36 600 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

29 628 Politie

AH1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 9 januari 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid over zichtbaarheid en nabijheid van de politie, waaronder de huisvesting en over de Toezegging Openen van innovatieve politieloketten (T03934). Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 12 november 2025.

  • De antwoordbrief van 9 januari 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Minister van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 12 november 2025

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van het afschrift van 6 oktober 2025 van de brief van uw ambtsvoorganger van 21 februari 2025, gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer, over zichtbaarheid en nabijheid van de politie, waaronder de huisvesting.3 In deze brief gaat de toenmalige Minister tevens in op de sluiting van het politiebureau te Wolvega, waaraan een toezegging aan het lid Van der Goot (OPNL) is verbonden.4 De leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, JA21, SP, ChristenUnie en Volt gezamenlijk, en de leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, JA21, SP, ChristenUnie en Volt gezamenlijk

De brief gaat in op de zichtbaarheid en nabijheid van de politie, waaronder huisvesting, met name in de regio. Daarnaast wordt ingegaan op de ontwikkelingen rondom de zichtbaarheid en nabijheid van de politie in Wolvega. Naar aanleiding hiervan, en mede gelet op de toezegging aan het lid Van der Goot over het openen van innovatieve politieloketten, hebben de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, JA21, SP, ChristenUnie en Volt gezamenlijk nog enkele vragen en opmerkingen, ook in het licht van het adviesrapport «Elke regio telt».5

Genoemde leden waarderen het dat uw ambtsvoorganger zich tijdens een bezoek aan de regio op 24 januari 2025 door de heer Van de Nadort, destijds burgemeester van de gemeente Weststellingwerf, heeft laten informeren over de voortgang van het overleg met de politie-eenheid Noord-Nederland over de toekomst van een politiebureau/opkomstlocatie in Wolvega. De burgemeester van Weststellingwerf liet weten dat hij de uitkomst van dit overleg met vertrouwen tegemoetziet. Daarbij zal onder meer worden bezien hoe en waar in Wolvega een plek kan worden gecreëerd waar agenten hun dienst kunnen beginnen, waar burgers bij de politie kunnen binnenlopen en hoe agenten hun werk anders kunnen organiseren, zodat zij meer in contact komen met burgers.6

Kunt u bevestigen dat sinds januari van dit jaar hard is gewerkt aan een verdere uitwerking en concretisering van de afspraken over het politiebureau/opkomstlocatie in Wolvega, langs de lijnen zoals weergegeven in de brief? Is er inmiddels meer duidelijkheid over de uiteindelijke oplossing voor deze voorziening? Zo ja, hoe ziet die oplossing eruit? Zo nee, wanneer verwacht u dat deze informatie kan worden verstrekt, en kunt u toezeggen om beide Kamers daar rond die tijd nader over te informeren?

Kunt u verder toelichten of, en zo ja, welke criteria worden gehanteerd bij het aanwijzen van een vervangend politiebureau, bijvoorbeeld ten aanzien van bereikbaarheid, publieksfunctie en samenwerking met lokale instanties? In hoeverre verschillen deze criteria per politieregio?

Uit de brief blijkt dat er 225 teambureaus en 243 politieposten in gebruik zijn, en dat dit aantal de komende vijftien jaar zal afnemen tot 178 teambureaus, waarbij circa 35 nieuwe politieposten zullen worden toegevoegd. De leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, CDA, D66, JA21, SP, ChristenUnie en Volt zijn bezorgd dat deze ontwikkeling de zichtbare en fysieke aanwezigheid van de politie in wijken en dorpen zal verminderen.

Deelt u de opvatting dat een korte reistijd tussen opkomstlocatie en werkgebied belangrijk is voor de zichtbaarheid, aanwezigheid en nabijheid van agenten in wijken en dorpen?

Hoe garandeert u dat agenten in landelijke gebieden voldoende tijd in wijken en dorpen kunnen doorbrengen, en niet onevenredig veel tijd kwijt zijn aan reistijd of administratieve taken?

Kunt u aangeven welke concrete en meetbare doelen worden gehanteerd om te voorkomen dat het aantal agenten in landelijke gebieden, dat daadwerkelijk zichtbaar aanwezig is in de buurt of wijk, afneemt?

Hoe wordt bij de uitvoering van het huisvestingsbeleid rekening gehouden met de leefbaarheid en de veiligheidsbeleving in dunbevolkte en vergrijzende regio’s?

Politiebureaus hebben vaak een belangrijke publieksfunctie, terwijl veel politieposten die functie niet of slechts beperkt hebben. De genoemde leden willen zo veel mogelijk voorkomen dat burgers in landelijke gebieden veel verder moeten reizen om aangifte te doen of fysiek contact te hebben met de politie dan in stedelijke regio's.

Hoe waarborgt u dat de publieksfunctie van politielocaties behouden blijft, met name in regio’s waar politiebureaus verdwijnen?

Wordt bij de uitrol van innovatieve politieloketten en pop-uplocaties ook expliciet rekening gehouden met plattelandsregio’s, waar bereikbaarheid of mobiliteit beperkter is?

Hoe monitort u of burgers in deze regio’s daadwerkelijk tevreden zijn over de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de politie, zowel fysiek als digitaal?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB constateren dat uw ambtsvoorganger, net als deze leden zelf, zich zorgen maakte over de beperkte aanwezigheid, zichtbaarheid en nabijheid van de politie op het platteland en in kleine gemeenten. Innovatief gebruik van politieloketten en ICT-middelen, maar ook de herinvoering van oude politiewerkmethoden en het staken van een aantal hierna te noemen activiteiten, zouden hierin volgens genoemde leden verlichting kunnen brengen. Hiervoor kunnen aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zijn. Graag wisselen de leden van de BBB-fractie hierover met u van gedachten, en wel aan de hand van de volgende vragen:

Wat is uw inzet met betrekking tot «het ontwikkelen van nieuwe instroompaden voor personeel, keuzes voor andere manieren van werken (meer online, meer inzet van technologie, een andere wijze van incidentafhandeling) en een selectievere en op onderdelen meer bovenlokale inzet van het strafrecht»? Wat wordt precies bedoeld met «bovenlokale inzet van het strafrecht»? En hoe duidt u «selectievere en op onderdelen meer bovenlokale inzet»?7

«Andere belangrijke elementen zijn duurzaamheid, betaalbaarheid en steeds verdergaand gebruik van digitale en mobiele mogelijkheden in de dienstverlening.»8 Wat is de rol en het belang van «duurzaamheid» in de dienstverlening en/of in de uitoefening van de politietaken? Kunt u concrete voorbeelden geven?

Uit de brief blijkt dat de norm één wijkagent per 5.000 inwoners is.9 Kunt u aangeven in welke mate kleine dorpen en/of ruimtelijk zeer verspreide gemeenschappen met deze norm worden bediend? Betreft dit een gemiddelde norm, waarbij voor de genoemde gemeenschappen een hogere norm van toepassing kan zijn? Met andere woorden: in hoeverre worden de regio's en het platteland als apart aandachtsgebied meegenomen?

Wordt met de norm van één wijkagent bedoeld dat er 24 uur per dag, zeven dagen per week, één agent werkzaam moet zijn? En bent u bereid te overwegen in de Politiewet een minimale norm voor politieaanwezigheid per gemeente op te nemen?

