Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600-B nr. Z |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600-B nr. Z |
Vastgesteld 16 juni 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Financiën over de uitvoering van de gewijzigde motie-Van der Goot (OPNL) c.s. over corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 29 april 2026.
• De antwoordbrief van 15 juni 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN
Aan de Minister van Financiën
Den Haag, 29 april 2026
De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 4 maart 2026 waarin u, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, reageert op de door de commissie gestelde vragen over de uitvoering van de motie-Van der Goot (OPNL) c.s. inzake het corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds.2 Naar aanleiding van deze reactie heeft het lid van de fractie van OPNL, mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, SGP, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Walenkamp nog enkele nadere vragen.
Motie
In de motie-Van der Goot c.s. is de regering verzocht te onderzoeken hoe te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds gecorrigeerd kunnen worden, bij voorkeur via nacalculatie.3 Deze leden constateren naar aanleiding van uw antwoorden dat er geen afzonderlijk onderzoek wordt gestart, maar dat dit vraagstuk wordt doorgeschoven naar een toekomstige evaluatie van de bbp-systematiek. Deze leden vragen u uiteen te zetten hoe dit zich verhoudt tot het expliciete verzoek in de motie, dat vraagt om een afzonderlijk onderzoek naar correctiemechanismen.
Deze leden vragen u te bevestigen dat tot op heden geen concrete stappen zijn gezet om correctiemechanismen voor te lage inflatieramingen te verkennen en, indien dat het geval is, toe te lichten waarom niet is overgegaan tot een (voor)onderzoek, mede in het licht van de aangenomen motie.
Deze leden merken op dat in uw brief wordt gesteld dat het Rijk de Centraal Cultureel Planbureau (CPB)-cijfers halverwege het jaar niet meer aanpast, omdat deze werkwijze Rijksbreed wordt toegepast en gemeenten hierbij niet anders worden behandeld. Deze leden vragen u of dit in uw ogen een voldoende argumentatie vormt om af te wijken van een nadrukkelijke wens van de Eerste Kamer. Tevens vragen deze leden waarom u niet bereid bent om voorafgaand aan de begroting de Kamer te informeren over de financiële gevolgen van een nacalculatie en of dit alsnog mogelijk is. Daarbij merken deze leden op dat een Rijksbrede, horizontale toepassing iets anders is dan een verticale toepassing, op de financiering van medeoverheden.
Tevens vragen deze leden of varianten zijn verkend die schommelingen beperken. Indien dit niet het geval is, verzoeken deze leden u toe te lichten waarom dergelijke varianten niet zijn verkend.
Effecten lagere ramingen
Deze leden constateren voorts dat de inflatieramingen in de afgelopen jaren herhaaldelijk lager zijn uitgekomen dan de realisatie. Kunt u aangeven wat deze lagere inflatieramingen, zowel jaarlijks als in totaal, voor een nadelig gevolg hebben voor de decentrale overheden? De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) constateert in dit kader dat het mogelijk om miljarden gaat.4 Deze leden lezen graag een reflectie op deze raming.
Deze leden vragen u uiteen te zetten in hoeverre u van oordeel bent dat inflatieramingen die achterblijven bij de werkelijke inflatie niet leiden tot financiële benadeling van gemeenten en daarmee samenhangende beperkingen van hun beleidsvrijheid en autonomie en verzoeken u een direct antwoord te geven op deze concrete vraag.
Deze leden vragen u voorts toe te lichten of u zich ervan bewust bent dat het ontbreken van een directe compensatie voor inflatie binnen de normeringssystematiek, in tijden van opeenvolgende crises, ten koste gaat van lokale voorzieningen.
Incidenteel/structureel
Deze leden vragen u te onderbouwen waarom deze afwijkingen als incidenteel worden gekwalificeerd en niet als aanwijzing voor een structureel risico. Hoe verhoudt zich dit tot de recente praktijk van meerdere opeenvolgende jaren van onderschatting?
Deze leden merken op dat, ondanks de invoering van de bbp-systematiek, de inflatiegevoeligheid van de uitgaven nog steeds afhangt van de CPB-ramingen. Deze leden vragen u of u iets kunt zeggen over de langjarige correctheid van deze ramingen.
