Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135572 nr. 12

35 572 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021)

Nr. 12 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 21 oktober 2020

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd.

1

Artikel XXV, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, aanhef, wordt «20» vervangen door «20a».

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Voor zover de toepassing van het eerste lid met betrekking tot een schuld zou leiden tot een lagere winst, vindt het eerste lid geen toepassing met betrekking tot die schuld.

2

Artikel XXVI wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel A worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Aa

Artikel 15ab, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «de zes volgende jaren» vervangen door «de volgende jaren».

2. In onderdeel b wordt «van de fiscale eenheid, voorzover» vervangen door «de fiscale eenheid, voor zover».

3. Er wordt een zin toegevoegd, luidende:

Bij de toepassing van de eerste zin wordt een liquidatieverlies in een jaar slechts in mindering gebracht tot een bedrag van € 1.000.000 vermeerderd met 50% van de belastbare winst van dat jaar van die maatschappij, onderscheidenlijk van de fiscale eenheid voor zover die winst aan die maatschappij is toe te rekenen, nadat die winst is verminderd met een bedrag van € 1.000.000.

Ab

In artikel 20, tweede lid, wordt «de zes volgende jaren» vervangen door «de volgende jaren». Voorts wordt aan dat lid een zin toegevoegd, luidende: Daarbij vindt verrekening in een jaar slechts plaats tot een bedrag van € 1.000.000 vermeerderd met 50% van de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van dat jaar nadat die winst, onderscheidenlijk dat inkomen, is verminderd met een bedrag van € 1.000.000.

2. Er worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

Ba

In artikel 33b, tweede lid, onderdeel b, wordt na «artikel 20, tweede lid,» ingevoegd «zoals dat luidde op 31 december 2021,».

Bb

In artikel 33c, derde lid, onderdeel b, wordt na «artikel 20, tweede lid,» ingevoegd «zoals dat luidde op 31 december 2021,».

Bc

Artikel 34i wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, luidende: Voor de toepassing van de eerste zin vindt verrekening in een jaar slechts plaats tot een bedrag van € 1.000.000 vermeerderd met 50% van de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 20, vierde lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, van dat jaar, nadat die winst, onderscheidenlijk dat inkomen, is verminderd met een bedrag van € 1.000.000.

2. In de derde zin (nieuw) wordt «blijven de artikelen» vervangen door «blijven voorts de artikelen».

3

Na artikel XXVI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel XXVIA

In de Mijnbouwwet komt artikel 66, derde lid, tweede zin, te luiden: Dit verlies wordt onder toepassing van hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4

In de in artikel XXIX, onderdeel G, onder 1, opgenomen tabel wordt in de derde rij «€ 366» vervangen door «€ 372».

5

Artikel XXX komt te luiden:

Artikel XXX

Artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vindt bij het begin van het kalenderjaar 2021 geen toepassing op de bedragen, genoemd in de tabel die is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van die wet en op de bedragen, genoemd in de laatste zin, van dat lid, en de laatste zin, van artikel 9, tweede lid, van die wet.

6

Artikel XXXVII wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef wordt vervangen door:

De Wet bedrijfsleven 2019 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7.5, onderdeel B, wordt vervangen door:.

2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

B

Artikel 8.1 vervalt.

7

In artikel XLII, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. artikel XXVI, onderdelen Aa, Ab en Ba tot en met Bc, artikel XXVIA en artikel XXXVII, onderdeel B, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022, met dien verstande dat de wijzigingen met betrekking tot de voorwaartse verliesverrekening, in afwijking van de tot en met 31 december 2021 geldende tekst van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, toepassing vinden met betrekking tot verliezen die zijn geleden in boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2013, voor zover deze verliezen worden verrekend met belastbare winsten of Nederlandse inkomens genoten in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022.

