35 927 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022)

C VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld: 25 november 2021

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie en PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben gezamenlijk een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de Fractie-Nanninga hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en zij hebben hierover een aantal vragen.

2. Inkomensbeleid

De leden van de GroenLinks-fractie en de PvdA-fractie vragen om een actueel overzicht van de marginale druk bij uitbreiding of daling van het aantal gewerkte uren die werknemers ervaren, als een optelsom van belastingtarieven en belastingkortingen en toeslagen voor diverse groepen naar inkomen, zoals alleenverdieners, anderhalf-verdieners en andere gebruikelijke categorieën. Welke knelpunten ziet de regering daarbij en worden deze knelpunten in deze belastingronde aangepakt, zo nee, waarom niet?

De leden van de Fractie-Nanninga stellen twee vragen naar aanleiding van de volgende casus: een gezin met twee jonge kinderen waarbij alleen de vader werkt en een inkomen heeft van € 23.000 bruto per jaar, krijgt netto veel meer binnen, namelijk ongeveer € 29.500 netto. Dat is het gevolg van heffingskortingen, huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. Als de vader promotie maakt, waardoor zijn salaris stijgt naar € 40.000 bruto per jaar (dat is bruto € 17.000 extra salaris per jaar), lijkt dat goed nieuws. Echter blijft er na alle kortingen en toeslagen slechts € 270 netto per maand aan over. Kan de regering op deze casus reflecteren? Is de regering het met deze leden eens, dat dit niet uitnodigt tot het nastreven van meer uren werken en/of het maken van promotie?

Daarnaast stellen de leden van de Fractie-Nanninga dat over inkomen Zvw-premie wordt betaald. Afhankelijk van de inkomstenbron is dat 5,75% of 7% over maximaal € 58.000 aan inkomen. Wie alimentatie betaalt aan zijn of haar ex-partner kan die wel in aftrek nemen op de inkomstenbelasting, maar niet op de grondslag voor te betalen Zvw-premie. Als iemand € 50.000 verdient en € 25.000 alimentatie moet betalen, moet deze persoon Zvw-premie betalen over € 50.000. Dit zou te begrijpen zijn als de ex-partner geen premie over de alimentatie zou betalen, maar dat moet diegene wel. Is de regering het met deze leden eens dat hier dubbel betaald wordt? Wat zou hiervoor een oplossing zijn? In deze situatie kan het fiscaal gunstiger zijn om geen alimentatie te betalen, maar om aan de ex-partner te schenken (en dat gebeurt ook). Wat vindt de regering hiervan? Welke reparatiemogelijkheden ziet de regering hier?

De leden van de Fractie-Nanninga vragen de regering ook om uit te leggen waarom ziektewetuitkeringen van de werknemer wel onder de heffingskorting vallen, maar niet voor uitkeringen aan zzp’ers uit hoofde van een ziektewetverzekering afgesloten bij een verzekeraar? Deze leden stellen dezelfde vraag aangaande uitkeringen in het kader van de levensloopregeling aan werknemers van 61 jaar of ouder aan de ene kant en werknemers jonger dan 61 jaar aan de andere kant. Vindt de regering dit rechtvaardig? De leden van de Fractie-Nanninga ontvangen graag een antwoord ten aanzien van beide geschetste situaties. Welke mogelijkheden ziet de regering om hieraan effectief iets te doen? Hoe gaat de regering deze ongelijke en oneerlijke situatie repareren?

De leden van de 50PLUS-fractie hebben aansluitend op de antwoorden op de vragen ter voorbereiding van de Algemene financiële beschouwingen2 de volgende vragen bij het wetsvoorstel Belastingplan 2022. Kan de regering in een tabel en grafiek een overzicht geven van de maximale algemene heffingskorting en arbeidskorting voor niet AOW-gerechtigden en van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor AOW-gerechtigden vanaf 2001?

Daarnaast ontvangen de leden van de 50PLUS-fractie graag een overzicht van de koopkrachtontwikkeling voor AOW-gerechtigden en niet AOW-gerechtigden voor de jaren 2021 en 2022 uitgaande van een totale inflatie van respectievelijk 6–8% en 10% voor de volgende inkomensgroepen: € 5.000, € 10.000, € 15.000, € 20.000, € 25.000, € 30.000, € 35.000, € 40.000, € 45.000, € 50.000, € 55.000, € 60.000, € 70.000, € 80.000, € 90.000, € 100.000 en € 150.000. Wat is de koopkrachtontwikkeling van een AOW’er met inkomen van AOW en (niet geïndexeerd) pensioen van € 18.000 in 2021 en 2022 op basis van inflatie van 5% in 2021 en 4% in 2022?

