35 772 Wijziging van de Wet basisregistratie personen in verband met de invoering van een centrale voorziening ter ondersteuning van de colleges van burgemeester en wethouders bij het onderzoek of een persoon als ingezetene in de basisregistratie personen op een adres in de gemeente dient te worden ingeschreven alsmede naar de juistheid van de gegevens betreffende het adres van een ingezetene in de basisregistratie personen

Nr. 21 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 28 maart 2022

Aan artikel I van het voorstel van wet wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

B

In artikel 4.16a, tweede lid, aanhef, wordt in de eerste zin «hoofdstuk 3, afdeling 1, paragrafen 1 en 4, en afdeling 2» vervangen door «hoofdstuk 3».

Toelichting

De Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP) kent sinds 1 januari 2022 een experimenteerbepaling (artikel 4.16a).1 Teneinde mogelijk te maken dat een BRP-experiment voor dataminimalisatie optimaal kan worden benut, wordt in deze nota van wijziging voorgesteld het aantal wetsartikelen waarvan bij experiment kan worden afgeweken, uit te breiden. Het aantal artikelen waarvan kan worden afgeweken, is in de Wet BRP zo nauwkeurig mogelijk omschreven, om te voorkomen dat afwijking van de wet te ruim plaatsvindt. Naar nu blijkt zijn daarbij echter enkele wetsbepalingen gemist die belangrijk blijken voor het experiment «Dataminimalisatie BRP». Deze nota van wijziging houdt overigens geen verband met de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA).

Op grond van het tweede lid van artikel 4.16a van de Wet BRP is het thans niet mogelijk om bij experiment af te wijken van de wettelijke bepalingen die zien op die gemeentelijke verstrekkingen (hoofdstuk 3, afdeling 1, paragrafen 2 en 3, van de Wet BRP). Daarmee zijn experimenten met gemeentelijke verstrekkingen op dit moment niet mogelijk, omdat voor een dergelijk experiment altijd een afwijking van een bepaling in de genoemde afdelingen nodig zal zijn. Dit is, gelet op het eerste lid, onderdeel b, van artikel 4.16a, noch beoogd, noch wenselijk.2 De experimenteerbepaling beoogt in dit onderdeel b immers in algemene zin om experimenten mogelijk te maken waarmee de bijhouding van gegevens in of de verstrekking uit de basisregistratie wordt beperkt, bijvoorbeeld door het verstrekken van geaggregeerde informatie zoals leeftijd in plaats van geboortedatum of het verstrekken van een antwoord ja/ nee in plaats van een set persoonsgegevens (dataminimalisatie, ook in verband met de privacy).

Naast de Minister van BZK is ook het college van burgemeester en wethouders (hierna: B&W) bevoegd tot het verstrekken van gegevens uit de BRP. Artikel 4.16a, eerst lid, onderdeel b, laat aldus ruimte voor experimenten met het beperken van gemeentelijke verstrekkingen tot geaggregeerde informatie (bijvoorbeeld leeftijd in plaats van geboortedatum). Het tweede lid van artikel 4.16a staat daar echter onbedoeld aan in de weg.

Deze nota van wijziging herstelt aldus een omissie in de wettelijke bepalingen waarvan in het kader van een experiment bij amvb kan worden afgeweken. Het is noodzakelijk deze omissie te herstellen bij gelegenheid van dit wetsvoorstel, omdat het experiment «Dataminimalisatie BRP» anders niet binnen afzienbare tijd kan worden gestart. Dataminimalisatie is een van de prioriteiten die worden genoemd voor de doorontwikkeling van de BRP in de Ontwikkelagenda BRP.3 Aan dit doeleinde kan niet goed invulling worden gegeven als deze experimenten beperkt zouden blijven tot verstrekkingen door de Minister van BZK. Ook voor de gemeentelijke verstrekkingen dienen experimenten met het oog op dataminimalisatie mogelijk te zijn.

Voorgesteld wordt om in artikel 4.16a, tweede lid, aanhef, van de Wet BRP de bepalingen in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragrafen 2 en 3, toe te voegen aan de bepalingen waarvan in het kader van een experiment kan worden afgeweken. Dit wordt bewerkstelligd door de beperking tot de paragrafen 1 en 4 van afdeling 1 van dat hoofdstuk te doen vervallen. Omdat hoofdstuk 3 slechts bestaat uit twee afdelingen die aldus in hun geheel worden aangemerkt als bevattende bepalingen waarvan bij wege van experiment kan worden afgeweken, wordt in artikel 4.16a, tweede lid, aanhef, na deze wijziging in algemene zin verwezen naar hoofdstuk 3. Hiermee wordt het mogelijk met een experiment ook af te wijken van de bepalingen die zien op de verstrekking van gegevens uit de BRP door het college van B&W. Daarmee beperkt de experimenteerbepaling zich op dit onderdeel niet langer noodzakelijkerwijs tot verstrekkingen door de Minister van BZK.

Met de voorgestelde aanpassing van artikel 4.16a van de Wet BRP wordt bewerkstelligd dat dergelijke experimenten met gemeentelijke verstrekkingen kunnen worden uitgevoerd. Op grond van artikel 4.16a van de Wet BRP kan een dergelijk experiment overigens slechts plaatsvinden indien daarin is voorzien bij een algemene maatregel van bestuur die bij beide Kamers van de Staten-Generaal is voorgehangen. Deze nota van wijziging heeft geen uitvoeringslasten voor gemeenten tot gevolg en bevat op zichzelf ook geen regeling voor een experiment. Het neemt slechts een onwenselijke beperking in de experimenteergrondslag weg, in lijn met de beoogde reikwijdte van die grondslag.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen


X Noot
1

Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet BRP in verband met het bevorderen van de goede uitvoering van die wet op enkele onderdelen en het herstellen van enige omissies, alsmede van de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES (hierna: Wet bap BES) in verband met het opnemen van gegevens over kinderen die op het moment van geboorte niet meer in leven zijn of omtrent wie een akte in een openbaar lichaam is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven is, dan wel die zijn overleden zonder zelf ingeschrevene te zijn (Stb. 2021, 396), artikel I, onderdeel V (Kamerstukken 35 648).

X Noot
2

Zie de memorie van toelichting bij de Wet van 14 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35 648, nr. 3, p. 27).

X Noot
3

Zie punt 3 van de Ontwikkelagenda BRP (Kamerstukken II 2020/2021, 27 859, nr. 146).

Naar boven