Deze leden merken daarbij op dat de afgelopen jaren opeenvolgende economische schokken hebben plaatsgevonden, waaronder de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis, en dat dergelijke ontwikkelingen zich met enige regelmaat lijken voor te doen. Deze leden wijzen er bovendien op dat ook momenteel sprake is van aanhoudende spanningen op de energiemarkten. Deze leden vragen u hoe, gegeven de opeenvolging van economische schokken in de afgelopen jaren, de mate van onzekerheid en volatiliteit in de ramingen weegt bij de beoordeling of sprake is van een incidenteel dan wel structureel risico in de ramingssystematiek. Deze leden vragen u voorts of incidentele compensaties het juiste middel zijn om oplopende tekorten voor structurele basistaken, zoals de jeugdzorg en het in stand houden van lokale voorzieningen, op te lossen.
Weging voor- en nadelen
Deze leden vragen u voorts te reflecteren op de verdeling van risico’s en uiteen te zetten hoe de gevolgen van ramingsafwijkingen in de praktijk neerslaan bij gemeenten en provincies. Deze leden merken in dit verband op dat het hier medeoverheden betreft, die een eigen bestuurlijke positie innemen en niet betrokken zijn bij de besluitvorming binnen het Rijk, terwijl de gehanteerde ramingen wel bepalend zijn voor hun financiële ruimte. Tevens wijzen deze leden erop dat de mogelijkheden om financiële tegenvallers op te vangen per bestuurslaag kunnen verschillen. Waarom acht u het gerechtvaardigd dat dit risico niet (gedeeltelijk) door het Rijk wordt gedragen?
Tot slot vragen deze leden u uiteen te zetten waarom u het risico op financiële benadeling van gemeenten als gevolg van ramingsafwijkingen acceptabeler acht dan de mogelijke nadelen van het invoeren van een (eventueel asymmetrisch vormgegeven) correctiemechanisme. Ten aanzien van nacalculatie vragen deze leden op basis van welke concrete analyses u concludeert dat dit zou leiden tot onwenselijke instabiliteit. Hoe weegt de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) deze «onwenselijke instabiliteit»? Achten zij dit ook onwenselijk? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.
Evaluatie bbp-systematiek
Voorts vragen deze leden op welke termijn de Kamer de eerstvolgende evaluatie van de bbp-systematiek kan verwachten en of u bereid bent de Kamer voorafgaand daaraan te informeren over mogelijke oplossingsrichtingen voor het onderhavige vraagstuk.
De commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief. Een afschrift van deze brief is verzonden naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 juni 2026
Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van de nadere vragen van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de brief over de uitvoering motie-Van der Goot. We danken de leden voor hun inbreng en ik ga graag, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in op de in het verslag gestelde vragen. In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording van de vragen in gewone typografie. Daarbij is de volgorde van het verslag aangehouden.
Inleiding
De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 4 maart 2026 waarin ik, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heb gereageerd op de door de commissie gestelde vragen over de uitvoering van de motie-Van der Goot (OPNL) c.s. inzake het corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds5. Naar aanleiding van deze reactie heeft het lid van de fractie van OPNL, mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, SGP, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Walenkamp nog enkele nadere vragen.
Motie
In de motie-Van der Goot c.s. is de regering verzocht te onderzoeken hoe te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds gecorrigeerd kunnen worden, bij voorkeur via nacalculatie.6 Deze leden constateren naar aanleiding van uw antwoorden dat er geen afzonderlijk onderzoek wordt gestart, maar dat dit vraagstuk wordt doorgeschoven naar een toekomstige evaluatie van de bbp-systematiek.
[1] Deze leden vragen u uiteen te zetten hoe dit zich verhoudt tot het expliciete verzoek in de motie, dat vraagt om een afzonderlijk onderzoek naar correctiemechanismen. Deze leden vragen u te bevestigen dat tot op heden geen concrete stappen zijn gezet om correctiemechanismen voor te lage inflatieramingen te verkennen en, indien dat het geval is, toe te lichten waarom niet is overgegaan tot een (voor)onderzoek, mede in het licht van de aangenomen motie.
