35 680 Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van arbeidsmigratie

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 19 juli 2021

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding:

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van arbeidsmigratie (verder: het wetsvoorstel) en hebben hierover enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Ze onderschrijven het doel van het verruimen van de wetgeving rondom arbeidsmigratie, en het toevoegen van enkele maatregelen om de positie van de werknemer daarin te beschermen. Deze leden hebben de enkele vragen aan de regering.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de wijzigingen binnen de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en hebben hierover nog een aantal vragen aan de regering.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Graag maken zij gebruik van de gelegenheid de regering enkele vragen te stellen.

De leden van de PVV-fractie wensen de regering enkele vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daar een aantal vragen over.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel 35680; Toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van de arbeidsmigratie. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

Vragen van de leden van de VVD-fractie:

De leden van de VVD-fractie wensen de regering de volgende vragen te stellen:

  • 1. Onder het wetsvoorstel komt een grotere verantwoordelijkheid bij het UWV te liggen om aanvragen te beoordelen. Is het UWV hiervoor voldoende uitgerust? Waar kan aan de bel worden getrokken als een migrant het niet eens is met het UWV?

  • 2. Hoe gaat in het wetsvoorstel worden geborgd dat spionerende arbeidsmigranten via deze route Nederland niet binnen komen?

  • 3. Hoe gaat het UWV bewerkstelligen dat zij er zeker van is dat er in Nederland geen werknemers te vinden zijn voor de baan waar de arbeidsmigrant voor komt?

Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie:

  • 1. De regering geeft in de memorie van toelichting aan te verwachten dat de combinatie van enerzijds het facultatief worden van de arbeidsmarkttoets en anderzijds de mogelijkheid om een tewerkstellingsvergunning te verlenen voor maximaal drie jaar, ervoor zal zorgen dat de hoofdregel als minder beperkend wordt ervaren en vaker toegepast zal worden, met minder toekomstige uitzonderingen tot gevolg. Echter begrijpen de leden van de GroenLinks-fractie dat in de Tweede Kamer via het gewijzigd amendement-Wiersma2 de toets op wervingsinspanningen voor prioriteitgenietend aanbod dwingendrechtelijk gehouden is. Hiermee blijft qua versoepelende maatregelen in dit voorstel met betrekking tot de tewerkstellingsvergunning enkel de mogelijkheid over om een tewerkstellingsvergunning te verlenen voor maximaal drie jaar. Begrijpen de leden dit zo goed?

  • 2. De maximale duur van een tewerkstellingsvergunning zal op dit moment in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav) worden vastgesteld op twee jaar, waarbij in een evaluatie na drie jaar bepaald zal worden of deze maximale duur moet worden veranderd. Feitelijk gezien is de enige versoepelende maatregel van dit voorstel voor de komende drie jaar dus het verlengen van de maximale duur van een tewerkstellingsvergunning naar twee jaar. Kan de regering dit bevestigen? Zo ja, hoe onderbouwt de regering de aanname dat dit voldoende zal zijn om te zorgen dat de hoofdregel als minder beperkend wordt ervaren en vaker zal worden toegepast? Verwacht de regering dat de behoefte aan uitzonderingen door dit voorstel in de huidige vorm significant zal verminderen? Waarop baseert de regering deze verwachting? Wat betekent dit volgens de regering voor de noodzaak en doelmatigheid van het voorliggende wetsvoorstel? Kan de regering dit uitgebreid onderbouwen met het oog op de veranderingen die in de Tweede Kamer per amendement hebben plaatsgevonden, met name via het voornoemde gewijzigde amendement-Wiersma?

  • 3. Deze wetswijziging zal binnen drie jaar geëvalueerd worden, waarbij ook zal worden vastgesteld of de maximale duur van de tewerkstellingsvergunning dient te worden veranderd. Denkt de regering dat het feit dat deze maximale duur tot die tijd op twee jaar wordt vastgezet enig effect zal hebben op die evaluatie, en de mate waarin in de evaluatie inzicht kan geven in de effectiviteit van het verlengen van de maximale duur van de tewerkstellingsvergunning? De maximale duur van drie jaar die in het wetsvoorstel uiteindelijk mogelijk wordt gemaakt is op dat moment immers nog niet doorgevoerd. Zo ja, welk effect zal dit hebben en hoe denkt de regering bij de evaluatie een beter zicht te hebben op de behoefte aan een maximumduur van drie jaar? Kan de regering in dit kader nader duiden waarom er nu voor een maximale duur van twee in plaats van drie jaar is gekozen in de BuWav?