Vervolgens lezen de leden van de fractie van de BBB: «Parallel daaraan, en van groot belang voor het bereiken van grote doelgroepen, maakt de politie de noodzakelijke stappen om online en op straat bereikbaar te zijn voor burgers. Het aantal internetaangiften groeit, van ruim 300.000 in 2019 tot zo’n 400.000 in 2024. Mobiele faciliteiten maken het steeds meer mogelijk om aangiften thuis op te nemen of op straat. De politie geeft aan dat dit in 2024 naar schatting ongeveer 100.000 keer gebeurde.»10 Volgens deze leden heerst onder burgers in toenemende mate het gevoel dat het doen van aangifte zinloos is. Zij constateren dat het vergroten van de mogelijkheden voor digitale en anonieme aangifte dit gevoel niet zal wegnemen. Welke acties heeft u voor ogen om het vertrouwen in het nut van het doen van aangifte te herstellen?

In de brief staat ook een aantal voorbeelden van concepten die in de nieuwe pilots zullen worden beproefd, zoals «het helpen van burgers die een drempel ervaren omdat zij de Nederlandse of Engelse taal niet machtig zijn. Hierbij wordt gekeken naar oplossingen als het meertalig aanbieden van services en mogelijke realtime vertaling bij het videobellen met een politiemedewerker.»11 Zal het verlagen van deze taaldrempel niet tegelijkertijd de drempel om de Nederlandse taal te leren verhogen, en daarmee de integratie met onze cultuur en taal verder vermoeilijken? Welke kosten zijn met deze maatregelen gemoeid, en zijn deze reeds voorzien in de begroting van de politie?

Voor welke van bovengenoemde opties denkt u dat voor invoering aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zullen zijn en om welke wetten zou het dan gaan?

Welke van bovengenoemde opties bent u voornemens op het platteland in te zetten, op welke wijze en waarom zouden deze daar veiligheid kunnen vergroten?

De politie heeft recent aangegeven op het gebied van ICT 400 miljoen euro tekort te komen.12 Moet dit financiële gat niet gedicht worden in het licht van het toenemende belang van ICT in de maatschappij? En hoeveel extra begrotingsruimte heeft u naar inschatting extra nodig voor (alle) in de brief genoemde initiatieven?

De politie maakt gebruik van het C2000-communicatienetwerk. Dit netwerk hapert al geruime tijd, wat leidt tot gebrek aan dekking, hetgeen vooral in afgelegen gebieden op het platteland tot gevaarlijke situaties kan leiden. Verbetering is dringend noodzakelijk, constateren de leden van de BBB-fractie. De Arbeidsinspectie eiste al in 2023 dat de problemen bij het netwerk uiterlijk op 8 juni 2024 zouden zijn opgelost en legde later dat jaar een dwangsom op van 325.000 euro per twee maanden. In 2025 werd de termijn voor het opleggen van de dwangsom uitgesteld, laatstelijk tot 31 oktober 2025.13 Kunt u bevestigen dat de problemen met het netwerk inmiddels zijn opgelost?

Wat zijn momenteel de aanrijtijden van de politie? Wat is het landelijk gemiddelde? Wat zijn de aanrijtijden in de grote steden, wat zijn de aanrijtijden op het platteland, en kunt u een aantal gemiddelde aanrijtijden geven van een paar specifieke rurale gebieden in Nederland?

Laat u de aanrijtijden van de politie in alle delen van Nederland jaar-na-jaar in kaart brengen? (Waar) worden deze jaarlijks gepubliceerd? Laat u de Nederlandse aanrijtijden ook benchmarken tegenover die van de politie in omliggende landen?

Bent u bereid onderzoek te laten doen naar mogelijkheden om de aanwezigheid van de politie op het platteland en in kleine dorpen te vergroten, door – net als vroeger – ter plaatse dienstwoningen voor politieagenten en hun gezinnen aan te kopen, of om hen anderszins te faciliteren bij het vinden en huren of kopen van woonruimte in de plaats of omgeving waar zij werken?

Kan de politie in rurale gebieden (nog) meer met drones en paarden surveillance uitvoeren? Bent u bereid hiervoor een plan op te stellen en de Kamer hierover te informeren?

Bent u bereid te overwegen om in de wet op te nemen dat, wanneer de aanrijtijden van de politie bij bedreigingen uitzonderlijk lang zijn, de burgemeester of de politie toestemming kan geven aan de bedreigde om zich met pepperspray te beschermen totdat de politie aanwezig is? Eenzelfde vraag leggen de leden van de BBB-fractie aan u voor met betrekking tot particuliere beveiligers van bedreigde personen.

Na de meest recente aanpassing van het politiebestel lijkt de binding van de politie met de regio of streek waar zij werkt afgenomen, aldus de leden van de fractie van de BBB.14 Bent u bereid, met name met het oog op plattelandsgebieden, onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid om in de Politiewet ruimte te creëren om delen van de politie meer te laten aansluiten op de problemen en wensen van de lokale bevolking en autoriteiten? Hierbij kan worden gedacht aan het spreken van de lokale taal of het dialect, het wonen en opgegroeid zijn in het gebied waar wordt gewerkt, aanstelling voor een specifiek werkgebied, gebruik van de naam of symbolen van de regio of streek, maar ook aan het vergroten van de ruimte voor het lokale gezag om prioriteiten in de handhaving en andere taken te stellen.

Bent u bereid na te denken over het toestaan – mogelijk ook middels een aanpassing van de Politiewet – dat provincies bijdragen aan het budget van de politie, zodat regionaal, en met name in plattelandsgebieden, meer capaciteit beschikbaar komt en de politie daar dus meer aanwezig en zichtbaar is?

In een aantal (stads)regio’s van Nederland werkt de lokale politie nog met vele, duizenden, vrijwillige politiemedewerkers, met name tijdens drukke winkeltijden, evenementen en delen van het weekend. Deze dienen uiteraard voldoende te zijn opgeleid en getraind. Ziet u potentieel in het opzetten van regionale groepen politievrijwilligers, met name voor landelijke gebieden, als aanvulling op de vaste capaciteit?

Bent u bereid met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een plan te ontwikkelen om in kleine en plattelandsgemeenten meer boa’s in dienst te kunnen laten nemen? Bent u bereid specifiek daarvoor extra begrotingsruimte beschikbaar te maken?

In veel dorpen en landelijke gebieden is, vooral ’s nachts, meer particuliere beveiliging dan politie aanwezig, zo constateren de leden van de BBB-fractie. Bent u bereid om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opties te onderzoeken om – binnen de wet en onder aansturing van de politie of gemeente – in dorpen en op het platteland meer gebruik te maken van particuliere beveiliging, als «ogen van de politie» en om aanwezigheid uit te stralen?

Bent u bereid om, voor plattelandsgebieden en dorpen waar de Koninklijke Marechaussee regelmatig aanwezig is voor haar taken, met betreffende burgemeesters te overleggen om vaker bijstand van dat korps te vragen – steeds voor een aantal jaren – zodat het korps hiervoor ook structureel capaciteit kan plannen en rekruteren? Hierbij kan worden gedacht aan de «semipermanente bijstand» uit de jaren ’70 en ’80.

In veel wijken, dorpen en landelijke gebieden werken burgers samen bij het alert zijn op verdachte bewegingen, onder andere via buurtpreventie en buurtapp-groepen. Bent u bereid te overwegen om dit soort initiatieven proactief verder uit te rollen? En kunt u toezeggen dat deze burgerinitiatieven op een eenduidige manier worden ondersteund door middel van advisering, training en eventueel het faciliteren van de aankoop van alarmsystemen, communicatieapparatuur en dergelijke?

Wilt u overwegen voor geweld tegen hulpverleners zoals brandweer, politie en zorgpersoneel, die er op het platteland langer in kleine aantallen «alleen voorstaan», de wet aan te passen zodat altijd vervolging wordt ingesteld en alleen onvoorwaardelijke gevangenisstraf mag worden gegeven?

Wilt u ook overwegen om particuliere beveiliging in de wet te scharen onder «hulpverleners», zodat ook bij geweld tegen hen hogere straffen kunnen worden geëist?

