Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135572 nr. 10

35 572 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021)

Nr. 10 VERSLAG

Vastgesteld 9 oktober 2020

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Tielen

De adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

Inhoudsopgave

blz.

     

I.

ALGEMEEN

3

1.

Inleiding

5

2.

Samenstelling pakket Belastingplan 2021

7

3.

Opzet algemeen deel

7

4.

Inkomensbeleid

7

5.

Lagere bijtelling voor elektrische auto met zonnepanelen

11

6.

Aanpassen zelfstandigenaftrek

13

7.

Invoeren van een vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten (COVID-19)

16

8.

Fiscale behandeling Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 voor niet-werknemers

16

9.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (COVID-19)

18

10.

Verruimen gerichte vrijstelling scholingskosten

19

11.

Aanpassen vrije ruimte werkkostenregeling

21

12.

Invoeren van een fiscale coronareserve (COVID-19)

22

13.

Voorkomen van vrijstelling door specifieke renteaftrekbeperking

24

14.

Aanpassen tarieftabel van de vennootschapsbelasting

24

15.

Verhogen van het effectieve tarief van de innovatiebox naar negen procent

26

16.

Aanpassen minimumkapitaalregel en bankenbelasting

27

17.

Wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen

28

18.

Aanscherpen van de CO2-schijfgrenzen en schijftarieven in de bpm en van de CO2-grens en het tarief voor de dieseltoeslag

30

19.

Vervangen postcoderoosregeling door een subsidieregeling

32

20.

Verlengen verlaagd tarief openbare laadpalen

33

21.

Verlaagd tarief voor walstroominstallaties

34

22.

Budgettaire aspecten

35

23.

EU-aspecten

36

24.

Gevolgen voor burger en bedrijfsleven

36

25.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

37

26.

Advies en consultatie

37

27.

Onderbouwing van de voorstellen in het kader van de Comptabiliteitswet 2016

37

28.

Evaluaties

37

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

37

Artikel XVII

37

BIJLAGE Uitvoeringstoetsen Belastingdienst

37

BIJLAGE Uitvoeringstoets RDW belastbaar feit bpm

37

BIJLAGE Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2021 inclusief certificeringsdocument CPB

38

BIJLAGE Advies RvS

38

OVERIG

38

NOTA VAN WIJZIGING

41

I

Algemeen

41

1.

Beperking verliesverrekening tot 50% van de belastbare winst

43

2.

Technische wijzigingen

45

3.

EU-aspecten

45

4.

Budgettaire aspecten

45

5.

Uitvoeringskosten

45

6.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

46

II.

Onderdeelsgewijs

46

BIJLAGE Impactbepaling

46

BIJLAGE Ramingstoelichtingen

46

BIJLAGE Advies RvS

46

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

46

I

Toelichting – algemeen

46

1.

Baangerelateerde investeringskorting (BIK)

48

1.1

Inleiding

49

1.2

Doel van de regeling

52

1.3

Effectiviteit

53

1.4

Accent op het mkb

55

1.5

Aanvulling op bestaande stimuleringsmaatregelen

57

1.6

Nieuwe investeringen

58

1.7

Doelmatigheidsminimum

59

1.8

Budgettaire beheersbaarheid

60

1.9

Geleerde lessen van de WIR

60

1.10

Aanvraag en toekenning

60

2.

EU-aspecten

61

3.

Budgettaire aspecten

61

4.

Uitvoeringskosten

61

5.

Evaluatie

62

6.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

62

7.

Advies & Consultatie

62

II

Toelichting – onderdeelsgewijs

62

BIJLAGE Advies RvS

62

I. ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben met grote interesse kennisgenomen van het Belastingplan 2021. Zij benadrukken het belang van gunstig en werkbaar fiscaal beleid in de onzekere economische tijden waarin wij ons bevinden en zijn dan ook tevreden dat het kabinet maatregelen neemt. Zij hebben nog wel enkele vragen en opmerkingen.

Met interesse hebben de leden van de PVV-fractie kennisgenomen van het Belastingplan 2021. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Belastingplan 2021.

De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennisgenomen van het Belastingplan 2021. Deze leden benadrukken het belang van het ondersteunen van ondernemers en werknemers in tijden van corona, het aanpakken van belastingontwijking ten behoeve van reële bedrijfsactiviteiten, het stimuleren van vergroening met oog op het Klimaatakkoord en het stimuleren van investeringen ten behoeve van economische groei.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De meeste maatregelen zijn volgens deze leden een stap in de goede richting. Op sommige terreinen hadden deze leden graag verdergaande maatregelen gezien. Daarnaast hebben deze leden nog kritische vragen bij de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK).

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierbij vele vragen en opmerkingen. Zij hebben met zeer grote verbazing kennisgenomen van de nota van wijziging betreffende de Baangerelateerde Investeringskorting die ten onrechte is ingediend als een nota van wijziging. Deze leden beschouwen het als een regelrechte schoffering van de Kamer, diens motie-Nijboer die verzocht om belastingwetgeving gespreid naar de Kamer te sturen en de motie van het Eerste Kamerlid Hoekstra die verzocht om wetgeving niet meer overbodig te koppelen. Zij vragen de regering deze nota van wijziging conform het advies van de vicevoorzitter van de Raad van State als een separaat wetsvoorstel in te dienen om een prudent wetgevingsproces te bewaken; de controlerende taak van de Kamer komt hiermee in het geding. Tevens vragen deze leden de regering de naam van de Baangerelateerde Investeringskorting conform het redactionele advies van de Raad van State te wijzigen in Multinationale Ondernemingskorting zodat het meer recht doet aan de aard van het voorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het pakket Belastingplan 2021. De coronacrisis dwingt nog meer dan anders om na te denken over de noden in de samenleving en wat daar aan te doen. Het Belastingplan bevat een aantal maatregelen die passen in de bestrijding van de economische crisis als gevolg van het virus. Voorts bevat het enkele nuttige maatregelen ter vergroening, bestrijden van belastingontwijking en betere uitvoering van belastingbeleid. De belangrijkste keuze is echter om 2 miljard euro aan lastenverlichting voor bedrijven uit te trekken in de vorm van de Baangerichte Investeringskorting. De noodzaak hiertoe is slecht onderbouwd, en inmiddels staat wel vast dat deze regeling banen noch investeringen oplevert. De leden van de PvdA-fractie staan dan ook niet achter de BIK en verzoeken deze middelen anders in te zetten. De noden liggen elders. De werkloosheid neemt toe, mensen leven in onzekerheid en er heerst woningnood. De leden van de PvdA-fractie pleiten er dan ook voor hier aandacht aan te geven in plaats van 2 miljard euro vrij te maken voor de BIK.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Belastingplan 2021. Zij zijn positief over verschillende voorstellen, zoals over de 150 miljoen euro die gestoken wordt in het kindgebonden budget vanaf het derde kind. Hiermee wordt de ondersteuning voor de iets grotere gezinnen rechtgetrokken met de wat kleinere. Daarnaast is het positief om vast te stellen dat er een tariefsverlaging plaatsvindt in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat een radicale omslag van het belastingstelsel nodig is, conform het principe «de vervuiler betaalt».

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie pleiten al jaren voor een noodzakelijke omslag in het belastingsysteem, waarbij niet het waardevolle, zoals arbeid, wordt belast, maar alles wat druk legt op onze leefomgeving. Dat houdt in dat wat schaars of vervuilend is veel zwaarder belast wordt, zoals fossiele brandstoffen, schaarse metalen, vervuiling van water, lucht en bodem. Het betekent ook dat arbeid, waar we overvloed van hebben, veel minder belast wordt. Heffingen op lonen werken als een accijns op arbeid: het maakt het nodeloos duur en remt het gebruik af.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat arbeid relatief duur blijft. Zeker in het vooruitzicht op oplopende werkeloosheid en de breed gedragen wens om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, is dit onverstandig. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie pleiten voor een vergaande vergroening van het belastingstelsel waarbij het hergebruik van grondstoffen wordt gestimuleerd. Hierdoor stimuleren we tegelijk ook de werkgelegenheid. Zo kunnen we arbeid goedkoop maken zonder dat we goedkope arbeid van ver hoeven te halen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Belastingplan 2021. Zij hebben daarover de volgende vragen.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Belastingplan 2021.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen een lijst van aparte fiscale wetgeving die het kabinet voorziet, met eventuele verplichte of beoogde inwerkingtredingsdatum.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom alleen bij sommige maatregelen apart wordt ingegaan op de doelmatigheid en de doeltreffendheid, en niet bij alle maatregelen. De leden vragen of de regering dit alsnog kan doen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering een omvangrijk wetgevingspakket neerlegt bij de Kamer, waarbij niet alleen aandacht is voor bijzondere maatregelen vanwege de coronacrisis, maar ook enkele grote onevenwichtigheden in het stelsel worden aangepakt, zoals de fiscale overstimulering van zzp’ers.

Aangezien dit vermoedelijk het laatste belastingplanpakket is van deze regering, is dit pakket ook de laatste kans om uitvoering te geven aan het Regeerakkoord. De leden van de CDA-fractie vragen de regering in dit kader op welke wijze uitvoering is gegeven aan de maatregel uit het Regeerakkoord dat het regelgevend kader voor de trustsector strenger wordt. Dit heeft immers directe gevolgen voor de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking en daarmee op de belastinginkomsten. Maar deze leden zien ook fiscale mogelijkheden om het regelgevend kader strenger te maken, bijvoorbeeld door de trustsector te laten delen in de verantwoordelijkheid om geen diensten te verlenen aan doorstroomvennootschappen, zodat op dit terrein beter handhavend kan worden opgetreden door de Belastingdienst. In het Regeerakkoord was ook opgenomen dat de informatiepositie en de opsporingscapaciteit naar aanleiding van de Panama Papers zou worden versterkt en dat hiertoe een business case zou komen. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie hoe het daarmee staat.

Een andere maatregel waarvan nu zeker is dat het heel lastig wordt voor de regering om deze uit te voeren is de belofte in het Regeerakkoord dat deze kabinetsperiode een stelsel zal worden uitgewerkt van een vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement. Op welke wijze gaat de regering nog voor de verkiezingen uitvoering geven aan deze afspraak?

In het Regeerakkoord was tevens opgenomen dat deze regeerperiode als doel gesteld wordt om meer nieuwe huur- en koopwoningen te bouwen, voldoende koop- en huuraanbod voor specifieke groepen te realiseren en flinke stappen te zetten voor verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Deze opgave, die de afgelopen jaren alleen maar groter is geworden, kan alleen gerealiseerd worden met drastische maatregelen en een nauwe samenwerking met partijen binnen de volkshuisvesting. De leden van de CDA-fractie zijn echter van mening dat waar deze samenwerking raakt aan de fiscaliteit het helemaal misgaat. Het streven van het kabinet om te komen tot meer betaalbare woningen is namelijk niet voelbaar als het gaat om de belastingdruk van woningbouwcorporaties. Jaar na jaar wordt de belastingdruk voor woningbouwcorporaties verhoogd, terwijl dat direct ten koste gaat van de capaciteit om woningen te bouwen en te verduurzamen. De regering kan niet het ene zeggen te willen en het andere doen. En die daden spreken boekdelen: de vennootschapsbelasting wordt niet verlaagd, de daaraan gekoppelde generieke renteaftrekbeperking waar woningbouwcorporaties heel veel last van hebben blijft wel, de overdrachtsbelasting wordt verhoogd en door de verplichte huurverlaging neemt het risico op scheefwonen door mensen met een hoog inkomen in een goedkope huurwoning in latere jaren toe. De verlaging van de verhuurderheffing is onvoldoende om dit beeld te kenteren. Met dit geheel aan wetsvoorstellen wordt de woningnood alleen nog maar groter. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering dat gaat voorkomen.

De leden van de CDA-fractie maken zich verder grote zorgen over de uitvoerbaarheid van een aantal wetsvoorstellen uit dit wetgevingspakket. Als het gaat om de verbetering van de menselijke maat in het toeslagenstelsel hebben deze leden begrip voor de extra complexiteit. Het toeslagenstelsel werkte immers veel te hard uit en maatwerk aan de voorkant voorkomt nieuwe problemen die met terugwerkende kracht moeten worden opgelost en daarmee complexiteit in de toekomst.

Maar als het gaat om de wetsvoorstellen over box 3, de overdrachtsbelasting en de huurverlaging zijn het negeren van de alarmbellen voor de uitvoering door de Belastingdienst niet te rechtvaardigen. Door in het wetsvoorstel over box 3 een verschil te creëren in het vermogensbegrip voor de inkomstenbelasting en het vermogensbegrip voor de inkomensafhankelijke regelingen, zoals de huurtoeslag, is het wachten op uitvoeringsproblemen. Belastingplichtigen die geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn, moeten toch zover gekregen worden dat zij belastingaangifte gaan doen om zo het goede vermogen voor de toeslagen en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage vast te stellen. De Belastingdienst waarschuwt voor extra procesverstoringen, grote risico’s die moeten worden geaccepteerd en problemen om de ICT-systemen op tijd klaar te krijgen, die mogelijk ergens anders in de organisatie tot ICT-problemen gaan leiden.

Bij de overdrachtsbelasting wordt een dermate groot verschil tussen de tarieven gecreëerd dat te verwachten is dat hier misbruik van gemaakt gaat worden. Helemaal omdat de Belastingdienst de eerste jaren, want de benodigde wijzigingen aan de ICT-systemen zijn pas over twee jaar gereed, alleen maar handmatig en steekproefsgewijs kan controleren. Een groot financieel belang ophangen aan een verklaring van de betaler die door de Belastingdienst niet heel goed kan worden gecontroleerd, is vragen om moeilijkheden.

Ook de eenmalige huurverlaging is in de uitvoering problematisch, omdat hiervoor heel veel inkomensverklaringen van de Belastingdienst benodigd zijn en als deze verklaring niet kan worden afgegeven moeten de individuele bewijsstukken van de huurder door de woningbouwcorporatie worden beoordeeld. Hoewel de wet effectief is in het aanpakken van «duur scheefwonen» is het risico dat het voorstel vanaf 2022 juist leidt tot een toename van «goedkoop scheefwonen».

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom er in het gehele pakket aan wetgeving niet meer aandacht is voor complexiteitsreductie en het voorkomen van uitvoeringsproblemen in de toekomst.

De leden van de fractie van D66 lezen dat de regering met het Klimaatakkoord zich ten doel heeft gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Deze leden vragen hoe het kan dat Nederland nog steeds meer dan 4 miljard euro stopt in fiscale subsidies voor fossiele brandstoffen. De leden van de fractie van D66 vragen wat het budgettaire beslag is van de vrijstelling gebruik van aardgas en kolen voor elektriciteitsopwekking, de raffinaderijvrijstelling en de afwijkende belastingtarieven tussen diesel en benzine in combinatie met afwijkende belastingtarieven tussen benzine- en dieselauto’s in de autobelastingen.

2. Samenstelling pakket Belastingplan 2021

De leden van de VVD-fractie vragen naar de omvang van dit Belastingplan in vergelijking met voorgaande belastingplannen. Hoeveel wetswijzigingen of maatregelen bevat dit Belastingplan? Hoeveel waren dat er in de voorgaande tien jaar? Uit hoeveel wetten bestonden die laatste tien belastingplannen? Hoeveel fiscale wetswijzigingen zijn er in de totaal de afgelopen tien jaar doorgevoerd? Kan dit per jaar gegeven worden?

De leden van de fractie van 50PLUS zijn blij met de gerichte huurverlaging voor de doelgroep. Op welke wijze is de genoemde verlaging van de verhuurderheffing afgestemd op de genoemde taakverzwaring voor corporaties? Klopt het dat deze verlaging van de verhuurderheffing niets bijdraagt aan een verhoging van de investeringscapaciteit van woningcorporaties maar de investeringscapaciteit juist verder onder druk zet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de veeteelt een sector is waar zich groot marktfalen manifesteert. De externe effecten, zoals de kosten van dierenleed, milieuvervuiling en gezondheidsrisico’s (waaronder zoönosen), zijn niet bij de prijs in begrepen. Door allerlei achterhaalde landbouwsubsidies wordt de prijs van vlees extra laag gehouden. Ondertussen wordt de vraag naar vlees juist kunstmatig hoog gehouden. Hier wordt zelfs misleidende marketing voor ingezet. De vervuiler betaalt niet, de gebruiker betaalt niet – de werkelijke kosten worden afgewenteld op de samenleving als geheel. Op welke manieren manifesteert zich hier marktfalen volgens de regering? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat dit kabinet vaak optreedt als marktmeester. Op welke manieren zou dit kabinet als marktmeester dit marktfalen kunnen aanpakken?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het Belastingplan 2021 het moment was om een belasting in de vleesketen te introduceren. Dit zou de vraag naar vlees terugdringen, waardoor er minder dieren hoeven te worden gehouden en er meer stikstofruimte vrijkomt voor de woningnood. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien het Belastingplan 2021 als een gemiste kans en bereiden zelf een belasting in de vleesketen voor.

3. Opzet algemeen deel

4. Inkomensbeleid

De leden van de VVD-fractie benadrukken het belang van een goed en evenwichtig inkomensbeleid, zeker nu de onzekerheid vanwege de economische crisis al zo groot is. De leden vragen naar een uitsplitsing van alle beleidsmutaties in het inkomstenbelasting (IB)-tarief voor het aankomende jaar. Kan dit zowel in percentage van het IB-tarief als in budgettaire omvang gegeven worden?

De leden van de VVD-fractie vragen naar het IB-tarief bij ongewijzigd beleid voor de komende vijf jaar. Zij vragen hetzelfde voor het verloop van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de omvang van de ouderenkorting sinds de ouderenkorting ingevoerd is.

De leden van de VVD-fractie vragen naar het precieze effect van een schuif tussen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Wat is het koopkrachteffect hiervan? Wat is het koopkrachteffect van een generieke schuif tussen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting van 1 miljard euro, en vice versa?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de mutaties in het IB-tarief vanwege de anders dan geraamde zorgpremie. Kunnen deze mutaties in het IB-tarief (zowel in percentagewijziging van het tarief als in budgettaire omvang) van de laatste tien jaar gegeven worden? Is de regering het met de VVD-fractie eens dat mutaties in het IB-tarief vanwege de wijzigende zorgpremie zo veel mogelijk beperkt zouden moeten blijven? Welke stappen worden hiervoor gezet?

De leden van de VVD-fractie vragen naar het effect van een schuif tussen de zelfstandigenaftrek en de arbeidskorting. Wat zijn de kosten om de arbeidskorting te laten stijgen zodat een verlaging van de zelfstandigenaftrek met 100 euro volledig gecompenseerd wordt?

De leden van de VVD-fractie vragen of de onderliggende kosten binnen de set maatregelen rond de zelfstandigenaftrek gegeven kunnen worden. Hoeveel kost het om de zelfstandigenaftrek over een jaar langer af te bouwen?

De leden vragen hoeveel IB-ondernemers er zijn in Nederland. Hoe is de groep IB-ondernemers opgebouwd in aantal zelfstandigen, kleinere ondernemers, mkb en groot bedrijfsleven? Hoeveel IB-ondernemers hebben te maken met de zelfstandigenaftrek?

De leden van de VVD-fractie vragen naar het effect van de afbouw van de zelfstandigenaftrek voor de komende vijf jaar rekening houdend met de verlaging IB-tarief en verhoging arbeidskorting.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de mogelijkheid van gedragseffecten benoemd wordt. Welke mogelijke gedragseffecten ziet de regering in met deze tariefmaatregelen?

De leden van de VVD-fractie vragen of de veranderingen in de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) effect hebben op het structurele arbeidsaanbod, en zo ja, hoeveel. De leden van de VVD-fractie vragen waarom deze reparatie gedekt is binnen de IACK, en niet generaal of bijvoorbeeld binnen de algemene heffingskorting. Deze leden vragen naar de kosten en de effecten hiervan.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de precieze systematiek achter de tabelcorrectiefactor. Hoe wordt deze factor bepaald? Wat zijn het effect en de kosten als deze tabelcorrectiefactor verhoogd of verlaagd wordt?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de koppeling tussen de arbeidskorting en het wettelijk minimumloon. Waarom is er sprake van een koppeling? Hoe ligt deze koppeling vast? Wat zouden de effecten zijn als deze koppeling wordt losgelaten?