De leden van de 50PLUS-fractie wijzen op de budgettaire gevolgen van € 100 miljoen van het verlagen van het afbouwpercentage van de arbeidskorting van 6% naar 5,86%. Kan het afbouwpercentage van de ouderenkorting dienovereenkomstig worden verlaagd? De ouderenkorting wordt in 2022 slechts met € 23 verhoogd. Wat is het koopkrachteffect van een verhoging van de ouderenkorting met € 200 en € 300 om de forse koopkrachtdaling in 2021 en 2022 deels te compenseren? Wat is het koopkrachteffect van de verhoging van de (halve) algemene heffingskorting voor AOW’ers met € 200 respectievelijk € 300? Deze leden vragen met hoeveel de AOW-uitkering zal stijgen op 1 januari 2022 en op 1 juli 2022 op basis van de bestaande systematiek? Met hoeveel zou de AOW op 1 januari, 1 juli 2022 en 1 januari 2023 moeten stijgen bij een inflatie in 2021 en 2022 van respectievelijk 5% en 4%?

De leden van de 50PLUS-fractie ontvangen ook graag alsnog een overzicht waarbij voor AOW-gerechtigden niet alleen de algemene heffingskorting en ouderenkorting is opgenomen, maar daarop ook de IAB in aftrek wordt gebracht om zo een beeld te krijgen van de totale lastendruk inclusief de IAB? Immers voor een goede vergelijking met de lastendruk voor niet AOW’ers is dat van belang, omdat de door de werkgever betaalde zorgpremie sedert de invoering van de WUL onbelast loon is. Kan derhalve ter vergelijking ook een overzicht worden gegeven van het totaal van het voordeel van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en het voordeel van onbelast loon. Deze leden wijzen ter onderbouwing van deze prangende vraag er ten overvloede nogmaals op dat niet alleen de niet AOW’ers ter compensatie van het belastingvoordeel een 4% verhoging van het tarief van de eerste schijf moesten betalen, maar dat ook de AOW’ers die 4% verhoging voor hun kiezen kregen. Deze leden wijzen erop dat in een eerder Belastingplan onze vragen hierover wel zijn beantwoord.

Daarnaast ontvangen de leden van de 50PLUS-fractie graag een overzicht van de verzilverde algemene heffingskorting en ouderenkorting in 2003 en 2021 voor gepensioneerden en ook – ter vergelijking – met het al gegeven overzicht van verzilvering door niet gepensioneerden. Kan hierbij worden aangegeven wat het aantal belastingplichtige gepensioneerden is en – ter vergelijking – wat het aantal belastingplichtige niet gepensioneerden is. Kan een overzicht worden gegeven van de niet verzilvering van alle heffingskortingen voor beide groepen?

Deze leden vragen of de algemene heffingskorting ook voor de AOW’ers met € 14 kan worden verhoogd, omdat de maatregel bedoeld is de koopkracht voor de lagere inkomens te verbeteren. AOW’ers krijgen immers slechts de fooi van € 7, terwijl voor AOW’ers en niet AOW’ers de koopkracht in gelijke mate daalt. Kunnen de laatste wijzigingen wegens de gevolgen voor de koopkracht worden ondergebracht in een apart wetsvoorstel dat op Prinsjesdag wordt ingediend met de daarbij passende budgettaire gevolgen?

De leden van de 50Plus-fractie vernemen ook graag met welke percentages de tariefschijven kunnen worden verlaagd als de arbeidskorting wordt afgeschaft voor alle belastingplichtigen?

Het CPB heeft in de laatste modellen aangegeven dat het de effectiviteit van IACK-instrument beperkter is dan eerder geraamd. De leden van de 50PLUS-fractie vernemen graag wat de gevolgen zijn van gehele of gedeeltelijke afschaffing van het beleidsinstrument voor de arbeidsmarkt: wat zijn de voordelen en nadelen? Op welke wijze zouden de gevolgen deels worden gecompenseerd in het geval van afschaffing?

