35 827 EU-voorstel: Strategie voor de rechten van het kind

A BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 april 2021

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 2 fiches die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).

Fiche 1: Aanbeveling instelling Europese Kindergarantie

Fiche 2: Mededeling EU-Kinderrechtenstrategie 2021–2024

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

Fiche 1: Aanbeveling instelling Europese Kindergarantie

1. Algemene gegevens

  • a) Titel voorstel

    Voorstel voor een Aanbeveling van de Raad tot instelling van een Europese kindergarantie

  • b) Datum ontvangst Commissiedocument

    maart 2021

  • c) Nr. Commissiedocument

    COM (2021) 137

  • d) EUR-Lex

    https://eur-lex.Europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021DC0137

  • e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie

    N.v.t.

  • f) Behandelingstraject Raad

    Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (WSBVC), gekwalificeerde meerderheid

  • g) Eerstverantwoordelijk ministerie

    Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in nauwe samenwerking met Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2. Essentie voorstel

De Commissie heeft tegelijkertijd met het voorstel voor de aanbeveling, een mededeling voor een Europese Strategie voor de Rechten van het Kind uitgebracht.1 De Europese kindergarantie is een nadere uitwerking van het thema over sociaaleconomische inclusie, gezondheid en educatie uit deze strategie. In 2019 leefden bijna 18 miljoen kinderen in de EU (22,2% van de kinderpopulatie) in huishoudens die risico liepen op armoede of sociale uitsluiting. Volgens de Commissie leidt dit tot een intergenerationele cyclus van achterstand, met ingrijpende en langdurige gevolgen voor kinderen. De Raadsaanbeveling tot instelling van een Europese kindergarantie heeft tot doel deze cyclus te doorbreken en gelijke kansen te bevorderen door de toegang tot een reeks essentiële diensten te garanderen voor kinderen in nood (jonger dan 18 jaar, die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting).

In het kader van de Europese kindergarantie wordt de lidstaten aanbevolen om kosteloze en effectieve toegang te bieden aan kinderen in nood tot vroeg- en voorschoolse educatie (vve) en kinderopvang; onderwijs en schoolactiviteiten; minstens één gezonde maaltijd op een schooldag; en gezondheidszorg. Daarnaast wordt aanbevolen dat de lidstaten zorgen dat kinderen in nood ook buiten schooldagen gezonde maaltijden krijgen, en dakloze kinderen en hun gezinnen toegang hebben tot adequate huisvesting.

Bij het identificeren van kinderen in nood en het opstellen van nationale maatregelen dienen de lidstaten rekening te houden met de specifieke behoeften van kinderen uit kansarme milieus, zoals kinderen die dakloos zijn, een handicap hebben, in een precaire gezinssituatie zitten, een migrantenachtergrond of een raciale of etnische minderheidsachtergrond hebben, of alternatieve zorg nodig hebben.

Lidstaten waarbij het risico op armoede of sociale uitsluiting voor kinderen in 2017–2019 hoger was dan het EU-gemiddelde, dienen in de financieringsperiode 2021–2027 ten minste 5% van hun aandeel uit het ESF+ te reserveren voor de bestrijding van kinderarmoede of sociale uitsluiting. Andere lidstaten dienen een passend bedrag (appropriate amount) te reserveren.2

Lidstaten worden aangemoedigd om binnen zes maanden na het aannemen van de Raadsaanbeveling nationale actieplannen voor te leggen aan de Commissie over de uitvoering ervan. De Commissie zal de voortgang van lidstaten volgen binnen het Europees Semester en waar nodig met landspecifieke aanbevelingen komen rondom dit thema.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het kabinet acht het bevorderen van het welzijn van kinderen en het bestrijden van kinder-armoede van groot belang. Alle kinderen moeten kunnen participeren en zich op verschillende vlakken kunnen ontwikkelen, zonder barrières. Het Nederlandse beleid kent een actieve aanpak van het tegengaan van kinderarmoede (o.a. via de ambities kinderarmoede3). Sinds 2017 heeft het kabinet 100 miljoen euro extra per jaar uitgetrokken voor deze aanpak. Hiervan wordt het grootste deel aan gemeenten verstrekt, hetgeen hen de vrijheid geeft om het geld uit te geven in overeenstemming met lokale behoeften. Gemeenten worden door de rijksoverheid ondersteund door onder meer het delen van goede voorbeelden, kennis en ervaringen in het land.