Toelichting

I Algemeen

1. Beperking verliesverrekening tot 50% van de belastbare winst

De voorgestelde maatregel is erop gericht te voorkomen dat bedrijven met winstgevende activiteiten in Nederland jaren achtereen geen vennootschapsbelasting betalen. Dat kan onder andere komen door een grote hoeveelheid verrekenbare verliezen uit het verleden. Teneinde een ondergrens in de vennootschapsbelasting voor bedrijven met winstgevende activiteiten in Nederland te bewerkstelligen stelt het kabinet daarom per 1 januari 2022 een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voor waarbij de omvang van de in een jaar in aanmerking te nemen verliezen wordt beperkt. Voorwaartse verliesverrekening houdt in dat een in een jaar geleden verlies wordt verrekend met de belastbare winst, of het Nederlandse inkomen, van een volgend jaar. De huidige voorwaartse verliesverrekening is beperkt tot zes jaar. De beperking in de tijd komt te vervallen. Daartegenover staat dat indien de verliezen uit voorafgaande jaren gezamenlijk een bedrag van € 1 miljoen te boven gaan, de verrekening in een bepaald jaar slechts plaatsvindt tot een bedrag van € 1 miljoen vermeerderd met 50% van de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van dat jaar nadat die winst, onderscheidenlijk dat inkomen, is verminderd met een bedrag van € 1 miljoen. Tot een bedrag van € 1 miljoen zijn verliezen dus altijd verrekenbaar. Voor ondernemers (box 1) en aanmerkelijkbelanghouders (box 2) in de inkomstenbelasting geldt dat de groep met verliezen van een bedrag van meer dan € 1 miljoen beperkt is. Daarmee zou een vergelijkbare aanpassing in de inkomstenbelasting naar verwachting weinig effect sorteren. Verder beoogt de voorgestelde maatregel ten aanzien van vennootschapsbelastingplichtige lichamen een meer geleidelijke verliesverrekening en daardoor stabielere belastingontvangsten te bewerkstelligen.

De voorgestelde beperking zal ook van toepassing zijn op de achterwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting. Achterwaartse verliesverrekening houdt in dat een verlies in een jaar wordt verrekend met de winst uit het voorafgaande jaar. De belastingplichtige krijgt dan (een deel van) de eerder betaalde belasting terug. De termijn voor achterwaartse verliesverrekening van één jaar blijft ongewijzigd. Een verlies dat als gevolg van de voorgestelde beperking in een jaar niet volledig voorwaarts of achterwaarts verrekenbaar is, kan in een volgend jaar met inachtneming van dezelfde beperking worden verrekend.

De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de voorwaartse verliesverrekening zullen van toepassing zijn op alle verrekenbare verliezen die ontstaan vanaf 1 januari 2022 of die ultimo 2021 nog voorwaarts verrekenbaar zijn. Het kabinet acht dat gerechtvaardigd omdat deze wijzigingen zowel begunstigend als beperkend zijn voor belastingplichtigen en de bestaande verrekenbare verliezen niet verloren gaan.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de voorwaartse verliesverrekening met ingang van 2019 is versoberd in het kader van de grondslagverbredende maatregelen uit de Wet bedrijfsleven 2019. Nochtans wil het kabinet niet langer dan noodzakelijk wachten met het uitvoeren van één van de aanbevelingen van de Adviescommissie Belastingheffing van multinationals. De commissie beveelt in de basisvariant van haar rapport aan om de verliesverrekening te beperken.1 Door de omvang van de verliesverrekening (voor zover boven de € 1 miljoen) te beperken tot 50% van de belastbare winst nadat die winst is verminderd met een bedrag van € 1 miljoen, zullen sterk winstgevende bedrijven al snel vennootschapsbelasting verschuldigd zijn zodra ze na een verliesperiode weer winstgevend worden. Deze maatregel draagt zo bij aan het creëren van een ondergrens in de vennootschapsbelasting. Verscheidene landen hanteren een dergelijk systeem voor verliesverrekening.2

2. Technische wijzigingen

Verder voorziet deze nota van wijziging in het herstellen van enkele technische omissies in het wetsvoorstel. Bij de beschrijving van de EU-aspecten, de budgettaire aspecten, de uitvoeringskosten en de gevolgen voor bedrijfsleven en burger hieronder wordt met «de maatregel» enkel bedoeld de voorgestelde maatregel inzake de verliesverrekening.

3. EU-aspecten

Aan deze maatregel zijn geen EU-aspecten verbonden.

4. Budgettaire aspecten

Structureel is de opbrengst van de maatregel € 555 miljoen. In de reeks is uitgegaan van de nieuwe tariefstructuur per 2022 (15% laag en 25% hoog tarief). Er is al een opbrengst over het belastingjaar 2021 omdat met de voorgestelde maatregel de achterwaartse verliesverrekening over verliezen uit 2022 met de winsten van 2021 ook beperkt wordt. In de beginperiode zijn de bedragen hoger omdat belastingplichtigen in eerste instantie tegen de beperking van de verliesverrekening tot 50% van de winst aanlopen. In de jaren daarna kan een deel van de belastingplichtigen dan alsnog verrekenen. In de onderstaande tabel wordt het ingroeipad van de voorgestelde maatregel weergegeven:

(bedragen in € en miljoenen)

2021

2022

2023

2024

Struc.