Wat heeft u gedaan voor de juridische borging van de neutrale uitstraling van boa’s? De leden van de fractie van de BBB hebben dezelfde vraag voor de politie en de Koninklijke Marechaussee, alsook voor andere plural policing-actoren, zoals de Douane (via de Douanewet), deurwaarders (via de Gerechtsdeurwaarderswet) en particuliere beveiliging (via de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus)? En wat bent u, bovenop wat u al heeft gedaan, nog voornemens te doen voor de juridische borging van de neutrale uitstraling van genoemde organisaties?

Nader ingaand op de noodzakelijke neutrale uitstraling van de politie maken de leden van de BBB-fractie hun zorgen kenbaar over de volgende feiten:

  • Deelname door politiemensen aan zogenaamde iftars, het houden van iftars op politiebureaus en/of het uitspreken van gebeden (al dan niet in de Arabische taal) door één of meer politiemensen bij die gelegenheid;

  • Het verkondigen van uitgesproken standpunten over de Gaza-oorlog op sociale media door geüniformeerde politiemensen;

  • De weigering door politiemensen om Joodse objecten te beschermen;

  • De tijdsverspilling door een onderbezette Nationale Politie in te zetten bij zogenoemde «woke»-activiteiten, zoals Coming Out Day, Diversity Day en de Pride in Amsterdam.

De leden van de fractie van de BBB verzoeken u op elk van deze vraagpunten een gemotiveerd antwoord te geven.

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag uiterlijk vóór 10 december 2025.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 januari 2026

In deze brief ga ik in op de vragen gesteld in de brief van uw Kamer «Vragen n.a.v. toezegging aan het lid Van der Goot (OPNL) over het openen van innovatieve politieloketten (T03934)».

Vraag 1

Kunt u bevestigen dat sinds januari van dit jaar hard is gewerkt aan een verdere uitwerking en concretisering van de afspraken over het politiebureau/ opkomstlocatie in Wolvega, langs de lijnen zoals weergegeven in de brief? Is er inmiddels meer duidelijkheid over de uiteindelijke oplossing voor deze voorziening? Zo ja, hoe ziet die oplossing eruit? Zo nee, wanneer verwacht u dat deze informatie kan worden verstrekt, en kunt u toezeggen om beide Kamers daar rond die tijd nader over te informeren?

Antwoord op vraag 1

Sinds begin dit jaar is gewerkt aan een verdere uitwerking en concretisering van de afspraken over het politiebureau/opkomstlocatie in Wolvega. De huidige locatie zal in de nieuwe situatie als opkomstlocatie voor de agenten van een deel van het basisteam Zuidoost Fryslân worden benut en krijgt net als in de huidige situatie een (beperkte) publieksfunctie. Realisatie van de politiepost is gepland voor 2026. Het behoud van een opkomstlocatie in Wolvega en het effect daarvan op de huisvestingsprojecten in de rest van het teamgebied zijn afgestemd met het lokaal gezag.

Vraag 2

Kunt u verder toelichten of, en zo ja, welke criteria worden gehanteerd bij het aanwijzen van een vervangend politiebureau, bijvoorbeeld ten aanzien van bereikbaarheid, publieksfunctie en samenwerking met lokale instanties? In hoeverre verschillen deze criteria per politieregio?

Antwoord op vraag 2

Centraal uitgangspunt van het landelijk huisvestingsbeleid van de korpschef is om één teambureau te hebben voor ieder basisteam, waar nodig ondersteund met politieposten van verschillende aard en omvang. Het beleid komt tot stand in goed overleg met het lokaal gezag, zeker ook wanneer er een wijziging van het oorspronkelijke plan aan de orde is. Bij de huisvestingskeuzes wordt in algemene zin rekening gehouden met de regionale situatie waarbij wordt bekeken welke vorm van fysieke aanwezigheid passend is gelet op de kenmerken van het werkgebied, de operationele werkzaamheden van de politie en de (geldende) financiële kaders. Naast doelmatigheid en doeltreffendheid zijn overwegingen die daarbij worden betrokken bijvoorbeeld de veiligheidssituatie en -beleving ter plaatse, de leefbaarheid van een gebied, de kwaliteit van de dienstverlening, de meest gewenste inzet van de beschikbare agenten, bereikbaarheid, de mate waarin politielocaties door het publiek worden bezocht en de samenwerking met lokale instanties zoals gemeenten.

Vraag 3

Deelt u de opvatting dat een korte reistijd tussen opkomstlocatie en werkgebied belangrijk is voor de zichtbaarheid, aanwezigheid en nabijheid van agenten in wijken en dorpen?

Antwoord op vraag 3

Alle opkomstlocaties van een basisteam liggen binnen het werkgebied van het team. Reistijd tussen opkomstlocatie en werkgebied is een van de elementen die een rol speelt bij het organiseren van zichtbaarheid en nabijheid van de politie, maar zeker niet de enige. Belangrijk is bijvoorbeeld ook de apparatuur waarover agenten beschikken om een zo groot mogelijk deel van hun werk, zoals aangifte opnemen of informatie opvragen, op straat te kunnen doen. Ook kan maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Bij een melding van online criminaliteit, zoals bankhelpdeskfraude, bezoeken agenten het slachtoffer, gelet op de impact van deze criminaliteitsvorm, inmiddels binnen alle politie-eenheden ook thuis. Deze werkwijze is inmiddels landelijk uitgerold.

Vraag 4

Hoe garandeert u dat agenten in landelijke gebieden voldoende tijd in wijken en dorpen kunnen doorbrengen, en niet onevenredig veel tijd kwijt zijn aan reistijd of administratieve taken?

Antwoord op vraag 4

De inzet van politie in de basisteams wordt bepaald in de lokale driehoek door de burgemeester, als gezag over de handhaving van de openbare orde, en de officier van justitie, als gezag over de opsporing. De werklast van basisteams is hoog en in veel basisteams is er sprake van onderbezetting. Er zijn dus altijd scherpe keuzes aan de orde als het gaat over inzet van agenten voor de incidentafhandeling, openbare orde, aanwezigheid in de wijk en de opsporing, al lopen die werkzaamheden soms ook in elkaar over. Die keuzes worden lokaal gemaakt. Centraal uitgangspunt van het landelijk huisvestingsbeleid van de korpschef is om één teambureau te hebben voor ieder basisteam, waar nodig ondersteund met politieposten van verschillende aard en omvang. Dit gebeurt in overleg met het lokale gezag. Dit kunnen grote of kleine posten zijn met verschillende faciliteiten en functionaliteiten, zoals opkomstlocatie (i.v.m. reistijd) en publieksfunctie. Om te bevorderen dat agenten een zo groot mogelijk deel van een tijd op straat kunnen zijn, en niet achter een bureau zitten, beschikken zij steeds meer over apparatuur om een zo groot mogelijk deel van hun werk, zoals aangifte opnemen of informatie opvragen, op straat te kunnen doen. In mijn antwoord op vraag 3 ben ik daar ook op ingegaan.

Vraag 5

Kunt u aangeven welke concrete en meetbare doelen worden gehanteerd om te voorkomen dat het aantal agenten in landelijke gebieden, dat daadwerkelijk zichtbaar aanwezig is in de buurt of wijk, afneemt?

Antwoord op vraag 5

Het is de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid om de politiesterkte over de eenheden te verdelen. De verdeling van de politiesterkte binnen de regionale eenheden is vervolgens de verantwoordelijkheid van de gezagen van de betreffende eenheid (burgemeesters en hoofdofficier van justitie). In de lokale driehoek overleggen de officier van justitie en de burgemeester waar de politie op wordt ingezet. Dat doen zij op basis van de veiligheidssituatie, specifieke problematiek die speelt, etc. De inzet van agenten in landelijke gebieden wordt hier dus ook besproken.

