36 600 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2025

AA VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 juli 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de adviezen van de VNG en ROB over herziening verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 2027. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 3 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 2 juli 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Den Haag, 3 juni 2026

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brieven van 1 april 2026 en 22 april 2026 over de adviezen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) inzake de herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027, die u mede namens de Staatssecretaris van Financiën heeft verstuurd.2 Naar aanleiding van deze brieven hebben de leden van de fracties van de BBB, D66 en OPNL, deze laatste mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt en Fractie-Visseren-Hamakers nog enkele vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

  • 1. Kunt u een reflectie geven op de conclusie van de VNG dat het merendeel van de voorgestelde wijzigingen in de verdeling van het Gemeentefonds onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende uitlegbaar is voor gemeenten?

  • 2. Kunt u uiteenzetten waarom u ervoor kiest om herverdelingsvoorstellen door te zetten waarvan de VNG stelt dat zij tot grote en moeilijk uitlegbare verschuivingen tussen gemeenten leiden, terwijl volgens de VNG slechts twee kleine technische wijzigingen zonder noemenswaardige herverdeeleffecten verantwoord zijn?

  • 3. Hoe voorkomt u dat gemeenten opnieuw worden geconfronteerd met onzekerheid door opeenvolgende herverdelingsonderzoeken, terwijl de VNG aangeeft dat dit leidt tot het uitstellen van investeringen en het nemen van structurele bezuinigingsmaatregelen?

  • 4. Waarom ontbreekt in de adviesaanvraag van februari 2026 een expliciete beschouwing op de problemen die de ROB al in oktober 2021 signaleerde en wat zegt dat volgens u over de zorgvuldigheid van de huidige herziening?3

  • 5. Hoe beoordeelt u de kritiek van de VNG dat de gehanteerde regressiemethode te eenzijdig statistisch is toegepast en onvoldoende recht doet aan beleidsmatige en politiek-bestuurlijke afwegingen?

  • 6. Bent u bereid bij toekomstige herijkingen niet alleen naar aansluitverschillen in de steekproef te kijken, maar ook naar de wenselijkheid en uitlegbaarheid van de herverdeeleffecten voor álle gemeenten?

  • 7. Bent u bereid om het sociaal domein integraal te herzien, zodat gemeenten niet per onderdeel worden geconfronteerd met losse modelwijzigingen die onderling botsen en de beleidsrealiteit onvoldoende weerspiegelen?

  • 8. Hoe weegt u de waarschuwing van de VNG dat het alternatief voor het Jeugd-model om Eenouderhuishoudens en Laag opleidingsniveau als maatstaf toe te voegen en de maatstaf Centrumfunctie en Bebouwingsdichtheid (OAD) te verwijderen tot onacceptabele langdurige verschuivingen leidt en zelfs eerder ingevoerde herverdelingen deels ongedaan maakt?

  • 9. Welke gevolgen heeft de herijking volgens u voor gemeenten in plattelandsgemeenten en hoe worden zij beschermd tegen disproportionele nadelen?

  • 10. Bent u bereid de rekentarieven voor de onroerendezaakbelasting (OZB) en de verevening van de Overige eigen middelen (OEM) alleen te actualiseren voor zover dat aansluit bij de werkelijk te verevenen bedragen en geen aanvullende onzekerheid voor gemeenten veroorzaakt?

  • 11. Welke garantie kunt u geven dat de voorgestelde kleine technische wijzigingen daadwerkelijk tijdig worden doorgevoerd, zodat gemeenten hierover vóór de begrotingscyclus duidelijkheid hebben?

  • 12. Wanneer kan de Eerste Kamer een uitgewerkt en samenhangend besluit verwachten over het ingroeipad voor 2027 en de daaropvolgende jaren, inclusief de financiële gevolgen voor gemeenten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Uit de adviezen volgt, volgens de leden van de D66-fractie, dat een aantal voorstellen als wenselijk wordt gezien, maar dat dat voor andere voorstellen niet geldt. Deze leden hechten aan een wenselijke en goed uitgevoerde herverdeling, wanneer deze plaatsvindt. Daarom hebben deze leden enkele vragen.

  • 1. De leden van de D66-fractie lezen dat de ROB het betreurt dat niet voor alle onderdelen uit de onderzoeksagenda voorstellen voorliggen. De leden van de D66-fractie vragen u waarom er ten aanzien van een aantal onderdelen geen voorstellen voorliggen?

