35 788 Kabinetsformatie 2021

Nr. 110 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 17 januari 2022

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 11 januari 2022 inzake de uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij over uitspreken dat het wenselijk is dat het CPB het coalitieakkoord doorrekent (Kamerstuk 35 788, nr. 103).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 17 januari 2022. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Tielen

Adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

Vraag 1, 42 en 84

Welk belang hecht het kabinet aan het houdbaarheidssaldo? Is het regeerakkoord solide naar toekomstige generaties toe? Kunt u reageren op de conclusie van het CPB «Als gevolg van het coalitieakkoord (Kamerstuk 35 788, nr. 77) stijgen de financiële lasten voor toekomstige generaties fors.»

Antwoord op vraag 1, 42 en 84

Het houdbaarheidssaldo (hhs) is een maatstaf die inzicht geeft in de financiële lastenverdeling voor toekomstige generaties. Dat is belangrijk om in beeld te brengen, en het CPB geeft inderdaad aan dat deze lasten op termijn zullen stijgen. Het CPB stelt wel in haar recente literatuurstudie (zie CPB, 2021) dat het houdbaarheidstekort in toenemende mate discussie oproept: (i) het houdbaarheidstekort fluctueert sterk in de tijd, (ii) het is onduidelijk hoe de toekomst het best kan worden verdisconteerd en (iii) het kan in strijd zijn met het begrip brede welvaart. Met name op het laatste punt acht het kabinet het eveneens van belang om niet alleen aandacht te hebben voor de financiële lastenverdeling, maar juist ook het belang te onderkennen van de baten van de genomen investeringen voor toekomstige generaties: bijvoorbeeld een betere infrastructuur, beter onderwijs, een schoner klimaat, een betere veiligheid en meer woningen. Tot slot is sterk van invloed op het houdbaarheidssaldo het toekennen van incidentele versus structurele uitgaven en het wel of niet inboeken van de voorgenomen structurele beperkingen van de groei van de zorgkosten. Desalniettemin is het wel belangrijk om de vinger aan de pols te houden bij de ontwikkeling van de overheidsfinanciën en het doorschuiven van lasten naar volgende generaties.

Vraag 2 en 3

Waar is de 35 miljard euro voor het Klimaat- en transitiefonds op gebaseerd?

Welke adviezen liggen er ten grondslag aan de bedragen die zijn opgenomen in het Klimaat- en transitiefonds voor verschillende doeleinden?

Antwoord op vraag 2 en 3

Het bedrag van 35 miljard euro is een optelsom van de additionele middelen die volgens het kabinet tot en met 2030 nodig zijn voor de verschillende onderdelen van het fonds, zoals verduurzaming in de gebouwde omgeving, de aanleg van duurzame energie-infrastructuur en subsidies voor vroege fase-opschaling van hernieuwbare energiedragers. Voor deze inschatting is onder andere gebruik gemaakt van de budgettaire inschattingen uit het rapport van de studiegroep Invulling klimaatopgave Green Deal.

Tijdens de formatie is in verschillende samenstellingen onderhandeld. Bij de brief van 3 januari 2022 (Kamerstuk 35 788, nr. 104) heeft de Minister-President de Tweede Kamer een afschrift gestuurd van de relevante stukken die tijdens de verkennings-, informatie- en formatiewerkzaamheden ter tafel zijn geweest waarbij de hoofdonderhandelaars aanwezig waren en een afschrift van de aan de verkenners, informateurs en formateur toegezonden brieven, nota’s en adviezen. Naast de hoofdonderhandelaars hebben er ook onderhandelingen plaatsgevonden aan een zogenaamde financiële zijtafel, waarbij stukken zijn geleverd met ondersteuning van ambtelijk Financiën. Voor deze stukken geldt dat momenteel wordt bekeken op welke wijze de stukken die voor deze gesprekken zijn gemaakt publiek kunnen worden. Ik kom hier op korte termijn op terug.

Vraag 4

Welke besparing levert de ontkoppeling van de AOW (Algemene Ouderdomswet) en WML (Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag) op?

Antwoord op vraag 4

De stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met 7,5%, zoals afgesproken in het coalitieakkoord, werkt niet door in de hoogte van de AOW-uitkering. De AOW stijgt dus niet mee met de voorziene incidentele verhoging van het WML-niveau. Omdat de AOW wel regulier halfjaarlijks geïndexeerd blijft worden, is er geen sprake van een besparing in de AOW. Het niet-meestijgen van de AOW bij een incidentele verhoging van het WML-niveau vergt een wetswijziging (in elk geval van de Algemene ouderdomswet), waarbij nog moet worden onderzocht wat de meest logische manier is om dit vorm te geven.

Indien de hoogte van de AOW-uitkering wel mee zou stijgen met de stapsgewijze verhoging van het WML-niveau, dan is de inschatting dat er jaarlijks circa 2,4 miljard euro meer wordt uitgegeven aan de AOW. Dat jaarlijkse bedrag aan extra uitgaven loopt in de toekomst op, omdat het aantal AOW-gerechtigden door de vergrijzing toeneemt. De verwachte extra uitgaven, nemen evenredig toe met het aantal AOW-gerechtigden. Dit leidt rond 2040 tot circa 2,9 miljard euro aan extra jaarlijkse AOW-uitgaven.

Vraag 5

Bij een voortzetting van de historisch gemiddelde cao-loonstijgingen, hoe ontwikkelen de AOW en het WML over de komende tien jaar, per jaar?

Antwoord op vraag 5

Het bruto WML wordt jaarlijks geïndexeerd met de gemiddelde jaarlijkse stijging van de contractlonen. De gemiddelde stijging van de contractlonen in de afgelopen 10 jaar was 1,7 procent per jaar.

Het is in algemene zin niet vast te stellen hoe een veronderstelde stijging van het bruto WML per jaar doorwerkt op de bruto AOW-bedragen. Dat komt doordat de AOW via een netto-netto koppeling is gekoppeld aan het WML. Dit betekent dat het netto AOW-bedrag is gekoppeld aan het netto-WML. Doordat wordt gerekend met netto bedragen in plaats van bruto bedragen, spelen fiscale variabelen een belangrijke rol in de vaststelling van AOW-bedragen. Denk daarbij aan de algemene heffingskorting, schijflengtes en schijftarieven. Deze fiscale variabelen hebben ieder jaar een andere waarde/hoogte en worden ook jaarlijks geïndexeerd. Deze fiscale variabelen zorgen ervoor dat de ontwikkeling van het WML niet 1-op-1 is door te vertalen naar de AOW-bedragen. Hierdoor kan ook niet in algemene zin worden gezegd hoe de AOW zich de komende 10 jaar zou ontwikkelen bij een veronderstelde contractloonontwikkeling en WML.

Vraag 6

Is er een wetswijziging nodig om de ontkoppeling van de AOW van het WML permanent te maken? Zo ja, welke? Zo nee, via welke handeling wordt dit mogelijk gemaakt?

Antwoord op vraag 6

De stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met 7,5%, zoals afgesproken in het coalitieakkoord, werkt niet door in de hoogte van de AOW-uitkering. De AOW stijgt dus niet mee met de voorziene incidentele verhoging van het WML-niveau.

In het coalitieakkoord wordt niet beoogd de hoogte van de AOW-uitkering permanent te ontkoppelen van een stijging van het WML. Om de AOW-uitkering niet te laten meestijgen met de stijging van het WML-niveau, is een wetswijziging nodig van de Algemene Ouderdomswet. De AOW-uitkeringen blijven gekoppeld aan de jaarlijkse reguliere indexeringen van het WML per 1 januari en 1 juli (artikel 14 van de Wml).

Vraag 7

Wat is de verwachte koopkrachtonwikkeling voor gepensioneerden in de komende vijf jaar? Hoeveel is hun koopkracht afgenomen ten opzichte van 2008? Hoeveel indexatie is nodig om de huidige koopkracht op het niveau van 2008 te brengen?