Verder wordt er in iedere regionale eenheid hard gewerkt om vacatures voor wijkagenten of andere vacatures in de gebiedsgebonden politie in te vullen.

Vraag 6

Hoe wordt bij de uitvoering van het huisvestingsbeleid rekening gehouden met de leefbaarheid en de veiligheidsbeleving in dunbevolkte en vergrijzende regio’s?

Antwoord op vraag 6

Rekening houden met onder andere de leefbaarheid van en veiligheidsbeleving in een bepaald gebied is onderdeel van de afstemming met het lokale gezag. Qua huisvesting wordt dit ondersteund met politiebureaus, politieposten en allerlei pop up- en mobiele vormen. Zie verder antwoord op vraag 2.

Vraag 7

Hoe waarborgt u dat de publieksfunctie van politielocaties behouden blijft, met name in regio’s waar politiebureaus verdwijnen?

Antwoord op vraag 7

Centraal uitgangspunt van het huisvestingsbeleid van de korpschef is om één teambureau te hebben voor ieder basisteam, waar nodig ondersteund met politieposten van verschillende aard en omvang. Verschillende functies van fysieke politielocaties dragen bij aan de zichtbaarheid en bereikbaarheid van de politie, in het bijzonder de publieksfunctie (de mogelijkheid van het doen van een melding of aangifte na inloop en/of op afspraak, afhankelijk van de behoefte op locatie) en de opkomstfunctie (de locatie waar agenten hun dienst beginnen). Deze functies hoeven echter niet noodzakelijk op een teambureau te worden belegd; ze kunnen ook worden verplaatst naar (eventueel nieuw te openen) kleine of grote politieposten. Per geval bekijkt de politie in overleg met het lokaal gezag welke functies op een fysieke politielocatie moeten worden belegd voor een zo passend mogelijke dienstverlening. Het hebben van een opkomst- of publiekslocatie naast het teambureau draagt vooral bij een uitgestrekt basisteamgebied bij aan het behoud van verbinding met en bereikbaarheid voor de omgeving te kunnen maken.

Vraag 8

Wordt bij de uitrol van innovatieve politieloketten en pop-uplocaties ook expliciet rekening gehouden met plattelandsregio’s, waar bereikbaarheid of mobiliteit beperkter is?

Antwoord op vraag 8

De ontwikkeling van innovatieve politieloketten, waar burgers met politie in contact komen via moderne techniek en innovatie, is nog in de pilotfase. Daarbij is zeker ook oog voor zichtbaarheid en bereikbaarheid van politie in het plattelandsgebied en zijn er plannen om een of meer pilots in te richten op locaties waar burgers in hun dagelijks leven komen zoals: het gemeentekantoor, bibliotheken, winkelcentra, sportlocaties enz. Over welke gevalideerde concepten de pilots uiteindelijk gaan opleveren, en over de uitrol daarvan, kan ik op dit moment nog niets zeggen.

Verder wordt in alle regionale eenheden reeds gebruik gemaakt van alternatieve manieren om fysiek in contact te komen met burgers. Ze bestaan in vele soorten en maten, zoals pop-up bureaus, politie-wijkbussen, tafeltjes op markten of in winkelcentra. Keuzes over de inzet hiervan worden gemaakt in de basisteams zelf, waar nodig in overleg met het lokaal gezag. Zij kennen de situatie in hun werkgebied immers het best.

Vraag 9

Hoe monitort u of burgers in deze regio’s daadwerkelijk tevreden zijn over de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de politie, zowel fysiek als digitaal?

Antwoord op vraag 9

De tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor van het CBS bevat cijfers over de tevredenheid van burgers over het contact met de politie, over het functioneren van politie en over de zichtbaarheid van politie in de buurt. Data zijn beschikbaar naar stedelijkheid, per regionale eenheid en per basisteam. Middels de politiemonitor is er continu inzicht op de tevredenheid van burgers over de dienstverlening over de verschillende toegangskanalen (incl. digitaal), zodat ook op teamniveau doorlopend aan verbetering van de dienstverlening kan worden gewerkt. Op lokaal niveau wordt het gesprek over de nabijheid en zichtbaarheid van politie gevoerd in de driehoek.

Vraag 10

Wat is uw inzet met betrekking tot «het ontwikkelen van nieuwe instroompaden voor personeel, keuzes voor andere manieren van werken (meer online, meer inzet van technologie, een andere wijze van incidentafhandeling) en een selectievere en op onderdelen meer bovenlokale inzet van het strafrecht» ? Wat wordt precies bedoeld met «bovenlokale inzet van het strafrecht» ? En hoe duidt u «selectievere en op onderdelen meer bovenlokale inzet»?

Antwoord op vraag 10

Er is de afgelopen jaren hard gewerkt aan het vullen van de operationele bezetting, onder meer door middel van de reguliere instroom bij de gebiedsgebonden politie en de specialistische zij-instroom in de opsporing. De route van specialistische zij-instroom bestaat inmiddels een aantal jaren. Via deze route kunnen mensen die specialistische kennis elders hebben opgedaan met een opleiding van enkele maanden instromen bij de politie. Deze specialistische zij-instroom is bijvoorbeeld mogelijk op financieel-economisch, digitaal, milieu, forensisch en seksuele misdrijven. Vanaf het tweede kwartaal 2026 wordt directe instroom mogelijk van politiemedewerkers die gaan werken in de tactische opsporing.15 Deze medewerkers, bijvoorbeeld afgestudeerde HBO-ers, krijgen een opleiding van een aantal maanden en kunnen daarna specifieke opsporingswerkzaamheden gaan uitvoeren in onder andere de basisteams.

Het anders vorm geven van de incidentafhandeling krijgt stap voor stap vorm en is onderwerp van gesprek in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. De bedoeling hiervan is om meer ruimte en tijd te (kunnen) maken voor proactief, wijkgericht politiewerk.

Moderne techniek helpt de politie om het werk sneller en effectiever te doen. Voorbeelden hiervan zijn drones en de inzet van sensing (ANPR-camera’s, cameratoezicht) voor opsporing en handhaving.

Met een selectievere inzet van het strafrecht, bedoel ik dat de schaarse capaciteit van de organisaties in de strafrechtketen vooral wordt ingezet voor de feiten die er het meest toe doen en waarbij de inzet van het strafrecht en van strafrechtelijke vervolging daadwerkelijk verschil kunnen maken. Het OM en de politie werken op dit moment geactualiseerde uitgangspunten voor opportuniteit en selectiviteit uit, met als doel een goede instroom van zaken bij veelvoorkomende criminaliteit te realiseren. Veelvoorkomende criminaliteit vindt steeds vaker gedigitaliseerd (of: online) plaats. Daders van bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude of andere vormen van oplichting, maken lokaal slachtoffers, maar acteren vaak nationaal of zelfs internationaal. Een aanpak vanuit basisteams is daarmee niet in alle gevallen de meest logische of de beste. Daarom wordt, in afstemming met de gezagen, gesproken over het verder ontwikkelen van een bovenlokale aanpak. Zie over opsporing in de basisteams ook mijn recente beleidsreactie op het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid.

Vraag 11

«Andere belangrijke elementen zijn duurzaamheid, betaalbaarheid en steeds verdergaand gebruik van digitale en mobiele mogelijkheden in de dienstverlening.» Wat is de rol en het belang van «duurzaamheid» in de dienstverlening en/of in de uitoefening van de politietaken? Kunt u concrete voorbeelden geven?