  • 2. Verder vragen deze leden of u het ermee eens bent dat per hoofdaanbeveling van de ROB en VNG duidelijk moet worden aangegeven of deze wordt opgevolgd. Wanneer dit niet het geval is, waarom dat niet het geval is?

  • 3. In algemene zin geeft de ROB verder te kennen dat het niet aanbevelenswaardig is om nu tot een grote herverdeling te besluiten, ook met het oog op de huidige plannen voor de herverdeling. Hoe reageert u hierop?

  • 4. De ROB geeft aan later dit jaar met een advies te komen over mogelijkheden om tot een beter verdeelmodel te komen. De VNG geeft daarop aan om hierop niet te wachten, maar proactief te zijn en zelf met plannen te komen. Bent u van plan om dat (ook) te doen?

  • 5. De VNG is kritisch op het doorlopen proces van de afgelopen jaren en geeft aan dat het proces ten koste is gegaan van de kwaliteit van de gedane voorstellen. De VNG beveelt aan om hiervan te leren en voortaan ruimer de tijd te nemen wanneer dit nodig is, vooral ook in de laatste fase, oftewel de besluitvormingsfase. Herkent u dit beeld? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit in de toekomst beter gaat?

  • 6. De VNG geeft verder te kennen dat vervolgonderzoek doen noodzakelijk is, maar tegelijkertijd negatieve gevolgen heeft. Daarbij noemt de VNG zelf een aantal negatieve gevolgen. Heeft u zelf zicht op de negatieve gevolgen van uitstel, en hoe kijkt u naar de negatieve gevolgen die de VNG noemt?

  • 7. Tot slot, uit het rapport van de VNG blijkt dat de VNG het volledig eens is met de adviezen van de ROB over de voorstellen. Hoe zwaar weegt het feit dat beide organisaties bij deze voorstellen er precies hetzelfde instaan, bij de vraag of de door deze organisaties niet gewenste voorstellen wel moeten worden doorgevoerd?

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van OPNL, mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt en Fractie-Visseren-Hamakers

  • 1. In hoeverre houdt u vast aan invoering van de herziene verdeling per 1 januari 2027, nu de ROB concludeert dat de verdeling nog niet goed genoeg is?

  • 2. Welke conclusies verbindt u aan het feit dat zowel de ROB als de VNG aangeven dat belangrijke onderdelen van de voorgestelde herverdeling onvoldoende zijn onderbouwd?

  • 3. Kunt u per voorstel toelichten op welke gronden u de adviezen van de ROB en VNG wel of niet overneemt?

  • 4. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten vanaf 2027 worden geconfronteerd met grote financiële verschuivingen op basis van verdeelmaatstaven waarvan de onderbouwing nog onderwerp van discussie is?

  • 5. De VNG geeft aan: «Voor het cluster Jeugd onderstrepen wij dat vanwege de samenhang van dit cluster met de clusters Wmo en Sociale Basisvoorzieningen het aanbeveling verdient om deze drie clusters in het Sociaal Domein integraal te herzien en te actualiseren.»4 Welke aanvullende onderzoeken worden nog uitgevoerd naar de clusters Jeugd en Wmo en naar de maatstaf lage inkomens en wanneer worden de resultaten daarvan met de Kamer gedeeld?

  • 6. De ROB adviseert het ingroeipad van de herverdeling voorlopig te bevriezen totdat aanvullend onderzoek is afgerond. Tegelijkertijd wijst de VNG erop dat de aanhoudende onzekerheid over de herverdeling en de financiële effecten daarvan voor gemeenten bijzonder onwenselijk is en roept zij op om juist op korte termijn duidelijkheid te bieden over het ingroeipad voor 2027 en de jaren daarna. Hoe weegt u deze verschillende adviezen? Deelt u de opvatting dat gemeenten op korte termijn duidelijkheid nodig hebben over het ingroeipad, zodat zij hun begrotingen hierop kunnen baseren? Wanneer verwacht u die duidelijkheid te kunnen bieden?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2026

Hierbij stuur ik u, mede namens de medefondsbeheerder de Staatssecretaris van Financiën, de antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Eerste Kamer naar aanleiding van mijn brieven over de adviezen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over herziening verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 20275 met uw kenmerk 181275 (ingezonden 3 juni 2026).