De normeringssystematiek kent geen directe compensatie voor inflatie (of andere kostenontwikkelingen), zoals toegelicht in antwoorden op Kamervragen uit september 2024 van het lid Van Nispen (SP)7. De systematiek zorgt ervoor dat het gemeentefonds en provinciefonds meegroeien met de omvang van de economie. Hierdoor houden de inkomsten van gemeenten en provincies op de lange termijn gelijke tred met de economie, waaronder prijsstijgingen en bijvoorbeeld het stijgend aantal inwoners. Het accres (de jaarlijkse ophoging van de fondsen) is bestedingsvrij. Dit betekent dat het aan individuele gemeenten en provincies is hoe het accres wordt ingezet. Voor 2024 volgde de normeringssystematiek de ontwikkeling van de Rijksuitgaven, maar deze schommelden over de tijd. Aangezien de bbp-ontwikkeling navolgbaarder en stabieler is over de tijd, is in 2024 besloten om over te stappen op de bbp-systematiek.
Ik ben voornemens begin 2027 een evaluatie van de normeringssystematiek uit te voeren, waarbij de ervaringen van de jaren sinds de invoering in 2024 kunnen worden betrokken. Dit is conform uw motie. De vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek is op 3 juni jongstleden besproken met de koepels van medeoverheden in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv). Over de vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek wordt u binnenkort schriftelijk geïnformeerd.
Deze leden merken op dat in uw brief wordt gesteld dat het Rijk de Centraal Planbureau (CPB)-cijfers halverwege het jaar niet meer aanpast, omdat deze werkwijze Rijksbreed wordt toegepast en gemeenten hierbij niet anders worden behandeld.
[2] Deze leden vragen u of dit in uw ogen een voldoende argumentatie vormt om af te wijken van een nadrukkelijke wens van de Eerste Kamer.
Het uitgangspunt bij het invoeren van de nieuwe normeringssystematiek was navolgbaarheid en stabiliteit. De huidige werkwijze (het prijspeil van het lopend jaar wordt vastgesteld in het voorjaar van het lopend jaar) wordt Rijksbreed toegepast, dus ook voor de ministeries. Gemeenten en provincies worden hierbij niet anders behandeld. Dit is onafhankelijk van de wijze van normering en deed zich ook voor in de oude systematiek waarbij de ontwikkeling van de Rijksuitgaven werd gevolgd.
Bovendien leidt nacalculatie tot de onwenselijke situatie dat gemeenten en provincies na afloop van een jaar in onzekerheid zitten of ze uiteindelijk terug moeten betalen of meer budget krijgen dan waar ze op hebben gekoerst gedurende het jaar. Dit kan de stabiliteit en voorspelbaarheid van de financiën van medeoverheden ondermijnen.
Zoals bij vraag 1 aangegeven evalueer ik begin 2027 de normeringssystematiek, waarbij de ervaringen van de jaren sinds de invoering in 2024 worden betrokken.
[3] Tevens vragen deze leden waarom u niet bereid bent om voorafgaand aan de begroting de Kamer te informeren over de financiële gevolgen van een nacalculatie en of dit alsnog mogelijk is. Daarbij merken deze leden op dat een Rijksbrede, horizontale toepassing iets anders is dan een verticale toepassing, op de financiering van medeoverheden.
Om de evaluatie recht te doen, is het voorstel om de ervaringen sinds de invoering in 2024 te betrekken bij de evaluatie. Zoals bij vraag 1 aangegeven, is de precieze vormgeving van de evaluatie in afstemming met de koepels in het BOFv van 3 juni jongstleden vastgesteld. Over de vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek wordt u binnenkort schriftelijk geïnformeerd.
[4] Tevens vragen deze leden of varianten zijn verkend die schommelingen beperken. Indien dit niet het geval is, verzoeken deze leden u toe te lichten waarom dergelijke varianten niet zijn verkend.