Antwoord op vraag 11

Bij huisvesting is sprake van hogere kosten vanwege wettelijke verplichtingen voor verduurzaming. Kantoren in eigendom van de politie moeten bijvoorbeeld net als andere overheidsdiensten voldoen aan de energielabel C-verplichting uit het Bouwbesluit voor kantoren. Overigens brengt het uitvoeren van de duurzaamheidsmaatregelen naast het nakomen van de wettelijke verplichting ook kostenvoordelen vanwege de lagere energielasten. Van toenemend belang is verder het nemen van maatregelen die bijdragen aan de businesscontinuïteit en weerbaarheid van de politieorganisatie bij dreigingen, zoals door kunnen blijven draaien bij hevige overstromingen en stroomuitval. Dit alles is er op gericht om dienstverlening en de uitoefening van de politietaken ook bij extreme (weers)situaties zoveel mogelijk te kunnen waarborgen.

Vraag 12

Uit de brief blijkt dat de norm één wijkagent per 5.000 inwoners is. Kunt u aangeven in welke mate kleine dorpen en/of ruimtelijk zeer verspreide gemeenschappen met deze norm worden bediend? Betreft dit een gemiddelde norm, waarbij voor de genoemde gemeenschappen een hogere norm van toepassing kan zijn? Met andere woorden: in hoeverre worden de regio's en het platteland als apart aandachtsgebied meegenomen?

Antwoord op vraag 12

In de Politiewet 2012 is vastgelegd dat er ten minste één wijkagent is per 5.000 inwoners.16 Dit betreft een landelijke norm die geldt als gemiddelde op eenheidsniveau. Bij de verdeling van de formatie binnen de eenheden door de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie (zie ook bij de beantwoording van vraag 5) wordt deze norm toegepast bij het bepalen van het totaal voor de eenheid minimaal aantal wijkagenten. Daarbij is het niet de praktijk en ook niet de bedoeling om een spreekwoordelijk «hek» te plaatsen rond elke 5.000 inwoners en daar 1 fte wijkagent tegenover te zetten. Het is juist belangrijk om lokaal bewust maatwerk te kunnen leveren en dat gebeurt ook. Er zijn wijken en buitengebieden die meer inzet van een wijkagent vragen dan andere, vanwege de zich daar afspelende veiligheidsproblematiek of andere specifieke omstandigheden.

Vraag 13

Wordt met de norm van één wijkagent bedoeld dat er 24 uur per dag, zeven dagen per week, één agent werkzaam moet zijn? En bent u bereid te overwegen in de Politiewet een minimale norm voor politieaanwezigheid per gemeente op te nemen?

Antwoord op vraag 13

Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 12, wordt de wettelijke norm dat er ten minste één wijkagent is per 5.000 inwoners toegepast bij de verdeling van de formatie op eenheidsniveau. Uit de norm volgt dus niet dat er 24/7 een bepaald aantal wijkagenten werkzaam moet zijn. De inzet van de beschikbare politiecapaciteit wordt bepaald door de gezagen in de lokale driehoek. Verder is er bij de vorming van de nationale politie uitdrukkelijk niet voor gekozen om een wettelijke norm op te nemen voor de aanwezigheid van de wijkagent in de wijk. De overweging daarbij was dat dit zou impliceren dat daarvoor in algemeen verbindende voorschriften moet worden vervat welke werkzaamheden meetellen voor de berekening van zo’n norm. Bovendien zou het een belangrijke toename van de administratieve lasten met zich meebrengen.17

Vraag 14

Vervolgens lezen de leden van de fractie van de BBB: «Parallel daaraan, en van groot belang voor het bereiken van grote doelgroepen, maakt de politie de noodzakelijke stappen om online en op straat bereikbaar te zijn voor burgers. Het aantal internetaangiften groeit, van ruim 300.000 in 2019 tot zo’n 400.000 in 2024. Mobiele faciliteiten maken het steeds meer mogelijk om aangiften thuis op te nemen of op straat. De politie geeft aan dat dit in 2024 naar schatting ongeveer 100.000 keer gebeurde.» Volgens deze leden heerst onder burgers in toenemende mate het gevoel dat het doen van aangifte zinloos is. Zij constateren dat het vergroten van de mogelijkheden voor digitale en anonieme aangifte dit gevoel niet zal wegnemen. Welke acties heeft u voor ogen om het vertrouwen in het nut van het doen van aangifte te herstellen?

Antwoord op vraag 14

Iedereen die slachtoffer is of op een andere manier kennis heeft van een strafbaar feit kan daarvan aangifte te doen bij de politie. Er kunnen meerdere factoren een rol spelen bij de overweging om wel of geen aangifte te doen, zoals de beleving en de ernst die het slachtoffer aan de gebeurtenis verbindt, maar ook de kwaliteit van het contact met de politie en de verwachtingen ten aanzien van de opvolging van de aangifte. De afgelopen jaren zijn verbeteringen doorgevoerd in het proces van het doen van een melding en/of aangifte, waarbij de behoeften en rechten van het slachtoffer meer centraal zijn komen te staan. Verder monitort de politie de tevredenheid van burgers na het contact met de politie, zodat ook op teamniveau doorlopend aan verbetering van de dienstverlening kan worden gewerkt. Het doen van aangifte is echter geen doel op zich. Er zijn ook andere manieren om – buiten het strafrecht – het slachtoffer op een bij zijn of haar situatie en individuele behoefte passende wijze te helpen (bijvoorbeeld door hulpverlening aan te bieden of via herstelbemiddeling). In het contact tussen politie en slachtoffer is in toenemende mate aandacht voor het kiezen van een wijze van opvolging die past bij de wens en het doel van het slachtoffer.

Vraag 15

In de brief staat ook een aantal voorbeelden van concepten die in de nieuwe pilots zullen worden beproefd, zoals «het helpen van burgers die een drempel ervaren omdat zij de Nederlandse of Engelse taal niet machtig zijn. Hierbij wordt gekeken naar oplossingen als het meertalig aanbieden van services en mogelijke realtime vertaling bij het videobellen met een politiemedewerker.» Zal het verlagen van deze taaldrempel niet tegelijkertijd de drempel om de Nederlandse taal te leren verhogen, en daarmee de integratie met onze cultuur en taal verder vermoeilijken? Welke kosten zijn met deze maatregelen gemoeid, en zijn deze reeds voorzien in de begroting van de politie?

Antwoord op vraag 15

Het is belangrijk dat een ieder die in Nederland hulp behoeft zich effectief kan wenden tot de politie. Dat de politie via een pilot het meertalig aanbieden van services wil beproeven, sluit wat mij betreft daarbij aan. Meertalig aanbieden van diensten is overigens een van concepten die de politie wil gaan beproeven. Zie ook het antwoord op vraag 8. Over welke gevalideerde concepten de pilots uiteindelijk gaan opleveren, over de uitrol daarvan en de ermee gemoeide kosten, kan ik op dit moment nog niets zeggen. In brede zin is door het kabinet geïnvesteerd in de ontwikkeling van innovatieve politieloketten. Voor de jaren 2025 en 2026 is daarvoor respectievelijk 7,5 en 10 miljoen euro aan de begroting van politie toegevoegd.

Vraag 16

Voor welke van bovengenoemde opties denkt u dat voor invoering aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zullen zijn en om welke wetten zou het dan gaan?

Antwoord op vraag 16

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8, is de ontwikkeling van innovatieve politieloketten nog in de pilotfase. Over welke gevalideerde concepten de pilots uiteindelijk gaan opleveren en welke (aanvullende) wet- en regelgeving eventueel nodig is, kan ik op dit moment dus nog niets zeggen.

Vraag 17

Welke van bovengenoemde opties bent u voornemens op het platteland in te zetten, op welke wijze en waarom zouden deze daar veiligheid kunnen vergroten?