Antwoord op vraag 7

Het CPB raamt de mediane koopkrachtontwikkeling voor gepensioneerden in 2022 – 2025. In de CPB-doorrekening van het coalitieakkoord inclusief basispad komt dit uit op -0,4% per jaar. Hiervoor is geen nieuw macro-economisch beeld gemaakt. Er is enkel een technische aanname gemaakt voor een correctie op de inflatie. Bij het CEP van aankomend voorjaar maakt het CPB een nieuwe macro-economische raming. Dan wordt bijvoorbeeld ook de loonontwikkeling meegenomen. Voor de koopkracht ten opzichte van 2008 verwijzen we naar het antwoord van het CPB op deze vraag.

Vraag 8

Hoeveel beschutte werkplekken is het kabinet van plan te realiseren en hoeveel geld wordt hiervoor gereserveerd?

Antwoord op vraag 8

Dit vergt nog nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 9, 10, 13 en 46

Kunt u aangeven in hoeverre de stijging van het accres, zeker na 2026, voor het Gemeentefonds voldoende is om stijgende kosten van gemeenten voor lonen, prijzen en de bevolkingsgroei op te vangen?

Kunt u aangeven of de totale financiële positie van gemeenten na 2026 verbetert of verslechtert ten opzichte van 2022–2025?

Kunt u aangeven welke begrotingsgevolgen voor gemeenten in de komende bestuursperiode voortvloeien uit de maatregelen dat de opschalingskorting niet wordt afgeschaft maar opgeschort, er bezuinigingsmaatregelen op de jeugdzorg gepland staan en het accres in 2026 niet dezelfde stijging volgt als de reserveringen voor kostenstijgingen van het Rijk?

Kunt u aangeven waarom de uitgaven in het Gemeente- en Provinciefonds met miljarden teruglopen de komende vijf jaar? Hoe komt het dat alle posten oplopen in de begroting maar dat deze afneemt, ook gezien de trap-op-trap-af-systematiek?

Antwoord op vraag 9, 10, 13 en 46

Het kabinet versterkt de financiële positie van gemeenten in de periode 2022–2025. Zo wordt de oploop van de opschalingskorting geschrapt, krijgen gemeenten via een specifieke uitkering middelen voor de uitvoering van het klimaatbeleid, en wordt in lijn met de uitspraak van de commissie van wijzen additionele financiering voor jeugdzorg beschikbaar gesteld. Hierdoor lopen de uitgaven aan het Gemeentefonds en Provinciefonds inclusief accres op richting 2025.

De daling na 2022, zoals te lezen valt in de Startnota (Kamerstuk 35 925, nr. 143), wordt veroorzaakt doordat de extra vrijgemaakte middelden nog op de aanvullende post staan geboekt. Dit betreft in ieder geval de extra middelen voor de Jeugdzorg en het schrappen van de oploop van de opschalingskorting.

Het accres is bij het coalitieakkoord tot en met 2025 grotendeels berekend op basis van de bestaande afspraken. Voor 2026 en verder is het accres niet berekend, maar vastgezet op een plus van 1 miljard euro ten opzichte van de stand bij Miljoenennota 2022.

Voor de periode na 2025 wil dit kabinet een stabielere financieringssystematiek voor medeoverheden realiseren en hun autonomie vergroten. Hierbij wordt ook de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied betrokken. De nadere uitwerking van de nieuwe financieringssystematiek zal nog plaatsvinden

Vraag 11

Hoeveel geld per inwoner was en is er beschikbaar voor een gemeente in 2019, 2022 en 2026?

Antwoord op vraag 11

Er is geen eenduidig antwoord te geven op deze vraag. Dit komt mede doordat bijvoorbeeld de belastinginkomsten per gemeente verschilt, de uitkering uit het Gemeentefonds niet gelijk is voor iedere gemeente en verschillende gemeenten ook voor specifieke onderwerpen een uitkering ontvangen (SPUKS). Wel is hoogte van de gemiddelde uitkering vanuit het Gemeentefonds per inwoner bekend voor het jaar 2019. Dit betrof een bedrag van 1.798 euro per inwoner1. Voor de jaren 2022 en 2026 is dit bedrag nog niet bekend omdat de plannen uit het regeerakkoord nog niet verwerkt zijn in de berekening.

Vraag 12

Kunt u aangeven hoe haalbaar u de extra doelstellingen voor gemeenten vindt, bijvoorbeeld als het gaat om de woningbouwimpuls, klimaatopgaven en op het gebied van het openbaar bestuur, met de huidige voorgestelde middelen?

Antwoord op vraag 12

Het kabinet heeft een aantal ambities op gebied van klimaat en de woningbouw en voorziet dat dit haalbaar is met de bestaande en aanvullend beschikbaar gestelde middelen.

Ten behoeve van een nieuwe woningbouwimpuls zijn in het coalitieakkoord middelen gereserveerd. Hiervoor wordt incidenteel 1 miljard euro uit het gemeentefonds genomen over een periode van tien jaar. Dit bedrag wordt vervolgens in jaarlijkse tranches van 100 miljoen euro als specifieke uitkering verstrekt aan medeoverheden.

Voor de uitvoeringskosten van medeoverheden en planbureaus die voortvloeien uit het klimaatakkoord en aanvullende klimaatbeleid wordt 800 miljoen euro per jaar gereserveerd tot en met 2030, met een ingroeipad in 2023 en 2024. Het betreft 5,6 miljard euro cumulatief t/m 2030.

Het kabinet zet het programma Werken aan Uitvoering voort. Hierbij trekt het kabinet nadrukkelijk samen op met gemeenten. In het coalitieakkoord is gedurende 10 jaar 600 miljoen euro per jaar opgenomen met een aanloop van 200 miljoen euro in 2022. Structureel is 133 miljoen euro beschikbaar.

U wordt nader geïnformeerd over de uitwerking van deze regelingen.

Vraag 14

In hoeverre acht u het mogelijk dat gemeenten aan hun wettelijke taken op het gebied van jeugdzorg kunnen voldoen met de geplande middelen en maatregelen?

Antwoord op vraag 14

In lijn met de uitspraak van de Commissie van Wijzen stelt dit kabinet additionele middelen beschikbaar voor de jeugdzorg. Vanaf 2024 worden in aanvulling op de Hervormingsagenda Jeugd extra beleidsmaatregelen in de jeugdzorg genomen; in 2024 wordt 100 miljoen euro extra bespaard en vanaf 2025 structureel 0,5 miljard euro. Hierbij kan gedacht worden aan worden aan (een combinatie van) normeren van de behandelduur of het introduceren van een eigen bijdrage.

Vraag 15

Kunt u aangeven of u de doelstellingen op het gebied van digitalisering haalbaar acht als dit wordt afgezet tegen de middelen die hiervoor beschikbaar zijn?

Antwoord op vraag 15

In het coalitieakkoord zijn middelen opgenomen voor onder andere de aanpak van digibetisme en Dienstverlening/Werk aan Uitvoering /ICT. Ook zijn er in de begroting al middelen beschikbaar voor digitalisering.

Vraag 16

Kunt u aangeven of de extra toegezegde middelen voor de politie leiden tot extra agenten (operationeel personeel) en/of de haalbaarheid van de doelstelling van een wijkagent op 5000 inwoners die 80 procent van de tijd in de wijk kan zijn?

Antwoord op vraag 16

De korpschef heeft aangegeven dat er d.d. eind augustus jl. 3.593 wijkagenten waren. Op dat moment telde Nederland volgens cijfers van het CBS 17.515.152 inwoners. Op basis daarvan (17.515.152/ 5.000) zouden er 3.503 wijkagenten moeten zijn. Met 3.593 zitten we dus 90 wijkagenten boven de norm van 1 wijkagent op 5.000 inwoners.