Maatregel beperking verliesverrekening

117

995

889

776

555

Bij de raming van het budgettaire effect is uitgegaan van een reguliere economische situatie. Als gevolg van de coronacrisis is echter de opbrengst van de vennootschapsbelasting sterk teruggelopen en zijn er aanmerkelijk meer verliezen aanwezig dan structureel verwacht mag worden. Dit zou tot gevolg hebben dat de geraamde opbrengst van deze maatregelen in de vennootschapsbelasting aanmerkelijk anders zal zijn dan onder reguliere economische omstandigheden. Voor deze maatregel worden (net als bij enkele andere maatregelen in het wetsvoorstel) in het inkomstenkader de bedragen gebruikt die uitgaan van een regulier economisch kader. Hierdoor verschilt het lastenrelevante bedrag van de opbrengsten op EMU-basis. In de opbrengsten op EMU-basis wordt wel rekening gehouden met de coronacrisis. Die reeks is hieronder weergegeven:

Effecten op EMU-basis in verband met corona:

(bedragen in € en miljoenen)

2021

2022

2023

2024

Struc.

Maatregel beperking verliesverrekening

90

1.416

1.085

897

555

5. Uitvoeringskosten

Voor deze bepaling is alleen een impactbepaling gemaakt. Er volgt nog een uitvoeringstoets.

6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

Deze maatregel heeft verwaarloosbare gevolgen voor de regeldruk.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel XXV, onderdeel A (artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Bij deze nota van wijziging is van de gelegenheid gebruikgemaakt om een verkeerde verwijzing in de aanhef van het vierde lid van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) te herstellen en een redactionele verbetering in het voorgestelde achtste lid van genoemd artikel aan te brengen.

Onderdeel 2

Artikel XXVI, onderdeel Aa (artikel 15ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Ingevolge het voorgestelde artikel XXVI, onderdeel Ab, worden verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. De omvang van de verliesverrekening (voor zover de verrekenbare verliezen meer bedragen dan € 1 miljoen) wordt voor zowel de achterwaartse als de voorwaartse verliesverrekening in een jaar beperkt tot een bedrag van € 1 miljoen vermeerderd met 50% van de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van dat jaar nadat die winst, onderscheidenlijk dat inkomen, is verminderd met een bedrag van € 1 miljoen. Deze wijzigingen in de verliesverrekening hebben ook gevolgen voor de verrekening van zogenoemde latente liquidatieverliezen van artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969.

Op grond van artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969 geldt kort gezegd dat bij voeging in een fiscale eenheid van een maatschappij met een deelneming met een latent liquidatieverlies, de aftrek in het jaar waarin het verlies daadwerkelijk aftrekbaar wordt, beperkt blijft tot het bedrag van de winst van de fiscale eenheid dat toerekenbaar is aan de desbetreffende maatschappij. Voor zover het liquidatieverlies als gevolg van deze beperking onverrekend is gebleven, wordt het vervolgens:

  • op grond van artikel 15ab, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 achterwaarts verrekend met de winst die de desbetreffende maatschappij vóór voeging heeft gemaakt in het aan het jaar waarin het liquidatieverlies in aanmerking mag worden genomen, voorafgaande jaar;

  • op grond van artikel 15ab, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 voorwaarts verrekend met de winst van de fiscale eenheid voor zover die winst aan die maatschappij is toe te rekenen.

Overeenkomstig het voorstel om geen termijn meer te verbinden aan de voorwaartse verliesverrekening van artikel 20 Wet Vpb 1969, wordt voor de toepassing van artikel 15ab Wet Vpb 1969 een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voorgesteld. Daarnaast zal ook de achterwaartse en de voorwaartse verrekening van het (resterende) liquidatieverlies ingevolge artikel 15ab, derde lid, Wet Vpb 1969 (voor zover dit een bedrag van € 1 miljoen te boven gaat) worden beperkt tot 50% van de winst van de genoemde maatschappij vóór voeging, onderscheidenlijk tot 50% van de winst van de fiscale eenheid voor zover die aan die maatschappij is toe te rekenen, nadat op die winst een bedrag van € 1 miljoen in mindering is gebracht.

Voor zover er daarna een nog niet-verrekend liquidatieverlies overblijft, geldt dat dit verlies kan worden verrekend in een volgend jaar. Ook in de volgende jaren is dan de hierboven genoemde beperking van toepassing.