Antwoord op vraag 17

Zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 18

De politie heeft recent aangegeven op het gebied van ICT 400 miljoen euro tekort te komen. Moet dit financiële gat niet gedicht worden in het licht van het toenemende belang van ICT in de maatschappij? En hoeveel extra begrotingsruimte heeft u naar inschatting extra nodig voor (alle) in de brief genoemde initiatieven?

Antwoord op vraag 18

Leden van de fractie BBB van de Eerste Kamer hebben vragen gesteld over het tekort bij de politie op het gebied van ICT en of dit financiële gat niet gedicht moet worden. In het begroting en beheerplan 2026–2030 van politie is de financiële opgave van politie nader toegelicht. Politie heeft zelf maatregelen getroffen om een deel van de tekorten te mitigeren. De in te passen problematiek op het terrein van informatievoorziening (IV) bedraagt structureel 186 miljoen euro. De totale resterende financiële problematiek waarvoor nog dekking gevonden moet worden bedraagt structureel circa 350 miljoen euro.

Ik heb de Tweede Kamer geïnformeerd over de meerjarenbegroting van de politie en de financiële opgave (Kamerstuk II 29 628, 1277). Voor 2026 is de landelijke financiële opgave vertaald naar de eenheden. Zoals besproken in het LOVP, worden door de gezagen in de eenheden, waar nodig, maatregelen getroffen om de financiële opgave in te vullen. De meerjarige keuzes bij het op orde brengen van de politiebegroting moeten in het licht van de financiële kaders zorgvuldig gewogen worden, waarbij dit uiteraard ook in overleg met de gezagen (regioburgemeesters, Openbaar Ministerie) zal gebeuren. De voorbereiding hiervoor loopt.

Vraag 19

De politie maakt gebruik van het C2000-communicatienetwerk. Dit netwerk hapert al geruime tijd, wat leidt tot gebrek aan dekking, hetgeen vooral in afgelegen gebieden op het platteland tot gevaarlijke situaties kan leiden. Verbetering is dringend noodzakelijk, constateren de leden van de BBB-fractie. De Arbeidsinspectie eiste al in 2023 dat de problemen bij het netwerk uiterlijk op 8 juni 2024 zouden zijn opgelost en legde later dat jaar een dwangsom op van 325.000 euro per twee maanden. In 2025 werd de termijn voor het opleggen van de dwangsom uitgesteld, laatstelijk tot 31 oktober 2025. Kunt u bevestigen dat de problemen met het netwerk inmiddels zijn opgelost?

Antwoord op vraag 19

Ervoor zorgen dat hulpverleners de kennis en kunde hebben om veilig met randapparatuur zoals portofoons om te gaan, en het beheer ervan, is een verantwoordelijkheid van de werkgever. Daarom heeft de Arbeidsinspectie handhavingsbesluiten opgelegd aan de politie, op basis van de werkgeversverantwoordelijkheid die de politie heeft voor de agenten op straat.

Op 31 oktober 2025 is de deadline van de Arbeidsinspectie verlopen. De Arbeidsinspectie heeft de politie verteld dat zij in november 2025 het onderzoek zal voortzetten om vast te stellen of de politie al dan niet heeft voldaan aan de besluiten. Over het verbeterprogramma en de getroffen maatregelen informeerde ik eerder per brief de Tweede Kamer op 11 april 2025.18

De politie zet het verbeterprogramma ook de komende maanden voort. Er zijn namelijk nog meer maatregelen in voorbereiding (zoals een verplichte e-learning) die bovenop de gerealiseerde verbeteringen komen.

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid gaat, in samenwerking met de landelijke meldkamer samenwerking (LMS), binnen het verbeterprogramma onverwijld door met het optimaliseren van de beschikbaarheid en dekking van C2000, zowel in de meldkamers als op straat. Voorbeelden daarvan zijn het verbeteren van de dekking van C2000 door het bijplaatsen van masten in gebieden met verminderde dekking, het robuuster maken van het radiobediensysteem van C2000, het sluiten van nieuwe C2000 contracten en het verminderen van verstoringen van C2000 door externe factoren zoals zonnepanelen. Het is daarbij goed te realiseren dat 100% dekking nooit mogelijk zal zijn, bijvoorbeeld door veranderingen in de bebouwde omgeving.

Vraag 20

Wat zijn momenteel de aanrijtijden van de politie? Wat is het landelijk gemiddelde? Wat zijn de aan-rijtijden in de grote steden, wat zijn de aanrijtijden op het platteland, en kunt u een aantal gemiddelde aanrijtijden geven van een paar specifieke rurale gebieden in Nederland?

Antwoord op vraag 20

De politie hanteert een scherpe interne streefnorm voor de reactietijd bij spoedmeldingen, namelijk dat zij in 90% van de gevallen binnen 15 minuten ter plaatse is. In 2024 werd deze norm landelijk gezien in 83,7% van de gevallen gehaald. Dit beeld is redelijk stabiel (het landelijk gemiddelde ligt de afgelopen jaren steeds rond de 84%), terwijl het aantal spoedmeldingen op landelijk niveau fors toeneemt (van 285.000 in 2021 naar 335.000 in 2024). Op gemeenteniveau zijn er verschillen, zie hiervoor data.politie.nl - Reactietijd Prio 1-meldingen, gemeente, regionale eenheid. De reactietijden worden onder andere beïnvloed door geografische en infrastructurele kenmerken waaronder rivieren, bruggen en spoorlijnen, ook in combinatie met de omvang van het werkgebied. Vooral in landelijke en uitgestrekte gebieden zien we dat de reactietijd over het algemeen langer is.

Vraag 21

Laat u de aanrijtijden van de politie in alle delen van Nederland jaar-na-jaar in kaart brengen? (Waar) worden deze jaarlijks gepubliceerd? Laat u de Nederlandse aanrijtijden ook benchmarken tegenover die van de politie in omliggende landen?

Antwoord op vraag 21

De reactietijden van de politie worden maandelijks gepubliceerd en zijn tot gemeenteniveau raadpleegbaar (zie data.politie.nl - Reactietijd Prio 1-meldingen, gemeente, regionale eenheid). De interne streefnorm van de politie voor de reactietijd bij spoedmeldingen is afgestemd op de Nederlandse situatie (zowel kenmerken van het gebied als het presterend vermogen van de politieorganisatie). Daarmee is een vergelijking met het buitenland lastig te maken.

Vraag 22

Bent u bereid onderzoek te laten doen naar mogelijkheden om de aanwezigheid van de politie op het platteland en in kleine dorpen te vergroten, door – net als vroeger – ter plaatse dienstwoningen voor politieagenten en hun gezinnen aan te kopen, of om hen anderszins te faciliteren bij het vinden en huren of kopen van woonruimte in de plaats of omgeving waar zij werken?

Antwoord op vraag 22

De mogelijkheden hiertoe zijn in 2024 onderzocht in het onderzoek naar Arbeidsmarktstrategiemaatregelen bij de politie. Sommige gemeenten hebben een beroepsgroepenregeling voor een aantal beroepen, zoals de zorg, het onderwijs en de politie. De politie beschikt nog over een klein aantal dienstwoningen. Uitbreiding daarvan is niet voorzien.

Vraag 23

Kan de politie in rurale gebieden (nog) meer met drones en paarden surveillance uitvoeren? Bent u bereid hiervoor een plan op te stellen en de Kamer hierover te informeren?

