36 600 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2025

U VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 5 maart 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Financiën over de uitvoering van de gewijzigde motie-Van der Goot (OPNL) c.s. over corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 16 december 2025.

  • De antwoordbrief van 4 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 16 december 2025

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben in hun commissievergadering van 25 november 2025 uw reactie op het jaarlijks toezeggingen- en motierappel besproken.2 De commissie heeft daarop haar leden gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen over de uitvoering van de motie-Van der Goot (OPNL) c.s. over het corrigeren van de te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds.3 Het lid van de fractie van OPNL, mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, D66, CDA, SP, ChristenUnie, Volt, SGP en PvdD, heeft van de geboden mogelijkheid gebruikgemaakt.

De voornoemde leden hebben met belangstelling kennisgenomen van uw reactie op de in het toezeggingen- en motierappel opgenomen toezeggingen en moties van de commissie voor Binnenlandse Zaken. In reactie op de motie-Van der Goot c.s. stelt u dat het te vroeg is om conclusies te verbinden aan de bbp-systematiek, maar naar het oordeel van de genoemde leden wordt daarmee de motie-Van der Goot c.s. over het corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds niet uitgevoerd.

Waarom beschouwt u het doorschuiven van het onderzoek naar de periodieke evaluatie van de bbp-systematiek als voldoende uitvoering van de motie, terwijl de motie vraagt om een afzonderlijk onderzoek naar correcties van te lage inflatieramingen, bij voorkeur via nacalculatie?

De bbp-systematiek bepaalt sinds 2024 de ontwikkeling van het accres, maar de inflatiegevoeligheid van gemeentelijke uitgaven wordt nog steeds bepaald door CPB-ramingen. Kunt u uiteenzetten waarom een onderzoek naar een correctiemechanisme voor te lage inflatieramingen niet los kan worden uitgevoerd van de evaluatie van de bbp-systematiek?

De regering stelt in de bijlage bij de Miljoennota 2026 dat de ontwikkeling van het bbp en inflatie de afgelopen jaren door het CPB lastig te ramen was.4 Erkent u dat deze structurele onzekerheid juist het argument vormt om een correctiemechanisme, zoals nacalculatie, te ontwikkelen zodat gemeenten niet langer de negatieve gevolgen dragen van ramingsfouten?

Erkent u ook dat gemeenten door te lage inflatieramingen financieel worden benadeeld en dat dit gevolgen heeft voor hun autonomie, zoals ook in de motie is vastgesteld? Zo ja, waarom wordt dan niet voortvarender gehandeld?

Welke concrete stappen heeft de regering tot nu toe gezet om te voldoen aan het verzoek van de Kamer om mogelijke vormen van nacalculatie of andere correcties te verkennen?

De commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 maart 2026

In de motie-Van der Goot c.s.5 is de regering verzocht te onderzoeken hoe te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds gecorrigeerd kunnen worden, bij voorkeur door nacalculatie. In Miljoenennota 20266 is opgenomen dat de ontwikkeling van het bbp en de inflatie de afgelopen jaren door het CPB lastig te ramen was, onder andere door de gevolgen van de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis (die hebben geleid tot aanvullende middelen voor o.a. gemeenten en provincies). De bbp-systematiek is ingevoerd per 2024. Gezien de fluctuaties over de tijd is het nu dan ook nog te vroeg om hier conclusies aan te verbinden. De systematiek zal periodiek worden geëvalueerd en dit punt zal bij de volgende evaluatie worden meegenomen.

In een brief van de vaste commissie voor Binnenlandse zaken van de Eerste Kamer (kenmerk 179223)7 hebben de indieners van motie-Van der Goot c.s gebruik gemaakt van de mogelijkheid vragen te stellen over de uitvoering van de motie en geoordeeld dat deze volgens deze leden niet is uitgevoerd: De leden stellen dat de bbp-systematiek sinds 2024 de ontwikkeling van het accres bepaalt, maar dat de inflatiegevoeligheid van gemeentelijke uitgaven wordt nog steeds bepaald door CPB-ramingen. De leden vragen de Minister van BZK uiteen te zetten waarom een onderzoek naar een correctiemechanisme voor te lage inflatieramingen niet los kan worden uitgevoerd van de evaluatie van de bbp-systematiek? Voorts stellen de leden dat de regering in de bijlage bij de Miljoennota 2026 stelt dat de ontwikkeling van het bbp en inflatie de afgelopen jaren door het CPB lastig te ramen was. De leden vragen of de regering erkent dat deze structurele onzekerheid juist het argument vormt om een correctiemechanisme, zoals nacalculatie, te ontwikkelen zodat gemeenten niet langer de negatieve gevolgen dragen van ramingsfouten. Daarnaast vragen de leden welke concrete stappen de regering tot nu toe heeft gezet om te voldoen aan het verzoek van de Kamer om mogelijke vormen van nacalculatie of andere correcties te verkennen. Tenslotte hebben de leden gevraagd waarom de regering het doorschuiven van het onderzoek naar de periodieke evaluatie van de bbp-systematiek als voldoende uitvoering van de motie beschouwt, terwijl de motie vraagt om een afzonderlijk onderzoek naar correcties van te lage inflatieramingen, bij voorkeur via nacalculatie. En hebben de leden gevraagd of de regering erkent dat gemeenten door te lage inflatieramingen financieel worden benadeeld en dat dit gevolgen heeft voor hun autonomie, zoals ook in de motie is vastgesteld. En, zo ja, waarom er dan niet voortvarender wordt gehandeld. In deze brief vindt u, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de reactie op de gestelde vragen.