De leden van de SGP-fractie vragen al vele jaren om een eerlijke behandeling van de eenverdieners. Een eenverdiener die € 40.000 verdient betaalt tot bijna 7x zoveel belasting als tweeverdieners die hetzelfde inkomen genieten, verdeeld over twee partners met € 20.000 inkomen. Welnu, bij de stukken is een tabel toegevoegd over «Marginale druk eenverdieners». Graag ziet de fractie van de SGP eenzelfde tabel tegemoet onder de titel «Marginale druk tweeverdieners», waarbij dezelfde bedragen gehanteerd worden als voor de eenverdiener (en waarbij beide partners evenveel verdienen). Deze leden vragen of er, naast de politieke overwegingen, andere overwegingen zijn om de overdraagbare heffingskorting te bevriezen? De koopkracht voor eenverdieners wordt geraamd op -0,2% (door het CPB). Dat is het laagste van alle groepen. Door de huidige hoge inflatie zal dat nog verder wegzakken. Doel van de regering is normaal gesproken om de koopkracht evenwichtig te verdelen, en zo veel mogelijk koopkrachtdaling te voorkomen. Ziet de regering in dat er extra maatregelen nodig zijn om de koopkracht van eenverdieners te verhogen?

3. Verhogen steunpercentages in de milieu-investeringsaftrek

Per 1 januari 2022 worden de steunpercentages in de Milieu-investeringsaftrek (MIA) verhoogd van 13,5%, 27% en 36% naar respectievelijk 27%, 36% en 45%. De effectiviteit van deze aftrek, evenals de Energie-Investeringsaftrek (EIA) en willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) is echter afhankelijk van de mate waarin winst wordt gemaakt. Als er geen winst wordt behaald, vergroten deze aftrekken slechts de verliesverrekeningscapaciteit (carry back en carry forward). Veel ondernemingen die zich in een transitiefase in de richting van een meer duurzame circulaire economie bevinden, zijn verlieslijdend vooral door hoge afschrijvings- en financieringskosten. Kan de regering aangeven, zo vragen de leden van de CDA-fractie, welk percentage van de ondernemers die in beginsel in aanmerking komen voor de MIA, Vamil en EIA naar schatting in deze verlieslijdende categorie valt? Erkent de regering dat hier een probleem in schuilt doordat de gewenste effectiviteit van deze aftrekken in deze gevallen te wensen overlaat? In hoeverre acht de regering het in het licht van de klimaatdoelstellingen gewenst dat voor dit probleem een oplossing wordt geboden?

In de memorie van toelichting3 geeft de Staatssecretaris goed weer wat de effecten zijn van het verhogen van de steunpercentages in de milieu-investeringsaftrek. Hoewel dat duidelijk is, blijft het voor de leden van de D66-fractie onduidelijk waarom er niet voor hogere steunpercentages is gekozen. Graag vernemen deze leden een onderbouwing waarom deze percentages niet hoger zijn gekozen teneinde milieu verbeterende investeringen meer te stimuleren.

4. Uitzondering fiscaal partnerbegrip voor toepassing IACK

De leden van de VVD-fractie merken op dat de uitvoeringstoets bij de regeling Uitzondering fiscaal partnerbegrip voor toepassing inkomensafhankelijke combinatiekorting twee rode vlaggen en twee gele vlaggen krijgt. Met name de handhaafbaarheid en de fraudebestendigheid van de bedoelde regeling wordt kritisch door de Belastingdienst onder de loep genomen. Gesteld wordt dat bij onjuist invullen van de aangifte, de regeling niet goed handhaafbaar is vanwege het gebrek aan informatie over de aanwezigheid van een in het buitenland woonachtige partner met kinderen op het woonadres van de belastingplichtige en het gebrek aan informatie over de inkomenspositie van deze partner. Er wordt door de Belastingdienst een handhavingsstrategie beschreven die bestaat uit het houden van steekproeven gedurende de jaren 2022, 2023 en 2024 en communicatie met de (potentiële) doelgroep. Beoogd wordt compliance te bereiken bij de doelgroep en het risico op aanzuigende werking te verkleinen. Vanwege de niet goed handhaafbare regeling en de grote belangen per belastingplichtige neemt het risico op fraude toe. De incidentele uitgaven voor de extra handhavingsmaatregelen bedragen naar schatting € 730.000, voor automatisering wordt uitgegaan van € 100.000 incidentele uitgaven. De incidentele personele gevolgen zijn geschat op 7,8 fte. De leden van de VVD-fractie vernemen graag wat de gevolgen zijn voor de handhaafbaarheid, de fraudebestendigheid en de benodigde incidentele uitgaven bij een langere voorbereidingstijd/implementatietijd van de voorgestelde maatregel? Welke concrete adviezen heeft de Belastingdienst gegeven teneinde de maatregel beter uitvoerbaar te maken?