De rijksoverheid gebruikt inkomensbeleid en arbeidsmarktbeleid om de structurele oorzaken van armoede aan te pakken. Een voorbeeld hiervan is de verhoging van het kind-gebonden budget met € 150 miljoen per jaar. Het kabinet stimuleert tevens het gebruik van kinderopvang voor kinderen van werkende ouders door hen een inkomensafhankelijke tegemoetkoming te geven in de kinderopvangkosten. Daarnaast zetten vier landelijke armoedepartijen verenigd onder «Sam&» zich in om een zo groot mogelijke groep kinderen in armoede te bereiken en een breed scala aan voorzieningen te bieden.4

Het Nederlandse beleid omtrent onderwijs en schoolactiviteiten is er op gericht dat kinderen die vanwege hun achtergrond minder kansen hebben, meer in staat worden gesteld om hun talenten te ontwikkelen. Gemeenten en scholen ontvangen geld voor onderwijsachterstandenbeleid. In de Gelijke Kansen Alliantie werkt de rijksoverheid samen met gemeenten, scholen en maatschappelijke partners aan het versterken van kansengelijkheid, met aandacht voor thuis, school en de leefomgeving, via lokale agenda’s. Scholen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs kunnen ouders om een vrijwillige bijdrage vragen voor extracurriculaire schoolactiviteiten.5

Het kabinet richt zich op het stimuleren van een gezond eetpatroon en een gezonde leefstijl bij kinderen, onder meer via het programma Gezonde School, het programma Gezonde Kinderopvang 6 en deelname aan het EU-Schoolfruit- en groenteprogramma. Daarnaast heeft er een verkenning plaatsgevonden naar mogelijkheden voor implementatie van een gezonde schoollunch en extra beweegaanbod.7

Het kabinet is van mening dat elk kind recht heeft op preventieve en (medisch) noodzakelijke zorg, inclusief hulpmiddelen en diensten.8 Vanuit de zorgverzekeringswet hebben alle inwoners van Nederland een uitgebreide basisverzekering. Kinderen zijn meeverzekerd met hun ouders; ouders dragen geen premie voor kinderen af en er wordt geen eigen risico ingehouden op zorg voor kinderen. Het kabinet richt zich met haar kindergezondheidszorgbeleid op preventie en gezondheidsbevordering gedurende de ontwikkelingsstadia van de kindertijd. Voor kwetsbare groepen zijn speciale diensten beschikbaar onder de programma’s Kansrijke Start en de Eerste 1.000 dagen. Ook is Nederland al jaren nationaal en Europees actief om de toegankelijkheid tot geneesmiddelen te bevorderen.

Het kabinet streeft naar het merkbaar beter maken van de jeugdzorg, -bescherming en -reclassering voor kinderen, jongeren en gezinnen. In het programma Zorg voor de Jeugd werken professionals, gemeenten, Rijk, cliënten- en jeugdhulporganisaties samen aan initiatieven voor kwetsbare kinderen, zoals het versterken van (gezinsgerichte vormen) van de jeugdhulp en het voorkomen van uithuisplaatsingen.

Het kabinet vindt het van belang om dakloosheid te voorkomen en, als er toch sprake is van dakloosheid, deze periode zo kort mogelijk te houden. Er is een brede aanpak gericht op preventie, perspectief en een zo zelfstandig mogelijke passende woonplek bieden met, indien nodig, maatwerkbegeleiding.9 Tevens bestaat er een normenkader voor de kindvriendelijke inrichting van opvanglocaties voor dak- en thuisloze kinderen en hun gezinnen.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet kan de voorgestelde Raadsaanbeveling onderschrijven. De COVID-19 crisis heeft reeds bestaande ongelijkheden en het risico op armoede of sociale uitsluiting verergerd. Het is daarom opportuun dat de Commissie een Raadsaanbeveling voorstelt om armoede en sociale uitsluiting onder kinderen aan te pakken. De onderhavige Raadsaanbeveling draagt eraan bij dat het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting ten aanzien van kinderen in de EU-lidstaten op de agenda blijft en biedt landen tevens concrete handvatten om invulling te geven aan hun nationale beleid.

De strekking van de voorgestelde Raadsaanbeveling strookt reeds grotendeels met het Nederlandse beleid. Zo steunt het kabinet het principe dat primair en voortgezet onderwijs kosteloos moeten zijn. Daarnaast is het kabinet positief over de aanbevelingen (financiële) drempels met betrekking tot participatie bij school gerelateerde activiteiten weg te nemen en gelijke en inclusieve toegang te bevorderen. Dit sluit aan bij wat het kabinet op dit moment al doet. Verder zet het kabinet zich al langer in voor het bevorderen van een gezonde leefstijl en gezonde voeding, zowel nationaal als in EU-verband. Tevens onderschrijft het kabinet het belang van kwalitatieve, betaalbare en toegankelijke gezondheidszorg en geneesmiddelen10 voor alle kinderen en verwelkomt de aanbevelingen op dit gebied. Deze sluiten veelal aan op het nationale beleid gericht op kindergezondheidszorg en jeugdzorg. Ook kan het kabinet de aanbevelingen op het gebied van huisvesting voor kinderen in nood steunen. De doelstellingen sluiten aan op de Nederlandse aanpak om dak- en thuisloosheid in den brede te voorkomen en tijdig passende woonplekken te bieden aan (dreigend) dak- en thuislozen.