  • 4. Bij de behandeling in de Tweede Kamer heeft de regering toegezegd de landsadvocaat te vragen of de beperking van de arbeidsduur van asielzoekers tot 24 weken in een tijdsbestek van 52 weken voldoet aan artikel 15 van de Opvangrichtlijn.3 Kan de regering, in afwachting van het antwoord van de landsadvocaat, reflecteren op de mogelijke beleidsveranderingen die plaats zouden vinden indien deze beperking in strijd blijkt te zijn met de Opvangrichtlijn?

Vragen van de leden van de D66-fractie:

Graag vernemen de leden van de D66-fractie van de regering welke groepen arbeidsmigranten precies onder deze wet vallen. Wie valt er wel onder en wie niet? Daarnaast ontvangen deze leden graag een recent overzicht waarin het aantal aanvragen van tewerkstellingsvergunning (twv) en van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) op basis van nationaliteit (en mogelijke beroepsgroep) zijn uitgewerkt.

Er zijn aanwijzingen dat het aantal arbeidsmigranten uit Oost-Europa de komende jaren zal afnemen en de kans groot is dat steeds meer arbeidsmigranten van buiten de EU naar Nederland zullen komen4. Er is nog altijd krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt en er zijn mensen nodig voor praktijkgerichte beroepen in bijvoorbeeld de landbouw. Is het mogelijk dat er ook voor die groep werknemers een twv of gvva aangevraagd kan worden op basis van de voorliggende wet? Ook als de arbeidsmigranten van buiten de EU steeds vaker voor werk zullen komen dat meer praktijkgericht is in plaats van kennisgericht?

Uiteraard zijn de leden van de D66-fractie zich ervan bewust dat voorliggend wetsvoorstel zich richt op niet EU-arbeidsmigranten, maar ze denken toch dat er lessen te halen zijn uit het rapport van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit oktober 2020.5 In dit rapport gaat het over EU-arbeidsmigranten die praktisch werk verrichten. Zij ondervinden problemen met huisvesting en uitbuiting. Kan de regering aangeven welke groep binnen de niet EU-arbeidsmigranten mogelijk te maken krijgt met gelijkwaardige problemen die genoemd worden in het rapport van het Aanjaagteam? En kan de regering daarbij aangeven waar de groep niet EU-arbeidsmigranten zich kan melden wanneer er sprake is uitbuiting, misbruik of problemen met de huisvesting?

Daarnaast lezen de leden in het rapport van het Aanjaagteam op pagina 12: «Een meer recente ontwikkeling is dat er steeds meer derdelanders via andere EU-lidstaten worden gedetacheerd». Welke invloed zou deze ontwikkeling kunnen hebben voor de uitvoering van voorliggend wetsvoorstel? De leden van de D66-fractie weten dat de regering dit ook op de EU-agenda heeft gezet. Graag vernemen zij of hier al resultaten zijn geboekt die leiden tot verbetering van mogelijke onwenselijke situaties.

Daarnaast vernemen de leden van de D66-fractie graag van de regering wat deze wetgeving betekent voor het recht op gezinsleven van werknemers die onder deze wet vallen. Bovendien vragen deze leden wat de mogelijkheden zijn om bedrijven te verplichten of aan te moedigen deze werknemers Nederlands taalonderwijs te laten volgen.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre de arbeidsmigranten die onder deze wet vallen op de hoogte zijn van hun positie als werknemer in Nederland. Recent werden arbeidsmigranten van buiten de EU in dienst bij Uber ontslagen waarbij de Nederlandse ontslagregels werden omzeild.6 Kan de regering aangeven hoe de overheid ervoor kan zorgen dat de arbeidsmigranten die onder deze wet vallen voldoende op de hoogte zijn van hun rechten als werknemer in Nederland?

Vragen van de leden van de PvdA-fractie:

Het Europese vrij verkeer van werknemers is het recht van individuen en niet bedoeld als kostenbesparing voor werkgevers. Daarom zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat werkgevers verschillen in premies en fiscale regelingen nooit mogen misbruiken als businessmodel ten koste van de bescherming van werkenden. Acht de regering het tegengaan van sociale dumping belangrijk voor het toekomstbestending maken van arbeidsmigratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maakt dit geen onderdeel uit van het voorliggende wetsvoorstel?