Dit is nog exclusief de extra middelen die Politie ontvangt uit de motie van het lid Hermans2 tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen (Handelingen II 2021/22, nr. 3, item 5). Hierin zit een investering van 700 fte in capaciteit vanaf 2024 voor o.a. agenten in de wijk. Hiermee zal nog verder boven de norm worden getreden. Het is nu nog te vroeg om te zeggen waar de middelen uit het coalitieakkoord exact aan zullen worden besteed.

Vraag 17

Met hoeveel worden de griffierechten verlaagd?

Antwoord op vraag 17

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 18

Op welke wijze wordt de intensivering in sociale advocatuur vormgegeven?

Antwoord op vraag 18

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 19

Is het een doel van het kabinet om ouderen op achterstand te zetten van andere groepen? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?

Antwoord op vraag 19

Het kabinet laat de koppeling van de AOW en wettelijk minimumloon (WML) ongemoeid. Een uitzondering is de eenmalige verhoging van het WML met 7,5% deze kabinetsperiode. Door het coalitieakkoord is voor gepensioneerden sprake van een koopkrachtverbetering van 0,3% gemiddeld per jaar, dat is vergelijkbaar met de effecten bij andere groepen.

Vraag 20

Hoe groot is het lerarentekort in het voortgezet onderwijs? Welke maatregelen worden getroffen om hier iets aan te doen?

Antwoord op vraag 20

In de brief van 14 december 20213 is aan de Tweede Kamer gemeld dat het verwachte lerarentekort in het vo in 2026 bijna 2.600 fte is. Zoals in het coalitieakkoord staat, wordt er geïnvesteerd in leraren en schoolleiders om zo de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Door te investeren in (bij)scholing en professionele ontwikkeling, in het verlagen van de werkdruk en in de verbetering van de arbeidsvoorwaarden wordt het aantrekkelijker gemaakt om te gaan en blijven werken in het onderwijs. Dat zijn belangrijke stappen om het lerarentekort aan te pakken en de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Over de verdere uitwerking en doelstelling van de aanpak van de tekorten informeert OCW de Kamer, dit voorjaar conform de toezegging gedaan in de brief van 14 december 2021.4

Vraag 21

Hoeveel wordt er geïnvesteerd in het mbo?

Antwoord op vraag 21

Hoe de investeringen uit het Coalitieakkoord precies over de sectoren worden verdeeld – in bedragen, percentages en per student – is afhankelijk van de uitwerking van de diverse maatregelen. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. In de begroting van OCW wordt een tabel opgenomen waarin intensiveringen zijn uitgesplitst naar sectoren.

Vraag 22

Welke nadere maatregelen worden overwogen om het scheiden van wonen en zorg te realiseren?

Antwoord op vraag 22

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 23

Is er een verdere uitsplitsing van de beoogde besparingen en kosten van het scheiden van wonen en zorg vanaf 2022 tot en met 2052 uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord?

Antwoord op vraag 23

In bijlage 4 bij de Startnota zijn de budgettaire gevolgen van het scheiden van wonen en zorg opgenomen tot en met 2052. Tussen 2022 t/m 2026 is sprake van transitiekosten (jaarlijks 200 miljoen euro). Daarnaast is vanaf 2023 sprake van een besparing van 40 miljoen euro per jaar. In dertig jaar tijd loopt deze besparing op tot 1,2 miljard euro vanaf 2052.

Vraag 24

Hoe groot is de lastenverzwaring voor de gemiddelde cliënt die gebruikmaakt van intramurale zorg met verblijf via de Wlz door het scheiden van wonen en zorg?

Antwoord op vraag 24

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 25

Hoe verandert de personeelsnorm door bij een herinterpretatie van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg af te zien van de huidige norm (twee medewerkers op acht bewoners)?

Antwoord op vraag 25

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 26

Klopt het dat er wordt afgezien van de Integrale vergelijking Verpleeghuiszorg omdat de Integrale vergelijking Verpleeghuiszorg minder logisch wordt als wonen en zorg gescheiden worden en er meer wordt ingezet op extramurale zorg?

Antwoord op vraag 26

Er is voor gekozen te stoppen met de benchmark (Integrale Vergelijking Verpleeghuiszorg). De verwachte winst door deze benchmarking ligt op het snijvlak tussen zorg, wonen en service. Bij het scheiden van wonen en zorg is de mogelijkheid om via een integraal tarief te sturen op doelmatigheid beperkt. Daarom is er voor gekozen de benchmark geen doorgang te laten vinden.

Vraag 27

Waarom is gekozen voor een forfaitaire huur van 548 euro per maand?

Antwoord op vraag 27

De overgang naar normhuur wordt zo vormgegeven dat dit – naast de flankerende vereenvoudigingen en toename in de huurtoeslag – budgetneutraal wordt gedaan. Op deze manier wordt ook de forfaitaire huur gekozen. Over de verdere uitwerking van normhuur wordt u zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Vraag 28

Waarom is gekozen voor 2024 als vervaldatum voor de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning?

Antwoord op vraag 28

De verhoogde eenmalige schenkingsvrijstelling voor de eigen woning (jubelton) is onderdeel van de aangifte schenkbelasting. Bij het afschaffen van de jubelton moet het onderdeel uit de aangifte worden verwijderd. Dit vraagt aanpassingen in de aangifte zelf en in de achterliggende systemen voor de verwerking van de gegevens uit de aangifte. Deze aanpassingen vragen tijd en capaciteit.

In 2022 is de beschikbare capaciteit nodig voor afronding van de overgang naar het nieuwe systeem voor de schenk- en erfbelasting. Capaciteit voor het verwijderen van de jubelton is beschikbaar vanaf 2023. Dit maakt verwijdering mogelijk per 1 januari 2024. De wettelijke aanpassing moet daarvoor uiterlijk 1 maart 2023 vaststaan.

Vraag 29

Voor welke groepen is het afschaffen van de leegwaarderatio een lastenverzwaring?

Antwoord op vraag 29

De leegwaarderatio kan toegepast worden door belastingplichtigen om de waarde te bepalen van een in box 3 opgegeven verhuurde woning met een huurder die recht heeft op huurbescherming. Het afschaffen van de leegwaarderatio is daarmee een lastenverzwaring voor deze groep burgers.

Vraag 30

Klopt het dat u het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte op het gebied van brede welvaart niet heeft overgenomen? Waarom niet?

Antwoord op vraag 30

Het kabinet heeft de adviezen van de Studiegroep Begrotingsruimte ten aanzien van brede welvaart overgenomen. Het kabinet beziet onder andere met de planbureaus en het CBS op welke manier de publicaties op het gebied van brede welvaart beter kunnen aansluiten op de begrotingscyclus en hoe dit beter kan worden meegenomen in de begrotingsstukken.

Vraag 31

Klopt het dat de 30 procent korting voor expats gewoon in stand blijft, ondanks de verkiezingsprogramma's van het CDA, VVD, D66 en CU waarin deze 30 procent-regeling wel werd versoberd?

Antwoord op vraag 31

Het coalitieakkoord bevat geen afspraken over aanpassing van de 30%-regeling.

Vraag 32

Klopt het dat huizenbezitters vorig jaar gemiddeld 200 euro per dag rijker zijn geworden per huis (gemiddelde waardestijging van 60.000 euro per huis)?

Antwoord op vraag 32

De prijzen van bestaande koopwoningen waren in november 2021 volgens het CBS 20,1 procent hoger dan een jaar eerder. De gemiddelde verkoopprijs was in november 2021 403.941 euro. Het klopt dat huizenbezitters hier rijker van zijn geworden indien vermogensaanwas hiertoe wordt gerekend.