De leden vragen naar de belastingdruk voor de verschillen typen ondernemers. Welk effect heeft de reeds vorig jaar aangekondigde verlaging van het lage vennootschapsbelasting (vpb)-tarief en de maatregelen voorgesteld in dit Belastingplan op de belastingdruk voor ondernemers in de verschillende categorieën (IB en vpb)? Is er gekozen voor een monitoring en evaluatie van deze belastingdruk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe ziet deze monitoring en evaluatie eruit en wanneer is de regering voornemens deze met de Kamer te delen?

De leden van de CDA-fractie achten het positief dat de ouderenkorting wordt verhoogd, maar maken zich wel zorgen om verzilveringsproblemen. Hoeveel kortingen worden naar verwachting niet verzilverd in 2021?

De regering geeft aan dat er sprake is van een budgettaire derving naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad waarin geoordeeld is dat co-ouders allebei recht hebben op de IACK, ook wanneer de verdeling anders is dan bij beide ouders minstens drie hele dagen per week. Ter dekking van deze budgettaire derving wordt de IACK structureel met 36 euro verlaagd en eenmalig met 77 euro. De leden van de CDA-fractie begrijpen eigenlijk totaal niet waarom co-ouders in de huidige regeling allebei recht hebben op de IACK wanneer de kinderen bij allebei drie dagen wonen. De IACK is bedoeld voor de minstverdienende partner, wanneer het kind ingeschreven staat op hetzelfde woonadres als de ouder en dus voor één ouder per gezin. Het is al erg genoeg dat gescheiden ouders met meerdere kinderen de kinderen vaak «kruislings inschrijven» om zo dubbel te profiteren van de IACK, maar de regering heeft dit blijkbaar ook mogelijk gemaakt voor gescheiden ouders met één kind, zolang maar sprake is van co-ouderschap. Nu zijn de leden van de CDA-fractie al heel lang van mening dat de IACK veel te vaak is opgehoogd en daardoor leidt tot een veel te groot verschil in belastingdruk tussen één- en tweeverdieners. De éénverdiener krijgt immers geen IACK, omdat niet beide ouders werken. Dat is maar een van de factoren, want het gezin van de eenverdiener heeft maar één keer recht op de arbeidskorting, die meestal ook lager is, heeft minder algemene heffingskorting en heeft een hogere marginale druk. De leden van de CDA-fractie zijn daarom blij dat er een commissie komt de naar de draagkracht binnen het fiscale stelsel gaat kijken.

Van een verlaging van de IACK liggen de leden van de CDA-fractie dus niet wakker, maar principieel achten zij het niet rechtvaardig dat de IACK van gezinnen wordt verlaagd om meer gescheiden ouders dubbele IACK te geven. De regering verhoogt hiermee de fiscale bonus die bestaat op het uit elkaar gaan van ouders met kinderen. De leden van de CDA-fractie begrijpen niet waarom het arrest van de Hoge Raad voor de regering geen aanleiding geweest is om de dubbele IACK voor co-ouders af te schaffen. Is de regering bereid dit alsnog te doen, ook in het geval van «kruislings inschrijven», zodat alle ouders die beiden werken recht hebben op eenmaal de IACK en de IACK nog steeds te hoog, maar in ieder geval iets rechtvaardiger is?

De leden van de fractie van D66 vragen naar de marginale belastingdruk van alleenstaande werknemers en zelfstandigen met inbegrip van de in dit pakket opgenomen maatregelen.

De leden van de fractie van D66 vragen of kan worden weergegeven wat de effecten zijn op het bruto en netto-inkomen van een zzp’er, directeur-grootaandeelhouder (dga), en werknemer in 2021, en structureel wanneer de zelfstandigenaftrek afgebouwd is. Ook vragen deze leden wat het fiscaal evenwicht is van de belastingdruk van een zzp’er die wordt belast in de inkomstenbelasting en de belastingdruk van een dga.

Daarnaast vragen deze leden of kan worden weergegeven hoe deze marginale druk is veranderd ten opzichte van de marginale druk van vorig jaar. De leden van de fractie van D66 vinden het belangrijk dat mensen vooraf inzichtelijk kunnen maken voor zichzelf hoeveel belasting ze (meer) moeten betalen als zij meer gaan werken. De leden van de fractie van D66 vragen om die reden of de regering een tarieftabel kan publiceren waaruit dat eenvoudig kan worden afgelezen en waarbij verschillende kortingen bij elkaar genomen worden.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe ook de brede welvaart kan worden gemeten, naast de koopkrachteffecten van de voorgestelde maatregelen. De leden van de fractie van D66 vragen wat de lastenontwikkeling van burgers en bedrijven is als gevolg van dit wetsvoorstel.

De leden van de fractie van D66 vragen wat voor effect de verschillende maatregelen hebben op het globale evenwicht (ondernemers in box 1 en in de vpb). De leden van de fractie van D66 vragen of een geactualiseerde stand van het lastenbeeld voor bedrijven en burgers kan worden gegeven alsmede de ontwikkeling hiervan gedurende de totale kabinetsperiode.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de budgettaire gevolgen als de verliesverrekening in box 1 en box 2 als volgt wordt gewijzigd: zes jaar voorwaartse verliesverrekening, nul jaar achterwaarts.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting verhoogd wordt met 0,06% als compensatie voor lagere zorgpremies. Deze leden vragen de regering om een nadere toelichting op deze verhoging, gezien het feit dat de zorgpremie met 62 euro per jaar omhoog gaat.

Deze leden constateren dat de algemene heffingskorting licht verhoogd wordt maar zien tegelijkertijd dat de arbeidskorting veel sterker wordt verhoogd. Zij vragen de regering, zeker nu veel meer mensen in een onzekere positie komen te zitten, waarom er opnieuw voor wordt gekozen om degenen die werk behouden sterker te bevoordelen dan degenen die al dan niet als gevolg van de coronacrisis niet in staat zijn om te werken. Zij constateren dat vele sectoren onmogelijk kunnen blijven draaien in deze tijd en vinden deze bevoordeling van werkenden ten opzichte van mensen die afhankelijk worden of zijn geworden van een uitkering zeer onbehoorlijk en vragen de regering de verhoudingen tussen stijging van de arbeidskorting en algemene heffingskorting om te keren. Dit is niet alleen rechtvaardiger, maar ook in macro-economische zin verstandiger om de binnenlandse bestedingen op peil te houden.

De leden van de SP-fractie zijn verbaasd over de verlaging van de IACK vanwege een eenmalige budgettaire derving die in 2022 niet eens volledig gecompenseerd gaat worden. Deze leden achten het wenselijker dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en stellen voor om de IACK-verlaging, die voor vele ouders rampzalig uit zal pakken, terug te draaien en in plaats hiervan de tweede schijf van de inkomstenbelasting te verhogen ter dekking van de budgettaire derving ten gevolge van het arrest van de Hoge Raad voor co-ouders die beiden recht krijgen op de IACK.

De leden van de SP-fractie vinden het een goede ontwikkeling dat inkomsten uit aanmerkelijk belang hoger worden belast dan voorheen, maar constateren dat er nog steeds een groot gat zit tussen werknemers en mensen die hun geld verdienen door bezit te hebben. Waarom is er nog altijd zo’n ongelijke behandeling tussen degenen die geld onttrekken aan bedrijven door winst uit te keren aan zichzelf en mensen die het werk echt verrichten, vragen deze leden. Zij verzoeken de regering om de tarieven uit de inkomstenbelasting tevens van toepassing te maken op aanmerkelijk belang.

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven dat de statische koopkrachtplaatjes van dit jaar minder waarde hebben dan andere jaren. Niettemin zeggen de koopkrachtcijfers wel iets over de ontwikkeling van de koopkracht, en hebben besluiten aangaande koopkracht effect op levens van mensen. Kan de regering de cumulatieve koopkrachtontwikkeling voor alle groepen over de kabinetsperiode toesturen, uitgesplitst in de gebruikelijke categorieën? De leden van de PvdA-fractie constateren dat deze regering er in de gehele periode voor heeft gekozen niet-werkenden op achterstand te zetten ten opzichte van werkenden. Klopt dat en waarom is daarvoor gekozen? Wat heeft dit beleid voor gevolgen voor de relatieve koopkracht van niet-werkenden?

De leden van de SGP-fractie constateren dat zowel de arbeidskorting als de algemene heffingskorting worden verhoogd. Wat is het doel van deze verhoging, en hoe effectief acht de regering deze verhoging? Hoe rijmt de regering deze verhoging met knelpunten die in het rapport «Bouwstenen voor een beter belastingstelsel» beschreven worden, zoals «het stelsel raakt uitgewerkt» en de «effectiviteit van nationale belastingheffing neemt af»?

Kan de regering nader ingaan op het effect van de verhoging van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting op de marginale druk, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

De leden van de fractie van 50PLUS merken op dat de keuze om de arbeidskorting sneller te verhogen dan andere kortingen waaronder de ouderenkorting een staande praktijk is geworden. Tevens concluderen de leden dat ook de verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (bijdrage Zvw) wordt gebruikt om het voordeel van het verlaagde tarief in de eerste schijf, voor gepensioneerden weer af te romen.

De leden wijzen ook graag op de doorrekening van het fiscale plan van 50PLUS, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt in belastingkorting voor verschillende bevolkingsgroepen zoals nu het geval is. De CPB-doorrekening laat zien dat een grote meerderheid van de bevolking daar evenwichtig op vooruit kan gaan, waarmee volgens 50PLUS is aangetoond dat er geen steekhoudende redenen zijn om op lange termijn verder te gaan met de «fiscale discriminatie» via kortingen, zoals in het huidige stelsel.

5. Lagere bijtelling voor elektrische auto met zonnepanelen

De leden van de VVD-fractie vragen naar de laatste marktontwikkelingen in de markt voor elektrische auto’s. Hoeveel elektrische voertuigen (EV’s) worden er verkocht? Hoeveel was dit geweest zonder stimulering? Hoeveel worden er verkocht boven de «cap» en hoeveel eronder? Wat is de prijsgevoeligheid (casu quo prijselasticiteit) van verschillende elektrische auto’s?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de systematiek van hand-aan-de-kraan (HADK). Hoe functioneert HADK nu? Hoe worden de genomen maatregelen getoetst aan HADK? Waarom lezen de leden hier niks over in het voorliggende wetsvoorstel? Hoe wordt overstimulering voorkomen? De leden verwijzen naar het verschil van inzicht tussen de Algemene Rekenkamer en het kabinet zoals blijkt uit de schriftelijke vragen van de leden Lodders en Remco Dijkstra1. Klopt de conclusie dat de regering het Rekenkamerrapport «Autobelastingen als Beleidsinstrument» beoordeelt als een onvolledig rapport afgaande op onjuiste aannames? De leden vragen de regering deze vraag met een «ja» of «nee» te beantwoorden. De leden vragen waar het verschil in gebruikte gegevens tussen het kabinet en de Rekenkamer vandaan komt.

De leden vragen wat de verwachting is van het aantal zonnecelauto’s die de komende vijf jaar op de markt gebracht zal worden. Wat is de verwachte catalogusprijs van de verschillende zonnecelauto’s? Wat is de verwachte catalogusprijs voor op waterstof gedreven auto’s en hoeveel waterstofauto’s komen er naar verwachting op de markt in de komende vijf jaar?

De leden van de PVV-fractie vragen welke overwegingen er bij de regering aan ten grondslag liggen om milieugerelateerde doelstellingen te codificeren in de fiscale maatregel omtrent bijtelling voor privégebruik. Kan de regering aan deze leden nader toelichten waarom fiscale stimuleringsmaatregelen niet worden ondergebracht in eigen (fiscale) wetgeving omtrent uitstoot van emissies?

Kan de regering aangeven in hoeverre elektrische, waterstof- en/of zonnecelauto’s al dan niet milieuvriendelijker zijn van cradle to grave (van delven grondstoffen tot en met het ontmantelen/recyclen van oude accu’s) ten opzichte van conventionele (benzine-/diesel-/gas-)auto’s?

Indien elektrische dan wel waterstof- dan wel zonnepaneelaangedreven auto’s milieuvriendelijker blijken te zijn, vanaf welk punt in de (economische) levensduur van de auto geldt dat dan?

De leden van de CDA-fractie vinden het zeer terecht dat de fiscale subsidie voor elektrische auto’s in stappen wordt afgebouwd. Niet omdat het niet nodig is om het wagenpark duurzamer te maken, maar omdat het totaal geen zin heeft om de vraag te stimuleren in een markt waar er te weinig aanbod is.

De leden van de CDA-fractie achten het meer kansrijk om in te zetten op nieuwe technologie, maar dan komt het wel neer op de uitvoering. Deze leden vragen de regering naar de precieze definitie van een zonnecelauto, want het komt de transparantie van wetgeving niet ten goede als voor de definitie verwezen wordt naar andere wetten en besluiten. Dat deze definitie per besluit gewijzigd kan worden, komt de rechtszekerheid vervolgens niet ten goede. Bij autobelastingen wordt immers gepoogd om de koper van een auto enige jaren zekerheid te geven over de fiscale subsidie. De leden van de CDA-fractie vrezen echter het meest voor misbruik op dit punt. Is het niet heel gemakkelijk voor een dealer om een elektrische auto zo aan te passen dat er een zonnepaneel op het dak ligt? Is het beplakken van de auto met zonnepaneelfolie, dat slechts een paar duizend euro kost, voldoende? Bij een dure auto van 100.000 euro is het voordeel jaarlijks 6.000 euro, nog los van eventuele voordelen van de milieu-investeringsaftrek. Dat is genoeg om de creativiteit van de markt aan te wakkeren. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie hoe voorkomen wordt dat de markt met relatief simpele aanpassingen na productie onder de definitie van zonnecelauto kan komen. Op welke wijze gaat de Belastingdienst dit monitoren?

De leden van de fractie van D66 vragen of de definitie van een zonnecelauto nu voldoende is om alle typen zonnecelauto’s te ondervangen. Tevens vragen deze leden hoe kan worden omgegaan met nieuwe, schone technologieën die niet onder deze definitie vallen, maar waarvan het wel wenselijk is dat voor die technologieën een korting van toepassing is.

De leden van de fractie van D66 vragen of bij de evaluatie van het stimuleren van elektrische voertuigen ook aandacht kan worden besteed aan investeringszekerheid voor eigenaren van de laadinfrastructuur en eigenaren van de voertuigen.

De leden van de fractie van D66 vragen tevens waarom zzp’ers met zonnepanelen in privébezit niet een forfait kunnen toepassen net als particulieren met zonnepanelen. Waarom worden deze groepen verschillend behandeld?

De leden van de SP-fractie maken op uit de memorie van toelichting dat opnieuw een laag bijtellingstarief zonder maximering van de cataloguswaarde wordt gecreëerd voor auto’s die, gezien het feit dat deze nog moeten ontwikkeld, vooral gekocht gaan worden door de hoogste inkomens, net als met de Teslasubsidie is gebeurd. Zij vragen de regering naar de beleidsanalyse die hieraan ten grondslag ligt, welke automerken van plan zijn auto’s met zonnepanelen te ontwikkelen en binnen welke prijscategorieën deze zullen vallen. Voorts vragen zij of de lage bijtelling voor waterstofauto’s daadwerkelijk heeft geleid tot aankoop van waterstofauto’s van bijvoorbeeld de ruim 80.000 euro kostende Hyundai Nexo en of dit daadwerkelijk tot een daling van emissies heeft geleid. De leden van de SP-fractie vragen de regering voorts waarom zij ervoor kiest om de fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord niet aan te grijpen voor inkomensherverdeling door enkel degenen met de hoogste inkomens, en daarmee de grootste werkkostenregeling, te sponsoren. Welke risico’s ziet de regering op eenzelfde fiasco als bij de hybrideauto’s die uiteindelijk voornamelijk diesel reden en op grote schaal wegens alle belastingvoordeeltjes met winst zijn verkocht in Noorwegen?

De leden van de PvdA-fractie vragen welke elektrische auto’s met zonnepanelen er reeds op de markt zijn dan wel spoedig verkrijgbaar zijn. Welk gewicht hebben deze auto’s en kunnen deze zelfstandig, zonder hulp van batterij of verbrandingsmotor opereren? Waarom kiest de regering ervoor auto’s op waterstof en zonnepanelen zo sterk te stimuleren, terwijl voor meer kansrijke en ontwikkelde technologieën de stimulering wordt afgebouwd? Deelt de regering de mening dat een kleine efficiënte uitstootloze auto beter is voor het milieu en het klimaat dan een grote zware auto?

6. Aanpassen zelfstandigenaftrek

De leden van de VVD-fractie vragen naar de omvang van de «reservering», volgend uit de besluitvorming van Belastingplan 2020. Hoe groot is deze reservering nu? Hoeveel is hij de komende jaren? Waarom is deze reservering niet ingezet bij de zelfstandigenaftrek die verder beperkt wordt? Wordt deze reservering verder aangevuld naar aanleiding van deze verdere stap?

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt met de opbrengst van de beperking van de zelfstandigenaftrek na 2024.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de macro-economische effecten van deze beperking. Hoeveel zzp’ers verwacht de regering dat er minder zullen zijn door deze maatregelen of zullen omschakelen naar andere vormen van werknemerschap of ondernemerschap?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe voorkomen wordt dat zzp’ers «door het ijs zullen zakken» door deze maatregel.

Kan de regering haar overwegingen delen met de PVV-fractie die hebben geleid tot het verkleinen van het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen?

Kan de regering aan de PVV-fractie aangeven in hoeverre zij heeft onderzocht of zelfstandigen door deze maatregel zullen kiezen voor ondernemerschap vanuit een rechtsvorm dan wel voor een dienstbetrekking? Kan de regering, indien van toepassing, daarbij tevens de budgettaire effecten weergeven?

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de afbouw van de zelfstandigenaftrek noodzakelijk is om een begin te maken met de aanpak van schijnzelfstandigheid. Zij begrijpen dat de maatregel niet leuk is voor ondernemers en achten het dan ook positief dat de regering er door een verlaging van het tarief in de eerste schijf voor gezorgd heeft dat zelfstandigen er in absolute zin gemiddeld niet op achteruit gaan.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat er fundamenteler gekeken zou moeten worden wat er aan het ondernemerschap gestimuleerd zou moeten worden. Het palet aan zelfstandig ondernemers is nu compleet anders dan ten tijde van de invoering van de zelfstandigenaftrek. Toen de zelfstandigenaftrek in 1971 werd ingevoerd was deze gekoppeld het feit dat zelfstandigen investeringen doen. De leden van de CDA-fractie merken op dat er een groot verschil is tussen zzp’ers die lijken op een werknemer, maar dan met flexibele werktijden, en zelfstandig ondernemers die enorme investeringen gedaan hebben in hun bedrijf of die personeel in dienst hebben. Ziet de regering mogelijkheden om de stimulering van zelfstandig ondernemerschap meer te focussen op deze voordelen voor de samenleving door investeringen en werkgelegenheid? Hetzelfde zien deze leden voor de startersaftrek. In het verleden was een onderneming starten een risicovolle aangelegenheid vanwege de benodigde investeringen. Momenteel zijn voor veel startende ondernemers die risico’s veel kleiner, want met nauwelijks investeringen kun je al een webshop beginnen. Heeft de regering ook gekeken naar de rechtvaardiging voor een startersaftrek? Waarom wordt de zelfstandigenaftrek wel afgebouwd, maar de startersaftrek niet? Welke rol speelt de startersaftrek bij schijnzelfstandigheid, nu bij schijnzelfstandigheid eigenlijk sprake is van een verkapte dienstbetrekking, maar dit zo kan worden vormgegeven dat meerdere malen gebruik kan worden gemaakt van de startersaftrek?

Verder vragen de leden van de CDA-fractie naar aanleiding van de opmerking daarover in de memorie van toelichting voor welke groep zelfstandigen de voorgestelde wijziging wel leidt tot negatieve inkomenseffecten.

De leden van de fractie van D66 lezen dat voor een overgroot deel van de zelfstandigen het aanpassen van de zelfstandigenaftrek niet leidt tot negatieve inkomenseffecten. Deze leden vragen voor welke groep zelfstandigen dit wel het geval is, hoe groot die groep is en hoe groot dat negatieve inkomenseffect is. De leden van de fractie van D66 vragen of de aanpassing invloed kan hebben op de gekozen rechtsvorm voor ondernemers. De leden van de fractie van D66 vragen tevens welk effect de voorgestelde aanpassing van de zelfstandigenaftrek heeft op de omvang van de groep schijnzelfstandigen.