Dit alles neemt niet weg dat problemen rondom kinderarmoede en sociale uitsluiting verschillen van lidstaat tot lidstaat, en dat vraagt om beleid op nationaal niveau. De thema’s die worden aangestipt in het voorstel (vve, kinderopvang, onderwijs, voeding, gezondheidszorg en huisvesting) blijven primair een nationale, regionale of lokale aangelegenheid. Lidstaten dienen op deze terreinen de vrijheid te behouden om middels nationaal beleid invulling te geven aan de kindergarantie. Het is dan ook positief dat gekozen is voor het instrument van een juridisch niet-bindende Raadsaanbeveling en dat het voorstel markeert dat rekening gehouden moet worden met nationale omstandigheden en benaderingen. De aanbeveling erkent daarmee dat er verschillen kunnen zijn in de manier waarop lidstaten uitvoering geven aan de voorgestelde aanbeveling.

In één van de overwegingen van het voorstel staat dat lidstaten, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en benaderingen, effectieve en kosteloze toegang tot belangrijke diensten dienen te organiseren, of passende voordelen dienen te bieden, zodat ouders of voogden van kinderen in nood in staat zijn deze diensten te dekken. Het kabinet zal ervoor pleiten dat de betreffende overweging en het corresponderende artikel in het voorstel meer met elkaar in lijn worden gebracht, waar nu enkel nog staat dat de toegang kosteloos moet zijn. In Nederland is dit relevant voor onder andere extracurriculaire schoolactiviteiten en voor kinderopvang. Zo vindt het kabinet dat extracurriculaire schoolactiviteiten toegankelijk moeten zijn voor elk kind, wat betekent dat er geen bijdrage gevraagd mag worden voor extracurriculaire schoolactiviteiten. Deze bijdrage moet expliciet vrijwillig zijn. Het Rijk financiert en heeft daartoe afspraken gemaakt met gemeenten om voorschoolse voorziening aan te bieden aan peuters vanaf 2,5 jaar zonder recht op kinderopvangtoeslag11 en peuters met een risico op onderwijsachterstand12. De meeste gemeenten vragen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor peuters zonder recht op kinderopvang-toeslag.13 Voor kinderen van 0–12 van wie de ouders beiden werken is er de inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag die voor een lager inkomen oploopt tot 96% van de vooraf vastgestelde maximum uurprijs.

Verder zal het kabinet er tijdens de onderhandelingen op inzetten dat lidstaten voldoende ruimte behouden om zelf invulling te geven aan de inhoud en reikwijdte van het nationale actieplan, welke zij worden aanbevolen op te stellen en bij de Commissie in te dienen, en de wijze van monitoring en rapportering over dit actieplan aan de Commissie. Hierbij is het wenselijk dat zoveel als mogelijk wordt aangesloten bij bestaande statistieken en indicatoren. Voor wat betreft de voorgestelde monitoring van de aanbeveling via het Europees Semester zal het kabinet de Commissie vragen te verduidelijken hoe de verschillende aspecten van de aanbeveling worden ingepast met behoud van de macro-economische focus van het Semester proces.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

De Raadsaanbeveling kan rekenen op brede steun van EU-lidstaten, alsmede van het Europees Parlement. Wel hebben meerdere lidstaten aangegeven dat de aanbeveling voldoende ruimte dient te laten voor bestaande nationale kaders. Enkele lidstaten hebben daarnaast aandacht gevraagd voor het respecteren van de bevoegdheidsverdeling.

Het Europees Parlement bereidt een resolutie voor over de kindergarantie waarin de Raad wordt verzocht de garantie aan te nemen.

4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen op het gebied van regeldruk en administratieve lasten

a) Bevoegdheid

Het voorstel is gebaseerd op artikel 292 VWEU, op basis waarvan de Raad aanbevelingen kan vaststellen op basis van een voorstel van de Commissie op gebieden waarvoor de EU bevoegd is, in samenhang met artikel 153, lid 1 sub j en artikel 153, lid 2 VWEU. Op grond van artikel 153, lid 1 sub j, VWEU kan de Unie het optreden van de lidstaten ondersteunen en aanvullen op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting. Artikel 153, lid 2 VWEU bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad te dien einde maatregelen kunnen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen. Het kabinet acht dit de juiste rechtsgrondslag.