5. Gerichte vrijstelling thuiswerkkosten

De leden van de VVD-fractie merken op dat de uitvoeringstoets bij de gerichte vrijstelling thuiswerkkosten vier gele vlaggen laat zien, en voor € 2,9 miljoen structurele en € 2,3 miljoen incidentele uitgaven zorgt in het kader van handhaving en toezicht en leidt tot een extra personele inzet: 21,8 fte incidenteel en 27,5 fte structureel. De maakbaarheid van de systemen wordt als een risico gezien. De verminderde handhaafbaarheid van de regeling met name ten aanzien van onduidelijkheden over het onderscheid tussen zakelijk verkeer naar de vaste plaats van werkzaamheden en overig zakelijk verkeer voor wat betreft de anti-samenloopbepaling wordt beschreven. Daarnaast wordt melding gemaakt van mogelijk calculerend gedrag, leidend tot verwachte misbruiksituaties. De leden van de VVD-fractie vernemen graag welke concrete adviezen de Belastingdienst heeft gegeven teneinde de maatregel beter uitvoerbaar te maken? Is er een kosten-baten afweging gemaakt, met andere woorden zijn er schattingen van de kosten en opbrengsten van de gerichte vrijstelling voor thuiswerkkosten? En zo ja, leidt deze kosten-baten analyse tot een onderbouwing van de structurele extra inzet aan personeel?

6. Vennootschapsbelasting

De leden van de VVD-fractie merken op dat de uitvoeringstoets bij de regeling Temporele beperking verrekening voorheffingen met de vennootschapsbelasting (Sofina) één rode vlag en twee gele vlaggen bevat. Bovendien luidt het eindoordeel: uitvoerbaar, mits wordt geaccepteerd dat de onzekerheidsbandbreedte ten koste gaat van tijdige en betrouwbare implementatie en herprioritering noodzakelijk maakt en dat leidt tot verdringing van modernisering en vernieuwing in het IV-portfolio. De extra personele inzet bedraagt 2 fte structureel en het beslag op de portfolio is groot. De leden van de VVD-fractie vernemen graag welke concrete gevolgen de geschetste verdringing van modernisering en vernieuwing van het IV-portfolio heeft? Op basis van welk besluitvormingskader is voorrang gegeven aan het invoeren van deze maatregel met ingang van 1 januari 2022? Welke adviezen heeft de Belastingdienst gegeven ten aanzien van de mogelijke reductie van de complexiteitsgevolgen van deze regeling?

De aangenomen maatregelen vennootschapsbelasting (Vpb) beïnvloeden het zogenoemde globale evenwicht tussen de belastingheffing van de IB-ondernemer en van de directeur-grootaandeelhouder (dga) en zijn besloten vennootschap (bv). Onder verwijzing naar en dankzegging voor de brief van de Staatssecretaris van 12 november jl.4 over het onderzoek naar dit globale evenwicht naar aanleiding van de motie van de leden Essers (CDA) en Geerdink (VVD), zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat deze problematiek niet met incidentele maatregelen, die uiteindelijk alleen maar aan symptoombestrijding doen (zoals het wetsvoorstel excessief lenen), kan worden opgelost. Er is een plan nodig met een duidelijke stip op de horizon waar het hele stelsel naar toe moet, aangevuld met een helder stappenplan. Dat betekent dat er een grand design moet komen met aandacht voor het subject van belastingheffing (onder andere ten aanzien van het onderscheid tussen ondernemen en beleggen en de zzp-problematiek), het object van heffing (waaronder de vraag hoe de fictie van art. 2 lid 5 Wet Vennootschapsbelasting 1969 inzake het bestaan van ondernemingsvermogen bij onder meer een bv of nv zich verhoudt tot de vermogensetiketteringsregels bij de IB-ondernemer) en het tarief (inclusief de toekomst van de ondernemingsfaciliteiten en de verhouding tussen de verschillende tariefstructuren van de drie huidige boxen). Deze leden vragen de regering om een reflectie op dit door deze leden voorgestelde plan van aanpak.