Vraag 33, 34 en 36

Klopt het dat er gelden voor de woningbouwimpuls (10x100 miljoen euro) en volkshuisvesting (4x150 miljoen euro) uit het Gemeentefonds worden gehaald om via specifieke uitkeringen te worden teruggegeven aan gemeenten? Is het zo dat hiermee algemene gelden voor alle gemeenten alleen geoormerkt teruggekregen kunnen worden door de gemeenten die bouwprojecten aandragen? Zo nee, hoe zit het wel?

Kunt u aangeven wat er zou gebeuren met de gelden voor de volkshuisvesting en woningbouwimpuls wanneer gemeenten voor een lager bedrag dan gereserveerd projecten aandragen? Vloeit het overgebleven geld (oorspronkelijk afkomstig uit het generieke deel van het Gemeentefonds) dan terug naar de staatskas?

Is het realistisch om te verwachten dat gemeenten die een relatief beperkte woningbouwopgave hebben door deze constructie relatief gezien gekort worden op hun bijdrage uit het Gemeentefonds?

Antwoord op vraag 33, 34 en 36

Voor een nieuwe Woningbouwimpuls en voor extra middelen uit het Volkshuisvestingsfonds wordt incidenteel budget uit het gemeentefonds gereserveerd. De middelen voor de Woningbouwimpuls en het Volkshuisvestingsfonds worden in jaarlijkse tranches uitgekeerd aan gemeenten middels een SPUK. Momenteel werkt de Minister voor VRO deze regelingen verder uit. Belangrijk onderdeel van deze uitwerking zijn de voorwaarden waar medeoverheden aan moeten voldoen om over deze middelen te kunnen beschikken. Over deze uitwerking en de gevolgen daarvan voor de gemeentefinanciën wordt u op een later moment geïnformeerd.

Vraag 35

Hoeveel is het kabinet voornemens in totaal uit te geven aan klimaat en stikstofproblematiek van 2020 t/m 2035 (reeks en cumulatief)? Hoeveel was reeds begroot?

Antwoord op vraag 35

In het coalitieakkoord is t/m 2030 35 miljard euro gereserveerd voor een Klimaatfonds en 5,6 miljard euro voor uitvoeringskosten klimaat en planbureaus. Tot en met 2035 tellen de overige klimaatuitgaven in het coalitieakkoord op tot ruim 1,2 miljard euro. Voor de periode 2020 tot en met 2026 was reeds 35,6 miljard euro begroot.

In het coalitieakkoord is t/m 2035 25 miljard euro gereserveerd voor een stikstoffonds, waarvan 20 miljard euro t/m 2030. De reeks t/m 2025 is opgenomen in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord. Voor de stikstofaanpak was al 7 miljard euro begroot t/m 2030.

Voor de budgettaire reeksen van de reeds begrote uitgaven verwijs ik naar het uitgavenoverzicht stikstof en klimaat (bijlage 19 bij Miljoenennota 2022 (Kamerstuk 35 925)).

Vraag 37

Kunt u een inschatting geven van wat het effect is voor de staatskas (via de huurtoeslag) en de inkomsten van de woningbouwcorporaties (via huurinkomsten) wanneer lage inkomens minder huur gaan betalen en tegelijk de wat hogere inkomens meer huur gaan betalen?

Antwoord op vraag 37

De effecten op de huurtoeslag en huurinkomsten hangen af van de precieze vormgeving. Wel is het zo dat hoge (en midden) inkomens per definitie geen huurtoeslag krijgen. U wordt zo spoedig mogelijk over de precieze vormgeving geïnformeerd.

Vraag 38

Wat wordt als marktconforme huur gezien voor mensen met een hoger inkomen die een huurverhoging tegemoetzien? Wat voor huurverhogingen kunnen mensen verwachten als ze marktconforme huren moeten gaan betalen?

Antwoord op vraag 38

Het begrip marktconforme huur is nog niet afgebakend en moet nog worden uitgewerkt. Op dit moment is de maximale huur de maximale huurprijsgrens, waarbij de maximale huurverhogingen vanaf 2022 50 euro of 100 euro voor huurders met een hoog (midden)inkomen in een sociale huurwoning zijn.

Vraag 39

Hoe wordt de verlaging van de sociale huur voor mensen met een lager inkomen gefinancierd? Kunt u aangeven hoe deze verlaging wordt bewerkstelligd? Voor welke groep geldt deze huurverlaging?

Antwoord op vraag 39

De afschaffing van de verhuurderheffing en de toename van inkomensafhankelijke huurverhogingen hebben als effect dat woningcorporaties meer inkomsten ontvangen. De vormgeving van de huurverlaging moet nog worden uitgewerkt.

Vraag 40

Tot welke huurprijs zal de nieuwe huurprijsbescherming gaan gelden? Voor welke vorm van huurprijsbescherming wordt gekozen?

Antwoord op vraag 40

De definitieve huurprijs en de vormgeving van de huurprijsbescherming moeten nog worden uitgewerkt.

Vraag 41

Wat wordt specifiek bedoeld met de vereenvoudiging van het woningwaarderingsstelsel? Zijn er aanpassingen voorzien van de puntentelling? Zo ja, op welke gebieden?

Antwoord op vraag 41

De vormgeving van de vereenvoudiging vergt nog nadere uitwerking.

Vraag 43

Hoeveel geld heeft u uitgetrokken voor corona in het regeerakkoord en de doorrekening en kunt u dat uitsplitsen naar geld voor de zorg, geld voor de GGD, geld voor steunpakketten en een reservering voor belasting, die afgeschreven moeten worden? Is dit realistisch?

Antwoord op vraag 43

In het coalitieakkoord is een envelop opgenomen voor Pandemische paraatheid. Dit moet nog worden uitgewerkt. Op de begroting van VWS is reeds 4,3 miljard euro beschikbaar gesteld in 2022 voor corona, onder andere voor testen, vaccineren en traceren. Wanneer aanvullende maatregelen en/of middelen benodigd zijn, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd. In de Najaarsnota (Kamerstuk 35 975, nr. 1) staat een overzicht van alle corona-gerelateerde maatregelen, waaronder ook de steunpakketten. Daarnaast heeft uw Kamer op 21 december 2021 een Kamerbrief over het nieuwe steunpakket ontvangen.

Vraag 44

Kunt u zo precies mogelijk uitgeven hoe u in 2024 en 2025 4 miljard euro extra aan defensie kunt uitgeven? Kunt u aangeven welk plan er onder die forse intensivering ligt en aangeven in kleinere posten hoe dat geld uitgegeven gaat worden?

Antwoord op vraag 44

De middelen in het coalitieakkoord zijn gereserveerd voor het versterken van de krijgsmacht en het inlopen en wegwerken van achterstanden. Zoals in het coalitieakkoord en de Startnota is aangegeven worden middelen vanuit de Aanvullende Post van Financiën overgeheveld naar de departementale begrotingen nadat concrete en doelmatige bestedingsvoorstellen zijn uitgewerkt. De ambities in het coalitieakkoord zullen in de nieuwe Defensienota worden vertaald naar realistische doelstellingen en beleidsmaatregelen. De Defensienota zal duidelijk maken hoe en waaraan het defensiebudget specifiek wordt uitgegeven.

Vraag 45

Kunt u een koopkrachttabel geven voor 2022? Ofwel, wat is uw verwachting van de koopkracht per groep in 2022?

Antwoord op vraag 45

Voor de koopkrachttabel voor 2022 is een nieuw macro-economisch beeld nodig. Een hogere inflatieraming kan bijvoorbeeld leiden tot een opwaartse bijstelling van de raming van de lonen. Het CPB maakt in het voorjaar een nieuwe macro-economische raming (het CEP).

Vraag 47

Voldoet Nederland met dit regeerakkoord aan de voorwaarden uit het Stabiliteits- en Groeipact?