b) Subsidiariteit

De grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit is positief. De aanbeveling heeft tot doel sociale uitsluiting te voorkomen en te bestrijden door de toegang van kinderen in nood tot een reeks essentiële diensten te waarborgen. Kinderen die in armoede leven of kinderen uit kansarme milieus hebben meer kans op barrières bij de toegang tot voor- en vroegschoolse educatie en -zorg, inclusief onderwijs, gezondheidszorg, gezonde voeding en adequate huisvesting. Ze beginnen hun leven met een achterstand, wat op lange termijn gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en toekomstperspectieven. Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen heeft daarmee impact op de opwaartse sociaaleconomische convergentie tussen de lidstaten van de Unie. Het kabinet ziet daarom de meerwaarde dat de EU er bij lidstaten op aandringt hun inspanningen ter bevordering van het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen te verbeteren.

c) Proportionaliteit

De grondhouding ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het gaat om een juridische niet-bindende handeling. Het voorstel is geschikt om lidstaten te ondersteunen bij het nemen van maatregelen ten aanzien van de bevordering van de toegang van kinderen in nood tot een reeks essentiële diensten, en kan een aanvulling vormen op de nationale aanpak van sociale uitsluiting van kinderen. Ook biedt het voorstel ruimte voor een gedifferentieerde aanpak die de nationale, regionale of lokale situaties van de lidstaten weerspiegelt. Daarmee gaat het voorstel niet verder dan noodzakelijk.

d) Financiële gevolgen

Er is EU-financiering beschikbaar om deze acties te ondersteunen in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), evenals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, InvestEU en de Faciliteit voor herstel en veerkracht (RRF). In de voorgestelde aanbeveling worden geen concrete voorstellen gedaan die directe financiële gevolgen hebben. Indien er toch gevolgen zijn voor de EU-begroting is Nederland van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. In de Raads-aanbeveling wordt aangegeven hoe de lidstaten, gezien de huidige omstandigheden, zouden kunnen bijdragen aan de bestrijding van armoede en sociale exclusie onder kinderen. Het is uiteindelijk aan de lidstaten zelf om hier invulling aan te geven. (Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het/de beleidsverantwoordelijk(e) departement(en), conform de regels van de budgetdiscipline.

e) Gevolgen voor regeldruk, administratieve lasten en concurrentiekracht

De strekking van de voorgestelde Raadsaanbeveling strookt reeds grotendeels met het bestaande Nederlandse beleid. De verwachting is dat het Nederlandse beleid dan ook niet zal worden aangepast.

De Raadsaanbeveling kan bijdragen aan opwaartse sociaaleconomische convergentie tussen de lidstaten van de Unie, hetgeen de concurrentiekracht kan versterken.

Fiche 2: Mededeling EU-Kinderrechtenstrategie 2021–2024

5. Algemene gegevens

  • h) Titel voorstel

    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: EU-strategie voor de Rechten van het Kind 2021–2024

  • i) Datum ontvangst Commissiedocument

    maart 2021

  • j) Nr. Commissiedocument

    COM (2021) 142

  • k) EUR-Lex

    https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52021DC0142&qid=1616834626056

  • l) Nr. impact assessment Commissie en Opinie

    Niet opgesteld

  • m) Behandelingstraject Raad

    Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)

  • n) Eerstverantwoordelijk ministerie

    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in nauwe samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

2. Essentie voorstel

De Commissie heeft een voorstel voor een eerste EU-strategie voor de Rechten van het Kind (2021–2024) uitgebracht. De Commissie geeft als aanleiding voor deze strategie dat er nog te veel kinderen worden geconfronteerd met (ernstige en regelmatige) schendingen van hun rechten. Voor dit voorstel heeft de Commissie, in samenwerking met mondiale kinderrechtenorganisaties, 10.000 kinderen om hun mening gevraagd.

Met deze Kinderrechtenstrategie committeert de Commissie zich aan het centraal stellen van kinderen en hun belangen bij het maken van beleid. Het doel is alle bestaande en nieuwe EU-wetgeving en beleid en financieringsinstrumenten die raken aan kinderrechten samen te brengen in één alomvattend kader: de EU-strategie voor de Rechten van het Kind. Deze Kinderrechtenstrategie bouwt voort op eerdere mededelingen van de Commissie over kinderrechten14 en draagt bij aan de doelstellingen van de Europese pijler van sociale rechten.15 De strategie is verankerd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) inclusief de facultatieve protocollen en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De strategie beoogt bij te dragen aan de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) van de Verenigde Naties (VN) en is gekoppeld aan de Raad van Europa normen inzake de rechten van het kind.

De Commissie roept lidstaten op om zich op nationaal niveau te committeren aan en te investeren in kinderrechten. Lidstaten worden opgeroepen hiertoe een nationale strategie te ontwikkelen en prioriteit te geven aan de financiering van kinderrechten in de financieringsprogramma’s van de EU. De strategie benoemt zes thema’s met gerichte acties voor de Commissie en lidstaten met prioritaire EU-maatregelen voor de komende jaren.

