Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 36410-IV nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 36410-IV nr. E |
Vastgesteld 27 november 2023
De leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties1 hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2023 waarin de Staatssecretaris ingaat op de toezegging om met Aruba, Curaçao en Sint Maarten te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht.2 Naar aanleiding van deze brief hebben de leden van de fracties van D66, JA21 en SGP een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en Volt sluiten zich aan bij de vragen van de fracties van D66 en JA21. De leden van de D66-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de JA21-fractie en andersom
Naar aanleiding hiervan is op 18 september 2023 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De Minister heeft op 13 oktober 2023 een uitstelbericht gestuurd en op 24 november 2023 inhoudelijk gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Bergman
Aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Den Haag, 18 september 2023
De leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties hebben met veel belangstelling kennisgenomen van uw brief van 26 juni 2023 waarin u ingaat op uw toezegging om met Aruba, Curaçao en Sint Maarten te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht.3 Naar aanleiding van deze brief hebben de leden van de fracties van D66, JA21 en SGP een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en Volt sluiten zich aan bij de vragen van de fracties van D66 en JA21. De leden van de D66-fractie sluiten voorts zich aan bij de vragen van de JA21-fractie en andersom.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontvangen afschrift van een brief aan u vanuit de Staten van Aruba van het Statenlid Mansur met vragen over de openstelling van het huwelijk voor partners van hetzelfde geslacht op Aruba, Curaçao en Sint Maarten.4 Deze leden willen graag kennisnemen van uw beantwoording. Kunt u uw antwoord op korte termijn aan de Eerste Kamer toesturen?
In uw brief van 26 juni jl. schrijft u dat uit de jurisprudentie van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat landen die het huwelijk niet willen openstellen voor paren van gelijk geslacht, een volwaardig wettelijk alternatief moeten bieden.
Vanuit het Arubaanse parlement (zie de brief van Statenlid Mansur) wordt gesteld dat het geregistreerde partnerschap in Aruba aanmerkelijk minder rechten verleent dan het huwelijk. Kunt u aangeven welke rechten wel en niet aan paren van gelijk geslacht in Aruba zijn toegekend? Hoe verhoudt dit verschil zich met de positieve verplichting die uit Europese jurisprudentie voortvloeit en ook op Aruba, Curaçao en Sint Maarten hoort te gelden? Hoe verhoudt de beperkte wettelijke regeling van geregistreerd partnerschap zich met artikel 43, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin staat dat het waarborgen van fundamentele mensenrechten een aangelegenheid van het Koninkrijk is?
Hoe is het mogelijk dat in de drie landen nog steeds geen volwaardig wettelijk alternatief aan paren van gelijk geslacht wordt geboden, terwijl in Nederland het huwelijk al in 2001 werd opengesteld? Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat hieruit volgt dat paren van gelijk geslacht in de drie landen worden gediscrimineerd en tekortgedaan?
Bovenstaande vragen gelden tevens voor Curaçao en Sint Maarten. In Curaçao hadden twee parlementsleden het initiatief genomen voor een wettelijke regeling om het huwelijk open te stellen voor paren van gelijk geslacht, maar dit initiatiefwetsvoorstel heeft de eindstreep niet gehaald, terwijl de regering van Curaçao geen eigen wetsvoorstel heeft ingediend. Curaçao kent geen wettelijke regeling voor geregistreerd partnerschap van paren van gelijk geslacht. Hoe beoordeelt u dit?
In Sint Maarten is geen enkele regeling voor paren van gelijk geslacht in werking die lijkt op het wettelijk huwelijk. Welke stappen onderneemt de Nederlandse regering om paren van gelijk geslacht tegen deze discriminatie aldaar te beschermen?
Op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt de Nederlandse wetgeving onverkort. Paren van gelijk geslacht kunnen er trouwen en dit gebeurt ook af en toe, met name op Bonaire. Zijn er grote protesten onder de bevolking aldaar geweest tegen deze huwelijken? Indien dit niet het geval is, bewijst dit dan niet dat angst voor het onbekende een drijfveer is om geen volwaardige huwelijksrechten aan paren van gelijk geslacht toe te kennen? Is dit niet een argument dat de Nederlandse regering bij de drie landen kan inbrengen?