Antwoord op vraag 47

Dit kabinet kiest bewust voor het oplossen van grote maatschappelijke problemen rondom klimaat, stikstof, onderwijs, achterstallig onderhoud (bijvoorbeeld infrastructuur) en daar wordt ook fors op geïntensiveerd. Dit vanuit de gedachte dat als dit nu niet gebeurt, de kosten op lange termijn hoger zullen zijn. De Raad van de Europese Unie heeft in zijn landenspecifieke aanbevelingen ook gewezen op het belang van investeren op het gebied van onder meer infrastructuur, klimaat en woningaanbod. Daar geven we met dit ambitieuze akkoord gehoor aan.

Het CPB raamt een nominaal begrotingstekort van 2,7% bbp in 2025 en verwacht een overheidsschuld van 56,1% bbp. Daarmee wordt voor 2025 aan de numerieke elementen van de correctieve arm van het SGP voldaan, zijnde een nominaal tekort van maximaal 3% en een schuldquote van maximaal 60%. Daarnaast kent het SGP de preventieve arm, waar de middellangetermijndoelstelling onderdeel van is. De MTO heeft betrekking op het voor conjunctuur en incidentele uitgaven gecorrigeerde begrotingssaldo. Het CPB raamt dit structureel saldo op – 3,1% in 2025, aan het einde van deze kabinetsperiode. Dit is lager dan de minimale MTO van – 0,5%, of – 1% in geval de overheidsschuld aanzienlijk kleiner is dan 60% en wanneer de risico's wat betreft de houdbaarheid op lange termijn van de overheidsfinanciën laag zijn. Momenteel is de algemene ontsnappingsclausule van het SGP geopend. Naar verwachting zal de gebruikelijke toepassing van de regels vanaf 2023 weer gelden.

Vraag 48 en 82

Wat gebeurt er met een alleenstaande in de bijstand die een huurwoning (privaat of bij een corporatie) heeft waarvan de huur 700 euro per maand bedraagt in een stad waar geen goedkope huurwoningen beschikbaar zijn? Hoeveel huurtoeslag krijgt deze persoon nu en hoeveel huurtoeslag zal dat zijn na invoering van de normhuur?

Kunt u uitleggen hoe uw plan voor normhuur eruit zal zien?

Antwoord op vraag 48 en 82

Het antwoord op deze vragen vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Vraag 49

Hoeveel middelen zijn er gereserveerd voor tekorten die ontdekt wordt als de commissie herijking sociaal minimum met een rapport komt?

Antwoord op vraag 49

Dit kabinet heeft 1,4 miljard gereserveerd voor een stapsgewijze verhoging van het minimumloon inclusief koppeling met de bijstand. In het coalitieakkoord staat opgenomen dat het sociaal minimum elke vier jaar wordt herijkt om vast te stellen of dit toereikend is om van te leven en mee te doen in de samenleving. Een volgende herijking is aan een nieuw kabinet. Jaarlijks wordt bekeken of de koopkracht evenredig is verdeeld.

Vraag 50

Gaat u de noordtak van de Betuwelijn aanleggen of niet? Zo ja, waar staan de middelen in de begroting?

Antwoord op vraag 50

Voor de goederenroutering Oost NL zijn geen middelen gereserveerd. Wel wordt door de Minister van IenW een netwerkstudie uitgevoerd om zicht te krijgen op de samenhang in het netwerk en mogelijkheden om verwachte groei op het spoor op te vangen. Dit gebeurt als onderdeel van het proces van Toekomstbeeld OV.

Vraag 51

Hoeveel geld is er gereserveerd voor de uitspraak van de Hoge Raad over Box 3, de spaartaks? AFP

Antwoord op vraag 51

Ik ga ervan uit dat deze vraag betrekking heeft op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Hiervoor is geen bedrag gereserveerd. De budgettaire consequenties van het arrest worden momenteel nog nader onderzocht.

Vraag 52

Kunt u aangeven hoe de arbeidskorting eruit zal zien in 2025?

Antwoord op vraag 52

In de startnota is een voorlopige invulling van de lastenverlichting middeninkomens van 3 miljard euro opgenomen. In deze invulling wordt de arbeidskorting verhoogd en sneller afgebouwd. De invulling van de 3 miljard lastenverlichting staat echter nog niet vast. Op basis van de actualisatie van het macro-economische beeld van het CPB bij het CEP zal het kabinet uiterlijk bij Voorjaarsnota 2022 de concrete invulling en fasering van dit indicatieve pakket nader bezien.

Vraag 53 en 54

Bij welke van de vier coalitiepartijen hebben donoren gelobbyd voor handhaving of verruiming van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)?

Heeft de lobby voor de BOR van de financiers van politieke partijen effect gehad op het onderhandelingsresultaat?

Antwoord op vraag 53 en 54

Het kabinet kan geen antwoord geven op de vraag hoe individuele politieke partijen tot hun onderhandelingsinzet komen en of en hoe zij hierbij belangengroepen betrekken. Ten aanzien van de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) zijn in het coalitieakkoord nog geen concrete wijzigingen in de maatvoering afgesproken maar is de inzet om de regeling eenvoudiger en eerlijker te maken en tegelijkertijd om oneigenlijk gebruik van de regeling tegen te gaan.

Vraag 55

Kunt u alle memo's over de BOR, die bij de onderhandelingstafel gewisseld zijn, aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord op vraag 55

Tijdens de formatie is in verschillende samenstellingen onderhandeld. Bij de brief van 12 januari 2022 heeft de Minister-President de Tweede Kamer een afschrift gestuurd van de relevante stukken die tijdens de verkennings-, informatie- en formatiewerkzaamheden ter tafel zijn geweest waarbij de hoofdonderhandelaars aanwezig waren en een afschrift van de aan de verkenners, informateurs en formateur toegezonden brieven, nota’s en adviezen. Naast de hoofdonderhandelaars hebben er ook onderhandelingen plaatsgevonden aan een zogenaamde financiële zijtafel, waarbij stukken zijn geleverd met ondersteuning van ambtelijk Financiën. Voor deze stukken geldt dat momenteel wordt bekeken op welke wijze de stukken die voor deze gesprekken zijn gemaakt publiek kunnen worden. Ik kom hier op korte termijn op terug.

Vraag 56, 63 en 80

Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat toekomstige generaties niet de lasten dragen van het huidige beleid, gelet op het feit dat het CPB berekent dat de staatsschuld op de lange termijn ver boven de normen in het Stabiliteits- en Groeipact stijgt?

Indien de niet-gehonoreerde maatregelen wel genomen worden, wat zou het effect op de hoogte van de staatsschuld zijn? In hoeverre is het dan verwachte staatsschuld/BNP-percentage van 92 procent dan wel 75 procent in 2060 nog reëel?

Acht u een schuldquote van meer dan 90 procent in 2060 als gevolg van dit regeerakkoord aanvaardbaar?

Antwoord op vraag 56, 63 en 80

Het kabinet heeft gekozen voor de aanpak van een aantal grote maatschappelijke opgaven rondom klimaat, stikstof, onderwijs, achterstallig onderhoud en daar ook fors op geïntensiveerd. Dit vanuit de gedachte dat als dit nu niet gebeurt, de kosten op lange termijn hoger zullen zijn. Het CPB berekent dat de staatsschuld in 2060 zou kunnen lopen tot circa 92%. Een aantal maatregelen waren voor het CPB niet voldoende gedetailleerd om door te rekenen. Zo labelt het CPB uitgaven die in het coalitieakkoord incidenteel zijn verondersteld (klimaat) als structureel en ook de zorgombuigingen zijn deels (nog) niet gehonoreerd. Deze maatregelen worden juist genomen door het kabinet om de staatsschuld te stabiliseren. Wanneer incidentele maatregelen daadwerkelijk incidenteel zijn, zoals het kabinet voorziet, schat het CPB in dat de schuld in 2060 op circa 75% bbp uitkomt. Deze schuldquote kan nog lager uitvallen indien de zorgombuigingen na 2025 wel worden gerealiseerd. Het kabinet zal zich hiervoor inspannen.