Het eerste thema is gericht op Participatie in het politieke en democratische leven. De Commissie stelt onder andere voor overleg te houden met kinderen in het kader van de Conferentie over de Toekomst van Europa. Lidstaten worden daarnaast opgeroepen deelname van kinderen aan het democratische leven mogelijk te maken.

Onder het tweede thema, Sociaaleconomische inclusie, gezondheid en onderwijs, wil de Commissie kinderarmoede en sociale uitsluiting bestrijden. Hiervoor heeft de Commissie gelijktijdig een Raadsaanbeveling uitgebracht voor de instelling van een Europese Kindergarantie16, welke uitvoering geeft aan dit thema. Daarnaast worden lidstaten opgeroepen om in te zetten op het mentaal welzijn van kinderen.

Het derde thema focust op de Bestrijding van geweld tegen kinderen en de verzekering van de bescherming van kinderen. Op dit thema wil de Commissie onder meer wetgeving voorstellen ter bestrijding van gendergerelateerd en huiselijk geweld. Lidstaten worden door de Commissie opgeroepen om geïntegreerde kinderbeschermingssystemen op te zetten en de werking ervan te verbeteren.

Met het vierde thema wordt ingezet op het bewerkstelligen van Kindvriendelijke rechtsprocedures. Zo zal de Commissie onder andere bijdragen aan gespecialiseerde justitiële opleidingen en in 2022 een voorstel doen voor wetgeving dat de wederzijdse erkenning van ouderschap tussen lidstaten ondersteunt. Lidstaten worden onder andere opgeroepen om universele, gratis en onmiddellijke toegang tot geboorteregistratie en certificering voor alle kinderen te bevorderen en waarborgen.

Als onderdeel van het vijfde thema, Digitale- en informatiesamenleving, zal de Commissie in 2022 de Europese Strategie voor een Beter Internet voor Kinderen actualiseren. Lidstaten worden opgeroepen om digitale basisvaardigheden te ondersteunen. Daarbij roept de Commissie ICT-bedrijven op om schadelijk onlinegedrag aan te pakken.

Het zesde thema, de Internationale dimensie, richt zich op het buitenlandbeleid. Hiertoe zal de Commissie onder andere in 2022 een Jongerenactieplan voorbereiden om de participatie van jongeren en kinderen te bevorderen en 10% van de middelen voor humanitaire hulp besteden aan onderwijs.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het kabinet acht het verwezenlijken en bevorderen van kinderrechten van groot belang. Dit gebeurt onder meer door de nationale implementatie en naleving van het IVRK.17 Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind brengt naar verwachting dit najaar aanbevelingen uit waar het kabinet op passende wijze opvolging aan zal geven.

Participatie in het politieke en democratische leven

Er bestaan diverse initiatieven op landelijk en lokaal niveau om de stem van kinderen en jongeren beter te laten klinken in de democratie, zoals de realisatie van een generatietoets18 en het aanstellen van kinderburgemeesters en -gemeenteraden. In augustus 2021 treedt naar verwachting het wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht in werking in het funderend onderwijs. Deze wet legt onder andere vast dat scholen, leerlingen kennis en respect moeten bijbrengen voor de democratische rechtsstaat en ieders grondrechten, en zo met burgerschapsvaardigheden kunnen oefenen.

Sociaaleconomische inclusie, gezondheid en onderwijs

Mentale druk op jongeren is een prioritair thema in de Landelijke nota gezondheidsbeleid en middels de Gezonde School-aanpak wordt gewerkt aan een schoolklimaat dat bijdraagt aan de mentale gezondheid van leerlingen. Verder zet het kabinet met een meerjarenprogramma in op depressiepreventie19 en worden de mogelijkheden voor een Nationaal preventieakkoord mentale gezondheid verkend.20

Bestrijding van geweld tegen kinderen en de verzekering van de bescherming van kinderen

Nederland kent uitgebreide wet- en regelgeving om kindermishandeling te voorkomen en kinderen te beschermen zodat ze veilig kunnen opgroeien. Het gebruik van lijfstraffen in de opvoeding is daarom verboden.21 Nederland heeft daarnaast een meld- en adviespunt kindermishandeling en huiselijk geweld; kinderen kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon; en er bestaat een alertering voor vermiste kinderen. Scholen en instellingen zijn verplicht om een meldcode omtrent kindermishandeling te hebben. Daarnaast werkt het kabinet aan de verbetering en vereenvoudiging van de jeugdbeschermingsketen.22

