35 851 Wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen

Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 februari 2022

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft mij bij brief van 8 november 2021 verzocht om een reactie op een brief van het Huis voor klokkenluiders van 28 oktober 2021 met als onderwerp «stand van zaken en voortgang Huis voor klokkenluiders». In mijn brief van 4 februari jl. in reactie op een verzoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-klokkenluidersrichtlijn,1 heb ik gemeld dat ik u spoedig mijn reactie op de brief van het Huis voor klokkenluiders zou sturen. Met deze brief voldoe ik aan uw verzoek.

Het Huis voor klokkenluiders (hierna: het Huis) heeft uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken bij het Huis in 2021 en heeft daarbij zijn opvattingen gedeeld over de implementatie van de EU-klokkenluidersrichtlijn (hierna: de richtlijn).

Implementatie van de richtlijn

Het Huis is van mening dat de richtlijn ruimhartig geïmplementeerd zou moeten worden, waarbij ook de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Huis voor klokkenluiders uit september 2020 moeten worden betrokken. Het Huis bepleit in zijn brief in het implementatiewetsvoorstel ten minste drie onderwerpen te realiseren waarmee tevens recht wordt gedaan aan de EU-richtlijn. Deze onderwerpen betreffen (1) een onafhankelijk fonds waar melders van misstanden en inbreuken op het Unierecht een beroep op kunnen doen, (2) dwangmiddelen/ het toekennen van bestuursrechtelijke bevoegdheden aan het Huis en (3) wettelijke verankering van de preventietaak van het Huis. Door mijn ambtsvoorganger is op 14 december 2021 (Kamerstuk 35 851, nr. 6) een nota naar aanleiding van het verslag uitgebracht waarin, naar aanleiding van vragen van uw Kamer, ook op een aantal punten die het Huis naar voren brengt, is ingegaan.

In mijn brief van 4 februari jl. heb ik u laten weten dat ik graag met uw Kamer wil bezien op welke punten uit de wetsevaluatie het implementatiewetsvoorstel kan worden aangevuld met het oog op verdere versterking van de positie van klokkenluiders. Mijn voorstel is om daarbij ook de onderwerpen die het Huis in zijn brief van 28 oktober 2021 heeft genoemd te betrekken.

Stand van zaken bij het Huis in 2021

Van de resultaten in 2021 bij het Huis heb ik met belangstelling kennisgenomen. In het kader van de verdere professionalisering van de bedrijfsvoering heeft mijn ministerie hier met het Huis over gesproken en daarbij gewezen op de lange doorlooptijden van onderzoeken. Het Huis heeft hierop aangegeven dat de lange doorlooptijden terug te voeren zijn op oude onderzoeken waarbij gewerkt wordt volgens het destijds vastgestelde (verouderde) onderzoeksprotocol wat veel tijd vergt. In nieuwe zaken wordt gewerkt met het in 2021 vernieuwde onderzoeksprotocol.2 Dat onderzoeksprotocol bevordert een snellere doorlooptijd van de onderzoeken.

Mijn ministerie zal met het Huis nadere afspraken maken over de monitoring van de doorlooptijden van onderzoeken. Het is van belang dat het Huis de in behandeling zijnde onderzoeken voortvarend afrondt, omdat het Huis daarmee, naast de adviestaak, zijn toegevoegde waarde voor klokkenluiders laat zien.

In het binnenkort te verschijnen jaarverslag van het Huis zal het bestuur een beschrijving geven van de taakuitoefening en het gevoerde beleid van het Huis over heel 2021. Dit jaarverslag zal het Huis ook delen met beide Kamers.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.G.J. Bruins Slot


X Noot
1

Kamerstuk 35 851, nr. 8.

Naar boven