Het is nu dus aan het kabinet om te zorgen dat incidentele uitgaven ook incidenteel blijven, om de groei van de zorgkosten zoals voorgenomen te beperken en de investeringsmiddelen die zijn gereserveerd zo doeltreffend en doelmatig mogelijk uit te geven. Deze investeringen hebben ook belangrijke baten, ook júist voor deze toekomstige generaties. Het is voor hen essentieel dat wij deze investeringen nu doen, in onder andere het klimaat onderwijs, klimaat en milieu ook terechtkomen bij toekomstige generaties.

Vraag 57

Hoe denkt het kabinet al zijn ambities te verwezenlijken met de huidige krapte op de arbeidsmarkt?

Antwoord op vraag 57

Het kabinet erkent dat de huidige tekorten op de arbeidsmarkt een uitdaging vormen om de ambities in dit coalitieakkoord waar te maken. In de aankomende periode gaat het kabinet hard aan de slag met de verdere uitwerking van het coalitieakkoord met deze uitdaging in gedachten. De Kamer wordt hier uiteraard over geïnformeerd.

Vraag 58

Kunt u een overzicht geven van de bijdrage vanuit ontwikkelingssamenwerking aan technologische innovatie en digitalisering in lage- en middeninkomenslanden?

Antwoord op vraag 58

Zoals ook blijkt uit de BHOS-begroting voor 2022 (Kamerstuk 35 925 XVII) zijn er geen aparte bedragen gereserveerd voor technologische innovatie en/of digitalisering. Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen om deze belangrijke speerpunten niet te vertalen naar aparte budgetlijnen, maar ze vorm te geven door samen met (potentiële) uitvoerders en ontvangers te zoeken naar de beste technologische en/of digitale oplossingen voor ontwikkelingsvraagstukken. In de activiteiten die op deze wijze tot stand zijn gekomen zullen daarom ook veelal geen aparte bedragen zijn opgenomen voor innovatie en/of digitalisering. Wel heeft het vorige kabinet structureel 5 miljoen euro vrijgemaakt ten behoeve van het Innovatiefonds dat bedoeld is om het innovatief vermogen van het MKB in ontwikkelingslanden en in Nederland aan te jagen. Hiermee draagt het fonds bij aan de ontwikkeling van (technologische) innovaties voor ontwikkelingsuitdagingen in de pre-competitieve fase, een terrein waarop banken nog nauwelijks actief zijn. Ten aanzien van digitalisering geldt, dat tijdens de afgelopen beleidsperiode de BHOS Digitaliseringsagendais opgesteld, als basis voor de inzet op het thema. Voorbeelden zijn het Geodata for Agriculture and Water (G4AW) programma waarmee boeren, vissers en veehouders middels satellietdata hun productie kunnen optimaliseren, en het Prospects Partnerschapdat vluchtelingen en gastgemeenschappen helpt om digitale vaardigheden te ontwikkelen die toegang verschaffen tot de arbeidsmarkt.

Vraag 59

Welke effecten van de (alsmaar verder) oplopende inflatie ziet het kabinet op de bestaanszekerheid van de lagere/laagste inkomensgroepen?

Vraag 60

Waarop baseert het kabinet zich in de verkenning van deze mogelijke effecten van de oplopende inflatie op de inkomenspositie van de lagere/laagste inkomensgroepen?

Vraag 61

Hoeveel extra verhoging zou het kabinet noodzakelijk achten om de koopkrachtontwikkeling ten minste gelijk te houden – en in het gunstigste geval te verhogen – voor deze groep?

Vraag 62

Waarop baseert het kabinet zich in deze berekening (zie vorige vraag)?

Antwoord op vraag 59, 60, 61 en 62

Het kabinet volgt de ontwikkeling van de inflatie nauwgezet. Het vorige kabinet heeft in kaart gebracht wat mogelijke inkomenseffecten van de inflatie zijn. Om mensen te helpen bij het betalen van de gestegen energierekening heeft het vorige kabinet er voor gekozen om de energiebelasting voor huishoudens te verlagen. Daarnaast heeft het vorige kabinet samen met gemeentes een regeling gemaakt om mensen met lage(re) inkomens verder tegemoet te komen. De DNB-raming van afgelopen december duidt erop dat de hoge prijzen voor minimaal twee jaar aanhouden. Voor een goed beeld van het effect is echter een nieuwe macro-economische raming (CEP) nodig. Het CPB maakt deze in het voorjaar. Dan is dus ook meer bekend over de inflatie- en loonontwikkelingen. Deze raming vormt het uitgangspunt voor de voorjaarsbesluitvorming. Dan kijkt het kabinet ook naar de definitieve invulling van de 3 miljard euro lastenverlichting middeninkomens in samenhang met de nieuwe inflatieraming. Daarnaast zal de commissie Sociaal Minimum de toereikendheid van het sociaal minimum onderzoeken en daarbij ook rekening houden met de mate waarin minima schokken kunnen opvangen.

Vraag 64

Welke toezichtsmechanismen en handhavingsmaatregelen worden er gecreëerd om ervoor te zorgen dat het geld uit de fondsen doelmatig wordt besteed?

Antwoord op vraag 64

In het coalitieakkoord is opgenomen dat er fondsen zullen worden gevormd ten behoeve van klimaat en stikstof. Om te borgen dat de middelen in deze fondsen doelmatig worden besteed, is het nodig dat er een robuust mechanisme voor governance en besluitvorming voor de fondsen komt. Eén van de principes daarbij is de controle op doelmatigheid en doeltreffendheid door de Minister van Financiën en stevige parlementaire controle, zo is opgenomen in het coalitieakkoord. In de startnota staat dat uiterlijk bij Voorjaarsnota 2022 een voorstel voor inrichting van de beide fondsen worden gedaan. Ongeacht de precieze vormgeving zijn fondsen onderdeel van de rijksbegroting en daarom gelden voor fondsen veelal dezelfde begrotingsregels en waarborgen die gelden voor andere uitgaven. Dit houdt onder meer in:

  • Het budget van het fonds zoals dit is begroot mag niet worden overschreden. Dreigende overschrijdingen moeten worden gecompenseerd binnen de eigen begroting;

  • Bij de controle van de fondsen is er sprake van «checks en balances» net als bij de departementale begrotingen waarbij de directie FEZ van de departementen (Financieel Economische Zaken), het Ministerie van Financiën en de Auditdienst Rijk toezicht houden op de bestedingen;

  • Ook voor begrotingsfondsen wordt periodiek een beleidsdoorlichting uitgevoerd naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de uitgaven.

Vraag 65

Waarom kiest het kabinet ervoor om voornamelijk te investeren door middel van fondsen en niet met de opbrengsten van bijvoorbeeld hogere CO2-belastingen of een vervuilersheffing?

Antwoord op vraag 65

Het kabinet vindt het belangrijk om CO2-reductie te bereiken door een combinatie van normeren, beprijzen en investeren/subsidiëren, en neemt daarvoor een groot aantal maatregelen aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant van de Rijksbegroting.

Aan de uitgavenkant is het Klimaat- en transitiefonds daarvan het grootste onderdeel. Dat bevat middelen voor investeringen en subsidies, die echter deels ook samenhangen met (aangescherpte) normering. Daarnaast neemt het kabinet een aantal fiscale maatregelen, zoals het aanscherpen van de CO2-heffing voor de industrie, het aanpassen van vrijstellingen en tarieven in de energiebelasting om deze meer in lijn te brengen met de klimaatdoelen en het verhogen van de vliegbelasting. De aanscherping van de CO-heffing voor de industrie levert echter naar verwachting geen additionele budgettaire opbrengst op die elders ingezet kan worden.