De huidige financieringssystematiek op basis van het bbp is ingevoerd met het doel een stabiele(re) financiering en meer autonomie voor medeoverheden te bereiken, en daarmee schommelingen te beperken. De gekozen vorm van indexatie levert door de vormgeving op twee componenten de gewenste stabiliteit op. Uitgangspunt is dat de fondsen (gemeente- en provinciefonds) meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bruto binnenlands product volgen. De indexatie wordt gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt. De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar.8
Ten opzichte van de normeringssystematiek die voor 2024 werd gebruikt, de «trap op trap af» systematiek, waarbij gemeenten en provincies meebewogen met de uitgavenontwikkeling van het Rijk, is de huidige systematiek meer stabiel. Bij de «trap op trap af» systematiek waren de ontwikkelingen van het gemeente- en provinciefonds afhankelijk van besluitvorming over en realisatie van de Rijksuitgaven. Bovendien verschilde het per kabinet welke uitgaven onder de «trap op trap af» systematiek vielen. Het accres was dan ook minder stabiel en minder navolgbaar voor gemeenten en provincies dan met de huidige bbp-systematiek.
De evaluatie, zoals bij vraag 1 aangegeven, heeft voornamelijk als doel om de huidige systematiek te toetsen, waarbij de ervaringen van de jaren sinds de invoering in 2024 kunnen worden betrokken.
Effecten lagere ramingen
Deze leden constateren voorts dat de inflatieramingen in de afgelopen jaren herhaaldelijk lager zijn uitgekomen dan de realisatie.
[5] Kunt u aangeven wat deze lagere inflatieramingen, zowel jaarlijks als in totaal, voor een nadelig gevolg hebben voor de decentrale overheden? De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) constateert in dit kader dat het mogelijk om miljarden gaat.9
Uw vraag is betrokken bij de bespreking over de opzet van de evaluatie in het BOFv van 3 juni jongstleden. Over de vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek wordt u binnenkort schriftelijk geïnformeerd.
[6] Deze leden vragen u uiteen te zetten in hoeverre u van oordeel bent dat inflatieramingen die achterblijven bij de werkelijke inflatie niet leiden tot financiële benadeling van gemeenten en daarmee samenhangende beperkingen van hun beleidsvrijheid en autonomie en verzoeken u een direct antwoord te geven op deze concrete vraag.
Zoals bij vraag 1 aangegeven kent de normeringssystematiek geen directe compensatie voor inflatie (of andere kostenontwikkelingen), zoals toegelicht in antwoorden op Tweede Kamervragen uit september 2024 van het lid Van Nispen (SP)10. De systematiek zorgt ervoor dat het gemeentefonds en provinciefonds meegroeien met de omvang van de economie. Hierdoor houden de inkomsten van gemeenten en provincies op de lange termijn gelijke tred met de economie, waaronder de gevolgen van prijsstijgingen en bijvoorbeeld het stijgend aantal inwoners. Het accres (de jaarlijkse ophoging van de fondsen) is bestedingsvrij. Dit betekent dat het aan individuele gemeenten en provincies is hoe het accres wordt ingezet.
[7] Deze leden vragen u voorts toe te lichten of u zich ervan bewust bent dat het ontbreken van een directe compensatie voor inflatie binnen de normeringssystematiek, in tijden van opeenvolgende crises, ten koste gaat van lokale voorzieningen.
Zie het antwoord op vraag 6. Bovendien kan, in het geval van uitzonderlijke omstandigheden, door het kabinet besloten worden om aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor medeoverheden. Dit is in het verleden voor o.a. gemeenten en provincies gebeurd bij de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis.
Incidenteel/structureel
[8] Deze leden vragen u te onderbouwen waarom deze afwijkingen als incidenteel worden gekwalificeerd en niet als aanwijzing voor een structureel risico. Hoe verhoudt zich dit tot de recente praktijk van meerdere opeenvolgende jaren van onderschatting?
Voor de ramingen van het prijs-bbp gebruikt het kabinet de onafhankelijke ramingen van het Centraal Planbureau (CPB). Het klopt dat de afgelopen zeven jaar de voorjaarsramingen met betrekking tot de prijs-bbp over het lopende jaar lager waren dan de daadwerkelijke prijs-bbp over het desbetreffende jaar. Dit betekent niet per definitie dat dit in latere jaren ook het geval zal zijn11. De afwijkingen in de ramingen van de afgelopen jaren waren het gevolg van uitzonderlijke omstandigheden (de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis). Dit is geconcludeerd door de Expertgroep Realistisch Ramen in maart 202512.