De leden van de fractie van D66 vragen of klopt dat accountants geen pensioenverklaring mogen afgeven aan gepensioneerden over hun pensioen uit een pensioen-bv en zo ja, wat de reden daartoe is. Tevens vragen deze leden of het klopt dat arbeidsinkomen van een ondernemer na pensioendatum niet meer wordt meegerekend na pensioendatum en wat de achtergrond daarvan is.

De leden van de SP-fractie vinden het terecht dat de bevoordeling van zelfstandigen zonder personeel ten opzichte van werknemers wordt afgebouwd. Tegelijkertijd constateren zij wel dat het lage tarief in de vennootschapsbelasting daalt en het tarief op inkomen uit aanmerkelijk belang nog bepaald niet in de buurt komt van de tarieven in de inkomstenbelasting gelden. Deze leden constateren dat, terwijl de verlaging van de zelfstandigenaftrek onder het mom van een gelijk speelveld wordt doorgevoerd, er hierdoor tegelijkertijd een ongelijker speelveld wordt gemaakt tussen kleine ondernemers die aangifte in de inkomstenbelasting doen en ondernemers die een vennootschap hebben en daar allerlei belastingvoordeeltjes uit halen door de talrijke aftrekposten in het belastingstelsel. Zij constateren dat de regering bezit blijft bevoordelen en vragen de regering om een redenering waarom van degenen die geld verdienen door bezit te hebben een lagere bijdrage aan de samenleving wordt gevraagd.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de zelfstandigenaftrek verder wordt afgebouwd. Zo wordt het verschil in fiscale behandeling met werknemers kleiner, en de leden van de PvdA-fractie steunen deze beweging. Waarom kiest de regering er niet voor zelfstandigen ook meer zekerheden te bieden, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenopbouw?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met instemming geconstateerd dat de regering verder inzet op het verkleinen van de (fiscale) verschillen tussen zzp’ers en werknemers. Zo stelt de regering voor om – in lijn met de commissie-Borstlap – de afbouw van de zelfstandigenaftrek te versnellen. Als compensatie wordt hiervoor het nog verder verhogen van de arbeidskorting aangedragen. Echter, dit is in de ogen van deze leden een weinig gerichte maatregel die bovendien de kloof met andere groepen vergroot, zoals de gezinnen met één inkomen. Waarom kiest de regering niettemin toch opnieuw voor het verder verhogen van de arbeidskorting om zelfstandigen tegemoet te komen? Het kan wat deze leden betreft niet de bedoeling zijn om de ene fiscale kloof (tussen zelfstandige en werknemer) te verkleinen door andere kloven te verhogen middels een verdere verhoging van de arbeidskorting.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering voornemens is de zelfstandigenaftrek te verlagen, om het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen. Niet alleen zelfstandigen zonder personeel, maar ook kleine ondernemers met personeel, zoals eenmanszaken met werknemers in dienst, kunnen gebruik maken van de zelfstandigenaftrek. Ook zij worden geraakt door de verlaging van de zelfstandigenaftrek, terwijl het doel van de verlaging «het verkleinen van het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen» is. Kan de regering nader ingaan op de gevolgen van de verlaging van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers met personeel? Zijn de negatieve gevolgen voor hen in kaart gebracht en hoe worden deze gemitigeerd?

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de timing van de verlaging van de zelfstandigenaftrek. Als gevolg van de coronacrisis is de financiële positie juist van zelfstandigen over het algemeen verslechterd. Acht de regering het verstandig om juist nu de aftrek sneller af te bouwen? Welke overwegingen ten aanzien van de coronacrisis hebben daarbij een rol gespeeld?

Tevens vragen de leden van de SGP-fractie waarom de regering er niet voor kiest om met een breder maatregelenpakket ten aanzien van zelfstandigen te komen, als reactie op bijvoorbeeld het rapport van de commissie Regulering van Werk. Welke overweging hebben geleid tot het besluit om juist nu de aftrek verder dan voorzien was te verlagen?

Erkent de regering dat het koopkrachtvoordeel van zelfstandigen als gevolg van de verhoging van de arbeidskorting grotendeels weer wordt afgeroomd door de verlaging van de zelfstandigenaftrek? De leden van de fractie van 50PLUS merken op dat hiermee veel hardwerkende zzp’ers die zwaar zijn getroffen door de coronacrisis, een dik verdiend voordeel wordt ontnomen, terwijl werknemers met vaste contracten wél een volledig voordeel wordt toegeschoven. Vindt de regering dat gepast op dit moment? Wordt de ongelijkheid hiermee niet verder vergroot, mede in het licht van de gevolgen die de coronacrisis heeft, vooral voor zelfstandigen met lage en middeninkomens?

7. Invoeren van een vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten (COVID-19)

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel ondernemers hiervan gebruik hebben gemaakt. Zij vragen daarnaast hoeveel meer belasting ondernemers naar verwachting hadden moeten betalen als er geen vrijstelling was geweest.

De leden van de CDA-fractie achten het goed om eenmalig de crisistegemoetkomingen buiten de heffing te plaatsen, zowel voor IB- als vpb-ondernemers, en zowel voor Nederlandse ondernemers als voor ondernemers in het Caribisch gebied. Wel vragen deze leden zich af of dit geen precedent schept voor andere subsidies, omdat in het huidige systeem van de wet in principe subsidies tot de belastbare inkomsten worden gerekend.

De leden van de fractie van D66 vragen op basis van welke juridische afweging bepaalde spoedmaatregelen vanwege COVID-19 wel en welke niet zijn vastgelegd in wetgeving.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren en de Subsidie vaste lasten worden vrijgesteld van belastingheffing, gezien het feit dat deze bijzondere tegemoetkomingen in hun aard vergelijkbaar zijn met regelingen als de Tijdelijke overbruggingsregeling flexibele arbeidskrachten. Waarom moeten bedrijven naar de mening van de regering opnieuw anders worden behandeld dan gewone burgers en hoeven zij geen vennootschapsbelasting te betalen als zij in 2020 wel winst hebben gemaakt? Het verbaast deze leden daarnaast dat deze uitzonderingen voor het bedrijfsleven met groot gemak lijken te kunnen worden gecreëerd terwijl dit voor bijvoorbeeld letselschadevergoedingen telkens weer onmogelijk blijkt. Zij vragen de regering om een toelichting op het verschil tussen deze twee zaken waardoor het één een niet noemenswaardige complexiteit heeft binnen de uitvoering terwijl het ander telkens weer onmogelijk blijkt.

De leden van de PvdA-fractie steunen de vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten. Het zou onwenselijk zijn als een deel van de steun weer terug zou moeten worden betaald in de vorm van winstbelasting. Bovendien zou dit leiden tot verschillende uitkomsten tussen bedrijven. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe NOW-steun fiscaal wordt behandeld, zowel in de winstbelasting als in de loonbelasting. Zijn daar knelpunten en is de fiscale behandeling voor alle betrokkenen voldoende duidelijk?

8. Fiscale behandeling Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 voor niet-werknemers

De leden van de VVD-fractie lezen over de zorgbonus voor werknemers en niet-werknemers. De leden zijn verheugd te lezen dat de regering werk maakt van een zo eenvoudig mogelijke regeling voor zelfstandigen en ingehuurde medewerkers in de zorg zodat de bonus geen onderdeel maakt van het belastbaar inkomen of belastbare winst. Ook waarderen zij de inzet om deze regeling met terugwerkende kracht uit te voeren. De leden merken op dat vooruitlopen op de vaststelling van de Wet Belastingplan geen gebruikelijke route is maar spreekt op dit onderdeel haar steun uit. De leden maken zich wel zorgen over de communicatie hierover. Welke stappen heeft het kabinet gezet om zorginstellingen en/of ondernemers en medewerkers (niet zijnde werknemers) over deze mogelijkheid te berichten? Wanneer verwacht het kabinet dat deze regeling is afgerond? Is het kabinet bereid de Kamer over de voortgang van deze regeling periodiek te informeren?

De leden lezen voorts dat de bonussen worden aangemerkt als eindheffingsbestanddeel en dat deze worden ondergebracht in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR). De leden weten dat de WKR-ruimte voor ondernemers is verruimd, maar kan deze verruiming ook uitgaven in de zorgbonus opvangen? Hoe wordt geborgd dat een ondernemer door uitgifte zorgbonus niet buiten de vrije ruimte valt van de WKR en evengoed een eindheffing krijgt? Waarom is de zorgbonus niet ondergebracht als gerichte vrijstelling onder de WKR?

Kan de regering aan de PVV-fractie nader toelichten hoe de compensatie exact werkt indien de werkgever niet beschikt over voldoende vrije ruimte onder de werkkostenregeling?

Kan de regering aan de PVV-fractie nader toelichten welke overwegingen eraan ten grondslag lagen om de zorgbonus onder te brengen bij de vrije ruimte in de werkkostenregeling in tegenstelling tot de zorgbonus aan te wijzen als (tijdelijke) gerichte vrijstelling?

De PVV-fractie verzoekt de regering nader in te gaan op de overwegingen die eraan ten grondslag liggen om het toekennen van een zorgbonus aan een zorgprofessional de verantwoordelijkheid te maken van de zorginstelling.

Kan de regering aan de PVV-fractie aangeven op grond van welke overwegingen een aanvraag voor een zorgbonus door een zorginstelling al dan niet wordt toegekend?

Kan de regering aan de PVV-fractie aangeven of er bezwaar- en/of beroepsmogelijkheden openstaan voor de zorginstellingen die een aanvraag voor een zorgbonus indienen?

Kan de regering aan de PVV-fractie aangeven of er bezwaar- en/of beroepsmogelijkheden openstaan voor de zorgprofessional indien de zorginstelling ervoor kiest om geen aanvraag voor een zorgbonus voor de desbetreffende zorgprofessional in te dienen?

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat de regering de nodige creativiteit getoond heeft om een onbelaste zorgbonus te kunnen geven. De werkkostenregeling was ooit bedoeld om verstrekkingen van de werkgever, die door werknemer en werkgever niet of maar gedeeltelijk gezien worden als loon, vrij te stellen. Bij de invoering van de werkkostenregeling waren de leden van de CDA-fractie al beducht voor de mogelijkheid om bonussen onbelast uit te keren via de werkkostenregeling. Nu blijkt dat de regering zelf graag gebruik maakt van die mogelijkheid. Deze leden begrijpen heel goed dat een wereldwijde pandemie een zeer uitzonderlijke situatie is. Maar toch zijn zij van mening dat dit wel laat zien dat de marginale druk zulke grenswaarden heeft bereikt, dat zelfs de overheid bijzondere paden bewandelt om maar onder die marginale druk uit te komen. Als de zorgbonus immers gewoon belast loon was geweest, was er in de meeste gevallen na belastingen en toeslagen nauwelijks iets van over gebleven. De leden van de CDA-fractie vragen de regering daarom te bevestigen dat de marginale druk echt omlaag moet, zodat niet alleen werken loont, maar ook extra werken gaat lonen.

De leden van de CDA-fractie vragen met betrekking tot de zorgbonus aan niet-werknemers, zijnde extern ingehuurd personeel zoals schoonmaakpersoneel, hoe de afwikkeling van de zorgbonus precies verloopt. Wie betaalt de uitkering uit aan wie en door wie wordt de bonus in de eindheffing betrokken? Op welke wijze wordt gecontroleerd of zorginstellingen die een aanvraag indienen voor de bonus voor niet-werknemers deze bonus ook aan de niet-werknemers uitbetalen? Door wie wordt de bonus voor zelfstandigen aangevraagd en uitgekeerd? Zijn er zelfstandigen in de zorg die niet in opdracht van een instelling werken? Is het dan wel mogelijk om onder de eindheffing te vallen? Kan de regering aangeven waarom het eindheffingstarief voor werknemers en voor niet-werknemers verschillend is?

De leden van de SP-fractie vragen de regering welke gevolgen het onderbrengen van de zorgbonus in de vrije ruimte van de werkkostenregeling heeft voor werkgevers. In welke mate verwacht de regering dat bijvoorbeeld ziekenhuizen met fiscale problemen komen te zitten als de vrije ruimte binnen de werkkostenregeling al benut is voor andere zaken ten bate van werknemers? Deze leden vragen de regering of deze eventuele fiscale gevolgen naar haar verwachting ook gevolgen gaan hebben voor de toekenning van boni aan werknemers.

De leden van de PvdA-fractie achten het rechtvaardig dat mensen in de zorg die in aanmerking komen voor de zorgbonus niet met fiscale gevolgen worden geconfronteerd. Zij vragen of onderhavige voorgestelde wetgeving gaat gelden voor alle uitkeringen in geldbedragen, ook in de toekomst. Is er een horizonbepaling opgenomen? Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of alle zorgmedewerkers inmiddels de bonus hebben ontvangen. Zo nee, waarom niet en wanneer zal dit gebeuren?

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er fiscale gevolgen kunnen optreden voor werknemers en/of voor niet-werknemers, als de vrije ruimte onder de werkkostenregeling al voor andere doeleinden is aangewend of is ervoor gezorgd dat er in het kader van deze regeling altijd vrije ruimte beschikbaar is?

9. Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (COVID-19)

De leden van de VVD-fractie spreken ook steun uit voor het anticiperen op wetgeving in het geval van de TOFA. De leden vragen naar de voortgang van uitvoering van deze regeling. In de memorie van toelichting lezen deze leden een aantal gevolgen die van toepassing kunnen zijn. Heeft de regering zicht op bijvoorbeeld het aantal bijbetalingen? Is de regering bereid te Kamer periodiek te informeren over de afwikkeling en de stand van zaken?

De leden van de VVD-fractie vragen bij hoeveel mensen de TOFA een effect had op de toeslagen, en hoe hiermee omgegaan is.

Kan de regering aan de PVV-fractie toelichten welke alternatieven er zijn overwogen om (mogelijke) terugbetaling dan wel bijbetaling te voorkomen? Waarom werden die alternatieven niet doelmatig geacht?

De leden van de fractie van D66 vragen wat op dit moment het budgettaire beslag is van de TOZO en de NOW-regeling. De leden van de fractie van D66 vragen of de TOFA ook tijdig bij de doelgroepen is aangekomen die hiervoor in aanmerking komen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de spoedmaatregelen voor de coronacrisis ook geëvalueerd zullen worden.

10. Verruimen gerichte vrijstelling scholingskosten

De leden van de VVD-fractie lezen over het verruimen van gerichte vrijstelling scholingskosten. De verruiming ziet op vergoedingen en verstrekkingen ten aanzien van het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen en niet op vergoedingen en verstrekkingen voor onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden van de dienstbetrekking. De leden vragen hoe het onderscheid hierin tot uiting komt. Op welke manier wordt er gemonitord dat een vergoeding of verstrekking ziet op verwerven van inkomen en niet op cursussen waar een lage baangarantie of kans op werk te verwachten is? Wie ziet hierop toe?

De leden lezen dat de Belastingdienst op eenzelfde manier zal beoordelen of er sprake is van een opleiding of studie die wordt gevolgd met het oog op verwerven van inkomen uit werk en woning. Kan de regering aangeven hoe vaak er de afgelopen vijf jaar, per jaar een beroep op een substantieel scholingsbudget is gedaan? En kan de regering aangeven op welke wijze de Belastingdienst invulling heeft gegeven aan de beoordeling (graag overzicht per jaar) en hoe vaak de Belastingdienst een verzoek heeft afgewezen (graag overzicht per jaar en geïllustreerd met voorbeelden)?

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel volgt uit een verplichting of een keuze is van de regering. Waarom is gekozen voor een dekking vanuit de werkkostenregeling zelf? Wie ondervindt er nadeel van deze schuif? Hoe wordt nadeel voor deze groepen zoveel mogelijk beperkt? Wat is de sleutel bij het verhogen of verlagen van het vrije percentage in de werkkostenregeling? De leden van de VVD-fractie vragen om een opsomming van alle vrijstellingen en nultarieven binnen de WKR.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom deze maatregel niet genomen is als onderdeel van het derde steunpakket.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom dit nieuwe beleid geen horizonbepaling bevat. De leden van de VVD-fractie vragen ook waarom deze maatregel niet tijdelijk genomen is.

De leden van de VVD-fractie vragen om een reactie op de negatieve uitvoeringstoets. Is het wel verstandig om deze maatregel door te voeren gezien de effecten op de Belastingdienst en de handhaafbaarheid?

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om aan te geven of de maatregel het mogelijk maakt dat zowel de voormalige als de nieuwe werkgever een en dezelfde scholingskosten van de werknemer vergoeden.

Kan de regering aangeven aan de leden van de PVV-fractie of zij onderzocht heeft in hoeverre ex-werkgevers bereid zijn om financieel bij te dragen aan de scholingsactiviteiten van ex-werknemers? Indien hier onderzoek naar is gedaan, kan de regering dan dat onderzoek delen?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe lang het scholingsbudget opgespaard mag worden. Deze leden verzoeken de regering om nader toe te lichten of het scholingsbudget als een individueel recht overgedragen kan worden aan een nieuwe werkgever, dan wel aangewend kan worden als zelfstandige. De leden verzoeken de regering tevens om nader toe te lichten welke maatregelen zijn genomen om de uitvoeringslasten voor werkgevers, werknemers en de Belastingdienst zo veel mogelijk te beperken.

De leden van de CDA-fractie achten het zeer positief dat de vrijstelling voor scholingskosten wordt uitgebreid met scholingskosten voor werknemers die weggaan of al zijn weggegaan. Dat maakt het makkelijker voor werkgevers om werknemers te ondersteunen in hun ontwikkeling ten behoeve van hun toekomstige positie op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen zich echter af of het verruimen van de gerichte vrijstelling voldoende is. De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat de Belastingdienst op dezelfde manier zal gaan beoordelen of sprake is van een opleiding of studie die wordt gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. En daarin zien de leden van de CDA-fractie nu net het probleem. Want wie is er fiscaal verantwoordelijk voor de juiste besteding van het opleidingsbudget? Bij werknemers is dat de werkgever en dat is in de uitvoering ook prima, want die betaalt de opleiding of de cursus. Als de werknemer echter uit dienst treedt moet ook de verantwoordelijkheid voor de juiste besteding overgaan van de werkgever naar de (voormalige) werknemer. Er zijn immers maar weinig werkgevers te vinden die verantwoordelijk willen zijn voor de gevolgen van de beslissingen van ex-werknemers. De leden van de CDA-fractie vragen de regering dan ook wat er gebeurt als de ex-werknemer het budget dat hij bij zijn ontslag gekregen heeft, na twee jaar gebruikt voor een privécursus, bijvoorbeeld tuinieren terwijl hij geen hovenier is of wil worden. Is de ex-werkgever dan loonbelasting verschuldigd? Acht de regering dat een rechtvaardige uitwerking? Maakt het daarbij nog uit of de ex-werknemer de cursus twee jaar na einde dienstbetrekking volgt of na tien jaar?

De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat dit probleem wordt opgelost, zodat er in de toekomst meer maatwerk mogelijk is en er projecten kunnen komen waarbij de ex-werknemer niet meer afhankelijk is van toestemming van de ex-werkgever en de ex-werkgever niet het risico loopt aansprakelijk te zijn voor fiscaal onhandige keuzes van de ex-werknemer.

De leden van de fractie van D66 vragen of de vrijstelling voor scholingskosten ook van toepassing is wanneer de scholing is gericht op omscholing naar een andere bedrijfstak. Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen of het klopt dat er geen termijn gekoppeld is aan hoe lang iemand al ex-werknemer is om gebruik te maken van de voorgestelde verruiming. De leden van de fractie van D66 vragen waarom niet nu al gekozen is om voor de gerichte vrijstelling aan te sluiten bij het Stimulering Arbeidsmarkt Positie (STAP)-budget. Deze leden vragen tevens hoeveel het kost om de gerichte vrijstelling te laten aansluiten bij het STAP-budget. Tot slot vragen de leden waarom kosten voor het op peil houden van kennis niet in aanmerking komen voor de gerichte vrijstelling.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom particuliere aanbieders van opleidingen accreditatiekosten moeten betalen om in aanmerking te komen voor de subsidieregeling die de aftrek van scholingskosten in de inkomstenbelasting vervangt. Tevens vragen deze leden waarom diezelfde aanbieders voor een niet-inhoudelijke accreditatie moeten betalen om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling voor onderwijs. Deze leden vragen waarom private instellingen moeten worden betaald voor een accreditatie om in aanmerking te komen voor wet- en regelgeving die worden gemaakt door de overheid.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering wat uitgebreider in te gaan op de handhaafbaarheid van deze maatregel. De Belastingdienst geeft in haar uitvoeringstoets aan dat deze maatregel eigenlijk niet mogelijk is (rode vlag) en dat de handhaafbaarheid niet waargemaakt kan worden. Wat is het nut van dergelijke uitvoeringstoetsen als er toch voorstellen worden ingediend ondanks de rode vlag?