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft in de uitspraken van 6 december 2022 geoordeeld dat Aruba en Curaçao het discriminatieverbod uit hun Staatsregeling hebben overtreden, doordat zij partners van gelijk geslacht van het huwelijk uitsluiten.5 Dit geldt mutatis mutandis ook voor Sint Maarten. Het Hof heeft voor recht verklaard dat in Aruba en op Curaçao een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of gelijk geslacht.
Welke argumenten hebben Aruba en Curaçao opgegeven om bij de Hoge Raad in cassatie te gaan? Zijn de regeringen van deze landen van mening dat zij hun eigen bevolking, de paren van gelijk geslacht, niet discrimineren?
Bent u ermee bekend wanneer de Hoge Raad het cassatieberoep inhoudelijk gaat behandelen en wanneer er een uitspraak te verwachten valt?
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het persbericht van 29 augustus jl. waarin bekend wordt gemaakt dat Edson Hato per 7 september 2023 is benoemd tot vertegenwoordiger van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. In dit bericht toonde u zich verheugd met deze benoeming vanwege de visie van Hato op samenwerking en dat hij een belangrijke bruggenbouwer wordt die geografische en culturele verschillen kan overbruggen.
De leden van de aan het woord zijnde fractie vragen of u bij de benoeming van de nieuwe vertegenwoordiger het onderwerp, dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk nog niet de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht, heeft besproken en opdracht heeft gegeven om hier werk van te blijven maken?
In uw brief van 26 juli jl. geeft u aan uw toezegging als afgedaan te beschouwen. Bent u het met deze leden eens dat nog een lange weg te gaan is en dat het afwachten van de juridische procedures bij de Hoge Raad niet afdoende is?
Bent u bereid dit onderwerp te blijven agenderen en deze opdracht, als dat al niet gedaan is, mee te geven aan de nieuwe vertegenwoordiger?
De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan naar aanleiding van de cassatie die ingesteld is door de landen Aruba en Curaçao. Onderkent u, zo vragen de leden van de SGP-fractie, dat op basis van de huidige jurisprudentie niet gesteld kan worden dat de burgers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gediscrimineerd worden met een beroep op het feit dat zij inzake het huwelijk andere keuzes maken dan Nederland?
Een meer algemene vraag van deze leden is de volgende. Kunt u bevestigen dat de bepaling van het Statuut dat het waarborgen van fundamentele mensenrechten een aangelegenheid van het Koninkrijk is niet betekent dat de landen een verantwoordelijkheid hebben om autonome keuzes inzake onder andere het familierecht te betwisten?
De leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties zien uw antwoorden met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.
Voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, P. Rosenmöller
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 oktober 2023
Hierbij deel ik u mede dat de aan mij gestelde vragen van diverse leden van de Eerste Kamer in reactie op mijn brief inzake de toezegging om met Aruba, Curaçao en Sint Maarten te bespreken dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht (de toezegging aan de heer Dittrich), ingezonden op 18 september 2023, met kenmerk 173490U, niet binnen de termijn van vier weken kunnen worden beantwoord.
Voor de beantwoording van de vragen is meer tijd nodig vanwege de benodigde afstemming in combinatie met de complexiteit van de gestelde vragen. Uw Kamer ontvangt de antwoorden zo spoedig mogelijk.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 november 2023
Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, JA21 en SGP, waarbij de leden van de fracties GroenLinks-PvdA en Volt zich aansluiten bij de vragen van de fracties van D66 en JA21. Tevens sluiten de leden van de D66-fractie zich aan bij de vragen van de JA21-fractie, en andersom (kenmerk: 173490U). Hieronder ga ik in op de gestelde vragen. Bij de beantwoording van de vragen wordt de volgorde van de commissiebrief aangehouden. De antwoorden zijn cursief weergegeven.
Vragen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie vragen of kan worden aangegeven welke rechten wel en niet aan paren van gelijk geslacht in Aruba zijn toegekend? Hoe verhoudt dit verschil zich met de positieve verplichting die uit Europese jurisprudentie voortvloeit en ook op Aruba, Curaçao en Sint Maarten hoort te gelden? Hoe verhoudt de beperkte wettelijke regeling van geregistreerd partnerschap zich met artikel 43, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin staat dat het waarborgen van fundamentele mensenrechten een aangelegenheid van het Koninkrijk is?