Als gevolg van een initiatief van de G20/OECD is het de bedoeling dat binnen enkele jaren een globaal minimum Vpb-tarief zal gaan gelden van 15%. Deze maatregel is alleen van toepassing voor multinationals met een omzet hoger dan € 750 miljoen. De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel Nederlandse bedrijven naar schatting zullen worden geconfronteerd met deze maatregel? Dezelfde vraag stellen deze leden ten aanzien van de plannen rond pillar 1 inzake transfer pricing. In hoeverre hindert de maatregel van het globale minimum Vpb-tarief Nederlandse beleidsmakers straks in de keuze voor een ideale belastingmix, bijvoorbeeld meer milieuheffingen en minder vennootschapsbelasting? Als grondslag zou het inkomen op grond van IAS/IFRS5 dan wel vergelijkbare GAAP6 gaan gelden. Welke invloed heeft dit voorstel op de toepassing van onder andere de huidige innovatiebox, de herinvesteringsregeling en de mogelijkheid van vervroegde afschrijvingen voor milieu-investeringen? Zullen deze regelingen na aanvaarding van dit minimumtarief worden gecontinueerd?

De regering stelt voor om het Sofina-arrest van het Hof van Justitie EU te repareren door de verrekening van voorheffingen met te betalen vennootschapsbelasting te temporiseren. Daarmee ervaren lichamen die Vpb-plichtig zijn in Nederland een nadeel ten opzichte van het verleden, waarin wel directe verrekening van voorheffingen mogelijk was. De regering had er ook voor kunnen kiezen om de voorheffingen ook aan niet-vennootschapsbelasting-plichtige lichamen (bijv. buitenlandse verlieslatende portfolio-aandeelhouders) terug te geven. Om vooral budgettaire en ook uitvoeringstechnische redenen is hiervoor echter niet gekozen. Erkent de regering dat de thans gekozen «oplossing» om binnenlandse aandeelhouders te beperken in hun mogelijkheid om voorheffingen te kunnen verrekenen op gespannen voet staat met het uitgangspunt van het Sofina-arrest, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Met andere woorden: is het eerlijk om binnenlandse beleggers zwaarder te belasten vanwege een beslissing van het Hof van Justitie EU die er nu net op was gericht om de verrekening van voorheffingen internationaal zo soepel mogelijk te laten verlopen met het oog op de EU-verdragsvrijheden en de interne markt? Wordt in een geval als dit dan niet ten onrechte de indruk gewekt dat deze lastenverzwaring te wijten is aan «Europa»?

De leden van de GroenLinks-fractie en PvdA-fractie vragen of de regering onderkent dat door de Vpb-tariefsverlaging tot 15% in de laagste schijf tot € 395.000 winst (in plaats van de huidige € 250.000), en daarentegen 25.8% voor het hoge tarief, het veel lucratiever wordt om bedrijven fiscaal te splitsen en zo de belastingdruk aanzienlijk te verlagen? Is het eenvoudig en goedkoop om bedrijven in diverse fiscale eenheden te splitsen, zodat veel bedrijven dit pad zullen volgen? Kan de regering enkele voorbeeldberekeningen laten zien van bedrijven met winsten van 0,5 miljoen euro, 1 miljoen euro en 2 miljoen euro, en hoe die optimaal gesplitst kunnen worden? Kan daarnaast worden aangegeven wat nog gedaan kan worden om dit te voorkomen? Bovendien beoordeelt het Financieel Dagblad in een redactioneel commentaar de huidige situatie als volgt: «Hopelijk brengt de missionaire Eerste Kamer de demissionaire Staatssecretaris en het demissionaire kabinet op tijd bij zinnen. Dat bespaart ons de kroniek van een aangekondigd belastingdebacle.» (Het Financieele Dagblad, 17 november 2020)7. Kan de regering een appreciatie geven van deze kritiek? Tot slot, met het verlaagde tarief voor de vennootschapsbelasting wil de wetgever naar verluidt het midden- en kleinbedrijf ontzien. Het rapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel (2020)8 beoordeelde het verlaagde Vpb-tarief echter als een ondoelmatig middel om een lagere belastingdruk van het midden- en kleinbedrijf te realiseren, omdat slechts de helft van de winst onder het lage tarief bij het midden- en kleinbedrijf zit. De andere helft ligt bij het grootbedrijf. Hoe verhoudt de regering zich tot de conclusies uit dit rapport? Welke mogelijkheden ziet de regering om de doelmatigheid van de maatregel te vergroten?