Artikel XXVI, onderdeel Ab (artikel 20 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De in het voorgestelde artikel XXVI, onderdeel Ab, opgenomen wijziging van artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969 bewerkstelligt dat verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar zullen zijn. Verder zullen volgens de aan artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969 toe te voegen zin verliezen in een jaar – zowel bij de voorwaartse verliesverrekening als bij de achterwaartse verliesverrekening – slechts tot een bedrag van € 1 miljoen volledig worden verrekend met de belastbare winst van dat jaar. Voor zover de verrekenbare verliezen meer bedragen dan € 1 miljoen worden deze verrekend tot een bedrag van 50% van de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van een jaar nadat die winst, onderscheidenlijk dat inkomen, is verminderd met een bedrag van € 1 miljoen. Voor zover er daarna nog niet-verrekende verliezen overblijven, geldt dat deze verliezen kunnen worden verrekend in een volgend jaar. Ook in de volgende jaren is deze beperking van toepassing bij de verliesverrekening.

Bovenstaande kan worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld.

Voorbeeld

Een belastingplichtige lijdt in 2020 een verlies van € 2.000.000 (zonder de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening naar 2019) en in 2021 een verlies van € 3.000.000. De totale verrekenbare verliezen bedragen € 5.000.000.

In 2022 heeft de belastingplichtige een belastbare winst van € 4.000.000. Van de totale verrekenbare verliezen wordt ten eerste een bedrag van € 1.000.000 aan verlies verrekend. Voor het restant worden de verliezen verrekend tot een bedrag van 50% van € 3.000.000, zijnde € 1.500.000. Het belastbare bedrag na verliesverrekening bedraagt in 2022 € 1.500.000. Er resteert ultimo 2022 een bedrag van € 2.500.000 aan niet-verrekende verliezen dat kan worden verrekend in een volgend jaar.

In 2023 bedraagt de winst € 1.500.000. Ten eerste wordt een bedrag van € 1.000.000 van de nog verrekenbare verliezen verrekend. Voor het overige wordt een bedrag van 50% van € 500.000, zijnde € 250.000, aan verliezen verrekend. Het belastbare bedrag na verliesverrekening bedraagt in 2023 € 250.000. Er resteert ultimo 2023 een bedrag van € 1.250.000 aan niet-verrekende verliezen dat kan worden verrekend in een volgend jaar.

De winst in 2024 bedraagt € 1.000.000. De verrekenbare verliezen worden tot dat bedrag verrekend. Het belastbare bedrag na verliesverrekening in 2024 bedraagt nihil. Er resteert ultimo 2024 een bedrag van € 250.000 aan niet-verrekende verliezen dat kan worden verrekend in een volgend jaar.

Artikel XXVI, onderdeel Ba (artikel 33b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel 33b Wet Vpb 1969 bevat een overgangsbepaling op grond waarvan de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten geen toepassing vindt voor zover op 1 januari 2012 (de datum van invoering van de objectvrijstelling) nog in te halen buitenlandse verliezen openstonden. Echter, voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de buitenlandse verliezen zijn verdampt ingevolge het huidige artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969 wordt de objectvrijstelling toch toegepast. In verband met de voorgestelde invoering van een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening wordt tot uitdrukking gebracht dat deze uitzondering op de objectvrijstelling nog slechts verband kan houden met de huidige, in de tijd beperkte voorwaartse verliesverrekening.

Artikel XXVI, onderdeel Bb (artikel 33c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel XXVI, onderdeel Bb, bevat een soortgelijke bepaling als artikel XXVI, onderdeel Ba, met dien verstande dat het hier de nog in te halen verliezen van een buitenlandse beleggingsonderneming van vóór 1 januari 2012 betreft, welke verliezen al dan niet in mindering moeten worden gebracht op de verrekenbare winst uit een buitenlandse beleggingsonderneming.

Artikel XXVI, onderdeel Bc (artikel 34i van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel 34i Wet Vpb 1969 bevat een overgangsregeling in verband met de afschaffing per 1 januari 2019 van de tot die datum in artikel 20, vierde tot en met zesde lid, Wet Vpb 1969 opgenomen houdsterverliesregeling. Deze overgangsregeling houdt in dat verrekenbare verliezen van vóór 2019 die zijn aangemerkt als houdster- of financieringsverliezen ook in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019 slechts verrekenbaar blijven met houdster- of financieringswinsten. Ook voor deze verliezen zal ingevolge de voorgestelde wijziging van artikel 34i Wet Vpb 1969 gelden dat zij in een jaar slechts tot een bedrag van € 1 miljoen volledig worden verrekend met de belastbare houdster- of financieringswinst van dat jaar. Voor zover de belastbare houdster- of financieringswinst hoger is dan € 1 miljoen, worden zij slechts tot een bedrag van 50% van de belastbare houdster- of financieringswinst boven € 1 miljoen verrekend. Daar staat tegenover dat deze verliezen in de tijd onbeperkt voorwaarts verrekenbaar worden.