Kindvriendelijke rechtsprocedures

Het kabinet hecht veel waarde aan kindvriendelijke rechtsprocedures. Zo worden minderjarigen vanaf 12 jaar in familie- en jeugdprocedures op een kindvriendelijke wijze benaderd en geïnformeerd over juridische procedures. Opleidingen van rechters besteden blijvend aandacht aan kindvriendelijke gesprekstechnieken. Het belang van het kind wordt in Nederland in alle procedures meegewogen en in jeugdstrafrechtprocedures vanaf de aanhouding tot en met de inverzekeringstelling vooropgesteld. Op de politieacademie is er aandacht voor de positie van het kind als verdachte. In de asielprocedure en vreemdelingenrechtelijke procedures worden kinderen altijd begeleid door diens ouder of voogd (Nidos). Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en VluchtelingenWerk voorzien daarnaast in kindvriendelijke informatie over de asielprocedure en het wonen in een asielzoekerscentrum Vreemdelingenbewaring van kinderen gebeurt alleen als laatste middel en zo kort mogelijk wanneer er zwaarwegende belangen aanwezig zijn.

Digitale- en informatiesamenleving

Het kabinet heeft de Code bescherming kinderrechten online ontwikkeld. Dit is een geheel van richtlijnen voor leveranciers van online diensten en producten voor kinderen. Daarnaast ondersteunt het kabinet het Netwerk Mediawijsheid dat bijzondere aandacht heeft voor kinderen. De bescherming van minderjarigen tegen schadelijke online content wordt met de implementatie van de herzieningsrichtlijn Audiovisuele Mediadiensten in de Mediawet 2008 versterkt. Bovendien kent Nederland een integrale aanpak van kinderporno, waarmee naast een betere strafrechtelijke aanpak wordt geïnvesteerd in preventie en het publiek-privaat internet schonen.

De mondiale dimensie

Het kabinet plaatst jongeren in toenemende mate in het hart van zijn buitenlandbeleid, zoals via de jongerenstrategie Youth at Heart.23 Bedrijven worden gestimuleerd en (financieel) ondersteund om kinderarbeid in hun mondiale ketens uit te bannen. Nederland is gidsland binnen de Alliance 8.7, een globaal partnership met ruim 200 partners. Het kabinet spant zich hiermee actief in om wereldwijd de uitbanning van kinder- en dwangarbeid te versnellen.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet hecht veel waarde aan het bevorderen en naleven van kinderrechten. De COVID-19 crisis heeft laten zien hoe belangrijk blijvende aandacht voor zowel materiële als immateriële rechten is. Het is positief dat de Commissie met deze Kinderrechtenstrategie duidelijk maakt dat er in Europa meer aandacht is voor kinderrechten en kinderrechten beter betrokken zullen worden bij het opstellen van (EU-)beleid. De door de Commissie voorgestelde zes thema’s zijn ook in Nederland speerpunten van kinderrechten en verdienen derhalve steun.

Het kabinet verwelkomt de voorstellen van de Commissie om de deelname aan het democratisch proces te vergroten; de mentale gezondheid onder kinderen te verbeteren en versterken; en het voorstel op het gebied van vaccinatie. Dit sluit aan bij wat het kabinet op dit moment al doet. Verder zet het kabinet zich al langer in om geweld tegen kinderen te bestrijden en kinderen in bescherming te nemen. Het voorstel van de Commissie op het terrein van de wederzijdse erkenning van ouderschap ziet het kabinet ook positief tegemoet. De wederzijdse erkenning van ouderschap tussen lidstaten moet, met voldoende waarborgen omkleed, op gelijke wijze gelden voor alle kinderen, ongeacht de gezinssamenstelling waarin zij opgroeien. Ook hecht het kabinet veel waarde aan een veilige digitale samenleving. Het kabinet onderschrijft daarom de gekozen lijn ten aanzien van de digitale- en informatiesamenleving als vijfde thema in de EU-Kinderrechtenstrategie. Verder verwelkomt het kabinet het voorstel om 10% van de financiering in het kader van de NDICI te besteden aan onderwijs; om 10% van de financiering voor humanitaire hulp te blijven besteden aan onderwijs in noodsituaties en langdurige crisis; en om de goedkeuring van de Safe Schools Declaration te bevorderen. Deze strategie sluit namelijk aan bij de Nederlandse beleidsprioriteiten. Tot slot verwelkomt het kabinet de inzet van de Commissie voor het versterken van betekenisvolle jongerenparticipatie in haar buitenlandbeleid met het voornemen om een Youth Action Plan te ontwikkelen.

Dit alles neemt niet weg dat de uitdagingen rondom het borgen van kinderrechten verschillen per lidstaat en dat vraagt om beleid op nationaal niveau. De thema’s die worden aangestipt in het voorstel, zoals onderwijs; gezondheidszorg; jeugdbescherming; inrichting van rechtsprocedures, blijven primair een nationale, regionale of lokale aangelegenheid. Lidstaten dienen op deze terreinen de vrijheid te behouden om met nationaal beleid invulling te geven aan voorstellen uit de Kinderrechtenstrategie. Het is dan ook goed dat de strategie juridisch niet-bindend is.