Zoals ik heb toegelicht in de reactie op de brief m.b.t. motie-Van der Goot (OPNL) c.s.13 vergelijkt het CPB in trefzekerheidsanalyses de in het verleden gepubliceerde ramingen met de realisaties. De laatst beschikbare trefzekerheidsanalyse stamt uit 2025 en vergelijkt de jaren van 1996–2023. Hieruit blijkt dat de gemiddelde ramingsafwijking van de CEP-raming van de reële en nominale bbp-groei in het lopende jaar over die jaren 0,0%-punt was. Bij de CEP-ramingen voor het komende jaar wordt de economische groei gemiddeld met 0,3%-punt overschat. Dat wil zeggen dat de reële economische groei niet systematisch over- dan wel onderschat wordt.
Deze leden merken op dat, ondanks de invoering van de bbp-systematiek, de inflatiegevoeligheid van de uitgaven nog steeds afhangt van de CPB-ramingen.
[9] Deze leden vragen u of u iets kunt zeggen over de langjarige correctheid van deze ramingen.
Zie het antwoord op vraag 8.
Deze leden merken daarbij op dat de afgelopen jaren opeenvolgende economische schokken hebben plaatsgevonden, waaronder de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis, en dat dergelijke ontwikkelingen zich met enige regelmaat lijken voor te doen. Deze leden wijzen er bovendien op dat ook momenteel sprake is van aanhoudende spanningen op de energiemarkten.
[10] Deze leden vragen u hoe, gegeven de opeenvolging van economische schokken in de afgelopen jaren, de mate van onzekerheid en volatiliteit in de ramingen weegt bij de beoordeling of sprake is van een incidenteel dan wel structureel risico in de ramingssystematiek. Deze leden vragen u voorts of incidentele compensaties het juiste middel zijn om oplopende tekorten voor structurele basistaken, zoals de jeugdzorg en het in stand houden van lokale voorzieningen, op te lossen.
Zoals ik in het antwoord op vraag 8 heb toegelicht, blijkt uit de trefzekerheidsanalyses van het CPB dat de ramingen trefzeker zijn en zijn afwijkingen in de ramingen van de afgelopen jaren het gevolg van uitzonderlijke omstandigheden. Voor uitzonderlijke omstandigheden geldt per definitie dat die niet vooraf te voorzien, dan wel te ramen zijn. Op het moment dat de uitzonderlijke omstandigheid een feit is, dan komt de doorwerking daarvan ook terug in de ramingscijfers. Incidentele compensaties kunnen op het moment van het ontstaan van uitzonderlijke omstandigheden een oplossing bieden voor incidentele schokken. Voor specifieke casussen geldt dat het van belang is dat vakdepartementen met de koepels van medeoverheden goed in gesprek blijven over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht.
Weging voor- en nadelen
[11] Deze leden vragen u voorts te reflecteren op de verdeling van risico’s en uiteen te zetten hoe de gevolgen van ramingsafwijkingen in de praktijk neerslaan bij gemeenten en provincies.
De gevolgen van ramingsafwijkingen slaan neer bij gemeenten en provincies of bij het Rijk, afhankelijk van de richting van eventuele ramingsafwijkingen van de definitieve bbp-cijfers. Gekozen is voor een koppeling met het bbp en daarmee het volgen van de CPB-raming van het bbp om de stabiliteit en navolgbaarheid van de normeringssystematiek te verbeteren. Het invoeren van een systematiek die meer stabiliteit, rust en duidelijkheid beoogd voor de financiën van medeoverheden, en het vervroegd invoeren van de bbp-systematiek, was in lijn met het advies van de Raad van State 14, 15. Ik merk hierbij op dat er in de huidige systematiek ook sprake kan zijn van een positief risico voor gemeenten en provincies, namelijk als de inflatie lager uitvalt dan geraamd. In de huidige BBP-systematiek volgt dan geen nacalculatie om de uitkering naar beneden bij te stellen.