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

Bijlage Antwoorden op de vragen

(kenmerk Eerste Kamer 181275, ingezonden 3 juni 2026)

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van mijn brieven van 1 april 2026 en 22 april 2026 over de adviezen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) inzake de herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 20276. De leden van de fracties van BBB, D66 en OPNL, deze laatste mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt en Fractie-Visseren-Hamaker, hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

1. Kunt u een reflectie geven op de conclusie van de VNG dat het merendeel van de voorgestelde wijzigingen in de verdeling van het Gemeentefonds onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende uitlegbaar is voor gemeenten?

Antwoord 1.

We zijn met de ROB en de VNG eens dat verder onderzoek nodig is, zie ook de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.7. Zoals aangegeven in de brief van 28 mei jl. is wat de methodologie van het verdeelvraagstuk betreft voor ons als fondsbeheerders de kern dat het model gebaseerd moet zijn op de leefwereld, dat wil zeggen op waar gemeenten in hun dagelijkse praktijk op objectieve gronden mee te maken hebben. Het streven is dat er geen objectieve gronden meer zijn op basis waarvan gemeenten kunnen «aankloppen». Het is daarom, zoals ook de ROB en de VNG aangegeven van belang om niet alleen rekenkundig en/of statistisch te kijken.

Voor het vervolgtraject geldt dat we het als fondsbeheerders eens zijn met de ROB dat de inhoudelijke onderbouwing moet komen van mensen die op dat terrein werken, inhoudelijk en/of financieel, bij gemeenten, ministeries, kennisinstituten, belangenorganisaties en dergelijke. Voor het onderzoek in het sociaal domein geldt dat we dit vervolgtraject als fondsbeheerders samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, als beleidsverantwoordelijke voor de jeugdzorg en de Wmo 2015, vorm geven. We maken graag gebruik van het aanbod van de VNG om gezamenlijk tot een ordentelijk proces (tijdpad, rollen en verantwoordelijkheden, (tussen)producten te komen. Bij de inrichting van dit proces zal ook gebruik worden gemaakt van de reflecties van de leden van de expertgroep en de begeleidingscommissie op het doorlopen proces. Verder zal waar mogelijk en passend worden aangesloten bij bestaande structuren.

2. Kunt u uiteenzetten waarom u ervoor kiest om herverdelingsvoorstellen door te zetten waarvan de VNG stelt dat zij tot grote en moeilijk uitlegbare verschuivingen tussen gemeenten leiden, terwijl volgens de VNG slechts twee kleine technische wijzigingen zonder noemenswaardige herverdeeleffecten verantwoord zijn?

Antwoord 2.

Zoals in de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.8 aangegeven, hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 twee kleine wijzigingen door te voeren. Ten eerste, de berekening van de maatstaf «Huishoudens met een laag inkomen» met procenten in plaats van met honderdtallen. Ten tweede, de rekentarieven van de Onroerendezaakbelasting (OZB) aan te passen aan de werkelijke gemiddelde OZB-tarieven en de verevening van de overige eigen middelen met hetzelfde bedrag te verlagen.

3. Hoe voorkomt u dat gemeenten opnieuw worden geconfronteerd met onzekerheid door opeenvolgende herverdelingsonderzoeken, terwijl de VNG aangeeft dat dit leidt tot het uitstellen van investeringen en het nemen van structurele bezuinigingsmaatregelen?

Antwoord 3.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 3 «Criteria voor de verdeling» aangegeven hechten we er als fondsbeheerders aan dat de verdeling in de tijd voldoende stabiel is, zodat budgetten niet te veel schommelen en gemeenten in staat zijn goed meerjarig te begroten (voorspelbaarheid). Daarom volgen we, zoals in paragraaf 4.2 «Het ingroeipad per 1 januari 2027» van de brief van 28 mei jl. aangegeven het advies van de ROB om het ingroeipad te bevriezen op het niveau van 2026. Zoals in mijn brief van 8 juni jl.9 aangegeven zal dit ingroeipad voor het jaar 2027 niet worden geïndexeerd. Na de zomer zijn we voornemens u te informeren over de indexatie van het ingroeipad voor 2028.

4. Waarom ontbreekt in de adviesaanvraag van februari 2026 een expliciete beschouwing op de problemen die de ROB al in oktober 2021 signaleerde en wat zegt dat volgens u over de zorgvuldigheid van de huidige herziening?10

Antwoord 4.