Verder vraagt het kabinet zich af aan wat voor verhoging wordt gedacht van de Barcelona-doelstelling24, gericht op kinderopvang. In het kader van de Europese Onderwijsruimte voor de voor- en vroegschoolse educatie (vve) en kinderopvang is deelname van 96% van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd namelijk recentelijk al als doelstelling afgesproken.25 Tevens heeft het kabinet behoefte aan verduidelijking over wat het prioriteren van de financiering van kinderrechten in de Europese financieringsprogramma’s uiteindelijk in de praktijk betekent. Verder vraagt het kabinet zich af wat de Commissie concreet verstaat onder het, in het kader van de Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF), verlenen van gerichte financiële steun voor transnationale en innovatieve projecten. Het kabinet zal de Commissie eveneens vragen wat zij bedoelt met inspanningen en financiering op nationaal niveau om de strategie verder te brengen.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

Een groot aantal EU-lidstaten heeft zich positief uitgelaten over het voorstel. Diverse lidstaten gaven aan dat verschillende nationale initiatieven voor de bescherming van kinderrechten goed aansluiten op de strategie. Het Europees Parlement heeft nog geen formeel standpunt ingenomen, naar verwachting bestaat er brede steun voor dit voorstel.

4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen op het gebied van regeldruk en administratieve lasten

f) Bevoegdheid

De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. In artikel 3, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd dat de EU tot doel heeft de bescherming van de rechten van het kind te bevorderen. Dit komt ook terug in de artikelen 24 en 32 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, waarbij in artikel 24 de rechten van het kind worden gegarandeerd en in artikel 32 het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op werk is opgenomen. De mededeling heeft betrekking op vele beleidsterreinen, zoals het sociaal beleid, de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport en de bescherming, verbetering van de menselijke gezondheid en ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp. Op het terrein van het sociaal beleid en de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht heeft de EU een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, sub b en sub j, VWEU). Op het terrein van onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport en de bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid is de EU bevoegd het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen (artikel 6, sub a en sub e, VWEU).

g) Subsidiariteit

De grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit is positief. De strategie heeft tot doel het centraal stellen van kinderen bij het opstellen van relevant (EU-)beleid. Gelet op dit doel heeft het meerwaarde dat op EU-niveau actie op dit terrein wordt ondernomen, zodat een eventueel verschil in rechten tussen kinderen die in verschillende lidstaten verblijven, wordt geminimaliseerd. Als in het EU-beleid reeds aandacht is voor kinderrechten, wordt het bovendien naar verwachting voor lidstaten natuurlijker om bij de uitvoering van dit beleid ook aandacht te hebben voor kinderrechten. Daarbij kunnen bepaalde kinderrechten niet volledig geborgd worden zonder een Europese samenwerking vanwege de grensoverschrijdende aard van de beleidsterreinen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de digitale veiligheid van kinderen en jongeren. Kinderen kunnen immers zonder enige beperkingen buitenlandse websites en platforms raadplegen.

h) Proportionaliteit

De grondhouding ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het kabinet is van mening dat de strategie geschikt is om bij te dragen aan de verwezenlijking en versterking van kinderrechten. Hiermee biedt de Commissie namelijk op passende wijze ondersteuning aan lidstaten om bij de uitvoering van EU-beleid kinderrechten na te leven en bevorderen. De Europese Kinderstrategie gaat niet verder dan noodzakelijk. Deze Kinderrechtenstrategie biedt immers de kaders op hoofdlijnen aan en is niet bindend. Daarbij biedt de Kinderrechtenstrategie in de uitvoering voldoende ruimte aan lidstaten.

i) Financiële gevolgen

De Commissie benadrukt in haar mededeling dat EU-financiering essentieel is om de uitvoering van EU-beleid in de lidstaten te ondersteunen. Lidstaten worden opgeroepen om prioriteit te geven aan de financiering van kinderrechten in de financieringsprogramma’s van de EU. De Commissie verwijst naar bestaande Europese fondsen en programma’s26 die kunnen worden ingezet om kinderrechten te verwezenlijken en versterken. Zo worden lidstaten opgeroepen om zelf een passend bedrag te reserveren vanuit de ESF+ voor de bestrijding van kinderarmoede. Daarnaast worden lidstaten verzocht om beroep te doen op de 75 tot 90% cofinanciering vanuit het nieuwe AMIF ten behoeve van onder andere de opvang en huisvesting van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Op basis van de algemene omschrijving van de strategie kan nog niet volledig beoordeeld worden of en in welke mate deze voorstellen financiële gevolgen hebben. Met betrekking tot de gevolgen voor de EU-begroting is het kabinet van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moet passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Eventuele budgettaire gevolgen voor de Rijksbegroting worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels budgetdiscipline. Het kabinet is voornemens geen aanvullende uitgaven ten behoeve van de strategie te doen, daar de aanbevelingen passen binnen het huidige beleid en budget.