Laat ik beginnen op te merken, zoals ik al vaker heb gedaan, dat ik het ten zeerste betreur dat trouwen met een partner naar keuze op dit moment niet overal binnen het Koninkrijk mogelijk is. Ik heb dit onderwerp daarom ook meerdere keren besproken met de regeringen van de eilanden. De autonome status van de vier landen binnen het Koninkrijk zorgt er echter voor dat er verschillen kunnen en mogen zijn. Artikel 43, eerste lid, van het Statuut stelt immers dat elk land zelf zorg draagt voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur. Er is uitsluitend een rol voor het Koninkrijk weggelegd wanneer een land niet zelf in staat is deze onderwerpen te effectueren, waarbij het inzetten van de waarborgfunctie een ultimum remedium is. Het enkele tekortschieten van een landsorgaan, zoals het niet direct (volledig) implementeren van een geregistreerd partnerschap, is onvoldoende reden tot ingrijpen door het Koninkrijk. Het moet gaan om een situatie dat in het land zelf geen redres van een ontoelaatbare toestand mogelijk zou blijken te zijn. Dit is een zeer hoge grens die, gelet op de huidige ontwikkelingen, mede gelet op de lopende rechtszaken bij de Hoge Raad, op dit moment, mijns inziens niet wordt bereikt.
Welke rechten er precies wel of niet aan paren van gelijk geslacht op Aruba zijn toegekend, kan ik niet met zekerheid zeggen nu dit in diverse Arubaanse wetgeving vastgelegd is en de wetgeving in dit kader in beweging is. Wel is mij bekend dat de rechten en verplichtingen van echtgenoten (titel 1.6 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba), de wettelijke gemeenschap van goederen (titel 1.7) en de huwelijkse voorwaarden (titel 1.8) van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op het geregistreerd partnerschap. Tegelijkertijd is er, voor zover mij bekend, op het gebied van erfrecht bijvoorbeeld nog geen overeenkomstige toepassing. Hiermee lijkt Aruba nog niet in lijn met Europese jurisprudentie een volwaardig alternatief voor het huwelijk te hebben gecreëerd. Dit is op zichzelf, naar mijn mening en gelet op het eerste deel van mijn antwoord, onvoldoende voor het Koninkrijk om de waarborgfunctie in te zetten.
Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe het mogelijk is dat in de drie landen nog steeds geen volwaardig wettelijk alternatief aan paren van gelijk geslacht wordt geboden, terwijl in Nederland het huwelijk al in 2001 werd opengesteld? Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat hieruit volgt dat paren van gelijk geslacht in de drie landen worden gediscrimineerd en tekortgedaan? Curaçao kent geen wettelijke regeling voor geregistreerd partnerschap van paren van gelijk geslacht. Hoe beoordeelt u dit? In Sint Maarten is geen enkele regeling voor paren van gelijk geslacht in werking die lijkt op het wettelijk huwelijk. Welke stappen onderneemt de Nederlandse regering om paren van gelijk geslacht tegen deze discriminatie aldaar te beschermen?
Zie het antwoord hiervoor met betrekking tot de vraag hoe het mogelijk is dat de landen nog geen volwaardig wettelijk alternatief hebben: het betreft een autonome verantwoordelijkheid van de landen. Of dit maakt dat de paren van gelijk geslacht worden gediscrimineerd, kan ik op dit moment niet beantwoorden. Dit precieze vraagstuk ligt momenteel bij de Hoge Raad voor na de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof). Zie voorts tevens het antwoord op de vragen van de leden van de SGP-fractie.
Het klopt dat er op Curaçao en Sint Maarten geen vorm van geregistreerd partnerschap mogelijk is. Dit is erg spijtig en hiermee schendt het Koninkrijk het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad, zet ik hier op dit moment niet verder op in. Mochten de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof door de Hoge Raad bevestigd worden, dan is er daarmee voorzien in de leemte en is het huwelijk voor paren van het gelijke geslacht (juridisch gezien) mogelijk op de Caribische landen. De discussie over het geregistreerd partnerschap behoeft dan geen verdere bespreking.
