Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135830-X nr. 5

35 830 X Jaarverslag en slotwet Ministerie van Defensie 2020

Nr. 5 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2021

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 19 mei 2021 over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2020 bij het Ministerie van Defensie (Kamerstuk 35 830 X, nr. 2). De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni 2020. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Aukje de Vries

Adjunct-griffier van de commissie, Mittendorf

Vraag 1

Hoe verklaart u dat het jaarlijks te besteden budget beschikbaar voor investeringen niet volledig wordt besteed? Is dit de bedrijfsvoering? Wat precies in de bedrijfsvoering bemoeilijkt dat?

U vraagt naar een verklaring dat het jaarlijks te besteden budget voor investeringen niet volledig wordt besteed. Hier hebben wij in het kader van het Verantwoordingsonderzoek 2020 geen onderzoek naar verricht. Het is volgens ons aan de Minister van Defensie om deze vraag te beantwoorden.

Vraag 2

Veroorzaakt de onbalans tussen de hoge investeringsquote en het relatief lage defensiebudget knelpunten in de exploitatie en de operationele gereedheid? Zo ja, hoe wordt deze onbalans opgelost?

U vraagt of de hoge investeringsquote leidt tot knelpunten in de exploitatie en de operationele gereedheid. Dat hebben wij niet onderzocht. Het is ons dus niet bekend of dat leidt tot onbalans. Voor vragen hierover en de wijze waarop een eventuele onbalans wordt opgelost verwijzen wij u naar de Minister van Defensie.

Vraag 3

Ontvangt Defensie financiële compensatie voor haar bijdrage aan de coronabestrijding met 35.500 mensdagen?

U vraagt naar welke compensatie het Ministerie van Defensie heeft ontvangen voor haar bijdrage aan de coronabestrijding. Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u naar de verantwoordelijke bewindspersonen. Overigens geeft de Minister in haar Jaarverslag en Slotwet van het Ministerie van Defensie 2020 (Kamerstuk 35 830 X, nr. 1, bijlage 7) aan: «Uit de verantwoording van de COVID-19 gelden blijkt dat van de toegewezen € 60,0 miljoen in 2020 € 42,6 miljoen gerealiseerd is en het restant in 2021 is of wordt betaald.»

Vraag 4

Hoe verklaart u dat Defensie in 3 uitzonderingssituaties is afgeweken van de aanbestedingswet- en regelgeving?

U vraagt naar een verklaring waarom het ministerie is afgeweken van de aanbestedingswet en regelgeving. Wij hebben geen nader onderzoek verricht naar oorzaken van de uitzonderingen. We hebben enkel getoetst of de juiste procedure is toegepast. Het is volgens ons aan de Minister van Defensie om deze vraag te beantwoorden

Vraag 5

Ziet de Algemene Rekenkamer verbetering in het munitiebeheer ten opzichte van 2017–2020?

U vraagt of wij verbeteringen zien in het munitiebeheer. In ons Rapport bij het Jaarverslag 2020 Ministerie van Defensie (X) hebben wij op pagina 21 aangegeven dat wij een lichte verbetering zien in de administratie van de centrale en decentrale voorraad munitie. Zo hebben wij bijvoorbeeld geconstateerd dat er verbeteringen zijn aangebracht in de instructies over het munitiebeheer voor beheerders.

Vraag 6

Hoe komt het dat het telproces niet op alle punten loopt zoals het hoort? Wat zijn hier mogelijke oorzaken voor?

U vraagt naar de oorzaken van het niet goed lopen van het telproces. Wij hebben in het kader van ons Verantwoordingsonderzoek 2020 geen onderzoek verricht naar de mogelijke oorzaken waarom het telproces niet op alle punten verloopt zoals het hoort.

Overigens hebben wij geconstateerd dat bij het Ministerie van Defensie in de praktijk niemand de regie heeft over de munitieketen. Geen enkel onderdeel van de munitieketen kan zelfstandig oplossingen voor tekortkomingen doorzetten omdat niemand eindverantwoordelijk is. Die regie is wel nodig om het proces structureel te verbeteren. Daarom hebben wij de Minister van Defensie aanbevolen om voor alle krijgsmachtonderdelen tezamen een eindverantwoordelijke persoon voor de munitieketen te benoemen.

Vraag 7

Hoe ver zou Defensie het budget voor vastgoed moeten verhogen in 2021 en 2022 om stappen in de goede richting te zetten?

U vraagt hoe ver Defensie het budget voor vastgoed zou moeten verhogen in 2021 en 2022 om stappen in de goede richting te zetten. Op basis van de door het Ministerie van Defensie aangeleverde informatie heeft het ministerie een budget van € 500 miljoen per jaar nodig om ervoor te zorgen dat het vastgoed niet meer achteruit gaat. Het beschikbare budget voor 2021 is € 300 miljoen. Dat betekent dat er in 2021 nog een extra budget nodig is van € 200 miljoen. Als de meerjarendoorkijk in de begroting niet wijzigt, zijn de tekorten voor 2022 nog groter,. Er is volgens de informatie die wij van het ministerie hebben ontvangen een beschikbaar budget van tenminste € 160 miljoen: dit wordt mogelijk opgehoogd met € 140 miljoen, maar dit was op moment van onderzoek niet zeker. Het tekort komt volgens de informatie die wij hebben ontvangen daarmee uit tussen de € 200 miljoen en € 340 miljoen.

Vraag 8

Zijn alle gebouwen nu brandveilig. Zo nee, welke niet?