De regering heeft eerder gekozen voor een versobering van de «expatsubsidie» door de looptijd te verkorten van acht naar vijf jaar. Wat is het effect daarvan op mogelijkheden om werknemers in de wetenschap, in de automatisering en bij (financiële) holdings en multinationals aan te trekken en op de verblijfsduur van deze expats in Nederland? Acht de regering het wenselijk om fiscale en andere subsidies om werknemers naar Nederland te halen te beëindigen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maakt dit geen onderdeel uit van het voorliggende wetsvoorstel?

De maximale duur van de tewerkstellingsvergunning gaat in het voorliggende wetsvoorstel van één naar drie jaar. Kan de regering de keuze voor een duur van drie jaar onderbouwen met veronderstellingen en voorspellingen? Waarom heeft de regering, bijvoorbeeld, niet gekozen voor twee jaar of vijf jaar? In de gedelegeerde regelgeving kan worden bepaald wanneer welke maximale duur wenselijk is, zo lezen de leden van de fractie van de PvdA. Graag ontvangen zij een systematische uiteenzetting van de criteria die worden gehanteerd om tot een oordeel over de wenselijkheid te komen.

Er is gekozen voor een beperking in de arbeidsduur om te voorkomen dat asielzoekers rechten op een werkloosheidsuitkering (WW) opbouwen, zo schrijft de regering. Er zou namelijk een complexe situatie ontstaan wanneer een asielaanvraag afgewezen wordt en de asielzoeker vertrekplichtig wordt, maar nog recht op een WW-uitkering heeft.7 Dat geeft bij de leden van de PvdA-fractie aanleiding tot de volgende vraag: Is het zo erg dat iemand terugkeert naar land van herkomst met nog een paar maanden recht op WW? Deze werkloosheiduitkering houdt immers altijd weer op. Daarbij geven uitkeringen naar het buitenland verder geen andere rechten. Graag een reactie van de regering.

Graag wijzen deze leden erop dat asielzoekers maar beperkt «daadwerkelijk» toegang tot arbeid in loondienst hebben. Daarom vragen zij de regering waarom niet is gekozen om de voorliggende wetswijziging ruimte te bieden voor experimenteren met arbeid door «kansrijke» asielzoekers.

In het rapport «Asielzoekers & daadwerkelijke toegang tot werk in Nederland» doen onderzoekers van het Centrum voor Migratierecht van de Radboud Universiteit8 een drietal aanbevelingen op dit terrein:

  • Aanbeveling 1: Overweeg aan artikel 2a BuWav een bepaling toe te voegen die het mogelijk maakt om asielzoekers met een nationaliteit waarmee zij volgens de IND kansrijke asielzoeker zijn, eerder, bijvoorbeeld al na twee maanden toegang tot arbeid te verlenen.

  • Aanbeveling 2: Overweeg de beperking tot 24 weken arbeid neergelegd in artikel 2a, eerste lid onder a BuWav te schrappen wegens strijd met het unierecht.

  • Aanbeveling 3: Overweeg de verplichte tewerkstellingsvergunning te schrappen en over te schakelen op een persoonsgebonden werkvergunning en een meldplicht voor werkgevers.

Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een reactie van de regering op elk van deze aanbevelingen. Daarbij vragen zij de regering om expliciet aan te geven op welke wijze deze voornemens is om de strijdigheid met het Unierecht – zoals beschreven in de tweede aanbeveling – te elimineren.

Vragen van de leden van de PVV-fractie:

De leden van de PVV-fractie lezen in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer dat «er geen prognose kan worden gegeven van toekomstige arbeidsmigratie vanuit derdelanden»9 na invoering van deze wet. Ook kan er geen inschatting gemaakt worden hoeveel onvervulde vacatures met deze wet in de hand wel vervuld zouden kunnen worden.

Deze leden vragen zich af waartoe de wet dan precies dient als te voren zelfs niet bij benadering het effect kan worden ingeschat.

Vragen van de leden van de SP-fractie:

In sectoren met grote krapte kan door het UWV al afgeweken worden van de verplichte toets op voldoende wervingsinspanningen. Blijkt dit staande beleid van het UWV onvoldoende om de noodzaak van dit wetsvoorstel weg te nemen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Om welke sectoren met grote krapte gaat het hier?