Op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt de Nederlandse wetgeving onverkort, aldus de leden van de D66-fractie. Paren van gelijk geslacht kunnen er trouwen en dit gebeurt ook af en toe, met name op Bonaire. Zijn er grote protesten onder de bevolking aldaar geweest tegen deze huwelijken? Indien dit niet het geval is, bewijst dit dan niet dat angst voor het onbekende een drijfveer is om geen volwaardige huwelijksrechten aan paren van gelijk geslacht toe te kennen? Is dit niet een argument dat de Nederlandse regering bij de drie landen kan inbrengen?
Het antwoord luidt als volgt:
Voor zover mij bekend wordt er niet geprotesteerd bij huwelijken op Bonaire. Of dit dan ook bewijst dat angst voor het onbekende een drijfveer is om geen volwaardige huwelijksrechten aan paren van het gelijke geslacht toe te kennen, durf ik niet te zeggen. Ik zou dan immers voor de autonome landen moeten gaan spreken. Dit argument is overigens wel door de partijen in de rechtszaken bij het Gemeenschappelijk Hof ingebracht en daarmee bekend bij de landen.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft in de uitspraken van 6 december 2022 geoordeeld dat Aruba en Curaçao het discriminatieverbod uit hun Staatsregeling hebben overtreden, doordat zij partners van gelijk geslacht van het huwelijk uitsluiten. Dit geldt mutatis mutandis ook voor Sint Maarten. Het Hof heeft voor recht verklaard dat in Aruba en op Curaçao een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of gelijk geslacht. Welke argumenten hebben Aruba en Curaçao opgegeven om bij de Hoge Raad in cassatie te gaan? Zijn de regeringen van deze landen van mening dat zij hun eigen bevolking, de paren van gelijk geslacht, niet discrimineren? Bent u ermee bekend wanneer de Hoge Raad het cassatieberoep inhoudelijk gaat behandelen en wanneer er een uitspraak te verwachten valt?
Het antwoord op deze vragen is als volgt:
De kern van het pleidooi van Aruba ziet op de scheiding der machten en in het bijzonder de rechtsvormende taak van de rechter. Door Aruba wordt gesteld dat het Gemeenschappelijk Hof te ver is gegaan en daarmee op de stoel van de wetgever is gaan zitten. Curaçao heeft eenzelfde staatsrechtelijke argumentatie, maar daarnaast beroept Curaçao zich ook op de maatschappelijke gevoeligheid van het onderwerp. De bevolking zou niet klaar zijn voor het openstellen van het huwelijk voor een ieder.
De zaken hebben op 10 november jl. met de behandeling van de mondelinge pleidooien van partijen een aanvang genomen. De partijen kunnen nog schriftelijk reageren op de standpunten zoals op 10 november jl. naar voren zijn gebracht. Op 19 januari 2024 zal de Procureur-Generaal zijn conclusie geven. Enkele weken later zal de Hoge Raad arrest wijzen.
Vragen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het persbericht van 29 augustus jl. waarin bekend wordt gemaakt dat Edson Hato per 7 september 2023 is benoemd tot vertegenwoordiger van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. In dit bericht toonde u zich verheugd met deze benoeming vanwege de visie van Hato op samenwerking en dat hij een belangrijke bruggenbouwer wordt die geografische en culturele verschillen kan overbruggen.
De leden van de JA21-fractie vragen of u bij de benoeming van de nieuwe vertegenwoordiger het onderwerp, dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk nog niet de mogelijkheid wordt geboden tot het aangaan van een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht, heeft besproken en opdracht heeft gegeven om hier werk van te blijven maken? In uw brief van 26 juli jl. geeft u aan uw toezegging als afgedaan te beschouwen. Bent u het met deze leden eens dat nog een lange weg te gaan is en dat het afwachten van de juridische procedures bij de Hoge Raad niet afdoende is? Bent u bereid dit onderwerp te blijven agenderen en deze opdracht, als dat al niet gedaan is, mee te geven aan de nieuwe vertegenwoordiger?