Op de ROB adviesaanvraag 2021 is op verschillende momenten gereflecteerd. De doorontwikkeling van het model sinds 1 januari 2023 kunt u teruglezen in de brief van 28 mei jl. opgenomen in paragraaf 1 getiteld «Achtergrond: De doorontwikkeling van het model sinds 1 januari 2023.» Daarnaast is ook in deel twee van de ROB adviesaanvraag, welke eveneens met uw Kamer is gedeeld11, gereflecteerd op het ROB advies uit 2021, zoals in paragraaf 4.3.1 «De maatstaven centrumfunctie en eenpersoonshuishoudens» en paragraaf 5.1«Aanleiding» over de overige eigen middelen.

5. Hoe beoordeelt u de kritiek van de VNG dat de gehanteerde regressiemethode te eenzijdig statistisch is toegepast en onvoldoende recht doet aan beleidsmatige en politiek-bestuurlijke afwegingen?

Antwoord 5.

Zoals in de brief van 28 mei jl. opgenomen in paragraaf 4.3 «Organisatorische inbedding van het vervolgtraject» is voor ons als fondsbeheerders wat de methodologie van het verdeelvraagstuk betreft de kern dat het model gebaseerd moet zijn op de leefwereld. Dat wil zeggen het model moet gebaseerd zijn op waar gemeenten in hun dagelijkse praktijk op objectieve gronden mee te maken hebben. Het streven is dat er geen objectieve gronden meer zijn op basis waarvan gemeenten kunnen «aankloppen». Het is daarom, zoals ook de ROB en de VNG aangegeven van belang om niet alleen rekenkundig en/of statistisch te kijken.

6. Bent u bereid bij toekomstige herijkingen niet alleen naar aansluitverschillen in de steekproef te kijken, maar ook naar de wenselijkheid en uitlegbaarheid van de herverdeeleffecten voor álle gemeenten?

Antwoord 6.

Ja, ik ben daartoe bereid. Ook nu hebben we naar de aansluitverschillen voor alle gemeenten gekeken. Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven is voor ons als fondsbeheerders wat de methodologie van het verdeelvraagstuk betreft de kern dat het model gebaseerd moet zijn op de leefwereld. Het streven is dat er in de aansluitverschillen geen patroon meer zit wat ten voor- of nadeel is voor een bepaalde groep gemeenten.

7. Bent u bereid om het sociaal domein integraal te herzien, zodat gemeenten niet per onderdeel worden geconfronteerd met losse modelwijzigingen die onderling botsen en de beleidsrealiteit onvoldoende weerspiegelen?

Antwoord 7.

Zoals in de brief van 28 mei jl. aangegeven in paragraaf 4.4 «Vervolgonderzoeken» onderschrijven we als fondsbeheerders van harte de oproep van de VNG om het cluster jeugd niet geïsoleerd te bezien, omdat ook wij zien dat deze clusters met elkaar interacteren. De leefwereld (van gemeenten) is namelijk niet afgebakend in de financiële clusters van het verdeelmodel. De leefwereld en de uitvoeringspraktijk van gemeenten handelt over die clusters heen om integrale ondersteuning te realiseren.

8. Hoe weegt u de waarschuwing van de VNG dat het alternatief voor het Jeugd-model om Eenouderhuishoudens en Laag opleidingsniveau als maatstaf toe te voegen en de maatstaf Centrumfunctie en Bebouwingsdichtheid (OAD) te verwijderen tot onacceptabele langdurige verschuivingen leidt en zelfs eerder ingevoerde herverdelingen deels ongedaan maakt?

Antwoord 8.

Zoals bij het antwoord op vraag 2 en in de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.12 aangegeven, hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 twee kleine wijzigingen door te voeren.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.2 «Het ingroeipad per 1 januari 2027» aangegeven zijn we het als fondsbeheerders eens met de ROB dat de beoogde richting van de totale herverdeling door de voorstellen ongewis is geworden. We sluiten ons dan ook, zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, aan bij het ROB advies om de huidige bedragen van het ingroeipad, voor die gemeenten die nog niet volledig waren ingegroeid, voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026.

9. Welke gevolgen heeft de herijking volgens u voor gemeenten in plattelandsgemeenten en hoe worden zij beschermd tegen disproportionele nadelen?

Antwoord 9.