Antwoord op vraag 23

Moderne techniek helpt de politie om het werk sneller en effectiever te doen. Welke technologische middelen het beste kunnen worden ingezet in een specifieke situatie of een bepaald gebied is aan de politie. Inmiddels heeft elke politie-eenheid de beschikking over een droneteam. Met behulp van een drone kan de politie bijvoorbeeld in een kort tijdsbestek een overzichtsbeeld maken van een verkeersongeval, zodat het betreffende wegdeel weer snel kan worden vrijgegeven. Ook kan door een drone met een warmtebeeldcamera gerichter naar een vermist persoon worden gezocht. Bij een ordeverstoring kan de politie door de inzet van een drone snel een beeld krijgen van de mensenstromen en de gebeurtenissen op de grond, waardoor eventueel politieoptreden gerichter kan plaatsvinden. De luchtvaartwetgeving biedt op dit moment geen ruimte om buiten het zicht van de operator te vliegen. Surveillancevluchten met behulp van een drone zijn daarom niet mogelijk. De politie voert wel tests uit met drones die buiten het zicht van de operator kunnen vliegen om te kijken of en hoe drones bij kunnen dragen aan efficiëntere en effectievere incidentafhandeling. In het eerste halfjaarbericht politie van 2026 zal ik uw Kamer informeren over de voortgang van deze tests. Met betrekking tot de inzet van paarden kan ik u melden dat er geen plan is voor meer surveillance met paarden. De huidige inzet, bijvoorbeeld bij vermissingen in bosgebieden of in het kader van de openbare orde, past bij de beschikbare capaciteit en competentie.

Vraag 24

Bent u bereid te overwegen om in de wet op te nemen dat, wanneer de aanrijtijden van de politie bij bedreigingen uitzonderlijk lang zijn, de burgemeester of de politie toestemming kan geven aan de bedreigde om zich met pepperspray te beschermen totdat de politie aanwezig is? Eenzelfde vraag leggen de leden van de BBB-fractie aan u voor met betrekking tot particuliere beveiligers van bedreigde personen.

Antwoord op vraag 24

Voor het kerstreces ontvangt uw Kamer een brief over de inzet veiligheidsmiddelen door vrouwen in openbare ruimte en een verkenning naar het beleid rond pepperspray in de omliggende landen.

Vraag 25

Na de meest recente aanpassing van het politiebestel lijkt de binding van de politie met de regio of streek waar zij werkt afgenomen, aldus de leden van de fractie van de BBB. Bent u bereid, met name met het oog op plattelandsgebieden, onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid om in de Politiewet ruimte te creëren om delen van de politie meer te laten aansluiten op de problemen en wensen van de lokale bevolking en autoriteiten? Hierbij kan worden gedacht aan het spreken van de lokale taal of het dialect, het wonen en opgegroeid zijn in het gebied waar wordt gewerkt, aanstelling voor een specifiek werkgebied, gebruik van de naam of symbolen van de regio of streek, maar ook aan het vergroten van de ruimte voor het lokale gezag om prioriteiten in de handhaving en andere taken te stellen.

Antwoord op vraag 25

De politie werkt naar een model dat gebiedsgebonden is, waarin de politie continu in verbinding staat met de omgeving en meebeweegt in de ontwikkelingen van de veranderende en diverse samenleving. De Politiewet 2012 biedt hiervoor ruimte. Een belangrijk element daarbij is dat de aansturing van de taakuitvoering van de politie vooral op lokaal niveau moet plaatsvinden met daarbij een leidende rol voor de in deze wet verankerde lokale driehoek. Specifiek ten aanzien van meer ruimte voor het lokale gezag wordt door de politie gewerkt naar meer budgettaire verantwoordelijkheid voor de eenheden, zodat politiechefs en teamchefs meer ruimte hebben in het overleg met het (lokaal) gezag over de inzet van mensen en middelen. Ik zie geen aanleiding voor een onderzoek om de lokale verankering nog verder wettelijk te borgen.

Vraag 26

Bent u bereid na te denken over het toestaan – mogelijk ook middels een aanpassing van de Politiewet – dat provincies bijdragen aan het budget van de politie, zodat regionaal, en met name in plattelandsgebieden, meer capaciteit beschikbaar komt en de politie daar dus meer aanwezig en zichtbaar is?

Antwoord op vraag 26

Medefinanciering van de politie door provincies past niet in het nationale politiebestel. Uitsluitend de Minister stelt ten laste van zijn begroting bijdragen ter beschikking aan de politie en met inachtneming daarvan bepaalt hij de omvang van de totale sterkte en verdeelt hij deze over de onderdelen van de politie. Het is aan de lokale gezagen om de sterkte te verdelen over de onderdelen van de regionale eenheid. Ik zie dan ook geen aanleiding onderzoek te doen naar medefinanciering door provincies.

Vraag 27

In een aantal (stads)regio’s van Nederland werkt de lokale politie nog met vele, duizenden, vrijwillige politiemedewerkers, met name tijdens drukke winkeltijden, evenementen en delen van het weekend. Deze dienen uiteraard voldoende te zijn opgeleid en getraind. Ziet u potentieel in het opzetten van regionale groepen politievrijwilligers, met name voor landelijke gebieden, als aanvulling op de vaste capaciteit?

Antwoord op vraag 27

Politievrijwilligers werken samen met beroepscollega’s aan de veiligheid van Nederland en zorgen voor aanvullende capaciteit, specialisme en ondersteuning binnen de politieorganisatie. Ze verrijken het politiewerk met hun specifieke kennis, kunde en ervaring en met de frisse blik waarmee ze naar de organisatie kijken. De politievrijwilligers maken geen onderdeel uit van de formatie en bezetting van de politieorganisatie. Politievrijwilligers mogen dan ook niet gezien worden als oplossing voor de capaciteitsproblematiek.

Politievrijwilligers zijn binnen de politie werkzaam op verschillende taken zowel in de uitvoering als in de ondersteuning (bedrijfsvoering). Op 24 november 2025 waren er 2807 politievrijwilligers, waarvan 1198 breed generiek opgeleide politievrijwilligers. Deze breed generiek politievrijwilligers draaien voornamelijk mee in basisteam in de Gebiedsgebonden Politie. Op vrijwillige basis kunnen zij enige verlichting betekenen voor zo’n team, daarmee vormen zij belangrijke aanvullende capaciteit. Momenteel kunnen er geen nieuwe breed generieke politievrijwilligers worden opgeleid, gezien de grote instroom van beroepsaspiranten en de absorptiecapaciteit van zowel de politieacademie voor het opleiden als de politieorganisatie voor begeleiding. Gezien bovenstaande is het oprichten van regionale groepen politievrijwilligers niet passend en niet wenselijk.

Vraag 28

Bent u bereid met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een plan te ontwikkelen om in kleine en plattelandsgemeenten meer boa’s in dienst te kunnen laten nemen? Bent u bereid specifiek daarvoor extra begrotingsruimte beschikbaar te maken?

Antwoord op vraag 28

Als Minister van Justitie en Veiligheid draag ik een stelselverantwoordelijkheid voor het boa-bestel. Het al dan niet aannemen van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) is aan de werkgever. Vanuit mijn departement is voor de kalenderjaren 2024, 2025 en 2026 jaarlijks € 13 mln. aan het Gemeente- en Provinciefonds toegevoegd voor het verlenen van subsidie aan werkgevers van groene boa’s en werkgevers van vrijwillige groene boa’s voor het uitbreiden van de groene boa-capaciteit en voor het behouden van bestaande groene boa-capaciteit. Er zijn mij geen signalen bekend die tot aanvullende maatregelen noodzaken.

Vraag 29

In veel dorpen en landelijke gebieden is, vooral ’s nachts, meer particuliere beveiliging dan politie aanwezig, zo constateren de leden van de BBB-fractie. Bent u bereid om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opties te onderzoeken om – binnen de wet en onder aansturing van de politie of gemeente – in dorpen en op het platteland meer gebruik te maken van particuliere beveiliging, als «ogen van de politie» en om aanwezigheid uit te stralen?