Het antwoord op deze vragen luidt als volgt:
Ik ben inderdaad verheugd met de benoeming van Edson Hato als de nieuwe Vertegenwoordiger van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Wij voeren op periodieke basis gesprekken waarbij alle relevante onderwerpen aan bod komen. Bij de uitvoering vertrouw ik op zijn visie als verbinder en bruggenbouwer. Uiteraard zal ook dit mensenrechtenthema zijn aandacht vragen. Het onderwerp is niet expliciet besproken rondom zijn benoeming, maar de Vertegenwoordiger en zijn medewerkers zullen een rol blijven spelen in het onder de aandacht houden van het onderwerp. Zo is er onlangs nog een speech gegeven op de Gay Pride te Curaçao en een financiële bijdrage toegekend.
Tenslotte ben ik het met de leden van de JA21-fractie eens dat enkel het afwachten van de cassatieberoepen bij de Hoge Raad niet voldoende is. Tegelijkertijd moeten we op dit moment wel wachten op de uitspraak van de Hoge Raad, omdat deze uitspraak richting zal geven over de vervolgstappen. Na de uitspraken zal ik me beraden op wat het gevolg is van die betreffende arresten en of, en zo ja hoe, de vervolgstappen eruit zien.
Vragen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie merken op dat de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van de cassatie die ingesteld is door de landen Aruba en Curaçao. Onderkent u dat op basis van de huidige jurisprudentie niet gesteld kan worden dat de burgers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gediscrimineerd worden met een beroep op het feit dat zij inzake het huwelijk andere keuzes maken dan Nederland? Kunt u bevestigen dat de bepaling van het Statuut dat het waarborgen van fundamentele mensenrechten een aangelegenheid van het Koninkrijk is niet betekent dat de landen een verantwoordelijkheid hebben om autonome keuzes inzake onder andere het familierecht te betwisten?
Het antwoord op deze vragen is als volgt:
Het klopt dat op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de lidstaten niet verplicht zijn om het huwelijk voor partners van gelijk geslacht open te stellen. Uit deze jurisprudentie volgt echter tevens dat het EVRM als een geheel gelezen moet worden. Nu in het EVRM het traditionele huwelijk tussen man en vrouw in artikel 12 staat opgenomen, kan het uitsluiten van partners van gelijk geslacht, aldus het EHRM, niet leiden tot een schending van artikel 14 EVRM (discriminatieverbod).
Of er in de huidige situatie op Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt gediscrimineerd door partners van gelijk geslacht uit te sluiten, is echter een andere vraag. De Staatsregeling van Aruba kent immers niet zoals het EVRM een bepaling waarin het traditionele huwelijk is neergelegd, maar zij kent wel het discriminatieverbod. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft mede daarom juist geoordeeld dat er wel sprake is van discriminatie door partners van gelijk geslacht uit te sluiten van het huwelijk. Nu de zaak nog niet onherroepelijk is, betracht ik terughoudendheid en meen ik dat het van belang is om, voordat ik verdere stappen overweeg, de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten. Dit laat overigens onverlet dat ik het als mens buitengewoon verdrietig vind dat op dit moment niet iedereen in ons Koninkrijk kan trouwen met diegene van wie hij of zij houdt.
Met betrekking tot de laatste vraag: het waarborgen van de fundamentele mensenrechten is inderdaad geen aangelegenheid van de autonome landen maar van het Koninkrijk. Er is dan ook, zoals ik in het eerste antwoord van deze brief reeds aangeef, uitsluitend een rol voor het Koninkrijk weggelegd wanneer een land niet zelf in staat is de onderwerpen uit artikel 43, eerste lid, van het Statuut, te effectueren, waarbij het inzetten van de waarborgfunctie een ultimum remedium is. Het enkele tekortschieten van een landsorgaan is onvoldoende reden voor het ingrijpen door het Koninkrijk. Het moet gaan om een situatie dat in het land zelf geen redres van een ontoelaatbare toestand mogelijk zou blijken te zijn.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen
Samenstelling:
Marquart Scholtz (BBB), Panman (BBB), Van Gasteren (BBB), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Recourt (GroenLinks-PvdA), Karimi (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Vogels (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Rietkerk (CDA), Dittrich (D66), Belhirch (D66), Van Hattem (PVV), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Van Bijsterveld (JA21), Van Apeldoorn (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36410-IV-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.