U vraagt of alle gebouwen nu brandveilig zijn. De Algemene Rekenkamer constateert in haar onderzoek over 2020 dat de brandveiligheid van defensiegebouwen ten opzichte van 2019 is toegenomen. Het Ministerie van Defensie voldoet volgens de door ons van het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ontvangen informatie voor de gebouwen die onder toezicht vallen van de ILT, voor 100% aan de brandveiligheidseisen van die inspectie. Eind 2020 waren er tientallen gebouwen waarvan nog niet definitief was vastgesteld dat zij brandveilig zijn. Het gaat om gebouwen die niet onder toezicht vallen van de ILT, maar onder toezicht staan van gemeenten, de overzeese rijksdelen en Duitsland.

Vraag 9

In welk opzicht is inzake de realisatie van GrIT de afhankelijkheid van de leverancier een aandachtspunt? Hoe kan deze afhankelijkheid beheersbaar blijven?

U vraagt in welk opzicht de afhankelijkheid van de leverancier een aandachtspunt is bij de realisatie van GrIT en hoe deze afhankelijkheid beheersbaar kan blijven. De afhankelijkheid van de leverancier is een aandachtspunt omdat het de Minister van Defensie een langdurige overeenkomst van 10 jaar met 1 leverancier is aangegaan. Daarbij wordt voor de realisatie van GrIT samengewerkt in gemengde teams van medewerkers van Defensie en van de leverancier. In de door ons aan de Minister aanbevolen tussenevaluatie naar de uitvoering van GrIT, kan de afhankelijkheid van de leverancier een aandachtspunt zijn.

Vraag 10

Wat zijn de gevolgen van het niet meetbaar definiëren van de inzetbaarheidsdoelen van de krijgsmacht in de Defensienota (Kamerstuk 34 919, nr. 1)?

U vraagt naar de gevolgen van het niet meetbaar definiëren van de inzetbaarheidsdoelen van de krijgsmacht. De Minister van Defensie heeft ervoor gekozen om de inzetbaarheidsdoelen van de krijgsmacht in de Defensienota (waarnaar ook wordt verwezen in de begroting) weer te geven in pictogrammen. Daarmee is de politieke opdracht niet op een meetbare manier gedefinieerd. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop het parlement wordt geïnformeerd over de operationele gereedheid van de krijgsmacht. In de inzetbaarheidsrapportage die u heeft ontvangen als vertrouwelijke bijlage bij het jaarverslag, staat niet of de inzetbaarheidsdoelen zijn gehaald. Dat betekent dat de Minister van Defensie het parlement niet informeert of zij het doel haalt om de 3 hoofdtaken goed te kunnen vervullen. Bovendien krijgt het parlement minder inzicht in wat de krijgsmacht kan en of het de inzetdoelen behaald. Het parlement is daardoor minder geïnformeerd bij het uitvoeren van haar controlerende taak.

Vraag 11

De Algemene Rekenkamer beveelt aan de staat van inzetbepalende voorraden, zoals munitie, mee te nemen in het vaststellen van de operationele gereedheid. Bij brief van 21 mei 2021 stelt de Staatssecretaris: «Voor de eerste hoofdtaak heeft Defensie momenteel onvoldoende (munitie-)voorraden.» Houdt dit in dat Defensie de komende jaren niet (voldoende) in staat is het Nederlandse grondgebied te verdedigen?

U vraagt of het gebrek aan munitie inhoudt dat Defensie de komende jaren niet (voldoende) in staat is het Nederlandse grondgebied te verdedigen. In haar reactie op het verantwoordingsonderzoek (hoofdstuk 6.1 in het rapport), schrijft de Minister: «Defensie kent tekorten in de investerings-en exploitatie budgetten voor Grootmaterieel, IT en Vastgoed. [...] Defensie kan daarom haar grondwettelijke taken onvoldoende uitvoeren en daarmee is de veiligheid van het Koninkrijk en die van onze partners en bondgenoten onvoldoende gegarandeerd.»

Het aanvullen van de munitievoorraden komt ten laste van het investeringsbudget. Of het beleid van de Minister er toe leidt dat Defensie (voldoende) in staat is het Nederlandse grondgebied te verdedigen is aan de Minister om te beantwoorden. Het is mede afhankelijk van hoe de dreiging zich manifesteert, maar dat is door ons niet onderzocht.

Vraag 12

Hoe wordt de capaciteit voor brandbestrijding gedefinieerd? Is dit in materieel, in personeel, of anders?

U vraagt naar hoe de capaciteit voor brandbestrijding wordt gedefinieerd. In onze verantwoordingonderzoeken bij de ministeries van JenV en Defensie wordt capaciteit gedefinieerd als een combinatie van benodigd materieel en personeel in kwantitatieve en kwalitatieve zin.

Vraag 13

Voor de bestrijding van de branden is ondersteuning vanuit het Ministerie van Defensie geleverd. De ingezette Defensie-eenheden waren vijf helikopters, twee tanks en het daarbij behorende personeel. Was dat voldoende?

U vraagt of de geleverde ondersteuning van Defensie tijdens de natuurbranden in kwestie voldoende was. Zoals wij ook in ons onderzoek hebben geconstateerd zijn de branden op afdoende wijze geblust (p.42 in het rapport) daarmee was ook de geleverde ondersteuning van Defensie bij deze twee operaties voldoende.

Vraag 14

Een knelpunt in de uitvoering van brandbestrijding was de aansturing van de Defensie eenheden in de uitvoering door de brandweer op de plaats van de branden zelf. Zo gaf de vertegenwoordiger van de brandweer die meevloog in de blushelikopter meermaals ándere blusaanwijzingen dan de commandant van het brandweerteam op de grond. Hoe komt het dat daar verschil in zit?

U vraagt hoe het komt dat er verschil zat tussen de blusaanwijzingen vanuit de lucht en op de grond. Wij hebben tijdens ons onderzoek geen precieze oorzaak hiervoor kunnen achterhalen.