35 582 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 29 april 2020 en het nader rapport d.d. 17 september 2020, aangeboden aan de Koning door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 1 april 2020, no. 2020000671, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W05.20.0090/I

  • In het voorgestelde artikel 2.3a, zesde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek «en vervangt de maximumleeftijd, bedoeld in het vierde lid» schrappen (zie ook Aanwijzing 2.32 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

  • In het voorgestelde artikel 7.12d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek «de bijzondere kenmerken van die opleidingen en de inhoud van de overeenkomst, bedoeld in het derde lid van dat artikel,» vervangen door «Verordening (EU) 1178/2011 en Verordening (EU) 2015/340» (zie ook Aanwijzing 2.14, tweede lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

  • In artikel I, onderdeel O, «vervalt de aanduiding «1.» en» schrappen en «Het tweede lid vervalt» vervangen door «Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen» (zie ook Aanwijzing 6.18, vierde lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

  • In het voorgestelde artikel 7.50, vierde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek «een bijdrage, als bedoeld in het eerste lid» vervangen door «een andere bijdrage» (zie ook Aanwijzing 3.27, vierde lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

  • In het voorgestelde artikel 15o van de Wet op het onderwijstoezicht «bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften die zich uitsluitend of mede» vervangen door «de artikelen 1.22, 1.23 en 15.7, eerste en tweede lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, mede voor zover deze zich» en «en waarvan overtreding kan leiden tot een bestuurlijke boete» schrappen (zie ook Aanwijzing 2.14, eerste lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 1 april 2020, nr. 2020000671, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 29 april 2020, nr. W05.20.0090/1, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De redactionele opmerkingen zijn waar mogelijk verwerkt in het voorstel van wet. Van de gelegenheid van dit nader rapport is gebruik gemaakt om het voorstel van wet aan te vullen met een overgangsbepaling. Met deze overgangsbepaling wordt bewerkstelligd dat voor studenten die reeds een opleiding zijn gestart het oude minimumtarief instellingscollegegeld (zijnde het wettelijk collegegeld) blijft gelden na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid1, mits zij hun opleiding onafgebroken vervolgen. Ook is een overgangsbepaling toegevoegd waarmee wordt bewerkstelligd dat premasterstudenten, die op grond van het nieuwe artikel 7.49b het instellingscollegegeld moeten gaan betalen, het wettelijk collegegeld kunnen blijven betalen, mits zij de premaster onafgebroken volgen.

Ten slotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal wetstechnische onvolkomenheden te herstellen in het met het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid voorgestelde artikel 7.53a WHW.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 35 282, A.

Naar boven