Om te beginnen kent de normeringssystematiek geen directe compensatie voor inflatie (of andere kostenontwikkelingen), zoals toegelicht in antwoorden op Kamervragen uit september 2024 van het lid Van Nispen (SP)8. De systematiek zorgt ervoor dat het gemeentefonds en provinciefonds meegroeien met de omvang van de economie. Hierdoor houden de inkomsten van gemeenten en provincies op de lange termijn gelijke tred met de economie, waaronder prijsstijgingen en bijvoorbeeld het stijgend aantal inwoners. Het accres (de jaarlijkse ophoging van de fondsen) is bestedingsvrij. Dit betekent dat het aan individuele gemeenten en provincies is hoe het accres wordt ingezet. Voor 2024 volgde de normeringssystematiek de Rijksuitgaven, maar deze schommelde over de tijd. Aangezien de bbp-ontwikkeling stabieler is over de tijd, is in 2024 besloten om over te stappen op de bbp-systematiek.

Zoals toegelicht in de brief Berekeningswijze van normeringssystematiek o.b.v. bbp van februari 20259, is de normering tegenwoordig gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen is gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt (volumedeel). Het prijsdeel van de normering volgt de prijs bbp van het lopende jaar. De normeringssystematiek is dan ook meer dan een inflatiecorrectie, er wordt ook meebewogen met de economie.

Verder geeft u aan dat het moment waarop het Rijk de CPB-cijfers vaststelt nadelig is. Het Rijk gebruikt de cijfers zoals deze in het voorjaar door het CPB worden aangeleverd en past deze voor het lopende jaar niet meer aan. Deze werkwijze wordt Rijksbreed toegepast, dus ook voor de ministeries. Gemeenten en provincies worden hierbij niet anders behandeld. Dit is onafhankelijk van de wijze van normering en deed zich ook voor in de oude systematiek waarbij de ontwikkeling van de Rijksbegroting werd gevolgd.

In de Wet houdbare overheidsfinanciën is opgenomen dat het kabinet trendmatig begrotingsbeleid voert met betrekking tot de uitgaven en de ontvangsten van de rijksdienst en de sociale fondsen. Het trendmatig begrotingsbeleid wordt onder andere gevoerd op basis van de meerjarencijfers en de macro-economische ramingen van de relevante variabelen van het CPB. De onafhankelijke positie van het CPB is vastgesteld in de Aanwijzingen voor de Planbureaus. Het CPB is onafhankelijk, deskundig en gaat over zijn eigen ramingen.

Het klopt dat de afgelopen zeven jaar de voorjaarsramingen met betrekking tot de prijs-bbp over het lopende jaar lager waren dan de daadwerkelijke prijs-bbp over het desbetreffende jaar. Dit betekent niet per definitie dat dit in latere jaren ook het geval zal zijn10. Het CPB vergelijkt in trefzekerheidsanalyses de in het verleden gepubliceerde ramingen met de realisaties. De laatst beschikbare trefzekerheidsanalyse stamt uit 2025 en vergelijkt de jaren van 1996–2023. Hieruit blijkt dat de gemiddelde ramingsafwijking van de CEP-raming van de reële en nominale bbp-groei in het lopende jaar over die jaren 0,0%-punt was. Bij de CEP-ramingen voor het komende jaar wordt de economische groei gemiddeld met 0,3%-punt overschat. Dat wil zeggen dat de reële economische groei niet systematisch over- dan wel onderschat wordt. De afwijkingen in de ramingen van de afgelopen jaren waren het gevolg van uitzonderlijke omstandigheden (de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis). Dit is geconcludeerd door de Expertgroep Realistisch Ramen in maart 202511.

Gezien de trefzekerheidsanalyse over de langere tijdsperiode en de uitzonderlijke situatie van de afgelopen jaren (die overigens hebben geleid tot aanvullende middelen voor o.a. gemeenten en provincies) hecht ik er dan ook aan om de eerste periodieke evaluatie van de bbp-systematiek af te wachten en niet eerder over te gaan tot een afzonderlijk onderzoek naar correcties van te lage inflatieramingen, bijvoorbeeld via een nacalculatie onderzoek. Nacalculatie leidt bovendien tot de onwenselijke situatie dat gemeenten en provincies na afloop van het jaar minder of meer budget krijgen dan waar ze op hebben gekoerst gedurende het jaar. Dit ondermijnt de stabiliteit van de gemeentelijke financiën.

De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 VII/36 800 IV, A.

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 B, J.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 2, p. 107.

X Noot
5

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 B, J

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 2, p. 107.

X Noot
8

Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen nr. 76

X Noot
9

Kamerstukken II 2024/25, 36 600 B, nr. 25

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen nr. 76

X Noot
11

Op drift of op koers? Analyses en aanbevelingen om beter te ramen en begroten (https://open.overheid.nl/documenten/43f98650-e98d-4b8c-95fd-e8e2efde7c2a/file)


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 800 VII/36 800 IV, A.

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 B, J.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 2, p. 107.

X Noot
5

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 B, J

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 2, p. 107.

X Noot
8

Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen nr. 76

X Noot
9

Kamerstukken II 2024/25, 36 600 B, nr. 25

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de handelingen nr. 76

X Noot
11

Op drift of op koers? Analyses en aanbevelingen om beter te ramen en begroten (https://open.overheid.nl/documenten/43f98650-e98d-4b8c-95fd-e8e2efde7c2a/file)

Naar boven