Antwoord op vraag 29

Vanuit de ontwikkelagenda politiefunctie wordt er georiënteerd op politietaken waar andere partijen, waaronder private partijen, een rol kunnen spelen. Hiertoe is vanaf 2025 een traject gestart om te spreken met verschillende partijen – zowel publiek als privaat – en daarbij een gezamenlijk beeld te schetsen van gezamenlijke waarden en knelpunten. Dit traject wordt naar verwacht in het eerste kwartaal van 2026 afgerond. Met politie zal worden besproken hoe dit traject vervolg zal krijgen. De beschreven situatie in uw vraag zal worden meegenomen en overwogen, gezamenlijk met politie.

Vraag 30

Bent u bereid om, voor plattelandsgebieden en dorpen waar de Koninklijke Marechaussee regelmatig aanwezig is voor haar taken, met betreffende burgemeesters te overleggen om vaker bijstand van dat korps te vragen – steeds voor een aantal jaren – zodat het korps hiervoor ook structureel capaciteit kan plannen en rekruteren? Hierbij kan worden gedacht aan de «semipermanente bijstand» uit de jaren ’70 en ’80.

Antwoord op vraag 30

De Koninklijke Marechaussee (KMar) voert een aantal zelfstandige onderdelen van de politietaak uit en kan daarnaast bijstand verlenen aan de politie. Bijstand heeft naar zijn aard een incidenteel karakter, ingegeven door een tekort aan een voor de taak noodzakelijke geachte kwaliteit of kwantiteit van personeel of materieel. Structurele bijstand past daarbij niet. Het voor bijstand benodigde personeel en materieel is primair werkzaam in een van de zelfstandige onderdelen van de politietaak. Het is aan de gezagen op de taakuitvoering van de desbetreffende onderdelen van de politietaak om over de prioriteiten van de taakuitvoering van de KMar en de capaciteit voor bijstand afspraken te maken met de Minister van Defensie vanuit zijn beheersverantwoordelijkheid.

Vraag 31

In veel wijken, dorpen en landelijke gebieden werken burgers samen bij het alert zijn op verdachte bewegingen, onder andere via buurtpreventie en buurtapp-groepen. Bent u bereid te overwegen om dit soort initiatieven proactief verder uit te rollen? En kunt u toezeggen dat deze burgerinitiatieven op een eenduidige manier worden ondersteund door middel van advisering, training en eventueel het faciliteren van de aankoop van alarmsystemen, communicatieapparatuur en dergelijke?

Antwoord op vraag 31

Dit soort activiteiten ontstaan op initiatief van burgers of gemeenten. De waarde van buurtpreventie ligt in het vergroten van vertrouwen en samenwerking in de buurt, dat een positieve sociale controle vormt. Het kan ook helpen om snel te reageren op verdachte situaties of noodsituaties. 112 kan worden gebeld in geval van spoed en 0900–8844 in overige gevallen. Het is nuttig voor buurtpreventie om periodiek informatie uit te wisselen met lokale veiligheidspartners, zoals gemeenten en politie. Het is aan het lokaal bestuur om te beslissen of ze dit soort initiatieven willen stimuleren en zo ja, hoe ze dat willen doen. Ik zie vanwege het lokale karakter van dit soort groepen geen rol voor mijn departement weggelegd in het proactief stimuleren van deze initiatieven zoals voorgesteld.

Vraag 32

Wilt u overwegen voor geweld tegen hulpverleners zoals brandweer, politie en zorgpersoneel, die er op het platteland langer in kleine aantallen «alleen voorstaan», de wet aan te passen zodat altijd vervolging wordt ingesteld en alleen onvoorwaardelijke gevangenisstraf mag worden gegeven?

Antwoord op vraag 32

Het wetsvoorstel voor de aanscherping van het taakstrafverbod is de afgelopen periode in consultatie geweest. Dit wetsvoorstel regelt dat het taakstrafverbod wordt uitgebreid naar mishandeling van handhavers en hulpverleners die zijn belast met het verlenen van acute hulp of de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Dit geldt ook voor handhavers en hulpverleners op het platteland. Zo wordt uitgesloten dat een kale taakstraf wordt opgelegd bij dergelijke misdrijven. De consultatiereacties zijn we nu goed aan het bekijken en deze worden waar nodig en mogelijk verwerkt in het wetsvoorstel. Vervolgens zal het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd.

Vraag 33

Wilt u ook overwegen om particuliere beveiliging in de wet te scharen onder «hulpverleners», zodat ook bij geweld tegen hen hogere straffen kunnen worden geëist?

Antwoord op vraag 33

Het wetsvoorstel voor de aanscherping van het taakstrafverbod is de afgelopen periode in consultatie geweest. De Vereniging Veiligheidsdomein Nederland (VVNL) heeft in haar consultatiereactie geadviseerd om beveiligers onder het wetsvoorstel te laten vallen. Dit advies en de andere consultatieadviezen zijn we nu goed aan het bekijken en deze worden waar nodig en mogelijk verwerkt in het wetsvoorstel. Vervolgens zal het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Mijn ministerie gaat in ieder geval graag het gesprek aan met de brancheverenigingen over agressie tegen beveiligers.

Vraag 34

Wat heeft u gedaan voor de juridische borging van de neutrale uitstraling van boa’s? De leden van de fractie van de BBB hebben dezelfde vraag voor de politie en de Koninklijke Marechaussee, alsook voor andere plural policing-actoren, zoals de Douane (via de Douanewet), deurwaarders (via de Gerechtsdeurwaarderswet) en particuliere beveiliging (via de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus)? En wat bent u, bovenop wat u al heeft gedaan, nog voornemens te doen voor de juridische borging van de neutrale uitstraling van genoemde organisaties?

Antwoord op vraag 34

Zoals aangegeven in het tweede Halfjaarbericht Politie heb ik op 17 november het advies van de Raad van State ontvangen over het borgen van de neutrale uitstraling van buitengewoon opsporingsambtenaren via een AMvB. Dit advies neem ik ter harte en ik bestudeer welke benodigde vervolgstappen gezet moeten worden om de neutrale uitstraling via wet vast te leggen.

Voor de politie is de neutrale uitstraling geregeld via de Politiewet en onderliggende regelgeving. De Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) bepaalt dat particuliere beveiligers een uniform moeten dragen dat door mij is goedgekeurd. De dienst Justis voert deze taak namens mij uit en let daarbij op een aantal aspecten waaronder (neutrale) uitstraling.

Ten aanzien van de Koninklijke Marechaussee en de Douane geldt dat zij, voor zover de betreffende medewerkers geen buitengewoon opsporingsambtenaar zijn, onder de wet- en regelgeving van hun eigen ministerie vallen. Gerechtsdeurwaarders zijn geen plural policing actor. Voor deze beroepsgroep is er geen wettelijke regeling over de neutrale uitstraling.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten


X Noot
1

De letters AH hebben alleen betrekking op 36 600.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE.

X Noot
4

T03934.

X Noot
5

Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Raad voor het Openbaar Bestuur, Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (2023), «Elke regio telt! Een nieuwe aanpak van verschillen tussen regio’s», Den Haag, digitale uitgave, maart 2023.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE, p. 4.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 36 600/29 628, AE, p. 2.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE, p. 3.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE, p. 5.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE, p. 4.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 36.600/29.628, AE, p. 5.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/26, 36.327/36.636, H, p. 18.

X Noot
15

In het recent gesloten arbeidsvoorwaardenakkoord is afgesproken om in de komende jaren verder richting te geven aan de vorm en uitwerking van directe instroom van politiemedewerkers en een passend loopbaanperspectief.

X Noot
16

Artikel 38a Politiewet 2012.

X Noot
17

Zie toelichting Besluit wijkagenten.

X Noot
18

Kamerstukken I, 2024/25, 29 628, nr. 1254

Naar boven