Indien een belastingplichtige zowel verrekenbare houdster- of financieringsverliezen van vóór 2019 als andere verliezen heeft, dan geldt voor elk van deze soort verliezen afzonderlijk dat zij tot een bedrag van € 1 miljoen volledig en boven dit bedrag slechts tot een bedrag van 50% van de belastbare houdster- of financieringswinst, onderscheidenlijk de andere winst, worden verrekend.

Onderdeel 3

Artikel XXVIA (artikel 66 van de Mijnbouwwet)

De voorgestelde beperking van de achterwaartse en voorwaartse verliesverrekening ingevolge de aanbeveling van de Adviescommissie Belastingheffing van multinationals ziet alleen op de vennootschapsbelasting en zal daarom niet doorwerken naar artikel 66, derde lid, van de Mijnbouwwet.

Onderdelen 4 en 5

In de in artikel XXIX, onderdeel G, opgenomen tabel ter vervanging van de tabel die is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) is verzuimd in de te wijzigen tabel het eerstgenoemde bedrag, te weten € 366, aan te passen. Dit verzuim wordt bij deze nota hersteld, het bedrag wordt € 372.

In artikel XXX is verzuimd te regelen dat er geen indexatie plaatsvindt bij de aanvang van het kalenderjaar 2021 voor het bedrag dat is genoemd in artikel 9, eerste lid, laatste zin, en artikel 9, tweede lid, laatste zin, Wet BPM 1992. Dit verzuim wordt bij deze nota hersteld.

Onderdeel 6

Artikel XXXVII, onderdeel B (artikel 8.1 van de Wet bedrijfsleven 2019)

Artikel 8.1 van de Wet bedrijfsleven 2019 houdt verband met de beperking van de termijn van de voorwaartse verliesverrekening van negen jaar tot zes jaar met ingang van 1 januari 2019 en zag op verliezen geleden in de jaren 2019 en 2020. Door de voorgestelde, in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening met betrekking tot verliezen uit jaren die aanvangen op of na 1 januari 2013, zal dit artikel zijn betekenis verliezen. Het artikel kan daarom vervallen.

Onderdeel 7

Artikel XLII (inwerkingtreding)

De voorgestelde maatregelen die zien op de verliesverrekening, zullen in beginsel van toepassing worden met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Niettemin zullen de wijzigingen met betrekking tot de voorwaartse verliesverrekening, zowel de verruiming tot een onbeperkte termijn als de beperking van de verrekening tot 50% van de belastbare winst van een jaar waarbij de verliezen tot € 1 miljoen volledig verrekenbaar zijn, van toepassing zijn op verliezen die stammen uit boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2013 voor zover deze verliezen worden verrekend met belastbare winsten of Nederlandse inkomens genoten in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Dat betekent dat verliezen uit boekjaren die zijn aangevangen vóór 1 januari 2013 op grond van de in die jaren geldende termijn voor voorwaartse verliesverrekening uiterlijk tot negen jaar na afsluiting van het boekjaar, dus uiterlijk op 31 december 2021, kunnen worden verrekend. Daarna kunnen deze verliezen niet meer worden verrekend.

Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat bij de beperking van de termijn voor de voorwaartse verliesverrekening van negen jaar tot zes jaar op grond van de Wet bedrijfsleven 2019, de negenjaarstermijn in stand is gelaten voor de op 1 januari 2019 nog verrekenbare verliezen. Dit betekent dat voor verliezen die zijn geleden in de jaren 2010 tot en met 2018 nog een negenjaarstermijn geldt. In het onderhavige voorstel is hiermee rekening gehouden. Dat leidt ertoe dat voor verliezen die zijn geleden na 1 januari 2013, en die dus na 1 januari 2022 nog voorwaarts verrekenbaar zijn, de voorgestelde bepalingen voor de verliesverrekening van toepassing zullen zijn.

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

«Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting» bijlage bij Kamerstukken II, 2019/20, 31 066, nr. 623. Zie (onder meer) p. 13 en 14 van dit rapport.

X Noot
2

Zie p. 41 en 109 van het rapport.