Zoals u in mijn brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.1 «Inhoudelijke aanpassingen van het verdeelmodel per 1 januari 2027» kunt lezen zijn de herverdeeleffecten van de nu doorgevoerde aanpassingen beperkt. Ten eerste, de berekening van de maatstaf «Huishoudens met een laag inkomen» met procenten in plaats van met honderdtallen. Dit voorstel leidt tot een verdeling die beter aansluit bij de feitelijke situatie. De herverdeeleffecten van de algemene uitkering van het gemeentefonds zijn een gevolg van de afrondingen en daarmee beperkt. Ten tweede, de rekentarieven van de OZB aan te passen aan de werkelijke gemiddelde OZB-tarieven en de verevening van de overige eigen middelen met hetzelfde bedrag te verlagen. De herverdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds die hieruit voortvloeit is eveneens beperkt (stand decembercirculaire 2024). Voor alle gemeenten geldt dat het effect minder dan 0,3% is van de algemene uitkering en voor 315 van de 342 gemeenten minder dan 0,2% van de algemene uitkering, zie kaart 1 opgenomen in de bijlage van de brief. Gezien de beperktheid van de herverdeeleffecten van beide voorstellen, zijn we het met de ROB eens dat deze voorstellen zonder overgangsmaatregel kunnen worden ingevoerd.

10. Bent u bereid de rekentarieven voor de onroerendezaakbelasting (OZB) en de verevening van de Overige eigen middelen (OEM) alleen te actualiseren voor zover dat aansluit bij de werkelijk te verevenen bedragen en geen aanvullende onzekerheid voor gemeenten veroorzaakt?

Antwoord 10.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.1 «Inhoudelijke aanpassingen van het verdeelmodel per 1 januari 2027» opgenomen, worden de rekentarieven van de OZB per 1 januari 2027 aangepast aan de werkelijke gemiddelde OZB-tarieven. De verevening van de Overige eigen middelen is met hetzelfde bedrag verlaagd.

11. Welke garantie kunt u geven dat de voorgestelde kleine technische wijzigingen daadwerkelijk tijdig worden doorgevoerd, zodat gemeenten hierover vóór de begrotingscyclus duidelijkheid hebben?

Antwoord 11.

Deze wijzigingen zijn verwerkt in de meicirculaire 2026, welke ook aan uw Kamer is gestuurd.13

12. Wanneer kan de Eerste Kamer een uitgewerkt en samenhangend besluit verwachten over het ingroeipad voor 2027 en de daaropvolgende jaren, inclusief de financiële gevolgen voor gemeenten?

Antwoord 12.

Zoals bij het antwoord op vraag 8 aangegeven en in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.2 «Het ingroeipad per 1 januari 2027» aangegeven zijn we het als fondsbeheerders eens met de ROB dat de beoogde richting van de totale herverdeling door de voorstellen ongewis is geworden. We sluiten ons dan ook aan bij het ROB advies om de huidige bedragen van het ingroeipad, voor die gemeenten die nog niet volledig waren ingegroeid, voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in eveneens paragraaf 4.2 aangegeven hechten we er als fondsbeheerders aan dat er voldoende tijd is om zowel methodologisch als bestuurlijk de resultaten te bezien. Voor het vervolgtraject hebben we dan ook twee jaar nodig. Een volgende stap in het ingroeipad zal dan ook pas worden gezet per 1 januari 2029. Zoals in mijn brief van 8 juni jl.14 aangegeven zal dit ingroeipad voor het jaar 2027 niet worden geïndexeerd. Na de zomer zijn we voornemens u te informeren over de indexatie van het ingroeipad voor 2028.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Uit de adviezen volgt, volgens de leden van de D66-fractie, dat een aantal voorstellen als wenselijk wordt gezien, maar dat dat voor andere voorstellen niet geldt. Deze leden hechten aan een wenselijke en goed uitgevoerde herverdeling, wanneer deze plaatsvindt. Daarom hebben deze leden enkele vragen.

1. De leden van de D66-fractie lezen dat de ROB het betreurt dat niet voor alle onderdelen uit de onderzoeksagenda voorstellen voorliggen. De leden van de D66-fractie vragen u waarom er ten aanzien van een aantal onderdelen geen voorstellen voorliggen?

Antwoord 1.