Deze leden merken in dit verband op dat het hier medeoverheden betreft, die een eigen bestuurlijke positie innemen en niet betrokken zijn bij de besluitvorming binnen het Rijk, terwijl de gehanteerde ramingen wel bepalend zijn voor hun financiële ruimte. Tevens wijzen deze leden erop dat de mogelijkheden om financiële tegenvallers op te vangen per bestuurslaag kunnen verschillen.
[12] Waarom acht u het gerechtvaardigd dat dit risico niet (gedeeltelijk) door het Rijk wordt gedragen?
Zoals bij vraag 1 aangegeven, de normeringssystematiek is niet bedoeld als directe compensatie voor inflatie (of andere kostenontwikkelingen), zoals toegelicht in antwoorden op Kamervragen uit september 2024 van het lid Van Nispen (SP)16.
[13] Tot slot vragen deze leden u uiteen te zetten waarom u het risico op financiële benadeling van gemeenten als gevolg van ramingsafwijkingen acceptabeler acht dan de mogelijke nadelen van het invoeren van een (eventueel asymmetrisch vormgegeven) correctiemechanisme. Ten aanzien van nacalculatie vragen deze leden op basis van welke concrete analyses u concludeert dat dit zou leiden tot onwenselijke instabiliteit.
In de laatste evaluatie van de normeringssystematiek uit 202017, opgesteld door een ambtelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de VNG, het IPO, FIN en BZK, wordt gesteld dat nacalculatie tot gevolg heeft dat in iedere Meicirculaire ook een afrekening over het accres van het voorafgaand jaar wordt gedaan. Deze afrekening kan zowel positief als negatief zijn. Als deze afrekening negatief is, moet deze enkeljarige tegenvaller in het lopend jaar door gemeenten en provincies worden ingepast.
[14] Hoe weegt de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) deze «onwenselijke instabiliteit»? Achten zij dit ook onwenselijk? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.
Uw vraag is betrokken bij de bespreking over de opzet van de evaluatie in het BOFv van 3 juni jongstleden. Over de vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek wordt u binnenkort schriftelijk geïnformeerd.
Evaluatie bbp-systematiek
[15] Voorts vragen deze leden op welke termijn de Kamer de eerstvolgende evaluatie van de bbp-systematiek kan verwachten en of u bereid bent de Kamer voorafgaand daaraan te informeren over mogelijke oplossingsrichtingen voor het onderhavige vraagstuk.
Zoals bij vraag 1 aangegeven start ik begin 2027 de evaluatie, waarbij de ervaringen van de jaren sinds de invoering in 2024 worden betrokken. De vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek is op 3 juni jongstleden besproken met de koepels van medeoverheden in het aankomende Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv). Over de vormgeving van de evaluatie van de normeringssystematiek wordt u binnenkort schriftelijk geïnformeerd.
Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
«Gemeenten dreigen miljarden mis te lopen», Binnenlands bestuur 28 augustus 2024, https://www.binnenlandsbestuur.nl/financien/gemeente-en-provinciefonds/gemeenten-dreigen-miljarden-mis-te-lopen
«Gemeenten dreigen miljarden mis te lopen», Binnenlands bestuur 28 augustus 2024, https://www.binnenlandsbestuur.nl/financien/gemeente-en-provinciefonds/gemeenten-dreigen-miljarden-mis-te-lopen.
Op drift of op koers? Analyses en aanbevelingen om beter te ramen en begroten (https://open.overheid.nl/documenten/43f98650-e98d-4b8c-95fd-e8e2efde7c2a/file)
https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20260304/reactie_brief_eerste_kamer_m_b_t/f=/vmvke785mhgn.pdf
Raad van State, Voorjaarsrapportage 2023, p. 38–39 (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/05/15/voorjaarsrapportage-raad-van-state-2023)
Raad van State, Advies Miljoenennota 2024 en rapportage begrotingstoezicht 2023, p. 47–48 (https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/september/advies-miljoenennota-2024-en-obt-2023/)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-B-Z.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.