Slavernijfonds besteed dienen te worden aan «kennis en bewustwording, erkenning en herdenken en de doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden»?

Ja.

Vraag 2: De 1,7 miljoen euro waarop de vragen 6 en 7 in de nota naar aanleiding van het verslag betrekking hadden, wordt besteed aan een publiekscampagne die betrekking heeft op discriminatie in het algemeen.

Vraag 2a: Kan de regering bevestigen dat die campagne betrekking heeft op alle vormen van discriminatie en niet specifiek op de doorwerking van het trans-Atlantische slavernijverleden?

Zoals ik in de eerdere beantwoording heb aangegeven, zal de publiekscommunicatie gericht zijn op het vergroten van kennis van burgers over de mogelijkheden om discriminatie te melden, het vergroten van het vertrouwen in de instanties die deze meldingen verwerken, en het wegnemen van eventuele drempels voor het doen van aangifte of melding. Dit heeft betrekking op alle vormen van discriminatie, maar er wordt specifiek rekening gehouden met de meest voorkomende gronden van discriminatie, namelijk herkomst. Ook wordt specifiek rekening gehouden met de verschillende vormen van ervaren discriminatie, zoals alledaags racisme voortkomend uit het slavernijverleden.

Vraag 2b: In de nota naar aanleiding van het verslag lezen de leden: «De publiekscommunicatie zal gericht zijn op het vergroten van kennis van burgers over de mogelijkheden om discriminatie te melden, het vergroten van het vertrouwen in de instanties die deze meldingen verwerken en het wegnemen van eventuele drempels voor het doen van aangifte of melding.»

Strekt dat doel zozeer tot «kennis en bewustwording, erkenning en herdenken en de doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden», dat een beslag op het Slavernijfonds van 1,7 miljoen euro te rechtvaardigen is? Zo ja, op grond van welke argumenten komt de regering tot dat oordeel? Zo nee, is de regering dan bereid om de 1,7 miljoen euro geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren?

Ja, het doel van de publiekscommunicatie draagt bij aan kennis en bewustwording en doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden. In de uitwerking van de publiekscommunicatie zal in het bijzonder aandacht zijn voor de meest voorkomende gronden van discriminatie (zoals herkomst) en voor alledaags racisme voortkomend uit het slavernijverleden. Het is onder meer de bedoeling om te gaan werken met «testimonials» en voorbeeldfiguren vanuit de gemeenschappen.

Vraag 3: Vraag 8 is in de nota naar aanleiding van het verslag niet beantwoord.

Vraag 3a: De leden verzoeken de regering om te bevestigen dat het «investeren in tastbare projecten die direct bijdragen aan de economie en levensstandaard van de bevolking» niet vallen onder de voorwaarden voor subsidie uit het Slavernijfonds.

Deze zijn overigens uitgewerkt in artikel 2 van de Subsidieregeling maatschappelijke initiatieven van 1 juli 2024, waarin is bepaald:

«De Minister kan subsidie verstrekken voor initiatieven in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten behoeve van nazaten van tot slaaf gemaakten, die in navolging van de gemaakte excuses voor het trans-Atlantisch slavernijverleden één of meer van de volgende doelen dienen:

  • a. het verwerven van een beter begrip van de doorwerking van het slavernijverleden en het tegengaan van de gevolgen van de doorwerking van het slavernijverleden in het heden;

  • b. de verwerking van het slavernijverleden;

  • c. het bevorderen van kennis en bewustwording over het slavernijverleden; of

  • d. de erkenning en herdenking van het slavernijverleden.».

Vraag 3b: Als moet worden vastgesteld dat de projecten waarover de Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties sprak tijdens de viering van 70-jarig bestaan van het Statuut niet vallen onder de voorwaarden voor subsidiëring uit het Slavernijfonds, kunt u dan bevestigen dat – anders dan in de speech werd aangegeven – het niet zo is dat «de 66 miljoen euro uit het fonds slavernijverleden mogelijkheden voor de eilanden» biedt voor ondersteuning van de door de Staatssecretaris aangegeven projecten?

Vragen 3a en 3b beantwoord ik in samenhang. De op 1 juli 2024 in de Staatscourant gepubliceerde subsidieregeling heeft als doel de professionalisering en ondersteuning van maatschappelijke initiatieven die met hun projecten bijdragen aan een of meerdere van de in artikel 2 van de in de subsidieregeling genoemde subsidiedoelen – zoals ook gesteld in de vraagstelling. Voorbeelden van zulke projecten, zoals ook expliciet aangegeven in de toelichting van de subsidieregeling (onder artikel 5, onderdelen 2 en 3) en in mijn eerdere beantwoording2, zijn onder andere projecten gericht op economische empowerment van de gemeenschap, bewustwording en educatie over de doorwerking van het slavernijverleden op de mentale en fysieke gezondheid en de ontwikkeling van educatieve programma’s om de veerkracht van de samenleving te vergroten. Hoewel een bijdrage aan de economie en levensstandaard van de lokale bevolking niet voorwaardelijk zijn voor de toekenning van zodanige projectvoorstellen, dragen deze daar naar verwachting wel aan bij.

De leden van de fractie van Volt hebben enkele aanvullende vragen over de consequenties van het amendement van het lid Eerdmans c.s, voor de uitvoering van artikel 14 «Slavernijverleden: fonds en herdenkingscomité».3

De regering geeft in de beantwoording van vragen van de leden van de fractie van de PvdD aan dat «de inzet voor 2025 vanuit het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties waarvoor de genoemde 800.000 euro was gereserveerd (...) binnen de staande organisatie [zal] worden opgevangen zonder een beroep te doen op het slavernijfonds».4 De leden van de fractie van Volt vragen of de regering kan aangeven waar de 800.000 euro vandaan komt. In het verlengde hiervan informeren zij of de regering hier overleg met betrokken partners over heeft gehad en welke consequenties dit heeft binnen het Directoraat-generaal Koninkrijksrelaties.

Met de zinsnede «de inzet voor 2025 vanuit het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties waarvoor de genoemde 800.000 euro was gereserveerd zal binnen de staande organisatie worden opgevangen zonder een beroep te doen op het slavernijfonds» wordt bedoeld dat er geen additionele middelen worden ingezet voor de uitvoering van de betreffende activiteiten. Voor het overige zullen alle uitvoeringskosten ten laste worden gebracht van het beleidsbudget slavernijverleden. De middelen behouden hiermee hun beleidsdoelstelling en de activiteiten zullen ongewijzigd doorgang vinden. Met betrokken partners is er vanzelfsprekend regulier overleg. Zij zijn geïnformeerd dat het amendement geen consequenties heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden ter uitvoering van het slavernijfonds. Dit alles conform de door de Staatssecretaris gedane toezegging tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer.

Mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark


X Noot
1

L. Rietman, Onveilige werksfeer op Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Pesten, intimidatie en vriendjespolitiek onder ambtenaren en leidinggevenden., 4 februari 2025 via https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/fnv-overheid/2025/02/onveilige-werksfeer-op-ministerie-van-infrastructu

X Noot
2

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 VII, E, p. 6 en 7 (antwoord op vraag 8)

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 600 IV, nr. 10

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 IV, D, p. 3 (één na laatste alinea)

Naar boven