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat de Belastingdienst verwacht dat er verdienmodellen ontstaan gebaseerd op fraude. Laat de regering dit gewoon gebeuren of worden er aanvullende maatregelen genomen?

De leden van de SP-fractie vragen de regering om aan te geven hoe en in welke mate door welke inkomensgroepen tot op heden gebruik wordt gemaakt van de verruimde vrijstelling voor scholingskosten.

De leden van de PvdA-fractie steunen het verruimen van de vrijstelling voor scholingskosten naar oud-werknemers van harte. Door de coronacrisis loopt de werkloosheid op, en vele sectoren blijven kampen met restricties. Omscholing is een belangrijk instrument om mensen van werk naar werk te begeleiden. Heeft de regering overwogen om de vrijstelling ook uit te breiden naar toekomstig werknemers, ongeacht of deze voorafgaand werk hadden? Welke maatregelen neemt de regering voorts om mensen om te scholen en van werk naar werk te begeleiden?

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien voorts dat er extra aandacht is voor het verbeteren van de kansen op de arbeidsmarkt nu de baanzekerheid door de coronacrisis serieus wordt bedreigd. De transitie van werk naar werk wordt makkelijker met de toevoeging van een gerichte vrijstelling voor vergoedingen en verstrekkingen ter zake van scholing ook na het einde van de dienstbetrekking. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering hoe deze gerichte vrijstelling zich verhoudt tot de zogeheten transitievergoeding. Mag een dergelijke vergoeding of verstrekking in mindering komen op de wettelijke transitievergoeding?

11. Aanpassen vrije ruimte werkkostenregeling

De leden van de VVD-fractie vragen naar het precieze budgettaire effect van de verlaging van 1,2% naar 1,18% vrije ruimte in de werkkostenregeling (WKR) boven 400.000 euro. Deze leden vragen waarom de opbrengst van de beperking van de vrije ruimte groter is dan de kosten van de vrijstelling van de scholingskosten. Waarom wordt dit verschil niet teruggesluisd? De leden van de VVD-fractie vragen waarom deze maatregel geen evaluatiebepaling kent.

De leden van de VVD-fractie lezen over de gerichte vrijstelling scholingskosten en de verlaging van de tweede schijf van 1,2 naar 1,18% per 2021. Welke sectoren profiteren van deze schijfverlaging en welke sectoren niet? Is deze keuze een verplichte keuze die wetstechnisch ergens uit volgt of is dit een beleidstechnische keuze van deze regering? Zo ja, waar is deze op gebaseerd?

Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven in hoeverre de vrije ruimte van de werkkostenregeling afdoende is voor werkgevers om werknemerskosten te dekken?

Kan de regering aangeven of zij heeft onderzocht welke mix tussen vrije ruimte en gerichte vrijstellingen het meest optimaal zou zijn? Zou bijvoorbeeld het versneld afschaffen van de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten (30%-regeling) en het aanwenden van het vrijgekomen budget aan de vrije ruimte effectief zijn?

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel ondernemers gebruik hebben gemaakt van de verruimde werkkostenregeling en voor gemiddeld hoeveel per werknemer. Daarnaast vragen deze leden of al enigszins inzicht bestaat in waar de verruiming van de werkkostenregeling aan is besteed.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke mogelijkheden werkgevers hebben om werknemers die thuis moeten werken te ondersteunen bij het geschikt maken van de thuiswerkplek en onder welke voorwaarden dit ten koste gaat van de vrije ruimte in de werkkostenregeling. De leden vragen voorts op welke wijze deze maatregel getroffen sectoren steunt, zoals de regering stelt.

12. Invoeren van een fiscale coronareserve (COVID-19)

De leden van de VVD-fractie vragen wat de ervaringen zijn met de fiscale coronareserve, zowel vanuit de Belastingdienst als vanuit het bedrijfsleven. De leden van de VVD-fractie vragen hoe het misbruik precies bestreden wordt

De regering geeft aan dat overwogen is om de mogelijkheden tot voorlopige achterwaartse verliesverrekening te verruimen maar dat dat grote(re) negatieve gevolgen kan hebben voor de uitvoering door de Belastingdienst. Kan de regering de PVV-fractie voorzien van een nadere toelichting waaruit die negatieve gevolgen zouden bestaan?

Uit de toelichting begrijpen de leden van de CDA-fractie dat ten aanzien van de coronareserve geen flankerende maatregelen worden voorgesteld. De regering geeft aan dat als in de praktijk blijkt dat een belastingplichtige op evidente wijze oneigenlijk gebruik maakt van de fiscale coronareserve, deze misbruikt of daarmee fraudeert, dit zal worden bestreden. Zou de regering enkele voorbeelden kunnen noemen van dergelijk oneigenlijk gebruik? Hoe kan dit oneigenlijk gebruik samenhangen met het gebrek aan flankerende maatregelen? Deze leden begrijpen verder uit de uitvoeringstoets dat in individuele gevallen nauwelijks gecontroleerd kan worden op oneigenlijk gebruik. Ook begrijpen deze leden dat bij de vrijval van de reserve risico’s zijn gesignaleerd die het toezicht bewerkelijk maken. Wel worden 13,5 fte ingezet op toezicht in de jaren 2021, 2022 en 2023. Deze leden vragen hoe het toezicht zal worden ingericht en hoe de gesignaleerde risico’s zo goed mogelijk kunnen worden gemitigeerd.

Deze leden lezen dat niet is gekozen voor een voorlopige verruiming van de achterwaartse verliesverrekening tijdens de kredietcrisis, omdat dit grotere negatieve gevolgen kan hebben voor de uitvoering door de Belastingdienst. Deze leden vragen de regering waarom de uitvoerbaarheid van de voorgestelde regeling door de Belastingdienst beter wordt ingeschat.

Deze leden lezen verder in de artikelsgewijze toelichting dat geen coronareserve kan worden gevormd als in 2020 een tijdelijk verlies is geleden, maar als over het gehele jaar een winst toch wordt gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de tweede helft van het jaar het verlies in de eerste helft van het jaar is gecompenseerd, omdat meer inkomsten zijn behaald. Wat is het gevolg als de belastingplichtige zijn inkomsten later in het jaar nog niet heeft kunnen inschatten en achteraf blijkt dat onterecht een coronareserve is gevormd? Wordt in dat geval de coronareserve met terugwerkende kracht niet gevormd en dient over dit bedrag aan belasting dan ook met terugwerkende kracht belastingrente te worden betaald?

Uit de opzet van de regeling voor het vormen van een coronareserve in de vennootschapsbelasting begrijpen deze leden verder dat de coronareserve niet kan worden gevormd door IB-ondernemers. Echter, deze ondernemers kunnen ook te maken krijgen met liquiditeitsproblemen. Zorgt dit niet voor een ongewenste verschillende behandeling tussen IB-ondernemers en vpb-ondernemers?

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan toelichten wat wordt bedoeld met de regel dat de reserve uitsluitend kan worden gevormd indien in de jaren van dotatie en vrijval van de reserve dezelfde regels voor de winstbepaling van toepassing zijn. De leden van de fractie van D66 vragen of in de vennootschapsbelasting ook een coronavoorziening mag worden opgenomen. Deze leden vragen of de verliezen van een gevoegde dochter in een fiscale eenheid meetellen voor het vormen van een coronareserve voor de moeder van de fiscale eenheid. De leden van de D66-fractie vragen voorts of het voor de Belastingdienst duidelijk is hoe groot de omvang van de coronareserve is wanneer een belastingplichtige de aangifte indient. Deze leden vragen of de coronareserve traceerbaar en controleerbaar is voor de Belastingdienst.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering in hoeverre te meten/controleren is of verlies verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Hoe gaat de regering dit doen?

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen op de rode vlag in de uitvoeringstoets. De Belastingdienst is eigenlijk niet in staat om te beoordelen of er sprake is van oneigenlijk gebruik. Waarom voert de regering een maatregel in die niet handhaafbaar is?

De leden van de PvdA-fractie vragen wat wordt bedoeld met de formulering «Er is voor gekozen om, mede vanwege het korte tijdsbestek waarin de regeling is ontworpen, de fiscale coronareserve robuust vorm te geven, zodat geen flankerende bepalingen worden voorgesteld. Mocht in de praktijk blijken dat een belastingplichtige op evidente wijze oneigenlijk gebruik maakt van de fiscale coronareserve, deze misbruikt, of daarmee fraudeert, dan zal dit worden bestreden.». Betekent dit dat er geen antimisbruikbepalingen zijn opgenomen en dat er op goed vertrouwen van wordt uitgegaan dat er geen misbruik zal plaatsvinden? Hebben bedrijven die gebruik maken van de reserve een tariefvoordeel omdat de eerste schijf in de vennootschapsbelasting komend jaar wordt verlengd? Welke gevolgen heeft deze reserve voor de inkomsten uit vennootschapsbelasting dit jaar? Kunnen IB-ondernemers ook gebruik maken van de reserve? Is er een limitering in de hoogte van de reserve? Wat wordt ermee bedoeld dat de regering verwacht dat belastingplichtigen de reserve «naar redelijkheid» inroepen? Had deze regeling niet iets verder doordacht moeten worden, met in ieder geval enkele beperkingen en waarborgen?

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest om de mogelijkheid om een fiscale coronareserve te vormen alleen te laten gelden voor vpb-plichtigen. Waarom is niet gekozen om ook voor IB-ondernemers deze mogelijkheid te bieden, temeer omdat het probleem waarvoor deze maatregelen ingevoerd worden niet alleen vpb-plichtigen, maar ook IB-ondernemers treft?

13. Voorkomen van vrijstelling door specifieke renteaftrekbeperking

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel volgt uit een verplichting of een keuze is van de regering. Wat gebeurt er specifiek met de opbrengst van deze maatregel?

De leden van de CDA-fractie achten het begrijpelijk dat een onbedoelde uitwerking van artikel 10a door toevoeging van een lid aan dit artikel wordt gerepareerd. Het artikel is immers bedoeld om aftrek van rente in verband met besmette rechtshandelingen te beperken. Een onbedoeld positief voordeel van deze regeling voor de ondernemer druist tegen dat doel in.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom de evaluatie van de implementatie van de richtlijn bestrijding belastingontwijking (ATAD) nog niet is verricht door de Europese Commissie. Deze leden vragen waarom het bedrag dat wordt uitgesloten van aftrek voor alle kwalificerende schulden tezamen wordt bepaald. De leden van de fractie van D66 vragen wanneer sprake is van een kwalificerende schuld. Tevens vragen deze leden welke renteaftrekbeperking moet worden toegepast, wanneer 10a niet van toepassing is. Voorts vragen deze leden wat ertoe heeft geleid dat de budgettaire effecten van de jurisprudentie hoger zijn dan eerder ingeschat.

14. Aanpassen tarieftabel van de vennootschapsbelasting

De leden van de VVD-fractie vragen om de vpb-tarieven van alle EU-lidstaten, en hoe de Nederlandse tarieven zich daartoe verhouden.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de verlenging van het tarief in twee stappen gebeurt.

De leden van de VVD-fractie vragen naar een uitsplitsing waaruit blijkt hoeveel mkb’ers voordeel hebben van de verlenging van de schijf.

Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven of, en zo ja in welke mate, het tariefverschil tussen het lage en het hoge tarief en de invoering van nieuwe schijfgrenzen van invloed is op het vormen dan wel ontbinden van fiscale eenheden?

De leden van de CDA-fractie kunnen zich erin vinden dat de verlaging van het lage tarief in de vennootschapsbelasting heeft plaatsgevonden, zeker gegeven de huidige crisistijd waarin de economische positieve effecten van het stimuleren van het mkb hard nodig zijn. Deze leden vragen zich wel af of een zodanige verlaging en schijfuitbreiding van de vennootschapsbelasting niet tot een te groot verschil leidt met de IB-ondernemer. Dit gaat eveneens effect hebben op het streven naar rechtsvormneutraliteit. De leden van de CDA-fractie begrijpen niet goed of de regering nog wel streeft naar rechtsvormneutraliteit als in de Wet excessief leven van de eigen vennootschap dit als reden genoemd wordt voor de hele wet, terwijl daar in het Belastingplan vervolgens met meerdere maatregelen weer afbreuk aan wordt gedaan. Streeft de regering nu wel of niet naar rechtsvormneutraliteit? Ook bij de coronareserve hebben deze leden hierop gewezen. Dit verschil lijkt voor de IB-ondernemer afhankelijk van de hoogte van de winst nog te worden versterkt door verdere afbouw van de zelfstandigenaftrek. Deze leden vernemen graag de reactie van de regering op de schijnbaar groter wordende afstand tussen deze twee groepen ondernemers. Wordt het door alle wijzigingen niet steeds aantrekkelijker om een bv te hebben? Kan de regering aangeven waar fiscaal het kantelpunt ligt qua hoogte van de winst vanaf wanneer het aantrekkelijker wordt om onder de vennootschapsbelasting te vallen dan onder de inkomstenbelasting?

Voorts vragen deze leden of het als gevolg van het uitbreiden van de tariefschijf en het grote verschil tussen 15% en 25% vennootschapsbelasting aantrekkelijker wordt voor bedrijven om te plannen met hun belastbare winst over jaren heen of deze op te splitsen over verschillende vennootschappen, zodat de winst zoveel mogelijk binnen de lage tariefschijf valt. Dit scheelt immers 40% aan belastingdruk waardoor je 10% extra nettowinst overhoudt. Deze leden lezen voorts bij de budgettaire gevolgen dat het niet verlagen van het hoge tarief ruim 2,8 miljard euro bespaart, terwijl het uitbreiden van de schijfgrens 873 miljoen euro kost. Is in deze ramingen van de budgettaire gevolgen rekening gehouden met dergelijke planning?

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel belastingplichtigen nu in de eerste schijf vallen en hoeveel in de tweede schijf van de vennootschapsbelasting. Deze leden vragen tevens hoeveel dit er voor deze wetswijziging waren.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel ondernemers jaarlijks gebruikmaken van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet en wat het gemiddeld gebruikte bedrag is. Tevens vragen deze leden hoeveel ondernemers gebruik maken van het maximumbedrag in de bedrijfsopvolgingsregeling.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de effecten zijn van de schijfverlenging voor het mkb. Deze leden vragen of het opknippen van ondernemingen in kleinere ondernemingen niet op de loer ligt en vragen of hier geen antimisbruikmaatregel voor mogelijk is. Deze leden vragen bijvoorbeeld of als antimisbruikmaatregel mogelijk is dat het lage tarief niet van toepassing is op bv’s waarbij de wettelijke controle door een accountant van toepassing is.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een grafiek met daarin op de y-as het tarief in de vennootschapsbelasting voor winsten van 300.000 euro en op de x-as de tijd (in jaren sinds 1960). Hoe worden winsten van 300.000 euro belast in landen om ons heen?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering te reageren op de zorg van VNO-NCW dat het verschil tussen het hoge en het lage tarief dusdanig groot wordt dat activiteiten zullen worden opgeknipt. Hoe gaat de regering deze vorm van belastingontwijking voorkomen?

De leden van de SP-fractie constateren dat in het Belastingplan wordt afgezien van het voornemen om de vennootschapsbelasting in de hoogste schijf te verlagen, ook al komt dit via de foutief genoemde Baangerelateerde Investeringskorting nog steeds ruimschoots bij de bedrijven die in deze schijf belasting betalen terecht. Zij vragen de regering om toe te lichten waarom op diverse momenten, waaronder tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen door de fractievoorzitter van de grootste coalitiepartij, is gesproken alsof de verlaging van de vennootschapsbelasting een feit is. Deze leden vragen de regering om voor eens en voor altijd duidelijkheid te geven door aan te geven of het tarief in de hoogste schijf wat de regering betreft niet verlaagd gaat worden. Met name door de nota van wijziging waarin wordt gesteld dat het douceurtje voor bedrijven van 2 miljard euro na 2023 in andere vorm wordt voortgezet, hechten deze leden er waarde aan om duidelijk te krijgen hoe dit gaat worden vormgegeven.

De leden van de PvdA-fractie vinden het verstandig dat de verlaging van het hoge tarief in de vennootschapsbelasting niet doorgaat. Zij zijn echter teleurgesteld dat alsnog aanzienlijke lastenverlichting aan het bedrijfsleven wordt gegeven in de vorm van de ongerichte BIK. Zij vragen wat de verlenging van de eerste schijf en de verlaging van het tarief betekent voor het evenwicht tussen ondernemers in de IB en ondernemers met een bv. Wordt verwacht dat meer ondernemers voor een bv zullen kiezen? In hoeverre volgt het tarief in box 2 om het evenwicht te behouden?

15. Verhogen van het effectieve tarief van de innovatiebox naar negen procent

De leden van de VVD-fractie vragen om een opsomming van «innovatieboxachtige» maatregelen van alle EU-lidstaten, en hoe het Nederlandse tarief zich daartoe verhoudt. De leden van de VVD-fractie vragen ook naar de grondslag van die maatregelen, en hoe de effectiviteit in die landen beoordeeld wordt.

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om aan te geven of zij onderzoek heeft gedaan naar de effectiviteit van de innovatiebox op het vestigingsklimaat van Nederland. Kan de regering hierbij nader aangeven in hoeverre het verhogen van het tarief van invloed is op het vestigingsklimaat van Nederland?

Kan de regering hierbij aangeven welke concrete innovatieve activiteiten ontwikkeld zijn onder de innovatiebox en van welk (economisch) belang die innovatieve activiteiten zijn geweest op de ontwikkeling van Nederland als geheel, zouden diezelfde activiteiten niet hebben plaatsgevonden zonder innovatiebox?

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om nader toe te lichten hoe de regering het nieuwe tarief heeft vastgesteld, nu een optimaal tarief ontbreekt.

De leden van de CDA-fractie zijn niet verbaasd over de verhoging van het tarief van de innovatiebox naar 9%, aangezien deze vorig jaar reeds was aangekondigd. Wel vragen deze leden hoe de regering de betrouwbaarheid voor ondernemers van deze faciliteit beoordeelt als het tarief al binnen twee jaar met 4% omhoog wordt bijgesteld.

Deze leden vragen zich voorts af wat de verhoging van het Nederlandse tarief naar 9% betekent in relatie tot de innovatieboxtarieven van onze buurlanden. Hoe beoordeelt de regering het risico dat door de verhoging van de Nederlandse innovatiebox zeer innovatieve bedrijven voor wie deze faciliteit belangrijk is de grens over gaan, aangezien de patentboxen in België en Luxemburg leiden tot een effectieve heffing van respectievelijk 4,44% en 4,8%?

De leden van de fractie van D66 vragen hoe hoog de tarieven nu zijn in de ons omringende landen. Deze leden vragen tevens welke andere manieren er zijn om innovatie te stimuleren. Deze leden vragen wat de «bang for the buck» is van willekeurige afschrijving.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat het verhogen van de innovatiebox 73 miljoen euro oplevert per procentpunt. Klopt het afschaffing dan 16x 73 miljoen euro oplevert (= 1.168 miljoen euro)? Zo niet, welke aannames worden gemaakt?

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom zij de innovatiebox in stand blijft houden, aangezien deze bedrijven die hier gebruik van maken simpelweg een platte korting op hun vennootschapsbelasting geeft zonder dat deze enige tegenprestatie hoeven te leveren en enkel bedoeld is voor het fiscale vestigingsklimaat zoals de regering zelf ook aangeeft. Deze leden vragen de regering daarnaast om een vergelijking tussen de voorwaarden waar bedrijven in de genoemde landen aan moeten voldoen en de voorwaarden die in Nederland gelden, zodat een eerlijke internationale vergelijking mogelijk is.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering inzage heeft in welke soort ondernemingen gebruik maken van de innovatiebox. Waar slaan de voordelen uit de innovatiebox neer?

16. Aanpassen minimumkapitaalregel en bankenbelasting

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering niet, toen de aftrekbaarheid van Tier1-kapitaal beperkt werd, voorzien heeft dat dit tot juridische problemen zou kunnen leiden. Hoe had dit voorzien kunnen worden?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de sector nu moet «betalen» voor een fout van de overheid. Welk overleg is er met de sector geweest voor eventuele andere oplossingen? Wat betekent de verhoging van acht naar negen procent voor klanten?