Zoals opgenomen in deel één van de ROB adviesaanvraag, welke 3 februari jl. met uw Kamer is gedeeld15, geldt voor de bebouwingsdichtheid en de overige eigen middelen dat er noch vanuit de expertgroep noch vanuit de begeleidingscommissie noch vanuit de VNG en/of de gemeenten noch vanuit de fondsbeheerders concrete gedachten waren hoe de reeds in het model opgenomen maatstaf aangaande de bebouwingsdichtheid verder te verfijnen en de OEM op een andere wijze te verevenen. Wat de Overhead betreft, er is door Berenschot geprobeerd taakgerichte overhead per gemeente te bepalen op basis van de aangeleverde gegevens in de uitvraag. Dit bleek niet eenduidig mogelijk

2. Verder vragen deze leden of u het ermee eens bent dat per hoofdaanbeveling van de ROB en VNG duidelijk moet worden aangegeven of deze wordt opgevolgd. Wanneer dit niet het geval is, waarom dat niet het geval is?

Antwoord 2.

Zoals in Paragraaf 4 «Het verdeelmodel per 1 januari 2027 en het verdere vervolgtraject: in de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.16 aangegeven sluiten we ons als fondsbeheerders aan bij de hoofdaanbevelingen van de VNG en de ROB. Dat wil zeggen dat wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft per 2027 twee kleine wijzigingen worden doorgevoerd. Het ingroeipad voor 2027 en 2028 wordt bevroren.17 We maken van het aanbod van de VNG gebruik om gezamenlijk tot een ordentelijk proces (tijdpad, rollen en verantwoordelijkheden, (tussen)producten) te komen voor het vervolgtraject, waarbij de aanbevelingen van de ROB voor de organisatorische inrichting daarvan en de aanbevelingen voor de vervolgonderzoeken worden meegenomen.

3. In algemene zin geeft de ROB verder te kennen dat het niet aanbevelenswaardig is om nu tot een grote herverdeling te besluiten, ook met het oog op de huidige plannen voor de herverdeling. Hoe reageert u hierop?

Antwoord 3.

Zoals bij het antwoord op vraag 2 en in de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.18 aangegeven, hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 twee kleine wijzigingen door te voeren.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.2 «Het ingroeipad per 1 januari 2027» aangegeven zijn we het als fondsbeheerders eens met de ROB dat de beoogde richting van de totale herverdeling door de voorstellen ongewis is geworden. We sluiten ons dan ook, zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven, aan bij het ROB advies om de huidige bedragen van het ingroeipad, voor die gemeenten die nog niet volledig waren ingegroeid, voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in eveneens paragraaf 4.2 aangegeven hechten we er als fondsbeheerders aan dat er voldoende tijd is om zowel methodologisch als bestuurlijk de resultaten te bezien. Voor het vervolgtraject hebben we dan ook twee jaar nodig. Een volgende stap in het ingroeipad zal dan ook pas worden gezet per 1 januari 2029.

4. De ROB geeft aan later dit jaar met een advies te komen over mogelijkheden om tot een beter verdeelmodel te komen. De VNG geeft daarop aan om hierop niet te wachten, maar proactief te zijn en zelf met plannen te komen. Bent u van plan om dat (ook) te doen?

Antwoord 4.

Zoals in de brief van 28 mei jl. aangegeven in paragraaf 4.3 «Organisatorische inbedding van het vervolgtraject» geldt voor het vervolgtraject dat we het als fondsbeheerders eens zijn met de ROB dat de inhoudelijke onderbouwing moet komen van mensen die op dat terrein werken, inhoudelijk en/of financieel, bij gemeenten, ministeries, kennisinstituten, belangenorganisaties en dergelijke. De ROB geeft aan voornemens te zijn om later dit jaar onder andere op dit punt nader advies te zullen uitbrengen. De VNG roept in haar advies op om hier niet op te wachten, maar zelf als fondsbeheerders de regie te nemen en vooruitlopend hierop zelf met een plan van aanpak te komen. Verder geeft de VNG aan dat ze vanuit de gemeenten er alles aan zullen doen om hier constructief aan bij te dragen. We maken graag gebruik van het aanbod van de VNG om gezamenlijk tot een ordentelijk proces (tijdpad, rollen en verantwoordelijkheden, (tussen)producten) te komen. Bij de inrichting van dit proces zal ook met de ROB worden geschakeld om te zorgen dat de inrichting van het proces dusdanig is dat het ROB advies daar ook in kan landen. We zullen uw Kamer na de zomer informeren over de organisatorische inbedding.