Vraag 66

Is het kabinet van mening dat de geplande stapsgewijze verhoging van het WML met 7,5 procent voldoende is gezien de huidige ontwikkelingen met betrekking tot de inflatie in Nederland en de eurozone?

Vraag 67

Hoe beoordeelt het kabinet deze effecten in relatie tot de plannen voor verhoging van het WML met 7,5 procent?

Antwoord op vraag 66 en 67

Het kabinet heeft gekozen voor een WML verhoging van 7,5%. Dit vindt het kabinet een evenwichtige verhoging, waarbij er een balans is gevonden tussen de werkgeverslasten, kosten en inkomenspositie van minima en werkenden. Om de volledige doorwerking van de inflatie goed in beeld te brengen is een nieuw macro-economisch beeld van het CPB nodig. Deze zal in het voorjaar met het CEP verschijnen. Het kabinet zal dan ook opnieuw naar de koopkracht kijken, waarbij de concrete invulling en fasering van de 3 miljard euro voor lastenverlichting nader wordt bezien.

Vraag 68

Wat gebeurt er met de 0,2 miljard euro van het Nationaal Programma Onderwijs die in 2023 wordt omgebogen? Waarom wordt dit omgebogen?

Antwoord op vraag 68

In de budgettaire bijlage van het Coalitieakkoord staat dat uit het budget voor het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) voor 2023 230 miljoen euro wordt ingezet als dekking voor de tegemoetkoming leenstelsel. De verlaging van het budget wordt verwerkt op art. 91 (Nog onverdeeld) van de OCW-begroting. De beleidsmatige invulling van de verlaging wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het NP Onderwijs en in samenhang met de intensiveringen uit het coalitieakkoord.

Vraag 69

Hoe hoog zal de gemiddelde leenstelselcompensatie per student zijn wanneer de basisbeurs aankomend collegejaar (per 1 september 2022) zou worden ingevoerd in plaats van in 2023–2024?

Antwoord op vraag 69

Het totale bedrag dat voor de tegemoetkoming beschikbaar is, is 1 miljard euro. De hoogte van de tegemoetkoming per student hangt af van de omvang van de doelgroep en de vormgeving van de regeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de nadere uitwerking van de tegemoetkoming voor studenten voor wie geen basisbeurs beschikbaar is geweest. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.

Vraag 70

Welke verhoging van de marginale heffing bovenop de prijs van het emissiehandelssysteem ETS acht U nodig om de klimaatambitie van ten minste 55 procent te verwezenlijken?

Antwoord op vraag 70

De CO2-heffing industrie is in 2021 geïntroduceerd om, samen met onder andere het EU ETS en de SDE++, een extra emissiereductie van 14,3 Mton CO2-equivalenten in 2030 te realiseren. In het coalitieakkoord is afgesproken om deze doelstelling met 4 Mton CO2-equivalenten te verhogen. PBL zal advies uitbrengen welk heffingstarief naar verwachting nodig is om deze verhoogde doelstelling te realiseren. Aan de hand van dit advies zal het kabinet een besluit nemen aangaande het heffingstarief.

Het is nog niet precies bekend welke maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de Europese doelstelling om in 2030 55% emissiereductie te realiseren. Dit is mede afhankelijk van de Europese onderhandelingen aangaande het «fit-for-55» pakket.

Vraag 71 en 72

Welk bedrag is er via welke subsidiestroom gereserveerd om CO2-neutrale technologieën te ontwikkelen?

Hoeveel geld van het Klimaatfonds wordt er specifiek beschikbaar gesteld voor de subsidiëring van hernieuwbare energie en welk aandeel van de energiemix gaat hernieuwbaar via het Klimaatfonds hierdoor spelen in 2030 en 2040?

Antwoord op vraag 71 en 72

Dit vraagt om nadere uitwerking van de maatregelen uit het coalitieakkoord. Uw Kamer wordt hier te zijner tijd nader over geïnformeerd.

Vraag 73

Hoe verhouden de inkomsten uit de verhoging voortkomend uit de vliegbelasting zich tot de uitgaven in het openbaar vervoer?

Antwoord op vraag 73

In het coalitieakkoord is opgenomen dat de opbrengst van de vliegbelasting in 2023 met 400 miljoen euro zal stijgen. Er is geen koppeling gelegd tussen de vliegbelasting en de hoogte van de uitgaven voor het OV. In het coalitieakkoord zijn wel extra investeringen in infrastructuur aangekondigd. Behalve enkele genoemde concrete projecten is voor deze budgetten echter geen verdeling vastgelegd over de diverse modaliteiten (weg, water of spoor). De precieze uitgaven aan openbaar vervoer zijn daarom nog niet bekend.

Vraag 74

Hoeveel verwacht het kabinet aan kosten te besparen dan wel aan extra inkomsten te vergaren met het Preventieakkoord? Waar is dit geld vervolgens voor bestemd?

Antwoord op vraag 74

Voor het nog af te sluiten preventieakkoord is geen rekening gehouden met kostenbesparingen en/of extra inkomen die dit eventueel oplevert. Voor wat betreft de andere preventiemaatregelen uit het regeerakkoord is voor de inzet op valpreventie in het coalitieakkoord rekening gehouden met een netto besparing van 10 miljoen euro in 2024 oplopend naar 38 miljoen euro in 2026. De structurele besparing is 75 miljoen euro, dit wordt gerealiseerd in 2031. De verwachte groei in de Wmo (ondersteuning), Zvw (medisch en revalidatie) en Wlz (verpleeghuiszorg) is hierin meegenomen.

De verhoging van de belasting op suikerhoudende dranken levert 300 miljoen euro extra inkomsten vanaf jaar 2023. De verhoging van de accijnzen op tabak levert 145 miljoen euro extra inkomsten in 2023 oplopend naar 484 miljoen euro structureel.

Vraag 75

Welke gevolgen heeft de versnelde afbouw dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon voor de bijstand voor het inkomen van bijstandsgerechtigden, zowel op korte als op lange termijn?

Antwoord op vraag 75

De dubbele algemene heffingskorting (AHK) wordt in o.a. de bijstand afgebouwd. Ten opzichte van het basispad is afgesproken in het coalitieakkoord om de afbouw gedurende 2024 en 2025 te versnellen met 2,5%-punt per halfjaar. Dit betekent dat de resterende hoogte van de AHK eind 2025 137,5% van de AHK bedraagt, in plaats van 147,5% van de AHK binnen het basispad. Dit zal een drukkende werking hebben op het referentie nettominimumloon dat gebruikt wordt bij de berekening van de netto bijstandsuitkering. De bijstandsuitkering is namelijk netto-netto gekoppeld aan het WML. Tegelijkertijd wordt de bijstand in die periode wel regulier geïndexeerd (halfjaarlijks via de gemiddelde cao-ontwikkeling die leidt tot een hogere WML, incl. bijzondere WML-verhoging van 7,5% uit het CA), omdat vooraf niet duidelijk is hoe de cao-ontwikkeling zal zijn, is het op dit moment niet duidelijk hoe de bijstandshoogte zich de komende jaren zal ontwikkelen. Door het versnellen van de afbouw van de dubbele AHK bij de bepaling van de bijstandshoogte is de afbouw wel sneller voltooid. Structureel gezien is dus geen sprake van een drukkende werking op de bijstandshoogte.

Vraag 76

Welk deel van de envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden, waarmee 500 miljoen euro structureel wordt gereserveerd, wordt in de geplande hervormingen van de arbeidsmarkt geïnvesteerd?

Antwoord op vraag 76

Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet.

Vraag 77

Kunt u zo gedetailleerd mogelijk aangeven hoe de koopkracht eruit zou zien wanneer de 3,1 miljard euro voor de arbeidskorting naar de algemene heffingskorting zou gaan?