De leden van de VVD-fractie vragen nader in te gaan op de herverdelingseffecten. Hoe wordt precies herverdeeld? Hoe hebben bedrijven zich hierop kunnen voorbereiden? Wat zijn eventuele economische of macro-economische effecten van deze verdelingseffecten?

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel geëvalueerd wordt of tenminste meegenomen wordt in de evaluatie van de bankenbelasting, voorzien voor volgend jaar.

De leden van de CDA-fractie lezen dat voor de sector als geheel de effecten van het verhogen van de minimumkapitaaleisen en de bankenbelasting worden gebalanceerd met het profijt dat deze sector heeft van het fiscaal in aftrek kunnen brengen van additional tier 1 (AT1)-kapitaal. Echter, deze leden lezen ook dat zich binnen de sector wel herverdelingseffecten kunnen voordoen. Zij vragen de regering om nadere toelichting van deze herverdelingseffecten en vragen op welke onderdelen van de sector dit positieve, dan wel negatieve gevolgen zal hebben. Verwacht de regering positieve effecten van deze wijziging voor de financieringsverhouding van banken? Voorts vragen deze leden wat de effecten zijn op de ruimte die financiële instellingen hebben tot het verstrekken van kredieten aan het bedrijfsleven, die juist in deze tijd hard nodig zijn, indien deze instellingen behoren tot de categorie die negatieve gevolgen van de aanscherpingen ondervindt.

Deze leden vragen verder hoe de voorgestelde verhoging van de leverage ratio van negen procent zich verhoudt tot de aankondiging van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) van een tijdelijke verlichting van de leverage ratio van banken in crisistijd.

De leden van de fractie van D66 vragen of het arrest dat de coupon in aftrek toestaat alleen voor banken en verzekeraars of ook voor private ondernemingen die AT1 hebben geldt. Tevens vragen deze leden of de hoeveelheid eigen vermogen die banken en verzekeraars aanhouden is verbeterd sinds de introductie van de minimumkapitaalmaatregel. Ook vragen deze leden welke manieren er bestaan om groene investeringen te stimuleren door middel van de bankenbelasting.

17. Wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel volgt uit een verplichting of een keuze is van de regering. Waar komt de noodzaak van deze maatregel vandaan? Wat is effectiviteit en de doelmatigheid van deze maatregel, conform de Comptabiliteitswet? Kan de regering toezeggen geen btw over BPM te heffen?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom deze maatregel een opbrengst heeft, en of deze opbrengst onderbouwd kan worden. De leden van de VVD-fractie vragen zich daarnaast sterk af of «de afname van het aantal bezwaarschriften» het waard is om automobilisten meer te laten betalen. Ook vragen de leden wat er gebeurt met de opbrengst van deze maatregel.

De leden van de VVD-fractie vragen wat voor beleid de regering nog meer voert om parallelimport te beperken, en in hoeverre dit daar een nuttige aanvulling bij is. Hoe werken de maatregelen tot beperken import parallelimport? Heeft de regering zicht op welke auto’s Nederland binnenkomen? De leden verwijzen ook naar de schriftelijke vragen van het lid Remco Dijkstra (VVD) over de forse daling van de Nederlandse autoverkopen en een steeds ouder wordend wagenpark2. Welke rol speelt de parallelimport bij het ouder worden van het Nederlandse wagenpark?

De leden van de VVD-fractie vragen naar beleidsopties om binnenlandse tweedehandsauto’s goedkoper te maken in plaats van buitenlandse auto’s duurder, of zelfs naar een combinatie van beide.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er geen horizonbepaling is opgenomen bij deze maatregel, en wanneer deze maatregel geëvalueerd wordt.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de inwerkingtreding van dit onderdeel van het Belastingplan voorzien is bij koninklijk besluit. Kan de regering toezeggen dat de uitwerking van het besluit rond de wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (wet BPM 1992) voorafgaand aan de Kamer wordt voorgehangen? De leden willen in herinnering roepen onder andere de situatie rond de New European Driving Cycle (NEDC)- en Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure (WLTP)-meetmethode welke aantoont dat de automobilist steeds opnieuw op achterstand wordt gezet.

De leden van de VVD-fractie vragen uitgebreid in te gaan op het commentaar van de sector (zoals BOVAG & RAI).

Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven of zij onderzoek heeft gedaan naar (geleidelijke) afschaffing van de BPM en de daaruit mogelijk voortvloeiende effecten op de import van auto’s, alsmede de samenstelling van het wagenpark van Nederland? Zo ja, zou de regering het onderzoek kunnen delen?

De regering verlegt het taxatiemoment van gebruikte auto’s naar het moment van het onderzoek door de RDW om zo beter toezicht uit te oefenen op de parallelimport. De leden van de CDA-fractie vrezen echter dat de regering het hele probleem van de parallelimport niet begrepen heeft. Je kan er beter naar gaan kijken terwijl onder je neus de fiscale grondslag verdwijnt, maar de enige oplossing voor het probleem van de parallelimport is het verlagen van de BPM en die maatregel missen de leden van de CDA-fractie in het Belastingplan. Doordat de macro-opbrengst van de BPM verhoogd is met de overgang van de NEDC-1 naar de NEDC-2 is het probleem van de parallelimport zeer sterk vergroot. Maar ook de btw-verlaging in Duitsland zorgt ervoor dat er in Nederland jaar na jaar minder auto’s verkocht worden met als gevolg lagere btw-opbrengsten in Nederland.

Kan de regering aangeven hoe de macro-opbrengst van de BPM in de afgelopen vijf jaren zich verhoudt tot het aantal verkochte niet-elektrische auto’s? Met hoeveel is de BPM per verkochte auto gemiddeld gestegen in de afgelopen vijf jaar? Wat gaat de regering doen om de parallelimport echt terug te dringen?

De regering stelt verder voor om de importeur van een gebruikte auto reeds in de heffing van BPM te betrekken op het moment van de import in plaats van op het moment van doorverkoop aan de consument. Dit verkleint het verschil in BPM tussen een binnenlandse gebruikte auto en een geïmporteerde gebruikte auto. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of dit er in de praktijk niet toe gaat leiden dat de gebruikte auto gewoon veel later wordt geïmporteerd of in het algemeen dat er nog meer auto’s over de grens worden gekocht. Het budgettaire effect is ook beperkt tot enkele miljoenen, dus welk effect wordt hiervan verwacht op de jaarlijkse parallelimport?

De wijziging van het heffingsmoment heeft echter ook gevolgen voor nieuwe auto’s. Klopt het dat hierdoor btw geheven gaat worden over de BPM? Zo ja, hoeveel duurder worden auto’s hierdoor? Hoeveel extra parallelimport gaat er hierdoor plaatsvinden?

De leden van de fractie van D66 vragen wanneer het voorstel komt waarbij de RDW een rol krijgt om de inspecteur te adviseren. De leden van de fractie van D66 vragen waarom eerder is gekozen voor het verkoopmoment als bepalend moment voor de belastingheffing. Deze leden vragen of het uiteindelijk nog steeds de consument is die belastingplichtig blijft onder het huidige voorstel. De leden van de fractie van D66 vragen of nu inderdaad de bevindingen van de RDW kunnen worden gebruikt in het toezicht door de inspecteur. Tot slot vragen deze leden hoeveel minder bezwaarschriften worden verwacht. Hoeveel BPM ziet er minder verdisconteerd in een prijs wanneer een auto een paar maanden ouder is? Hoeveel BPM wordt er gemiddeld per maand «afgeschreven»? De leden van de fractie van D66 vragen of kan worden bevestigd dat een bezwaar op de eigen aangifte na de wetswijziging niet meer «lucratief» is c.q. doorgaans niet leidt tot een vast te stellen bedrag. Deze leden vragen of de toekomstige mogelijke adviesrol die de RDW kan innemen kan voorkomen dat auto-onderdelen tijdelijk worden vervangen ten behoeve van een lagere importwaarde voor de BPM. Ook vragen deze leden wat het effect is van dit voorstel op de onderlinge concurrentiepositie van buitenlandse en binnenlandse tweedehandsauto’s op de markt. De leden vragen of de voorgestelde aanpassingen ook invloed hebben op de import van nieuwe, niet-tweedehandse auto’s (geen parallelimport) en zo ja, welk effect.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe ervoor wordt gezorgd dat de processen en de communicatie tussen RDW en Belastingdienst gestroomlijnd zullen verlopen wanneer de RDW een adviesrol krijgt richting de inspecteur. De leden van de fractie van D66 vragen zich af of de datum van inwerkingtreding van 1 juli 2021 per KB voldoende rekening houdt met de gevolgen voor marktpartijen. En hoe reëel is de inwerkingtredingsdatum van 1 juli?

De leden van de PvdA-fractie achten de voorgestelde maatregel nuttig, zij leidt tot minder onduidelijkheden, zowel voor importeur als voor vaststelling van de verschuldigde BPM. In welke zin verandert de rol van de RDW-inspecteur, en in hoeverre leidt dit tot meer werk voor de inspecteur? Zal dit gevolgen hebben voor de tarieven bij de RDW? Zijn auto’s die nog niet gekeurd zijn toegestaan om op de openbare weg te rijden?

De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat door het vervroegen van het BPM-vaststellingsmoment de lasten voor ondernemers (zoals een autodealer) stijgen. Hoe worden deze negatieve effecten weggenomen?

Tevens vragen de leden van de SGP-fractie of het vervroegen van het BPM-vaststellingsmoment gevolgen heeft voor de btw-heffing? Zo, welke effecten en voor wie?

18. Aanscherpen van de CO2-schijfgrenzen en schijftarieven in de bpm en van de CO2-grens en het tarief voor de dieseltoeslag

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel volgt uit een verplichting of een keuze is van de regering. De leden van de VVD-fractie vragen naar de invloed van deze fiscale maatregel op de autonome vergroening van de BPM. Wat verstaat de regering eigenlijk onder «autonome vergroening»? Waarom heeft de regering gekozen voor de schijfgrenzen en schijftarieven zoals gekozen? Graag een uitgebreide toelichting.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe deze ontwikkeling zich de jaren hierna voortzet. Met hoeveel worden auto’s de jaren daarna zuiniger?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt omgegaan met het principe van «betaalbaarheid» en «handelingsperspectief». Maakt het aanscherpen van de grenzen het aanschaffen van een nieuwe auto haalbaarder of betaalbaarder? Welke opties krijgen mensen met een beperkte portemonnee, die zich geen elektrische auto kunnen veroorloven, maar thans beschikken over een oude auto?

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel een auto duurder wordt door deze maatregel. Kan de regering op dit punt ingaan op zowel een nieuwe auto als een auto van bijvoorbeeld drie, zes en negen jaar oud?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de stappen die de regering de afgelopen vijf jaar heeft gezet naar een autonome vergroening. Tot welke gemiddelde kostenstijging hebben deze stappen geleid voor de automobilist, alles cumulatief meegenomen?

De leden van de VVD-fractie vragen om een stand van zaken rond het WLTP-dossier. Hoe wordt gestand gedaan aan de toezegging van de ambtsvoorganger van de huidige Staatssecretaris om auto’s niet duurder te laten worden?

De leden van de VVD-fractie vragen naar een onderbouwing van de budgettaire raming. Waarom is deze op nul gesteld? Wordt ervan uitgegaan dat iedereen zuinigere auto’s zal kopen? Bij bestaande wagens kan dit toch wel degelijk leiden tot hogere kosten?

Kan de regering de leden van de PVV-fractie een nadere toelichting geven in hoeverre het aanscherpen van de CO2-grenzen vernieuwing van het wagenpark in Nederland stimuleert?

Het aanscherpen van de CO2-grenzen is tevens van invloed op de BPM. De (structurele) budgettaire gevolgen zijn echter 0,00 euro. Kan de regering nader toelichten aan de leden van de PVV-fractie waarom er geen budgettaire gevolgen uitgaan van deze maatregel?

De leden van de CDA-fractie zijn verbaasd over de forse autonome vergroening die de regering inboekt via de BPM-tabellen. Zij zouden graag zien wat ieder jaar de gemiddelde percentuele verbetering geweest is (de autonome vergroening).

Daarbij dienen de volgende uitgangspunten meegenomen te worden:

  • nul-emissie auto’s tellen niet mee;

  • er wordt elk jaar netjes vergeleken met dezelfde meetmethode (dus WLTP in t-1 en WLPT in t, of NEDC1 in t-1 en NEDC1 in t).

Verder komt het op deze leden nogal vreemd over dat zowel de schijfgrenzen fors verlaagd worden, als wel de tarieven fors verhoogd worden.

Kan de regering een grafiek maken waarin de BPM wordt weergegeven als functie van de CO2-uitstoot in 2020 en in 2021? Verder wijzen deze leden erop dat zij de hand-aan-de-kraan-notitie nog niet ontvangen hebben. Die zou voor de zomer gestuurd worden.

Kan de regering in dit verband aangeven hoeveel elektrische auto’s er in 2019 verkocht zijn en of dit buiten de bandbreedte viel?

Kan de regering aangeven hoeveel elektrische auto’s verkocht zullen worden in 2020 en of dit in de bandbreedte gaat vallen? Kan zij daarvan een onderbouwing geven?

De leden van de fractie van D66 vragen wat onder autonome vergroening wordt verstaan. Deze leden vragen hoe het verloop van de autonome vergroening zich de komende jaren zal ontwikkelen. De leden van de fractie van D66 vragen wat de verwachte volledige vergroening is van het wagenpark in Nederland: wanneer zullen alle auto’s in Nederland elektrisch rijden? Deelt de regering de mening dat op lange termijn een heffing op basis van CO2 niet mogelijk is? De leden van de fractie van D66 vragen op welke termijn invoering van een kilometerheffing haalbaar is en of hier al op wordt voorbereid door uitvoerende instanties, aangezien dat noodzakelijk is wanneer een heffing op CO2 achterhaald wordt. Deze leden vragen wat de kosten zijn om een kilometerheffing te introduceren. De leden van de fractie van D66 vragen naar een overzicht van alle vrijstellingen in de BPM en de motorrijtuigenbelasting (MRB) met daarbij het budgettaire beslag van die vrijstellingen. Tevens vragen deze leden wat de opbrengst is van de vrijstellingen wanneer deze zouden worden afgeschaft. De leden van de fractie van D66 vragen welk type auto’s meer BPM gaat betalen als gevolg van de aanpassing van de schijfgrenzen. Deze leden vragen tevens of dit een effect heeft op de verkoop van tweedehandsauto’s.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering om een basispad van de BPM tot 2030. Wat zijn de tarieven? Wat is de geraamde opbrengst? En structureel?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat de BPM in 2007 nog 3,6 miljard euro opleverde. Als deze leden ernaar zouden streven om deze opbrengst uit 2007 structureel te maken, hoe zouden de verschillende tarieven in de BPM zich de komende jaren dan (globaal) moeten ontwikkelen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in het rapport van TNO «Actualisatie CO2-waarden nieuwe personenauto’s en inschatting CO2-waarde 2021» de schatting van de verwachte CO2-uitstoot met grote onzekerheid omgeven is. Er is slechts een «zeer ruwe schatting» gemaakt. Kan de regering nader toelichten waarom deze ruwe en onzekere schatting toch als uitgangspunt is genomen voor de autonome vergroening?

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in het type auto wat door de aanpassingen in de CO2-schijfgrenzen en schijftarieven geraakt wordt. Zijn dat vooral kleine, goedkope auto’s? En kan de regering inzicht geven in wat de aanpassing betekent voor de BPM van voorbeeldtypen personenauto’s, met gelijkblijvende CO2-uitstoot?

Tevens vragen de leden van de SGP-fractie of de regering kan bevestigen dat de aanpassingen worden gedaan om de totale BPM-inkomsten gelijk te houden, en dus niet te laten stijgen.

19. Vervangen postcoderoosregeling door een subsidieregeling

De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor de wijziging van de Postcoderoosregeling naar een subsidieregeling. Wel vragen zij wat deze omzetting voor gevolgen heeft voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) nu RVO deze regeling moet uitvoeren. Heeft de RVO voldoende capaciteit om de wijziging op te kunnen vangen?

De leden van de VVD-fractie vragen welke regelingen door de Belastingdienst nog meer als «zeer complex» worden ervaren. Kan hier een top van gegeven worden?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering aan te geven in hoeverre de beoogde subsidieregeling effectiever (buiten dat deze minder complex is) zal zijn dan de Postcoderoosregeling. Kan de regering hierbij nader ingaan op de (aanvullende) beoogde milieuwinst ten opzichte van de Postcoderoosregeling en hoe die (aanvullende) beoogde milieuwinst zich tot de kosten verhoudt die gemoeid zijn met de subsidieregeling?

De leden van de CDA-fractie zijn blij dat de regering overgaat naar een meer gerichte subsidieregeling in plaats van de veel te complexe Postcoderoosregeling. Het verbaast deze leden wel dat de regering ervoor kiest om het postcodegebied als voorwaarde, waardoor juist de Postcoderegeling zo complex was, te behouden in de subsidieregeling. Is het niet mogelijk om het lokale karakter van de energiecoöperatie op een andere wijze te borgen?

De leden van de CDA-fractie vinden rechtszekerheid een zeer belangrijk rechtsbeginsel, maar een overgangstermijn van 15 jaar voor de huidige deelnemers van de Postcoderoosregeling is een grote belasting voor de Belastingdienst, terwijl die deelnemers als het goed is beter af zijn met de nieuwe subsidieregeling. Op welke wijze krijgen de deelnemers aan de Postcoderoosregeling informatie over de nieuwe subsidieregeling, zodat de Postcoderoosregeling hopelijk eerder is uitgefaseerd?

De leden van de fractie van D66 vragen of iedereen die in aanmerking kwam voor de fiscale regeling ook in aanmerking kan komen voor de subsidie. Gelden dezelfde voorwaarden? Tevens vragen deze leden hoeveel mensen dit zijn en of er een stijging te zien is. Ook vragen deze leden wanneer de subsidieregeling gereed is. De leden van de fractie van D66 vragen waarom het tarief van de energiebelasting degressief is en wat de effecten zullen zijn op energieverbruik wanneer deze niet meer degressief zou zijn.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel de Postcoderoosregeling te vervangen door een subsidieregeling. Deze leden vragen om een reactie op de zorgen van met name kleine energiecoöperaties, die door de wijziging vrezen voor hun voortbestaan. Zij geven aan door de wijziging niet meer verder te kunnen met lopende projecten. Hoe wordt voorkomen dat deze projecten stil komen te liggen? Deze leden geven aan dat, ondanks in de toelichting van het wetsvoorstel wordt gesteld dat belemmeringen worden weggenomen en het omwonenden makkelijker wordt gemaakt te participeren in lokale duurzame energieprojecten, directbetrokkenen juist een tegenovergesteld effect verwachten. Zij vragen hoe deze tegenstelling kan bestaan en vragen om een duidelijke onderbouwing van gemaakte keuzes.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre een tijdelijke subsidie een goede vervanging kan zijn van de huidige wettelijke regeling. Zij staan kritisch tegenover deze onnodige onzekerheid. Wordt erkend dat juist meer zekerheid is gewenst en ook noodzakelijk is om particulieren bij de energietransitie te betrekken en betrokken te houden? En dat langlopende structurele regelingen essentieel zijn voor kleine energiecoöperaties om bestaanszekerheid te kunnen bieden? Hoe wordt voorkomen dat door deze onzekerheid er meer inleg van leden gevraagd moet worden, waardoor juist huishoudens met een kleinere beurs moeten afhaken?

Is rekening gehouden met het cumulatieve effect van én de wijziging van de Postcoderoosregeling én het afschaffen van de salderingsregeling, vragen de leden van de SP-fractie. Deze leden wijzen erop dat dit het vertrouwen in ondersteuningsmaatregelen ernstig ondermijnt en voor een vertragend effect zorgt. Deze leden vrezen dat met de nu gecreëerde onduidelijkheid en onzekerheid welwillende huiseigenaren worden ontmoedigd. Zij vragen hierop een reactie.

De leden van de SP-fractie begrijpen niet waarom er keer op keer gekozen wordt bestaande regelingen te versoberen, of zodanig te wijzigen dat er onzekerheid en onduidelijkheid wordt gecreëerd. Waarom is er geen sprake van structureel en eenduidig beleid om huishoudens in voldoende mate te ondersteunen bij duurzaamheidsinitiatieven? Wordt erkend dat huidig wispelturig beleid remmend werkt in plaats van motiverend? De leden van de SP roepen dan ook op met langdurige en structurele ondersteuningsmaatregelen te komen, zoals het fors investeren in grootschalige isolatieplannen en de aanleg van collectieve zonnepanelen voor huishoudens.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke gevolgen het omzetten van de Postcoderoosregeling door een subsidieregeling heeft in de praktijk. Kunnen VvE’s ook zelfstandig subsidie aanvragen? Is het de bedoeling de omzetting budgetneutraal te laten plaatsvinden? Is de subsidieregeling een openeinderegeling?