Het wetsvoorstel geeft twee maatregelen waarmee de positie van de arbeidsmigrant zou kunnen worden versterkt. Ziet de regering het «flexibiliseren» en versoepelen van de poortwachtersfunctie van het UWV niet juist als een gevaar voor de bescherming van arbeidsmigranten? Is een sterke poortwachter ook niet integraal aan het tegengaan van slechte arbeidsomstandigheden en onderbetaling?

Doet de verwachte vakere toepassing van de hoofdregel – de arbeidsmarkttoets met de verplichte afwijzingsgronden uit artikel 8 van de Wav bij de aanvraag van een twv of gvva – af aan het maatwerk wat het UWV kan leveren?

Vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie:

Anders dan de titel van het wetsvoorstel doet vermoeden gaat het om een beperkt aantal, vooral technische, wijzigingen, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Impliceert dit niet, zo vragen deze leden, dat de bijdrage aan het toekomstbestendig maken van de arbeidsmigratiewetgeving en het onderliggende beleid ook tamelijk bescheiden is? Hoe verhoudt zich dit wetsvoorstel tot het grotere politieke en maatschappelijke debat over arbeidsmigratie? Het voorstel richt zich niet op arbeidsmigratie binnen de EU maar op migratie vanuit derde landen naar Nederland. Kan de regering tegen deze achtergrond de proportionaliteit van het wetsvoorstel nader toelichten en onderbouwen?

Ook hebben de leden van de ChristenUnie-fractie behoefte aan een koppeling met het asielbeleid. Waar liggen hier de raakvlakken en uitdagingen? Kan de regering een beschouwing geven over de migratie vanuit derde landen via EU-lidstaten naar ons land? Er zijn internationaal opererende malafide uitzendbureaus die van deze constructie gebruik maken. Hoe beïnvloedt dit de handhaafbaarheid van het wetsvoorstel? Is er sprake van Europees beleid op dit punt? De leden begrijpen uit het verslag van het debat in de Tweede Kamer dat de Minister in Brussel gevraagd heeft om een nadere studie naar doordetachering in de EU. De leden lezen dat het verzoek is gehonoreerd. Kan de regering aangeven wat de reikwijdte en planning van dit onderzoek is?

Dit wetsvoorstel wil aan de ene kant het arbeidsmigratierecht flexibiliseren en aan de andere kant meer toekomstbestendig maken. De onderlinge relatie tussen beide principes is niet spanningsvrij. Kan de regering, zo verzoeken de leden van de ChristenUnie-fractie, reflecteren op deze relatie en hoe gezocht is naar onderlinge balans?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere duiding van de groep arbeidsmigranten. Het lijkt te gaan om een groep van hoogopgeleide kennismigranten (bijv. programmeurs) en een groep van laagopgeleide migranten (bijv. koks in de Aziatische horeca). Er zijn ook nu uitzonderingsafspraken voor bepaalde groepen arbeidsmigranten uit derde landen. Kan de regering hiervan een overzicht geven, zo mogelijk voorzien van cijfers? Wat zal de status worden van deze afspraken indien dit wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen?

De ChristenUnie-fractie committeert zich zeer aan het terugdringen van illegale arbeidsmigratie maar realiseert zich de beperkte doelstelling van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel wijzigt een aantal arbeidsmigratiemaatregelen. Zo wordt de wervingsinspanning als weigeringsgrond facultatief, wordt de duur van een tewerkstellingsvergunning (twv) opgerekt naar maximaal drie jaar, moeten werkgevers het loon van arbeidsmigranten maandelijks giraal betalen en dient er sprake te zijn van reële economische activiteit. De leden van de fractie kunnen zich hierin vinden maar vragen wel om een betere onderbouwing van de facultatieve toets op potentieel werkaanbod in Nederland. Hoe bevordert dit de bescherming van arbeidsmigranten en van Nederlandse werknemers? Waarin verschilt een beperkte arbeidsmarktoets zich in operationele zin van een volledige toets? Hoe verhoudt zich de casus van een werkgever die meermaals in gebreke is gebleven om aan nieuwe verplichtingen t.a.v. arbeidsmigranten te voldoen tot deze facultatieve weigeringsgrond?

In sommige gevallen is het evident, zo argumenteert de regering, dat er geen beschikbaar Nederlands arbeidsaanbod is. Een minder rigide arbeidsmarktoets zou hier soelaas voor werkgevers kunnen bieden. Kan deze argumentatie wat nader empirisch worden ingevuld? Waar liggen deze grenzen? Hoe zal het UWV hier in de uitvoeringsprakrijk mee omgaan? Geven we niet te makkelijk een sturingsinstrument op?

De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen op de vaak erbarmelijke huisvestingssituatie van groepen arbeidsmigranten uit derde landen. Was er geen aanleiding, zo vragen deze leden, om ook hier de wetgeving meer toekomstbestendig te maken?

Het vigerend Regeerakkoord plaatst de herziening van de twv nadrukkelijk in het licht van kenniseconomie, innovatieve slagkracht en concurrentievermogen. De Nederlandse startup- en scale-up wereld komt hierdoor nadrukkelijk in het vizier. In toenemende mate zien onze startups en scale-ups zich genoodzaakt om personeel – met name programmeurs – van buiten te EU te werven om in hun vraag te voorzien. De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag een beschouwing van de regering of en hoe dit wetsvoorstel deze wervingsinspanningen vergemakkelijkt. In welke mate is voor deze belangrijke sector sprake van meer flexibiliteit en grotere toekomstbestendigheid? Welke van de voorgestelde beleidsinstrumenten dragen hiertoe bij- of af? Is er met de wereld van startups en scale-ups overleg geweest?

Vragen van de leden van de SGP-fractie:

De leden van de SGP-fractie constateren dat met deze wetswijziging de maximumduur van tewerkstellingsvergunningen wordt verruimd van één naar drie jaar. Daarnaast wordt in de BuWav vastgelegd dat bij een tewerkstellingsvergunning met volledige arbeidsmarkttoets iedere twee jaar opnieuw een toetsing plaatsvindt of de arbeidsmarkt inmiddels zodanig is veranderd dat prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Echter, in twee jaar kan op de arbeidsmarkt veel gebeuren, getuige ook de coronacrisis.

Deze leden vragen de regering dan ook in te gaan op de mogelijkheid van een snelle wijziging van de omstandigheden op de arbeidsmarkt en de vraag in hoeverre dit voldoende is verdisconteerd in een toets om de twee jaar. In twee jaar tijd kan de arbeidsmarkt er toch totaal anders uitzien, en is het dan niet wenselijk vaker te toetsen om verdringing tegen te gaan?

Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie de regering in te gaan op de gevolgen van de verlenging van de maximumduur van tewerkstellingsvergunningen van één naar drie jaar. Welke gevolgen zal dit naar verwachting hebben op het aantal en de verblijfsduur van arbeidsmigranten in Nederland? Deze leden zien graag een onderbouwing van de eventuele gevolgen van het wetsvoorstel op dit punt.

De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de gevolgen van deze wetswijziging. Er is op dit moment al sprake van allerlei problematiek ten aanzien van arbeidsmigranten, denk aan onfatsoenlijke behandeling door sommige werkgevers, onvoldoende mogelijkheden voor huisvesting en onzekere financiële omstandigheden. Levert een versoepeling van de regelgeving rondom arbeidsmigratie niet nog meer problemen op voor arbeidsmigranten, zoals die duidelijk geschetst worden in de rapporten van de commissie-Roemer?10 In hoeverre is de huidige arbeidsmarkt en zijn de handhavingsorganen toegerust om een nieuwe groep arbeidsmigranten uit derde landen onder fatsoenlijke omstandigheden toe te laten op onze arbeidsmarkt? Is het niet zaak eerst paal en perk aan te stellen aan allerlei uitwassen, voordat we de regels ten aanzien van arbeidsmigratie gaan versoepelen?

De leden van de commissie zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sent

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl


X Noot
1

Samenstelling: Kox (SP), Essers (CDA), Ester (CU), Sent (PvdA), (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD), (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL), Moonen (D66), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), Van der Burg (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Prast (PvdD).

X Noot
2

Kamerstukken II 2020/2021, 35 680, nr. 20.

X Noot
3

Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking); PB L 180.

X Noot
5

Kamerstukken II 2020/2021, 29 861, nr. 53.

X Noot
7

Zie ook: Stb. 2008, 38.

X Noot
9

Kamerstukken II 2020/2021, 35 680, nr. 6, p. 2.

X Noot
10

Kamerstukken II 2020/2021, 29 861, nr. 53.

Naar boven