j) Gevolgen voor regeldruk, administratieve lasten en concurrentiekracht

De EU-Kinderrechtenstrategie bevat diverse voorstellen op het gebied van jongerenparticipatie, kansengelijkheid, gendergerelateerd en huiselijk geweld, kindvriendelijke procedures, digitale veiligheid en het mondiaal versterken en stimuleren van kinderrechten. Op basis van de algemene omschrijving in de strategie kan nog niet volledig beoordeeld worden of deze initiatieven administratieve lasten voor bedrijven, organisaties of overheden binnen de lidstaten met zich mee zullen brengen.


X Noot
1

COM/2021/142 final. Een separaat BNC-fiche over de strategie zal Uw Kamers worden toegezonden.

X Noot
2

Het EU-gemiddelde ligt op 22,5%. Nederland zit hieronder (16%) en mag dus zelf een passend bedrag kiezen (COM(2018) 382 final).

X Noot
3

Kamerstukken II, 2018/19, 24 515 nr. 484

X Noot
4

Sam& is een samenwerkingsverband tussen Stichting Leergeld, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Stichting Jarige Job en Nationaal Fonds Kinderhulp.

X Noot
5

Vanaf 1 augustus 2021 is dit vastgelegd in de Wet primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra (voor speciaal onderwijs).

X Noot
7

Kamerstukken II, 2020/21, 32 793, nr. 548

X Noot
8

Dit is geregeld in de wet publieke gezondheid, de wet langdurige zorg, de jeugdwet, en de zorgverzekeringswet.

X Noot
9

Zie ook Kamerbrief over Een (t)huis, een toekomst, De aanpak van dak- en thuisloosheid, 03-06-2020, en Kamerbrief voortgangsrapportage beschermd wonen en maatschappelijke opvang, 04-06-2020

X Noot
10

Dit voorstel sluit aan op de doelen van de Europese Farmaceutische Strategie om de toegang tot geneesmiddelen te bevorderen. Voor kinderen is hierbij de herziening van de kinder- en weesgeneesmiddelenverordening relevant. Zie ook (kamerstuk 22112–3022) BNC-fiche Europese farmaceutische strategie

X Noot
12

Gemeenten ontvangen een tegemoetkoming van het Rijk om voorschoolse educatie aan te bieden aan peuters van tweeënhalf tot vier jaar met een risico op een onderwijsachterstand. De hoogte van het budget wordt bepaald door de onderwijsachterstand in een gemeente. De volgende indicatoren worden gebruikt om dit te bepalen: herkomst ouders, verblijfsduur van de moeder, het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders van leerlingen van de school en de vraag of ouders in de schuldsanering zitten.

X Noot
13

Bijlage bij Kamerstukken II, 2019/20, 31 322, nr. 415.

X Noot
14

Een EU-strategie voor de rechten van het kind COM(2006) 367; Een EU-agenda voor de rechten van het kind COM(2011) 60.

X Noot
15

TK 2020–2021, 22 112, nr. 3085.

X Noot
16

Zie (COM2021)137 en het BNC-fiche Europese Kindergarantie.

X Noot
17

Zie ook de Staatsrapportage aan het VN-Comité voor de Rechten van het Kind: Bijlage bij TK 2020–2021, 26 150, nr. 189.

X Noot
18

De generatietoets betrekt jongeren bij het vormgeven van nieuw beleid en ontwikkelen van wet- en regelgeving.

X Noot
19

TK 2020–2021, 32 793, nr. 496.

X Noot
20

TK 2020–2021, 32 793, nr. 538.

X Noot
21

TK 2005–2006, 30 316, nr. 6, p. 1; Een wetsvoorstel dat hetzelfde regelt op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) is eind maart 2021 ingediend bij de Tweede Kamer.

X Noot
22

TK 2020–2021, 31 839, nr. 771.

X Noot
23

TK 2019–2020, 34 952, nr. 104.

X Noot
24

Conclusies van het voorzitterschap, Europese Raad van Barcelona, 15-16 maart 2002, SN 100/1/02 REV 1.

X Noot
25

Kamerstuk 21 501-34-357.

X Noot
26

Justice Programme, the Recovery and Resilence Facility, Erasmus+, Horizon2020, the Digital Programme, the CERV Programme, the European Agricultural Fund for Rural Developmend, REACT-EU, InvestEU, Technical Support Instrument COVID, NextGenerationEU COVID, European Regional Development Fund en de beschikbare programma’s onder het MFK 2021–2027, in het bijzonder Neighbourhood Development and International Cooperation instrument, the Instrument for Pre-accession Assistance III en the humanitarian aid instrument.

Naar boven