20. Verlengen verlaagd tarief openbare laadpalen

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom de regeling verlaagd tarief openbare laadpalen wordt verlengd tot 2022 terwijl uit onderzoek blijkt dat deze regeling vooral de laadpalen bevoordelen die dit het minst nodig hebben. Welke andere voorstellen hebben op tafel gelegen om tot een effectieve regeling te komen? Wie wordt met de verlenging van deze regeling gesubsidieerd? Zou het niet verstandiger zijn om deze regeling te stoppen en een gerichte maatregel te onderzoeken die tegemoetkomt aan het doel? Op welke manier draagt de verlenging van deze regeling bij om tot een landelijk dekkend netwerk te komen? Wat zijn de ervaringen van de afgelopen 3 jaar (graag per jaar een overzicht hoe de maatregel heeft bijgedragen aan uitbreiding van landelijk netwerk), welke afspraken zijn met de sector gemaakt? Wie ziet hierop toe?

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel volgt uit een verplichting of een keuze is van de regering. De leden van de VVD-fractie vragen of er nog meer uitzonderingen zijn voor de opslag duurzame energie (ODE), en of deze gegeven kunnen worden.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe deze maatregel zich verhoudt tot onder andere de kritiek van de Algemene Rekenkamer, dat deze weinig doelmatig is. Hoeveel euro kost een vermeden ton CO2 met deze stimulering? Indien dat niet bekend is, zou dit berekend kunnen worden? Hoe kosteneffectief is deze maatregel? Kan dit vergeleken worden met andere maatregelen die CO2 moeten vermijden?

De leden van de VVD-fractie zijn nog niet overtuigd door deze maatregel, en vragen waarom de regering kiest voor een maatregel waarvan de effectiviteit nog niet duidelijk is. Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de hand-aan-de-kraan?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom deze maatregel genomen wordt als de regering zelf zegt dat een meer gerichte maatregel te prefereren is, maar niet op deze korte termijn is te realiseren. Aan wat voor maatregel dacht de regering en waarom?

De leden van de VVD-fractie vragen of deze maatregel niet zal leiden tot «subsidie voor hoge inkomens». De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel meer openbare laadpalen er worden geplaatst met deze maatregel. Hoeveel euro is dat per laadpaal?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Ecorys-studie over laadpalen op 29 april klaar was, maar pas in het reces bij de Kamer beland is. Er is van alles op die studie aan te merken, maar de regering vindt het kennelijk niet nodig om hier eerst over te spreken en gelijk maar een conclusie te trekken. Wat is daarvoor de reden?

De leden van de CDA-fractie merken enigszins verbolgen op dat alle stukken over elektrisch rijden voor de zomer in de Kamer hadden moeten liggen zodat erover gesproken had kunnen worden.

Zij vragen de regering dan ook wat er mis gaat als de vrijstelling van energiebelasting en ODE voor publieke laadpalen geen doorgang vindt. Hoeveel minder laadpalen zullen er dan bijvoorbeeld komen? Wil de regering dat overwegen? Het is immers echt niet onredelijk dat ook elektrische rijders af en toe een beetje belasting gaan betalen.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom het verlaagde tarief niet van toepassing is op private laadpalen. Deze leden vragen wat de kosten zouden zijn om ook voor deze laadpalen een verlaagd tarief toe te passen. De leden van de fractie van D66 constateren dat de verlaging is verlengd op basis van onderzoek naar effectiviteit van de maatregel en vragen of voor 2023 nogmaals de effectiviteit van de maatregel.

21. Verlaagd tarief voor walstroominstallaties

De leden van de PVV-fractie merken op dat de regering ervan uitgaat dat het verlaagde tarief geheel of gedeeltelijk wordt doorgegeven aan de gebruiker. Kan de regering aangeven waar zij deze aanname op baseert?

De leden van de CDA-fractie vinden het van groot belang dat de scheepvaart meegenomen wordt in de verduurzamingsdoelstelling. De doelstelling dat aangemeerde schepen geen diesel verbranden voor hun energiebehoefte delen deze leden dan ook zeer. Maar zij vragen zich af of de regering deze doelstelling wel op een rechtvaardige manier probeert te bereiken. Begrijpen deze leden het nu goed dat cruiseschepen, grote zeeschepen en binnenvaartschepen dus geheel zijn vrijgesteld van energiebelasting en ODE? Wat is de sociale rechtvaardiging om bijvoorbeeld cruiseschepen vrij te stellen van energiebelasting en een uitkeringsgerechtigde die in een tochtige Vestia-woning woont, die niet wordt verduurzaamd, het volle pond te laten betalen voor de energie?

Zou het niet veel efficiënter en rechtvaardiger zijn om een generatorverbod in havens in te voeren, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Op welke wijze wordt gehandhaafd dat plezierjachten of campings aan het water geen gebruik gaan maken van de gratis walstroom?

De leden van de fractie van D66 constateren dat in de Green Deal is afgesproken om de energiebelasting voor walstroom af te schaffen. In dit voorstel is gekozen om dit niet te doen. In het voorstel wordt gesteld dat het voordeel dat met dit voorstel wordt gegeven uiteindelijk groter is dan met volledige afschaffing. Deze leden vragen of deze stellingname kan worden onderbouwd.

De leden van de fractie van D66 constateren dat in het voorstel wordt aangegeven dat om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief, de walstroominstallatie moet beschikken over een zelfstandige aansluiting, zodat gecontroleerd kan worden of de walstroom daadwerkelijk ook alleen door schepen wordt gebruikt. Alhoewel deze leden deze overweging begrijpen, vragen zij zich af of voldoende rekening is gehouden met het feit dat niet overal een zelfstandige aansluiting kan worden gerealiseerd. Deze leden zijn bovendien benieuwd of en hoe de regering zich, met het stellen van deze voorwaarde, gaat inzetten voor de realisatie van meer zelfstandige aansluitingen op walstroominstallaties.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de voortgang van het verzoek om derogatie.

De leden van de PvdA-fractie steunen de doelstelling om schepen zoveel mogelijk walstroom te laten gebruiken. Dit leidt tot minder vervuiling en geluidsoverlast, bovendien is scheepsbrandstof een relatief vervuilende brandstof. Zij vragen waarom fiscale stimulering nodig is, mede overwegende dat scheepsbrandstof zich reeds in de fiscale luwte bevindt. Kan de regering uiteenzetten waarom fiscale stimulering noodzakelijk is? Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie waarom het gebruik van walstroom niet regelgevend gestimuleerd kan worden, bijvoorbeeld door een verplichting.

22. Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen wat er met de per saldo opbrengst van het pakket Belastingplan gebeurt, en waarom dit niet voor aanvullende maatregelen wordt ingezet.

De leden van de VVD-fractie vragen om een schatting van het «corona-effect» bij de verschillende maatregelen.

Kan de regering de leden van de PVV-fractie ten aanzien van de lagere bijtelling voor elektrische auto’s met zonnepanelen een nadere toelichting geven waarom er vanaf 2021 uitvoeringskosten zijn voor de maatregel maar er geen (structurele) budgettaire gevolgen worden verwacht?

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering bij de budgettaire aspecten van de verhoging van de schijfgrens naar 245.000 euro in 2021 en 395.000 euro per 2022 een uitsplitsing maken van enerzijds het verlagen van het lage vennootschapstarief en anderzijds het verhogen van de grens van het lage vennootschapstarief. Kan de regering hierbij de huidige belastingopbrengsten per tariefschijf weergeven alsmede de te verwachten belastingopbrengsten per tariefschijf?

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering hierbij tevens aan te geven hoe tot op heden de onderverdeling is van rechtspersonen tussen het hoge en het lage tarief en hoe die verdeling zal zijn na verhoging van de grens naar 245.000 euro in 2021 en 395.000 euro per 2022.

Kan de regering de leden van de PVV-fractie een nadere toelichting geven of het verschuiven van het heffingsmoment van de BPM al dan niet leidt tot extra btw-opbrengsten? Zo ja, kan de regering daar dan de budgettaire effecten van weergeven?

De leden van de CDA-fractie overdrijven niet als zij opmerken dat de regering in het verleden de kosten van fiscale subsidiëring van elektrische auto’s wel eens onderschat heeft. Deze leden zijn dan ook verbaasd dat de lagere bijtelling voor elektrische auto’s met zonnepanelen door de regering wordt geraamd op nihil. Hoe kan een enorm fiscaal voordeel met verwachte gedragseffecten nu zowel per jaar als structureel niets kosten?

De leden van de CDA-fractie hebben ook zo hun twijfels over de raming van de wijziging van het belastbaar feit voor de BPM. Kan de regering deze raming nader motiveren en uitsplitsen voor nieuwe en gebruikte auto’s? Hoe groot is de invloed van het verschuldigd worden van btw over de BPM?

De leden van de fractie van D66 vragen wat de budgettaire opbrengsten zijn wanneer de tabaksaccijns zou worden geïndexeerd in de bijstellingsregeling.

De leden van de SGP-fractie vragen om een analyse van de verdeling van lastenverlichting en -verzwaring als gevolgen van het pakket Belastingplan tussen gezinnen en bedrijven.

23. EU-aspecten

24. Gevolgen voor burger en bedrijfsleven

De leden van de VVD-fractie vragen om uitgebreider in te gaan op de effecten van de maatregelen voor burgers en bedrijven. Zij benadrukken dat er vast meer effecten te beschrijven zijn van dit wetsvoorstel dan slechts een enkele paragraaf.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering in te gaan op de gevolgen voor het investeringsklimaat bij de voor het bedrijfsleven relevante fiscale voorstellen uit het hele Belastingplan 2021. De leden vragen hierbij specifiek ook in te gaan op de gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de schuif om het eigen vermogen in plaats van vreemd vermogen beter te stimuleren. Kan de regering een stand van zaken geven over wanneer de Kamer kabinetsplannen hieromtrent tegemoet kan zien? Kan de regering eenzelfde toelichting geven op het arm’s length-beginsel? Hoe wordt bij beide het bedrijfsleven betrokken?

25. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de PVV-fractie verzoeken ten aanzien van de lagere bijtelling voor elektrische auto’s met zonnepanelen om een nadere toelichting op de uitvoeringskosten vanaf 2021 en het structureel toevoegen van 1 fte voor handhavingscapaciteit voor de Belastingdienst, mede in het licht van het feit dat er geen structurele budgettaire gevolgen worden verwacht bij deze maatregel.

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de door de Belastingdienst gesignaleerde effecten aangaande de handhaafbaarheid van de maatregel verruiming gerichte vrijstelling Scholingskosten, de afnemende fraudebestendigheid en de toenemende complexiteit van de maatregel alsmede hoe deze effecten gemitigeerd kunnen worden.

De Belastingdienst signaleert dat inzake het invoeren van een fiscale coronareserve (COVID-19) in individuele gevallen niet of nauwelijks gecontroleerd kan worden op oneigenlijk gebruik en dat er reëel risico bestaat op fraude en/of oneigenlijk gebruik. Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie toelichten hoe deze effecten gemitigeerd kunnen worden?

26. Advies en consultatie

27. Onderbouwing van de voorstellen in het kader van de Comptabiliteitswet 2016

28. Evaluaties

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het staat met de evaluatie van de tabaksaccijnsverhoging. Deze leden vragen of deze nog steeds wordt opgeleverd in maart 2021.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel XVII

De leden van de VVD-fractie zijn blij met de maatregel die een vrijstelling belastbare winst introduceert van de tegemoetkoming die ondernemers hebben gekregen op basis van de TOGS en de TVL. De leden vragen of de continuïteitsbijdrage voor ondernemers in de zorg ook tot deze vrijstelling belastbare winst behoort? De leden vragen een uitgebreide toelichting op de vraag waarom dit wel of waarom dit niet zo is. Wat zijn de eventuele extra kosten of administratieve lasten wanneer de vrijstelling in artikel 3.8 in de Wet inkomstenbelasting 2001 ook wordt uitgebreid met de continuïteitsbijdrage?

BIJLAGE Uitvoeringstoetsen Belastingdienst

BIJLAGE Uitvoeringstoets RDW belastbaar feit BPM

BIJLAGE Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2021 inclusief certificeringsdocument CPB

BIJLAGE Advies RvS

OVERIG

De leden van de VVD-fractie vragen de regering in te gaan op de grootste «pieken» en outliers in de marginale druk, en wat de oorzaken hiervan zijn. Ook vragen de leden om aan te geven waar de grootste wijzigingen in de marginale druk zitten ten opzichte van vorig jaar, en wat hier de oorzaak van is.

De leden van de VVD-fractie vragen in algemene zin op alle onderdelen van het Belastingplan 2021 afzonderlijk een overzicht van de gevolgen van het Belastingplan voor de verschillende uitvoeringsorganisaties, zoals bijvoorbeeld RVO en de Belastingdienst: welke taken krijgen deze organisaties erbij? Op basis van welke beoordeling is duidelijk geworden dat dit zonder gevolgen een extra taak kan zijn voor de betreffende uitvoeringsorganisatie? Hebben de uitvoeringsorganisaties meegekeken naar het ontwerp en de specifieke uitvoering van de regeling? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan reageren op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), het Register Belastingadviseurs (RB) en VNO-NCW en MKB-Nederland.

De leden van de VVD-fractie blijven zich, zeker na de beantwoording van de verschillende sets schriftelijke vragen van het lid Lodders (VVD), grote zorgen maken over de urgentie die het kabinet ziet om tot een oplossing te komen voor de Accidental Americans. De leden moeten helaas constateren dat het kabinet deze urgentie niet voldoende ziet. De leden hebben het kabinet al meermaals, helaas zonder echt tastbare resultaten, verzocht op zoek te gaan naar een oplossing voor Accidental Americans die zonder bankrekening komen te zitten (zie ook o.a. de moties-Lodders c.s., Kamerstuk 34 853 (R2096), nr. 11 en de motie-Van Weyenberg c.s., Kamerstuk 34 853 (R2096), nr. 12). Omdat bij de eerste mensen eind deze maand hun bankrekening wordt opgezegd verzoeken de leden de regering met klem om te komen tot een oplossing voor de Accidental Americans zodat zij niet zonder een basisbetaalrekening komen te zitten. De leden vragen de regering zich in te leven in de Accidental Americans en de gevolgen van het niet hebben van een basisbetaalrekening voor het betalen van vaste lasten, of uitkering aanvullend pensioen. Mocht het wenselijk zijn, dan kunnen de leden van de VVD-fractie helpen bij het verzamelen van namen van Accidental Americans die grote problemen ervaren door de eerder gemaakte afspraken met de VS en de handeling door de bank. De leden blijven keer op keer benadrukken dat ook de banken in een spagaat zitten. De leden vragen de regering naar de mogelijkheid van een wettelijke optie om de Nederlandse Accidental Americans te beschermen tegen de dreigementen vanuit de VS die banken ertoe aanzet bankrekeningen op te zeggen. Een wettelijke optie die behoedt dat banken de rekeningen van Accidental Americans opzeggen alleen vanwege het niet hebben van een US-Tin met het verwijt tot belastingontduiking als gevolg.

De leden van de VVD-fractie willen het Ministerie van Financiën vragen navraag te doen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar de stand van zaken van de motie-Lodders/Van Weyenberg (Kamerstuk 35 029, nr. 20) over het voorstel om zonnepanelen standaard buiten de ozb-aanslag te houden. De leden zijn verbaasd dat een motie die is aangenomen in november 2018 en significant kan bijdragen aan de stap naar duurzaamheid tot op heden nog niet is uitgevoerd. De leden vragen de regering nu eindelijk eens vaart te maken met de uitvoering van de motie. De motie is tweeledig en vraagt van het kabinet naast het onderzoeken hoe vormen van verduurzaming in de toekomst niet ontmoedigd worden door middel van hogere lokale lasten, ook om een voorstel waarmee zonnepanelen standaard buiten de ozb worden gehouden. De leden van de VVD-fractie willen benadrukken dat zij in de uitvoering van de motie, zeker omdat het ondertussen al twee jaar duurt, een «onderzoek» tot het ontwikkelen van een voorstel naar het standaard buiten de ozb laten van zonnepanelen niet zullen accepteren. De leden vragen de regering nu eindelijk eens over te gaan tot actie.

De leden van de VVD-fractie willen ook nog een enkele vraag stellen aan de regering over de verruiming van de Nederlandse sportvrijstelling bij het Belastingplan 2019. De leden weten dat de gemeenten, sportstichtingen en sportverenigingen een financieel nadeel ervaren door de bij het Belastingplan 2019 voorgestelde maatregel, welke voor gemeenten gecompenseerd wordt met een specifieke uitkering. De leden vragen of het kabinet de ervaringen van gemeenten rond de voorgestelde maatregel en uitkering kan delen? Klopt het dat de uitkering voor gemeenten van rond de 180 miljoen euro vervalt na vijf jaar met ingang van 2019 (en daarmee dus in 2023)? Zo ja, waarom en waar heeft het kabinet deze 180 miljoen euro vanaf 2024 ingeboekt? Zo nee, graag een toelichting.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op de vragen van het Register Belastingadviseurs en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs in hun commentaren op onderhavig wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom ervoor gekozen is om de vliegbelasting onder de huidige economische omstandigheden en na het onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten voor Maastricht Airport ongewijzigd in werking te laten treden per 1 januari 2021. Doordat er minder gevlogen wordt, gaat de vliegbelasting niet 200 miljoen euro opleveren, maar 80 miljoen euro. Op welke wijze is dit onderverdeeld naar passagiersvluchten en vrachtvervoer? Het heeft de leden van de CDA-fractie nogal verbaasd dat de regering in de brief fiscale moties en toezeggingen om een onderzoek te doen naar de effecten van de vliegbelasting afdoet met de mededeling dat dit onderzoek is gedaan. De leden van de CDA-fractie hebben geen onderzoek gevraagd om onderzoekers bezig te houden, maar vanuit de bezorgdheid om de gevolgen van de vliegbelasting die voor een specifieke luchthaven weleens veel erger zouden kunnen zijn dan op basis van de memorie van toelichting van de wet vliegbelasting gedacht zou kunnen worden. Die zorgen worden exact in het SEO-onderzoek bevestigd, maar de regering gaat in de aanbiedingsbrief niet eens in op deze conclusies. Daarom willen de leden van de CDA-fractie graag weten wat de regering vindt van de conclusies van het SEO in hun onderzoek naar de effecten van een vliegbelasting voor de luchtvrachtsector en op welke wijze dat heeft meegewogen in de afweging om de vliegbelasting ongewijzigd en direct in werking te laten treden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering hoe groot de budgettaire opbrengst (ongeveer) zou zijn van oplossingsrichting b in de brief over een nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting. Met andere woorden, wat «kost» de fiscale eenheid jaarlijks? Welke extra opbrengsten zouden wel belast gaan worden als de regeling van de fiscale eenheid niet langer zou bestaan? En wat zou er gebeuren met de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat het grootste deel van de vermogensongelijkheid niet is toe te schrijven aan verschillen tussen leeftijdsgroepen. Kan de vermogensongelijkheid worden weergeven met een correctie voor leeftijd?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de voortgang van het aangekondigde onderzoek naar vermogensverdelingen in- en exclusief collectief pensioenvermogen. De verwachting van het kabinet was eerst dat het de nieuwe cijfers na de zomer zouden komen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een soortgelijke tabel als de regering heeft gemaakt van een vermogensbelasting voor miljonairs in box 3 (Kamerstuk 32 140, nr. 72), maar dan voor box 2. Hoeveel zou een vermogensbelasting voor miljonairs in totaal opleveren?

