De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel I, wordt het voorgestelde artikel 12i als volgt gewijzigd:
1. Na het tweede lid worden, onder vernummering van het derde lid tot zesde lid, drie
leden ingevoegd, luidende:
-
3. De aanvrager is een vergoeding verschuldigd ter dekking van de toelatingsprocedure.
De vergoeding kan voorts dienen ter dekking van de gehele of gedeeltelijke kosten
voor de aanwijzingsprocedure, bedoeld in artikel 12s, derde lid, onderdeel b, voor
zover die kosten niet worden gedekt door de vergoeding, bedoeld in dat onderdeel.
-
4. De vergoeding bedraagt jaarlijks ten hoogste € 4.287.
-
5. De vergoeding kan bij ministeriële regeling hoger worden vastgesteld dan het bedrag,
bedoeld in het vierde lid, in het geval dat bedrag door hogere kosten van de toelatingsprocedure
niet langer de totale kosten, bedoeld in het derde lid, dekt, en de hogere kosten
van de toelatingsprocedure redelijkerwijs voor rekening behoren te komen van de aanvragers
van een toelating of een voorlopige toelating.
2. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:
Toelichting
Dit amendement moet voorkomen dat de kosten van het stelsel de pan uitrijzen als ware
het zelfrijzend bakmeel. Dit amendement voorziet in het maximeren van de kosten die
een uitlener is verschuldigd ter dekking van de toelatingsprocedure, waaronder kosten
die worden doorberekend in verband met activiteiten die worden verricht gedurende
de looptijd van de toelating. Gedurende de parlementaire behandeling van de wet is
het geschatte gemiddelde aan kosten wat een uitlener moet betalen om toegelaten te
kunnen worden verhoogd van een schatting van gemiddeld € 490 per uitlener naar schattingen
die uiteenlopen van gemiddeld € 2.006,– tot € 2.858,– per uitlener (bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 36 446, nr. 29).
Met de maximering in dit amendement wordt aansluiting gezocht bij scenario 3 van de
gemiddelde kosten per uitlener uit de «Mogelijke scenario’s kosten voor uitleners»,
waarin wordt uitgegaan van een gemiddelde kostenpost voor uitleners van € 2.858,–.
Deze gemiddelde kostenpost wordt in dit amendement vermenigvuldigd met een factor
1,5. Hierdoor wordt er aan de ene kant voor gezorgd dat bonafide uitleners door het
nieuwe stelsel niet met steeds hogere kosten worden opgezadeld om toegelaten te worden
om arbeidskrachten ter beschikking te stellen, en aan de andere kant dat de Minister
beperkte ruimte houdt de vergoeding aan te passen afhankelijk van onvoorziene mee-
of tegenvallers. Daarnaast houdt het amendement rekening met de inflatie door de Minister
de bevoegdheid te geven het bedrag jaarlijks te indexeren.
Dit amendement voorziet voorts in de mogelijkheid om af te wijken van het maximumbedrag
als blijkt dat de toelatende instantie (TI) door de maximering haar werkzaamheden
niet voldoende kan uitvoeren. Het kan onder andere gaan om omstandigheden waarin aanvragen
voor toelating meer beoordelingstijd vergen dan in bovengenoemd Kamerstuk aangenomen.
Bijvoorbeeld doordat uitleners meer overtredingen begaan dan destijds ingeschat. Als
de regering van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik wil maken, is het wenselijk dat
daar bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels over worden gesteld.
Het mag daarbij uitsluitend gaan om kosten die redelijkerwijs voor rekening van uitleners
kunnen komen. Dat betekent dat het uitsluitend mag gaan om kosten die de TI maakt
om haar rol binnen het toelatingsstelsel goed te kunnen uitvoeren en niet meer dan
dat.
Om de uitvoerbaarheid van het stelsel te allen tijde te kunnen bewaken, ook in de
overgangsperiode, is het mogelijk dit amendement later in werking te laten treden.
Aartsen