Antwoord op vraag 77

Om het coalitieakkoord te kunnen doorrekenen is een indicatieve invulling gegeven aan het 3 miljard euro pakket lastenverlichting. Besluitvorming is voorzien in de voorjaarsbesluitvorming op basis van een nieuwe macro-economische raming van het CPB (CEP). Op dat moment kunnen op verzoek van uw Kamer ook de effecten van een alternatieve invulling in beeld worden gebracht. Wel kan in algemene zin al worden opgemerkt wat het effect is van lastenverlichting via de algemene heffingskorting in plaats van via de arbeidskorting. Van een verhoging van de arbeidskorting profiteren alleen belastingplichtigen met arbeidsinkomen, terwijl alle belastingplichtigen profiteren van een verhoging van de algemene heffingskorting. Een verhoging van de algemene heffingskorting in plaats van de arbeidskorting zal relatief gunstig zijn voor lagere inkomens en inactieven en ongunstig voor werkenden. De exacte uitwerking hangt af van de vormgeving.

Vraag 78

Hoeveel mensen zijn belasting verschuldigd in box 3 van de inkomstenbelasting? Hoeveel zullen dit er zijn wanneer het heffingsvrij vermogen is verhoogd?

Antwoord op vraag 78

Wij schatten dat er in 2022 ongeveer 2,1 miljoen mensen belasting verschuldigd zijn in box 3 van de inkomstenbelasting. Bij een verhoging van de vrijstelling in box 3 naar ca. 80.000 euro zullen dit er naar schatting 1,4 miljoen zijn.

Vraag 79

Wanneer gaat u de belasting op werkelijk rendement op vermogen invoeren?

Antwoord op vraag 79

Per 2025 zal er een nieuw box 3 stelsel op basis van reëel rendement worden ingevoerd, waarbij inkomsten uit vermogen worden belast op basis van werkelijk rendement.

Vraag 81

Kunt u aangeven hoeveel compensatie er beschikbaar is per student uit de pechgeneratie, namelijk de generatie die zonder basisbeurs studeert?

Kunt u hiervan een precieze berekening maken?

Antwoord op vraag 81

Het totale bedrag dat voor de tegemoetkoming beschikbaar is, is 1 miljard euro. De hoogte van de tegemoetkoming per student hangt af van de omvang van de doelgroep en de vormgeving van de regeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de nadere uitwerking van de tegemoetkoming voor studenten voor wie geen basisbeurs beschikbaar is geweest. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.

Vraag 83

Klopt het dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) op 31 december voor toekomstige gevallen in zijn geheel wordt afgeschaft zodat het kan zijn dat als je een baby vijf minuten later krijgt, je potentieel meer dan 25.000 euro aan heffingskortingen kunt mislopen in de 11/12 jaar daarna? Is dat de reden om over een tangverlossing te praten?

Antwoord op vraag 83

In het coalitieakkoord is afgesproken dat de IACK voor nieuwe gevallen vanaf 2025 wordt afgeschaft. Het klopt dat ouders die hun eerste kind in 2025 krijgen, geen aanspraak meer kunnen maken op de IACK. Overigens is in het regeerakkoord ook afgesproken dat de vergoeding voor kinderopvang voor werkende ouders stapsgewijs wordt verhoogd, waar deze ouders van zullen profiteren.

Vraag 85

Kunt u uitrekenen wat in 2025 bij een arbeidsinkomen van 25.000 euro het netto inkomen zal zijn?

Kunt u ook uitrekenen wat het arbeidsinkomen is van deze persoon (een alleenstaande), wanneer hij een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)-uitkering krijgt?

En kunt u uitrekenen wat het arbeidsinkomen zal zijn wanneer deze persoon een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) 80–100 krijgt?

Antwoord op vraag 85

Deze berekeningen hangen sterk af van de precieze invulling van de 3 miljard euro lastenverlichting. Op dit moment is dit indicatief ingevuld. Nadat dit definitief is ingevuld bij de voorjaarsbesluitvorming kunnen ook dergelijke berekeningen worden gemaakt. Onder de indicatieve invulling zal een alleenstaande met een arbeidsinkomen van 25.000 euro netto (voor toeslagen) ongeveer 23.200 euro overhouden. Bij deze berekening is geen rekening gehouden met recente macro-economische ontwikkelingen en de doorwerking van het pakket aan maatregelen op het macro-economisch beeld, omdat de nieuwe raming van het CPB (CEP) nog niet beschikbaar is. Het netto-inkomen zal in de nieuwe raming wat afwijken, bijvoorbeeld omdat hogere inflatie doorwerkt op schijfgrenzen en heffingskortingen in de inkomstenbelasting. Voor alleenstaanden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering hangt het netto-inkomen af van de hoogte van de uitkering. Die uitkering hangt af van het arbeidsinkomen in het verleden en is dus per situatie verschillend.

Vraag 86

Hoe wordt de maatregel pandemische paraatheid ingevuld (CA283)?

Antwoord op vraag 86

Dit is nog niet bekend. Deze specificering moet nog worden uitgewerkt.

Vraag 87

Welke maatregelen zal het kabinet voorstellen om de middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) te krijgen? (CA282)

Antwoord vraag 87

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de middelen uit de RRF in te zetten om reeds begrote uitgaven en plannen uit het coalitieakkoord te financieren. Zo draagt de RRF integraal bij aan de plannen en ambities van het kabinet. Welke investeringen exact meegenomen zullen worden, hangt af van zowel de vereisten uit de RRF-verordening als het consultatie- en afstemmingsproces. Zo dient het plan een coherent geheel te zijn van investeringen en structurele hervormingen, dient ten minste 37 procent besteed te worden aan klimaat en 20 procent aan digitalisering en dient het te gaan om projecten die voor 31 augustus 2026 afgerond kunnen worden. Ook moet het Recovery and Resilience Plan (RRP) bijdragen aan een doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de landenspecifieke aanbevelingen. Daarbij komen op grond van de RRF-verordening alle investeringen en hervormingen vanaf 1 februari 2020 in aanmerking voor financiering uit de RRF, mits ze voldoen aan de eisen uit de RRF-verordening.

Dit kabinet hecht veel belang aan een stevig en ambitieus RRP. Door in te zetten op structurele hervormingen en investeringen die aansluiten bij de landspecifieke aanbevelingen en de groene en digitale transities, kan maximaal gebruik gemaakt worden van de Europese middelen uit de RRF. Het coalitieakkoord bevat ambitieuze toekomstplannen op het gebied van onder andere klimaatverandering, arbeidsmarkonevenwichtigheden, onderwijs en innovatie. Deze ambities zijn ook in lijn met de RRF-verordening. Daarnaast zijn er sinds 1 februari 2020 al diverse hervormingen en investeringen overeengekomen die goed aansluiten bij de vereisten uit de RRF-verordening. Het kabinet verwacht dan ook dat de ambitieuze plannen van het kabinet en daarmee het Nederlandse RRP zal passen binnen de verwachtingen en eisen vanuit de RRF-verordening.

Bij het vaststellen van de RRF-verordening (feb 2021) is de omvang van de maximale Nederlandse bijdrage uit de RRF geraamd op 5,96 miljard euro. In de RRF-verordening is afgesproken dat voor 30% van alle enveloppes een aangepaste verdeelsleutel wordt gehanteerd, waarbij de economische impact van COVID in de lidstaten in 2020 en 2021 zal meewegen. De Commissie zal, conform de RRF-verordening, op 30 juni 2022 een herberekening maken van de enveloppes per lidstaat op basis van de laatste economische cijfers (lenteraming). Het is te vroeg om aan te geven welke gevolgen dat exact heeft voor de Nederlandse enveloppe. Uiteraard zal ik de Kamer informeren zodra ik daar zicht op heb.


X Noot
2

Kamerstuk 35 925, nr. 13.

X Noot
3

Kamerstuk 27 923, nr. 436

X Noot
4

Idem.

Naar boven