De leden van de fractie van GroenLinks refereren aan het antwoord van de regering (Kamerstuk 32 140, nr. 72) dat het armste deciel 18,1% betaalt aan indirecte belastingen en lokale heffingen en het rijkste deciel 6,9%. Op basis waarvan kan de regering dan blijven beweren dat een btw-verhoging alle inkomensgroepen even hard raakt?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering erkent dat laagste welvaartsgroep 42,7% betaalt aan totale lasten en premiedruk en de rijkste welvaartsgroep 48,1%. Vindt de regering dit kleine verschil wenselijk?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering over de verrassing dat aanmerkelijkbelanghouders samen 400 miljard euro bezitten in plaats van 200 miljard euro. Hoe is dit enorme vermogen al die jaren verborgen gebleven? In hoeverre moet er alsnog achterstallige belasting worden geheven over het deel dat al die jaren onzichtbaar was? Wat verandert er aan de budgettaire raming van maatregelen in box 2 (ten opzichte van Keuzes in Kaart 2018–2021)?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de laatste stand van zaken omtrent de wereldwijde aanpak van belastingontwijking (pijler 1 en pijler 2). Wat gaat de regering doen als er eind december 2020 geen oplossing ligt in OESO-verband?

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar de bevindingen van het onderzoek naar het arm’s length-beginsel. Waarom staat de regering nog steeds toe dat bedrijf B een rente van 5% in aftrek brengt terwijl er slechts een rente van 3% wordt betaald aan bedrijf A (voorbeeld 2). Dit zou toch heel eenvoudig op te lossen moeten zijn?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering wat zij ervan vindt dat er nog steeds open gaten blijven rondom het arm’s length-beginsel. Waarom staat de regering toe dat er soms sprake is van dubbele niet-belasting? Waarom wordt het niet illegaal voor bedrijven om dubbel niet-belasting te betalen?

Is de regering nu wel of niet van plan om alle mismatches te voorkomen die er nog steeds mogelijk zijn? De regering constateert dat unilaterale stappen alleen mogelijk zijn bij vaste inrichtingen indien een aanvullende documentatieverplichting wordt ingevoerd. Gaat de regering dit daadwerkelijk doen?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben ook nog vragen over het onderzoek naar de deelnemingsvrijstelling. Waarom grijpt de regering niet harder in? Wat is de toegevoegde waarde van doorstroomvennootschappen voor Nederland? Waarom grijpt ze niet alle mogelijkheden aan om belastingontwijking tegen te gaan?

De leden van de fractie van GroenLinks lezen de suggestie van de regering om een misbruiktoets te introduceren in de deelnemingsvrijstelling. Gaat de regering dit daadwerkelijk doen? Waarom is dit niet allang gedaan? Waarom geldt er überhaupt niet voor alle belastingwetten een misbruiktoets?

De leden van de fractie van GroenLinks gaan ervan uit dat de vliegbelasting nog steeds per 1 januari 2021 ingaat. Kan de regering dit nogmaals bevestigen?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering om een vorm van vleesbelasting te noemen die in de komende kabinetsperiode uitvoerbaar is. Wat is hiervan de budgettaire opbrengst?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat de regering de Kaaimaneilanden van de zwarte lijst van belastingparadijzen gaat halen. Kan de regering dit nader onderbouwen? Wat is er concreet veranderd sinds vorig jaar? Waarom is dit land geen belastingparadijs meer?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of het klopt dat er meerdere voorstellen op tafel liggen in Europa voor een financiëletransactietaks. Wat zijn de voor- en nadelen van beide varianten? Wat is de budgettaire opbrengst als we deze belasting nationaal zouden willen invoeren de komende kabinetsperiode?

NOTA VAN WIJZIGING

I Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel bedrijven gebruikmaken van verliesverrekening in de laatste paar jaren. Kan dit uitgesplitst worden naar grootbedrijf of mkb?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regels voor carry back en carry forward voor alle EU-lidstaten gegeven kunnen worden. Hoeveel jaren hebben deze bedrijven in deze landen recht op voorwaartse of achterwaartse verliesverrekening?

De leden vragen naar de kosten indien de drempel wordt verhoogd wordt van 1 miljoen euro naar 1,1 miljoen euro, of 2 miljoen euro.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe dit voorstel zich verhoudt tot het totaalwinstbegrip. Doet dit daar geen afbreuk aan?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe een effect op het mkb zoveel mogelijk wordt voorkomen. Welke mogelijkheden zijn er om het mkb aanvullend te ontzien?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de nota van wijziging die een beperking aanbrengt in de verliesverrekening tot 50% van de winst en de beperking van de voorwaartse verliesverrekening afschaft. Zij zien het belang van het brengen van evenwicht in de heffing van winstbelasting van multinationals en het voorkomen van uitholling van de Nederlandse winstgrondslag, waar met deze maatregelen aan kan worden bijgedragen. Deze leden waarderen de voortvarendheid van de regering dat het advies van de onderzoekscommissie-Ter Haar, waarmee uitvoering is gegeven aan de motie-Omtzigt c.s., al zo snel tot een wetsvoorstel heeft geleid. Deze leden hebben enkele vragen bij het voorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben nog vragen aan de regering over haar reactie op de adviezen van de commissie-Ter Haar.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of er cijfers zijn van de ontwikkeling van de winsten sinds 2000 en de opbrengst van de vennootschapsbelasting.

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar het advies van de commissie-Ter Haar om bedrijven te verplichten voortaan in alle gevallen de commerciële winst in Nederland te rapporteren. Zij wachten met interesse af waar de regering mee komt naar aanleiding van de motie-Snels (Kamerstuk 35 570-IX, nr. 10).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of zij ook nader onderzoek gaat verrichten naar de oorzaak van (structureel) verlieslatende bedrijven in de vennootschapsbelasting, op het belang van royalty’s, op het rendement op in Nederland geïnvesteerd kapitaal, en op de verschillen tussen fiscale en commerciële winstbepaling bij multinationals. Komt hier een nieuwe commissie voor? Wanneer verwacht de regering deze resultaten te hebben?

De leden van de fractie van GroenLinks overwegen amendementen in te dienen op basis van aanbevelingen A en B uit het rapport van de commissie-Ter Haar. In hoeverre zijn de genoemde bedragen gewijzigd sindsdien?

De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat het kabinet overlegt met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de berekening van de effectieve belastingdruk van multinationals. Klopt het dat dit overleg al een jaar duurt? Wanneer komt hier meer duidelijkheid over?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben nog enkele vragen aan de hand van het artikel van Professor Jan Vleggeert (Weekblad Fiscaal Recht 2020/110). Is de regering bereid om te onderzoeken of artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zo kan worden aangepast dat de geheimhoudingsplicht niet langer geldt voor multinationals die een country-by-country verplichting hebben?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of zij erkent dat op basis van het rapport van de commissie-Ter Haar niet valt te concluderen dat multinationals hun fair share aan vennootschapsbelasting betalen.

Is de regering inderdaad van plan om structureel meer gegevens te gaan verzamelen om het inzicht in de belastingafdracht van multinationals te vergroten? Zo ja, wanneer verwacht de regering een update te kunnen geven?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het mogelijk is dat een grote groep bedrijven kan blijven bestaan terwijl ze structureel verlies maken.

Erkent de regering dat wanneer de belastbare winst als grondslag wordt genomen, het effectieve belastingtarief per definitie uitkomt op het statutaire tarief?

Erkent de regering dat winsten die worden overgeheveld naar laagbelaste buitenlandse dochters, hoofdkantoorkosten en de aftrek van rente en royalty’s de gemeten ETR (Effective Tax Rate) niet beïnvloeden? Klopt het dan ook dat een multinational die op deze wijze de Nederlandse grondslag verlaagt tot nagenoeg nihil in de systematiek van de commissie nog steeds een ETR heeft van 25%?

Erkent de regering dat de berekeningen van de commissie daarom ongeschikt zijn om te beoordelen of multinationals hun fair share aan vennootschapsbelasting betalen?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat de GLOBE (global anti-base erosion) niets doet tegen aftrek van hoofdkantoorkosten in Nederland. Wat zou wel een effectieve maatregel zijn?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in kaart te brengen hoe hoog de opbrengst wordt als de aanvullende Controlled Foreign Company (CFC)-regeling wordt geïmplementeerd waarbij wordt geheven naar het tarief van 25%. En hoe hoog wordt de opbrengst als daarnaast de CFC-maatregel ook wordt toegepast op CFC’s die zijn gevestigd binnen de EU? (Zie het artikel van Professor Jan Vleggeert (Weekblad Fiscaal Recht 2020/110)).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom overgangsrecht nodig is bij de reparatie van het heffingslek in informeelkapitaalstructuren. Deze multinationals hebben toch niet maatschappelijk verantwoord gehandeld?

1. Beperking verliesverrekening tot 50% van de belastbare winst

De leden van de PVV-fractie verzoeken een nadere toelichting van de regering omtrent welke overwegingen eraan ten grondslag lagen om af te stappen van de in 2019 ingevoerde systematiek van één jaar achterwaartse verliesverrekening en zes jaar voorwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting.

De leden van de PVV-fractie verzoeken om een nadere toelichting omtrent de overwegingen om verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar te maken en niet meer te beperken in de tijd. Kan de regering hierbij nader ingaan op de motivering om niet diezelfde onbeperkte voorwaartse verrekening door te voeren in box 1 van de inkomstenbelasting?

Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie toelichten wat de effecten zijn van de voorwaarts onbeperkte verliesverrekening op de bewaartermijnen van de administratieve handelingen van belastingplichtigen?

De leden van de CDA-fractie lezen in de toelichting dat ten aanzien van de verrekening van verliezen een beperking tot 50% van de winst zal worden aangehouden boven de franchise van 1 miljoen euro. Andere landen hebben ook een dergelijke regeling ingevoerd. Deze leden lezen in de internationale landenvergelijking in de bijlage bij het rapport van de commissie-Ter Haar dat een meerderheid van de onderzochte landen ook een onbeperkte verliesverrekening heeft. Deze leden constateren dat Nederland een vrij korte voorwaartse verliesverrekeningstermijn kent van slechts zes jaar. De leden van de CDA-fractie zijn dan ook zeer positief over de onbeperkte voorwaartse verliesverrekening in het voorstel. Deze leden hechten veel waarde aan de totaalwinstgedachte dat alle winst een keer belast moet worden en verliezen eenmaal in aftrek komen. De beperking van de verliesverrekening had tot gevolg dat mogelijk meer winst belast werd dan de ondernemer daadwerkelijk gemaakt had. Er geldt dan wel een beperking in de tijd voor de verliesverrekening, namelijk maximaal 50% van de winst in dat jaar, maar de verliezen verdampen niet meer, waardoor de regeling veel rechtvaardiger wordt.

Deze leden constateren ook dat de voorwaarden naast onbeperkte verrekening wel verschillen ten opzichte van andere landen en dat Nederland alsnog een relatief strenge variant aanhoudt, onder andere voor wat betreft het percentage van de winst tot waar verliesverrekening wordt toegestaan. Zo beperkt Oostenrijk de verrekening tot een percentage van 75% van de winst (maar zonder franchise), België tot een percentage van 70% en Duitsland van 60%. Sommige landen houden zelfs geen beperking aan. Deze leden vragen de regering of Nederland met deze vormgeving internationaal gezien voldoende aantrekkelijk is, ook in samenhang met de voorgenomen beperking van de liquidatie- en stakingsverliesverrekening.

Ook lezen de leden van de CDA-fractie dat de regering ervoor heeft gekozen de nieuwe regels rondom verliesverrekening niet door te laten werken in de inkomstenbelasting. De leden van de CDA-fractie begrijpen hier niets van. De regering geeft juist bij de Wet excessief lenen van de eigen vennootschap aan dat zij het verschil tussen de IB- en de vpb-ondernemer wil verkleinen. Waarom acht de regering het dan rechtvaardig om dat verschil met dit wetsvoorstel weer te vergroten? De leden van de CDA-fractie achten het rechtvaardig als ook de IB-ondernemers geen last meer zouden hebben van het verdampen van verliezen. Deze leden vragen in dat kader welk deel van de verliezen van deze ondernemers over de afgelopen vijf jaar is verdampt.

De leden van de fractie van D66 vragen of door de beperking van de verliesverrekening het totaalwinstbeginsel door de wetgever is losgelaten. De leden van de fractie van D66 vragen of ongelimiteerd voortwentelen van de helft van de verliezen ook niet leidt tot enorme verliespotten ten opzichte van een in de tijd beperkte verliesvoortwenteling. Deze leden vragen op basis van welke informatie zij zich baseert dat het oppotten van verliezen hierdoor wordt tegengegaan. De leden van de fractie van D66 vragen waar het bedrag van 1 miljoen euro als maximum op is gebaseerd. Hoeveel bedrijven in Nederland hebben gemiddeld jaarlijks verliezen onder die grens en hoeveel bedrijven hebben gemiddeld jaarlijks verliezen boven die grens? De leden van de fractie van D66 vragen waarom achterwaartse verliesverrekening nog in stand wordt gelaten, wanneer onbeperkte voortwenteling mogelijk is. Tevens vragen deze leden of achterwaartse verliesverrekening in Duitsland mogelijk is.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar een onderbouwing van het percentage van 50%. Waarom is de regering van mening dat hier aangesloten moet worden bij het advies van de commissie-Ter Haar in plaats van een lager percentage?

De leden van de SP-fractie constateren dat met deze nota een ondergrens wordt gecreëerd van wat maximaal aan verlies kan worden verrekend, maar tegelijkertijd dit onbeperkt kan worden voortgewenteld. Deze leden zien dat de regering hiermee deels opvolging geeft aan een advies van de commissie-Ter Haar, maar dit ondergraaft door de andere zinvolle beperking op verliesverrekening weg te nemen. De leden van de SP-fractie verbazen zich er tevens over dat 1 miljoen euro hierbij nog steeds onbeperkt kan worden verrekend. Het valt deze leden op dat deze maatregel juist nu wordt ingevoerd nu ongewis is hoe lang de economische gevolgen van de coronacrisis van kracht zullen zijn en vragen de regering of het uitzonderlijk late indienen van deze nota van wijziging hiermee te maken heeft. Welke overwegingen hebben gespeeld bij het opstellen van deze wijziging en waarom is deze niet eerder aangekondigd?

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennis genomen van de nota van wijziging aangaande de beperking van de verliesverrekening tot 50%. Zij vragen waarom niet is aangesloten bij het percentage dat voor renteaftrek gebruikt wordt, namelijk 30%. Zij vragen waarom is gekozen voor een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening. Welke gevolgen heeft dit voor de Belastingdienst, en in hoeverre kan de Belastingdienst de juistheid van de fiscale verliezen uit oude jaren controleren? Wat betekent de onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voor bestaande verliezen, worden die onbeperkt in de tijd verrekenbaar?

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de (in)consistentie in de verliesverrekeningswetgeving. De Raad van State wijst daar ook op. Waarom kiest de regering ervoor om, na eerdere, kort op elkaar volgende aanpassingen, de termijnen weer aan te passen? Is de regering van mening dat hiermee geen sprake is van consistent en bestendig beleid?

2. Technische wijzigingen

3. EU-aspecten

4. Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen om een toelichting op de ramingen, omdat deze afwijkt van de raming van de commissie-Ter Haar.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar enerzijds het effect van het jaarlijks in de heffing betrekken van in ieder geval een deel van de behaalde winst en anderzijds het effect dat verliezen niet langer verdampen. Kan de regering deze effecten op de structurele inkomsten weergeven?

De leden van de fractie van GroenLinks overwegen het wetsvoorstel te amenderen. Kunnen de gevolgen in kaart worden gebracht (budgettair en overig) als het percentage van 50% wordt verlaagd naar 25% en 0%? Kunnen de gevolgen in kaart worden gebracht (budgettair en overig) als de verliesverrekeningstermijn niet wordt verruimd? En wat als daarnaast de achterwaartse verliesverrekening wordt afgeschaft?

5. Uitvoeringskosten

De leden van de VVD-fractie vragen waarom tot op heden een uitvoeringstoets nog ontbreekt.

In de impactbepaling signaleert de Belastingdienst een ingrijpende complexiteitstoename en voorziet de dienst tevens een ingrijpende (IV-)structuuraanpassing. De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering aan te geven wanneer de definitieve uitvoeringstoets beschikbaar is.

De regering geeft aan dat de uitvoeringstoets nog niet beschikbaar is. De leden van de CDA-fractie vinden het echter wel van groot belang om kennis te nemen van de uitvoeringstoets. Kan de regering de uitvoeringstoets zo spoedig mogelijk, maar ten minste vóór de plenaire behandeling, aan de Kamer doen toekomen?

De leden van de fractie van D66 vragen of de aanpassing van de verliesverrekening voor de Belastingdienst op dergelijke korte termijn uitvoerbaar is.

6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de «verwaarloosbare gevolgen voor de regeldruk».

II. Onderdeelsgewijs

BIJLAGE Impactbepaling

BIJLAGE Ramingstoelichtingen

BIJLAGE Advies RvS

De leden van de VVD-fractie vragen in overeenstemming met de Raad van State waarom de regering zo snel na de vorige wetswijziging over verliesverrekening een nieuwe wetswijziging voorstelt. Wat doen snelle opeenvolgende wetswijzigingen over hetzelfde onderwerp met het investeringsklimaat van Nederland? Waarom geeft de regering geen gehoor aan de oproep van de Raad van State om verdere terughoudendheid te bewaren alvorens over te gaan tot verdere maatregelen? Welke vergelijkbare maatregelen worden voorbereid in internationaal verband en hoe sluiten deze maatregelen aan bij het Nederlandse beleid? Welke maatregelen van de commissie-Ter Haar zijn of worden door dit kabinet integraal overgenomen en waarom?

De leden van de fractie van GroenLinks lezen in de beantwoording van de regering dat verliezen niet volledig verrekenbaar zijn bij bedrijven die verliezen hebben groter dan tweemaal de winst. Klopt het dat verliezen al niet verrekenbaar zijn als ze groter zijn dan de helft van de winst?

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

I Toelichting – algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de gevolgen van private investeringen kwantitatief kan beschrijven.

De leden vragen of de regering kan aangeven hoe groot de terugval in private investeringen is vanwege de coronacrisis en of zij deze terugval in historisch perspectief kan plaatsen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de beleidsmatige lastenmutatie voor het bedrijfsleven door kabinetsbeleid van Rutte-III kan geven. Kan dit vergeleken worden met de lastenmutatie voor huishoudens? Hoe wijzigt de BIK de lastenmutatie voor het bedrijfsleven?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de totale lastenmutatie volgend uit dit Belastingplan voor het bedrijfsleven kan schetsen. Met hoeveel dalen of stijgen de lasten per saldo voor het bedrijfsleven vanwege dit pakket?

De leden vragen of de regering het belang van lagere lasten op arbeid kan schetsten, en hoe de BIK daar aan bijdraagt.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de lasten op arbeid en de wig in vergelijking met de lasten op arbeid en de wig in andere EU-landen kan schetsen? Belast Nederland arbeid relatief zwaar?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de relatie tussen de BIK en ander beleid van het kabinet om investeringen te stimuleren kan schetsen. Kan de economische schade geschetst worden als de hoeveelheid investeringen in de Nederlandse economie langjarig geschaad wordt?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de nota van wijziging inzake de baangerelateerde investeringskorting (BIK). Deze leden begrijpen dat de context van dit voorstel tot een fiscale stimulering van bedrijfsinvesteringen een zeer bijzondere is. Vanwege de coronapandemie hebben bedrijven te maken met zware economische omstandigheden, waardoor investeringen achterblijven. De regeling moet investeringen ondersteunen en naar voren halen en daarmee tot positieve economische effecten leiden. De leden van de CDA-fractie onderschrijven het doel om investeringen te stimuleren om de (arbeids)productiviteit van Nederland te verhogen en de crisis door te komen door te investeren en te innoveren. Wel hebben deze leden vragen bij de uitwerking en doelmatigheid van de voorgestelde BIK-regeling en ontvangen zij graag nadere toelichting van de regering.

De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennisgenomen van de nota van wijziging waarin de baangerelateerde investeringskorting wordt geïntroduceerd. Deze leden onderstrepen het belang van investeringen, publiek en privaat, in tijden waarin de economie klappen krijgt. Deze leden constateren wel dat het belangrijk is dat de instrumenten die investeringen stimuleren effectief zijn.