5. De VNG is kritisch op het doorlopen proces van de afgelopen jaren en geeft aan dat het proces ten koste is gegaan van de kwaliteit van de gedane voorstellen. De VNG beveelt aan om hiervan te leren en voortaan ruimer de tijd te nemen wanneer dit nodig is, vooral ook in de laatste fase, oftewel de besluitvormingsfase. Herkent u dit beeld? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit in de toekomst beter gaat?

Antwoord 5.

Zoals bij het antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft de VNG aangegeven dat ze vanuit de gemeenten er alles aan zullen doen om constructief bij te dragen aan het vervolgtraject. We maken graag gebruik van het aanbod van de VNG om gezamenlijk tot een ordentelijk proces (tijdpad, rollen en verantwoordelijkheden, (tussen)producten) te komen.

6. De VNG geeft verder te kennen dat vervolgonderzoek doen noodzakelijk is, maar tegelijkertijd negatieve gevolgen heeft. Daarbij noemt de VNG zelf een aantal negatieve gevolgen. Heeft u zelf zicht op de negatieve gevolgen van uitstel, en hoe kijkt u naar de negatieve gevolgen die de VNG noemt?

Antwoord 6.

Zoals in de brief van 28 mei jl. aangegeven roept de VNG in haar advies ons als fondsbeheerders op om voor de korte termijn snel een besluit te nemen over het ingroeipad voor 2027 en de jaren daarna. Ze geeft aan dat snelle duidelijkheid voor gemeenten van groot belang is voor het kunnen opstellen van de begroting van volgend jaar, mede met het oog op lopende lokale coalitieonderhandelingen. Zoals de ROB in zijn advies aangeeft is er nog vervolgonderzoek nodig. Als fondsbeheerders hechten we er aan dat de verdeling in de tijd voldoende stabiel is, zodat budgetten niet te veel schommelen en gemeenten in staat zijn goed meerjarig te begroten (voorspelbaarheid). Daarom volgen we, zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, het advies van de ROB om het ingroeipad te bevriezen op het niveau van 2026. Aangezien we er als fondsbeheerders aan hechten, dat er voldoende tijd is om zowel methodologisch als bestuurlijk de resultaten te bezien, hebben we voor het vervolgtraject van de herziening van het verdeelmodel twee jaar nodig. Een volgende stap in het ingroeipad zal dan ook pas gezet worden per 1 januari 2029.

7. Tot slot, uit het rapport van de VNG blijkt dat de VNG het volledig eens is met de adviezen van de ROB over de voorstellen. Hoe zwaar weegt het feit dat beide organisaties bij deze voorstellen er precies hetzelfde instaan, bij de vraag of de door deze organisaties niet gewenste voorstellen wel moeten worden doorgevoerd?

Antwoord 7.

Zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 alleen twee kleine wijzigingen door te voeren.

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van OPNL, mede namens de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt en Fractie-Visseren-Hamakers

1. In hoeverre houdt u vast aan invoering van de herziene verdeling per 1 januari 2027, nu de ROB concludeert dat de verdeling nog niet goed genoeg is?

Antwoord 1.

Zoals in de brief aan uw Kamer van 28 mei jl.19 aangegeven, hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 alleen twee kleine wijzigingen door te voeren.

2. Welke conclusies verbindt u aan het feit dat zowel de ROB als de VNG aangeven dat belangrijke onderdelen van de voorgestelde herverdeling onvoldoende zijn onderbouwd?

Antwoord 2.

Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 alleen twee kleine wijzigingen door te voeren.

In de brief van 28 mei jl. gaat paragraaf 4 in op het verdeelmodel per 1 januari 2027 en het verdere vervolgtraject. Dit betreft zowel de organisatorische inbedding van het vervolgtraject als de uit te voeren vervolgonderzoeken.

3. Kunt u per voorstel toelichten op welke gronden u de adviezen van de ROB en VNG wel of niet overneemt?

Antwoord 3.

Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 twee kleine wijzigingen door te voeren. Hiernaast sluiten we aan bij het voorstel van de ROB en VNG dat voor overige aanpassingen vervolgonderzoek noodzakelijk is. In de brief van 28 mei jl. gaat paragraaf 4.2 in het verdere vervolgtraject

4. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten vanaf 2027 worden geconfronteerd met grote financiële verschuivingen op basis van verdeelmaatstaven waarvan de onderbouwing nog onderwerp van discussie is?

Antwoord 4.

Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven hebben we ons als fondsbeheerder wat de aanpassingen aan het verdeelmodel betreft aangesloten bij het voorstel van de ROB en de VNG om per 2027 twee kleine wijzigingen door te voeren.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in paragraaf 4.2 «Het ingroeipad per 1 januari 2027» aangegeven zijn we het als fondsbeheerders eens met de ROB dat de beoogde richting van de totale herverdeling door de voorstellen ongewis is geworden. We sluiten ons dan ook aan bij het ROB advies om de huidige bedragen van het ingroeipad, voor die gemeenten die nog niet volledig waren ingegroeid, voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026. Zoals in mijn brief van 8 juni jl.20 aangegeven zal dit ingroeipad voor het jaar 2027 niet worden geïndexeerd. Na de zomer zijn we voornemens u te informeren over de indexatie van het ingroeipad voor 2028.

Zoals in de brief van 28 mei jl. in eveneens paragraaf 4.2 aangegeven hechten we er als fondsbeheerders aan dat er voldoende tijd is om zowel methodologisch als bestuurlijk de resultaten te bezien. Voor het vervolgtraject hebben we dan ook twee jaar nodig. Een volgende stap in het ingroeipad zal dan ook pas worden gezet per 1 januari 2029.

5. De VNG geeft aan: «Voor het cluster Jeugd onderstrepen wij dat vanwege de samenhang van dit cluster met de clusters Wmo en Sociale Basisvoorzieningen het aanbeveling verdient om deze drie clusters in het Sociaal Domein integraal te herzien en te actualiseren.»21 Welke aanvullende onderzoeken worden nog uitgevoerd naar de clusters Jeugd en Wmo en naar de maatstaf lage inkomens en wanneer worden de resultaten daarvan met de Kamer gedeeld?

Antwoord 5.

Zoals in de brief van 28 mei jl. aangegeven zullen we uw Kamer na de zomer informeren over het vervolgtraject: organisatorische inbedding en onderzoeksopdrachten.

6. De ROB adviseert het ingroeipad van de herverdeling voorlopig te bevriezen totdat aanvullend onderzoek is afgerond. Tegelijkertijd wijst de VNG erop dat de aanhoudende onzekerheid over de herverdeling en de financiële effecten daarvan voor gemeenten bijzonder onwenselijk is en roept zij op om juist op korte termijn duidelijkheid te bieden over het ingroeipad voor 2027 en de jaren daarna. Hoe weegt u deze verschillende adviezen? Deelt u de opvatting dat gemeenten op korte termijn duidelijkheid nodig hebben over het ingroeipad, zodat zij hun begrotingen hierop kunnen baseren? Wanneer verwacht u die duidelijkheid te kunnen bieden?

Antwoord 6.

Zoals in de brief van 28 mei jl. aangegeven hechten we als fondsbeheerders er aan dat de verdeling in de tijd voldoende stabiel is, zodat budgetten niet te veel schommelen en gemeenten in staat zijn goed meerjarig te begroten (voorspelbaarheid). Daarom volgen we, zoals bij het antwoord op vraag 4 aangegeven, het advies van de ROB om het ingroeipad te bevriezen op het niveau van 2026. Een volgende stap in het ingroeipad zal worden gezet per 1 januari 2029.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, V en W.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B / 29 362, S en T.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, W, p. 5.

X Noot
5

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, V en W

X Noot
6

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, V en W

X Noot
7

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
8

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
9

Kamerstukken II, 2025/26, 36 600 B, nr. 28

X Noot
10

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B / 29 362, S en T

X Noot
11

Kamerstukken I, 2025/26, 36 800 B, nr. 18

X Noot
12

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
13

Kamerstukken I, 2025/26, 36 800 B, nr.26

X Noot
14

Kamerstukken II, 2025/26, 36 600 B, nr. 28

X Noot
15

Kamerstukken I, 2025/26, 36 800 B. nr. 17

X Noot
16

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
17

Zoals in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 600 B, nr. 28) aangegeven zal dit ingroeipad voor het jaar 2027 niet worden geïndexeerd. Na de zomer zijn we voornemens u te informeren over de indexatie van het ingroeipad voor 2028.

X Noot
18

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
19

Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, 29 362 X

X Noot
20

Kamerstukken II, 2025/26, 36 600 B, nr. 28

X Noot
21

Bijlage bij Kamerstukken I, 2025/26, 36 600 B, W, p. 5.

Naar boven