De belastingplannen betreffen op verschillende manieren ondernemers. Het is voor een goed ondernemersklimaat van belang dat de belastingwetgeving voor hen passend is en werkbaar. Graag ontvangen de leden van de D66-fractie een uiteenzetting van de regering over zijn visie op de huidige belastingwetgeving in relatie tot een goed ondernemersklimaat. Tevens vragen deze leden of er nu nog situaties kunnen bestaan met dubbele heffing en welke dat dan zijn? Gaat de belastingwetgeving in dat geval daarop nog worden aangepast?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen een nadere onderbouwing van de verhoging van het tarief van de vennootschapsbelasting met 0,8%. Het enkele feit dat een motie oproept tot een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven van een half miljard euro is nog geen onderbouwing vanuit het oogpunt van ordentelijke motivering van wetsvoorstellen? Hoe is deze tariefverhoging te verdedigen in het licht van de afschaffing van de Baangerelateerde investeringskorting (BIK) met een lastenverzwaring voor het investerende bedrijfsleven in 2021 en 2022 van respectievelijk € 2 miljard en € 1,7 miljard en dat met terugwerkende kracht? En in het licht van het feit dat de BIK in de plaats kwam van een aanzienlijke tariefverlaging in de Vpb? Hoe is die terugwerkende kracht te verdedigen nu tegenover deze lastenverzwaring voor het bedrijfsleven geen andere lastenverlichting voor het bedrijfsleven is komen te staan? Tast dit het vertrouwen van het bedrijfsleven in het kabinetsbeleid niet aan? Immers na de BIK zou na 2022 een verlaging van de werkgeverslasten komen te staan.

De verlenging van de eerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting in 2021 tot € 245.000 en in 2022 tot € 395.000 heeft tot tal van publicaties geleid waaruit zorgen blijken over het ontgaan van belasting via deze verhoogde verlenging. De leden van de 50PLUS-fractie verwijzen bijvoorbeeld naar het Financieele Dagblad van 21 november onder de kop: «Is belasting betalen weer iets voor de dommen»?9Kan in dit verband worden aangegeven of en hoe een herziening van het box 2 systeem tot stand kan komen gelet op het zeer lage tarief en de forse verlenging van de eerste schijf? Welke effectieve maatregen wil de regering overwegen om de ontgaansroute zo snel mogelijk af te sluiten? Kan de regering hiervan een overzicht geven? Is de regering bereid met snelle reparatievoorstellen te komen ondanks de demissionaire status van het kabinet?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe groot het opbrengstverlies is bij de dividendbelasting als gevolg van de voorgenomen verplaatsing van het hoofdkantoor van de koninklijke Shell naar Londen.

7. Verduidelijkingen en technische wijzigingen overdrachtsbelasting

DNB heeft in een Analyse van de woningmarkt onder andere vraagtekens gezet bij de zogenaamde startersvrijstelling bij de overdrachtsbelasting. Het zou een prijsopdrijvend effect hebben. De leden van de 50PLUS-fractie vragen wat de voordelen en nadelen zijn van afschaffing van de startersvrijstelling bij de overdrachtsbelasting? Wegen de voordelen van de startersvrijstelling wel op tegen het prijsopdrijvend aspect van de vrijstelling en tegen de extra belasting voor de Belastingdienst, mede gelet op de in dit Belastingplan extra opgenomen maatregelen onder andere inzake hoofdverblijf en antimisbruik? De Raad van State wees terecht op de Uitvoeringsaspecten van de vrijstelling. Is dat de vereiste omvangrijke extra inzet van de 4 organisatie van de Belastingdienst waard?

8. Commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om, naar aanleiding van de wijzigingen van de overdrachtsbelasting bij terugkoop woningen met een verkoop regulerend beding, in te gaan op vraag 1 en 2 van het nader commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) van 19 november 202110 over de «eerdere verkrijging» en over de vraag van wie moet worden terug verkregen. Ook vragen deze leden de regering om in te gaan op vraag 3 van het nader commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) over de wijziging van art. 9 lid 7 Wet op belastingen van rechtsverkeer in combinatie met de aansprakelijkheid van de notaris.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering kennis heeft genomen van het nader commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) van 19 november 2021? Is de regering in staat om te reageren op de punten die door de NOB naar voren worden gebracht en wat is in dat geval het antwoord op deze punten voor wat betreft de wetgeving die nu bij de Eerste Kamer ter beoordeling ligt?

9. Overige vragen

Doenvermogentoets

Op 8 december 2020 heeft de Eerste Kamer de motie Crone c.s. over de doenvermogentoets11 aangenomen. Daarin is de regering verzocht om alle belastingvoorstellen die aan het parlement worden voorgelegd in het vervolg te voorzien van een doenvermogentoets. De leden van de VVD-fractie constateren dat er geen doenvermogentoetsen bij de voorliggende belasting-wetsvoorstellen gevoegd zijn. Graag verzoeken de leden van de VVD-fractie om de doenvermogentoetsen bij alle belastingwetsvoorstellen te ontvangen voorafgaand aan de plenaire behandeling van deze wetsvoorstellen.

Recht op toeslagen versus rechtvaardigheid

De leden van de Fractie-Nanninga stellen dat iemand met 150.000 euro spaargeld geen recht op zorgtoeslag heeft, maar dat iemand met 150.000 euro spaargeld in een bv met enkel «spaargeld» wel recht op zorgtoeslag heeft. Ook iemand met 150.000.000 euro spaargeld in een spaargeld-bv heeft recht om zorgtoeslag. Wat vindt de regering hiervan? Welke reparatie mogelijkheden ziet de regering?

Eindrapportage toeslagenstelsel

De Staatssecretaris Financiën – Belastingdienst en Toeslagen heeft op 14 december 2020 de eindrapportage alternatieven voor het toeslagenstelsel12 aangeboden. De leden van de Fractie-Nanninga vernemen graag wat hier sindsdien mee is gebeurd? Graag ontvangen deze leden een chronologisch overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen op dit vlak. Kan de regering aangeven wat er in het kader van de overgang naar/vorming van een nieuw kabinet op dit punt in het overdrachtsdossier komt?

Lastenvermindering als gevolg van de hoge gasprijzen

De twee tijdelijke lastenverminderingen in 2022 ter grootte van in totaal € 3,2 miljard om de gevolgen van de stijging van de gasprijzen te dempen zijn besloten op 15 oktober 2021. De leden van de 50PLUS-fractie vragen of er aanleiding is deze maatregelen te heroverwegen als de ontwikkeling van de gasprijzen daartoe aanleiding geeft? Per wanneer is een eventuele aanpassing uitvoerbaar?

Spreiding wetsvoorstellen

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of er een plan van aanpak voorgelegd kan worden voor een betere spreiding van wetgeving bij het Belastingplan 2023? Gaat de omvang van zelfs dit demissionaire Belastingplan 2022 al niet alle perken te buiten, om nog maar niet te spreken over de kolossale omvang van het Belastingplan 2021?

Demissionaire status van het kabinet

De leden van de 50PLUS-fractie vragen wat de rechtvaardiging is, gelet op de demissionaire status van het kabinet van elk van de wijzigingen die bijna alle wel zeer ingrijpend en verstrekkend zijn? En die een zorgvuldige wetgevende procedure niet ten goede komen.

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 26 november 2021.

De voorzitter van de vaste commissie Financiën, P.H.J. Essers

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Essers (CDA) (voorzitter), Prast (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP), Van Strien (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Adriaansens (VVD), Van Ballekom (VVD), Berkhout (Fractie-Nanninga), Crone (PvdA), Frentrop (FVD) Geerdink (VVD), Karimi (GL) (ondervoorzitter), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), Van der Voort (D66) en Raven (OSF), Fiers (PvdA)

X Noot
2

Kamerstuk 35 925, C

X Noot
3

Kamerstuk 35 927, 3

X Noot
4

Kamerstuk 35 572, AC

X Noot
5

IAS: International Accounting Standards, IFRS: International Financial Reporting Standards

X Noot
6

GAAP: Generally Accepted Accounting Principles

X Noot
11

Kamerstukken I, 2021/22, 35 572, N.

Naar boven