De leden van de SP-fractie zien in deze nota van wijziging geen wijziging die noodzakelijkerwijs als onderdeel van het Belastingplan had moeten worden gepresenteerd, zoals ook door de Raad van State is gesteld die zich baseert op de motie-Hoekstra. Nota’s van wijziging op drie wetten op dermate korte termijn naar de Kamer sturen geeft werkelijk geen pas en is een schoffering van een van de twee wetgevers in het Nederlandse wetgevende bestel, alsmede van de uitspraak van de Eerste Kamer op aangeven van het lid Hoekstra dat wetgeving niet op deze manier dient te worden gebundeld. Deze leden stellen hierbij vast dat de regering een voorstel dat al bekend was bij de presentatie van de begrotingen door de strot van de Kamer duwt door dermate talmend bekend te maken wat de regeling inhoudt. Zij constateren dat de nota van wijziging geen substantiële aanvullende informatie bevat die niet al bekend was op Prinsjesdag en daarmee al geruime tijd geleden aan de Kamer had kunnen worden gezonden. Deze leden wijzen tevens op de redactionele opmerking van de Raad van State dat «baangerelateerd» geen onderdeel dient te zijn van de benaming van dit instrument dat toch hoofdzakelijk ten goede komt aan de winstuitkering door bedrijven.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de tweede nota van wijziging aangaande de baangerelateerde investeringskorting (BIK). De leden van de PvdA-fractie achten een lastenverlichting voor het bedrijfsleven niet noodzakelijk, en met de ongerichte BIK worden ook de doelen van de regering niet gehaald. De leden van de PvdA-fractie verzoeken dan ook dringend om dit plan niet door te zetten. Voorts verzoeken zij de potsierlijke term «baangerelateerd» niet meer in de context van dit wetsvoorstel te gebruiken, nu zoals ook de Raad van State opmerkt, er niets aan dit voorstel baangerelateerd is.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in te gaan op de bevindingen van het CPB, dat stelt dat de BIK geen nieuwe investeringen veroorzaakt, en hooguit investeringen in de tijd verschuift. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat dit daarmee een platte belastingverlaging is voor bedrijven? Deelt de regering voorts de mening dat deze belastingverlaging ook nog eens gaat naar bedrijven die in deze tijden nog capaciteit hebben om investeringen te doen? De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het belang van investeringen, maar achten het van groter belang nu sectoren te steunen die sterk lijden onder de crisis. Waarom heeft de regering daar niet voor gekozen?

1. Baangerelateerde investeringskorting (BIK)

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering te reageren op de analyse van het CPB dat deze investeringskorting niet leidt tot een substantiële toename van investeringen in 2021 en 2022. Hoe hoog is het geraamde bedrag aan investeringen in 2020, 2021, 2022 en 2023 inclusief BIK? Hoe hoog zijn deze bedragen exclusief BIK? Met andere woorden, in hoeverre draagt de BIK daadwerkelijk bij aan extra investeringen (kwantitatief onderbouwd)?

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering, nadat de afschaffing van de dividendbelasting van de baan was, een nieuw douceurtje voor het grootbedrijf heeft gecreëerd. Dat de verlaging van de vennootschapsbelasting van de baan is begrijpen deze leden, aangezien het grootbedrijf het komende jaar maar weinig winst zal maken, en de regering heeft dus kennelijk een andere post gevonden om de grootste bedrijven in Nederland nog een korting te geven op een post waar zij nog wel een korting op kunnen krijgen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat private investeringen gericht zouden moeten zijn op baancreatie en de transitie naar een duurzame economie. Dat is deze regeling niet. Het aantal banen kan niet gegarandeerd worden. Mogelijk zorgen deze middelen vooral voor werkgelegenheid in het buitenland, omdat veel onderdelen en machines daar worden geproduceerd. Mogelijk vervangen deze machines mensen en leidt de regeling uiteindelijk tot baanvernietiging. Daarnaast zullen vooral bedrijven profiteren waarmee het al goed ging. Een noodlijdend bedrijf zal hoe dan ook niet investeren, ook niet met het vooruitzicht op 3% investeringskorting. De 4 miljard euro zal vooral ten goede komen aan bedrijven die al investeringsplannen op de plank hadden liggen. Dit is ook wat de Raad van State en het Centraal Planbureau stellen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie twijfelen aan het motief van de regering om de BIK in te voeren en vragen zich af of de werkgelegenheid de primaire reden is voor het invoeren van de regeling. Wat heeft de regering gedaan met de uitlatingen van de adviesorganen?

De Partij voor de Dieren-fractie vinden dat banen gecreëerd moeten worden in toekomstbestendige sectoren en dat investeringen die niet bijdragen aan de 1,5 gradeneconomie, niet gestimuleerd moeten worden. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het goed dat de regering, anders dan wat in de bijlagen van de Miljoenennota staat, toch heeft besloten om de BIK als aanvulling in te voeren op de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL). Eerder waren investeringen die al kwalificeerden voor deze regelingen uitgesloten van de BIK. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vonden dit ongepast, gezien de ernst van de klimaat- en biodiversiteitscrisis.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er steeds meer aandacht is voor vergroening en dat we daardoor afgeleid worden van het feit dat er nog steeds veel te veel vervuiling is. Het is erg belangrijk dat we stoppen met vervuilende investeringen. Met de BIK is er 4 miljard euro gereserveerd voor investeringen die hier niet op gericht zijn. De 1,5 gradeneconomie heeft integraal beleid nodig. Met verkokerd duurzaamheidsbeleid en aparte regelingen die gericht zijn op de doelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs komen we er niet: regelingen die niet bijdragen aan de transitie of juist de inspanningen ondermijnen, moeten we afschaffen. Vindt de regering dit ook logisch? Waarom? Zo nee, waarom vindt de regering dit niet logisch? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden dat niet alleen de begroting volledig in het teken van de klimaatdoelstellingen moet staan, maar dat ook het belastingstelsel hierop gericht moet zijn.

Klopt het dat de intensieve veeteelt niet kan worden uitgesloten van de regeling, waardoor er investeringen in schaalvergrotende machines worden gestimuleerd, die er mogelijk ook voor zorgen dat er meer mensen voor hun baan afhankelijk worden van de grootschalige veeteelt? Hoe beoordeelt de regering dit in het licht van de stikstofcrisis en de klimaat- en biodiversiteitscrisis?

Er is een breder gedragen wens om voorwaarden te verbinden aan de BIK, zoals baancreatie en duurzaamheid. De Staatssecretaris van Financiën beriep zich tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen op uitvoeringsproblemen. Wat houden deze uitvoeringsproblemen precies in? Is de BIK met duurzaamheidsvoorwaarden aan een uitvoeringstoets onderworpen? Wat kwam hier uit? Zo nee, waarom is dit niet gedaan? Hoe kan het dat er wel voorwaarden zijn gekoppeld aan de EIA, de MIA en de VAMIL?

1.1 Inleiding

De regering merkt op dat het uiteindelijk doel is om tijdelijk investeringen te bevorderen en daar waar mogelijk naar voren te halen. Voorts merkt de regering op dat na afschaffing van de BIK per 1 januari 2023 de budgettaire ruimte zal worden gebruikt voor een nader te bepalen maatregel met hetzelfde doelbereik, namelijk het verlagen van werkgeverskosten. De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om nader toe te lichten of het uiteindelijke doel van de BIK-regeling is het verlagen van de werkgeverslasten of het aanjagen en naar voren halen van investeringen.

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering aan te geven welke alternatieven de regering heeft onderzocht die de gewenste investeringen bewerkstelligen en tevens aangewend kunnen worden door bedrijven die niet noodzakelijk winst maken.

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering aan te geven welke alternatieven de regering heeft onderzocht om de werkgeverslasten te verlagen. Daarnaast verzoeken deze leden aan te geven in welke mate, onder normale economische omstandigheden, ondernemers in de inkomstenbelasting zonder personeelskosten bijdragen aan het totaal van de private investeringen per jaar.

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om aan te geven op grond van welke overwegingen zij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om de term «baangerelateerd» te laten te vervallen, niet heeft opgevolgd.

Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven wat de gevolgen zijn indien een bedrijf niet de volledige afdrachtvermindering kan verzilveren?

De leden van de CDA-fractie zijn allereerst benieuwd welke doelgroep de regering precies voor ogen heeft gehad bij de vormgeving van deze regeling. Deze leden vragen of de regering verwacht dat de investeringsregeling ertoe zal leiden dat bedrijven die vanwege de crisis onvoldoende investeringsruimte hebben, met een dergelijke regeling toch gestimuleerd worden. Of heeft de regering ten aanzien van deze regeling andere verwachtingen? Ten aanzien van het doel om meer investeringen te stimuleren vragen deze leden zich af of de tegemoetkoming voldoende is om dit doel te bereiken. Zij verwachten dat de groep die meer van de regeling zal profiteren de groep is die voldoende middelen heeft om te investeren, dan wel deze middelen kan aantrekken om binnen afzienbare tijd een investering te doen. Deze leden vragen de regering wat haar inschatting is van de categorie ondernemers waarvan zij de meeste aanvragen verwacht. Deze leden vragen de regering in dat kader ook of zij meer effecten van de BIK verwacht op de korte termijn of op de lange termijn. Zij vragen een toelichting van de regering op de gedachte achter de investeringskorting in deze vorm en op welke manier deze zou moeten leiden tot de beoogde effecten.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie of de regering nader kan ingaan op de vraag van de Raad van State of gezien de omvang en complexiteit van de maatregel en politieke gevoeligheid ervan de BIK niet beter in een separaat wetsvoorstel had kunnen worden opgenomen. De regering beargumenteert dat andere tijdelijke fiscale steun- en herstelmaatregelen vanwege corona eveneens zijn opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2021. De leden van de CDA-fractie merken echter op dat het opnemen van de overige tijdelijke maatregelen met name ging om codificatie van reeds genomen besluiten, terwijl de BIK een nieuw en complex voorstel is en om een groot budgettair beslag gaat.

De leden van de fractie van D66 vragen of alle vennootschapsbelastingplichtigen gebruik kunnen maken van de BIK. Deze leden vragen of kan worden bevestigd dat volgens de huidige vormgeving ook woningcorporaties en jeugdzorginstellingen van de BIK gebruik kunnen maken.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering nader in te gaan op de kritiek van de Raad van State dat er ook ondersteuning plaatsvindt waar dat niet opportuun is. Kan dit cijfermatig worden onderbouwd? Hoe groot is de deadweight loss?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering nader in te gaan op de kritiek van de Raad van State over de motie-Hoekstra c.s. Waarom wordt deze motie niet opgevolgd? Wat is er fundamenteel op tegen om de BIK als los wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?

De leden van de SP-fractie constateren dat wat de regering betreft de twee miljard die met de BIK naar het bedrijfsleven gaat na 2023 in andere vorm naar het bedrijfsleven gaat. Zij vragen de regering in welke vorm het Nederlands grootbedrijf dan weer geholpen gaat worden om hun aandeelhouders geld uit te keren. Zij vragen de regering hoe zij dit in verhouding moet zien met de verlaging van de vennootschapsbelasting en een bevestiging dat de hoogste schijf hiervan niet verlaagd gaat worden per 1 januari 2023.

De BIK voorziet in een afdrachtvermindering in de loonbelasting op investeringen in bedrijfsmiddelen. Is de regering het met de leden van PvdA-fractie eens dat dit gekunsteld is? Waarom is voor deze vormgeving gekozen? Heeft dit ermee te maken dat grote bedrijven geen of weinig winstbelasting betalen, en dat dit een manier is om die bedrijven een extra fiscale tegemoetkoming te bieden?

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de regering in het Belastingplan een regeling introduceert om de investeringen van ondernemingen te bevorderen. De rationale hierachter is dat achterblijvende investeringen leiden tot economische schade en er daarom juist in een laagconjunctuur zowel publiek als privaat geïnvesteerd moet blijven worden. Deze leden zijn ook voorstander van het idee dat innoveren, investeren en het in vaste dienst hebben en houden van mensen aantrekkelijk moet zijn in tijden van crisis. Tegelijkertijd zijn er nog wel veel onzekerheden omtrent de regeling.

Het valt de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat deze investeringskorting baangerelateerd heet te zijn. De Raad van State waarschuwde dat deze gesuggereerde koppeling met de werkgelegenheid onterecht is, aangezien de regeling ook geldt voor investeringen waarbij banen mogelijk verdwijnen. Hoewel de regeling weliswaar te maken heeft met de loonheffing is er geen directe link met banencreatie of -behoud. Deze leden vragen het kabinet daarom om onderbouwing van de stelling dat deze regeling baangerelateerd is. Immers, een goede investering betekent niet noodzakelijk een investering waarbij een baan behouden of gecreëerd wordt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien dat er nog onzekerheid bestaat in het wetsontwerp over veel verschillende effecten. Op dit moment is onzeker en onduidelijk hoeveel bedrijven kunnen en gaan gebruikmaken van de regeling en wordt er een erg ruime bandbreedte aangehouden van 300.000 tot 600.000 aanvragen per jaar. (Wanneer) kan de regering hier meer duidelijkheid over geven? Ook is het onzeker of de relatief kleine korting een danig groot gedragseffect bij ondernemingen teweegbrengt. Zo stelt het CPB dat deze kleine korting maakt dat «de afdrachtsvermindering niet leidt tot een substantiële toename van investeringen in 2021 en 2022». Kortom, de raming van de budgettaire effecten van de afdrachtsvermindering kent een hoge mate van onzekerheid. Wat maakt dat de regering dit anders inschat? Tot slot vragen deze leden waarom de regering gekozen heeft voor een fiscale aftrekpost in plaats van een subsidie. Aftrekposten zijn immers lastiger in te schatten op uiteindelijke kosten en bovendien moeilijker te controleren op of het geld goed is besteed. Ook de Raad van State stelt dat investeringen beter gestimuleerd kunnen worden met een subsidieregeling. Wat is de afweging van de regering geweest in dezen?

1.2 Doel van de regeling

De leden van de VVD-fractie vragen of, gegeven de stand van de economie, het belang van het naar voren halen van investeringen benadrukt kan worden, en hoe de BIK daaraan bijdraagt.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de doelstelling van de regering is om investeringen een impuls te geven, omdat op de korte termijn de bestedingen teruglopen, terwijl het op de lange termijn de economie kan schaden als bedrijven hun productiecapaciteit niet uitbreiden. De BIK zou daarom moeten leiden tot bestedingen en baanbehoud op de korte termijn en uitbreiding van het verdienvermogen op de langere termijn. Deze leden kunnen zich inderdaad voorstellen dat investeringen in de private sector tot deze doelen kunnen leiden. Zo achten deze leden het van belang dat mkb en familiebedrijven die in het afgelopen jaar hun reserves naar beneden hebben zien gaan kunnen worden ondersteund. Wel vragen zij zich af of het kleine percentage investeringskorting bedrijven die significant minder investeringsruimte hebben vanwege de crisis over de streep zal trekken. Maar ook of de bedrijven die ondanks de crisis voldoende ruimte hebben om te investeren dat zonder deze korting niet hadden gedaan. Deze leden vragen de regering daarom de doelmatigheid van de regeling nader toe te lichten. Kan de regering ook verder op de zorgen van de Raad van State ingaan of de ondersteuning door een ongerichte maatregel wel plaatsvindt waar dat opportuun is?

De regering acht de vormgeving van een korting via de loonheffingen voordelig omdat deze ook ten gunste komt van bedrijven met werknemers die geen winst maken. De leden van de CDA-fractie delen dit uitgangspunt. Zij vragen de regering wel of dit dan ziet op bedrijven met veel reserves, want anders kan een onderneming die geen winst maakt, mogelijk lastig kapitaal kan aantrekken, om dergelijke investeringen te doen. Kan de regering aangeven hoe zij de mogelijkheden voor deze ondernemingen inschat om liquide middelen vrij te maken en kapitaal aan te trekken?

De regering beargumenteert dat zij er expliciet voor kiest bedrijven mét werknemers van deze regeling te laten profiteren (baangerelateerd). Tegelijkertijd wordt ook de zelfstandigenaftrek afgebouwd. Onder andere de commissie-Borstlap (die de arbeidsmarkt onderzocht) bepleit dat hier een op investeringen (en op vermogensvorming) gericht regime tegenover zou moeten staan. De BIK is tijdelijk en lijkt hier niet in te voorzien. Wordt nagedacht over een dergelijke fiscale tegemoetkoming voor investeringen door kleine (zelfstandig) ondernemers, zoals de bakker die eens in de vijf of tien jaar een nieuwe oven aanschaft?

De Raad van State wijst erop dat met name arbeidsintensieve bedrijven van de BIK zullen profiteren en kapitaalintensieve bedrijven, in bijvoorbeeld de maakindustrie, veel minder. Deze leden vragen wat de mening van de regering ten aanzien hiervan is. Kan de regering toelichten wat de verwachte effecten op de maakindustrie zijn? Ook vragen deze leden wat de BIK in dit licht betekent voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Wat zijn de effecten van de BIK op innovatie? Bestaat het risico dat de BIK werkt als een rem op innovatie, omdat de regeling vooral focust op baanbehoud?

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de verschillende vormen van investeringsstimuleringsmaatregelen, het solvabiliteitsfonds, het groeifonds, de innovatiebox, de BIK, in samenhang moeten worden bezien. Kan het zijn dat 1 uitgegeven euro 3 keer wordt gesubsidieerd?

De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat de extra bestedingen bijdragen aan het behoud van banen. Kan de regering dit nader onderbouwen en kwantificeren?

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering zowat alle investeringen behalve vastgoed onder de BIK laat vallen. Zij vragen de regering hoe zij investeringen die banen vernietigen gaat behandelen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering, indien het stimuleren van investeringen het doel is, meer effectieve maatregelen te nemen. Is de regering bereid de BIK te schrappen en de middelen te investeren in woningbouw? Dit levert direct werk op, vermindert de woningnood en voorkomt ontslagen in de bouw. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat een les van de vorige crisis moet zijn om de bouwcapaciteit op orde te houden, zodat er niet weer een grote dip in de bouwproductie ontstaat? Hoeveel betaalbare woningen zouden er gebouwd kunnen worden met een impuls van 4 miljard euro? Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie waarom er niet voor is gekozen een gerichte regeling te ontwerpen om sectoren te steunen die deze crisis zwaar worden geraakt.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook twijfels over de gerichtheid van de maatregel. Niet alle sectoren en bedrijven zijn even hard geraakt door de coronacrisis. Dat maakt het een uitdaging om de regeling te laten landen bij juist die ondernemingen die door de coronacrisis en de vraaguitval beperkt zijn in hun investeringsruimte. Op dit moment heeft de BIK de schijn dusdanig generiek van aard te zijn dat vooral de (goedlopende) bedrijven die toch al zouden investeren ervan profiteren. Dat zou geen recht doen aan de ambitie om juist extra investeringen te genereren. Dit heeft onder meer te maken met het generieke karakter en gebrek aan duidelijke voorwaarden aan bedrijfsinvesteringen. Het FNV roept in dit kader op om duidelijke voorwaarden aan goede investeringsregelingen te verbinden, zoals het gericht zijn op brede welvaart; op hoogwaardige waarden- en banencreatie; en het bijdragen aan het toekomstige verdienvermogen. Zoals bij bestaande regelingen als de MIA en de EIA. Hoe ziet de regering deze zorgen en suggesties?

De leden van de SGP-fractie vragen of een van de doelen van de baangerelateerde investeringskorting (BIK), zoals de naam doet vermoeden, het behouden en scheppen van werkgelegenheid is. En zo ja, hoe doelmatig en doeltreffend acht de regering in dat licht de voorgestelde maatregel? Wat is volgens de regering het effect van de BIK op de werkgelegenheid?

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de doelmatigheid van de maatregel. Klopt het dat de prognoses erop wijzen dat investeringen met circa 10 miljard euro zullen afnemen tot ongeveer 90 miljard euro? Is het doel van de BIK om deze daling van investeringen tegen te gaan? En zo ja, klopt het dat de regering dit doel probeert te bereiken door een maatregel met een budget van, naar verwachting, twee miljard euro per jaar? Kan de regering in het licht van deze vragen de doelmatigheid nader toelichten?

1.3. Effectiviteit

De leden van de VVD-fractie vragen naar de kracht van de BIK in juist deze economisch zware tijden. Waarom is juist de BIK een goede maatregel ten tijde van de huidige coronacrisis?

De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om aan te geven in welke mate de verwachte daling van de investeringen van tien miljard euro wordt beperkt door de BIK.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering met de vormgeving van de BIK als tijdelijke, gerichte stimulering van nieuwe investeringen via een afdrachtskorting verwacht een maximaal effect te bereiken op private investeringen. Deze leden vragen of de regering kan toelichten of nog andere opties zijn overwogen, zo ja welke en waarom deze opties niet het maximale effect sorteren.

Deze leden lezen dat de regering de effectiviteit van de BIK onderbouwt met verschillende studies naar het effect van fiscale investeringsregelingen. De leden van de CDA-fractie kunnen op basis van de aangehaalde studies niet goed een conclusie verbinden ten aanzien van de effectiviteit van de BIK. