De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de
volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
1. Inleiding
De leden van de fractie van de PvdA hebben kennisgenomen van de antwoorden op de gestelde vragen over het wetsvoorstel.
Naar aanleiding van deze antwoorden hebben zij enkele vervolgvragen.
2. Stelselinrichting
In antwoord op de vraag van de PvdA-fractieleden over de borging van de neutraliteit van doorstroomtoetsen door het College
voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) en het voorkomen van oneigenlijke beïnvloeding
door bijvoorbeeld levensbeschouwing, geeft de regering aan dat het CvTE bij de erkenning
van de toets «eisen [stelt] aan de neutraliteit van de items en de context waarin
deze items worden geplaatst». Het CvTE kijkt «of de presentatie van items niet aanstootgevend
is voor een leerling of dat de context qua inhoud en niveau wel past bij de kaders
uit de Toetswijzer».2 Hierover hebben deze leden de volgende vervolgvragen.
Hoe wordt neutraliteit bepaald? Op basis van welke criteria wordt neutraliteit bepaald?
Welke concrete eisen worden gesteld aan de neutraliteit van items?
Hoe wordt bepaald wat aanstootgevend is en wat niet? Op basis van welke criteria wordt
getoetst of iets aanstootgevend is of niet? Door wie wordt dit bepaald?
In hoeverre wordt getoetst of er een voldoende volledig beeld wordt geschetst? Hoe
wordt voorkomen dat bepaalde onderwerpen, vanuit levensbeschouwing of anderszins,
stelselmatig niet aan bod komen dan wel kleiner worden gemaakt? Te denken valt aan
de evolutietheorie of de positie van vrouwen.
In antwoord op de vraag van de PvdA-fractieleden over de motivering van scholen om
voor de overheidstoets dan wel voor de toets van een van de private aanbieders te
kiezen, geeft de regering een opsomming van alle factoren die een rol spelen bij deze
keuze.3 Uit het antwoord wordt echter niet duidelijk of deze factoren in meer of mindere
mate gelden voor de overheidstoets dan wel voor de toets van private aanbieders. Daarom
hebben deze leden de vraag welke factoren de keuze van scholen voor de overheidstoets
(en in welke mate) bepalen en welke factoren de keuze voor de private toetsen (en
in welke mate) bepalen.
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet de nadere memorie van
antwoord – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Verkerk
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dragstra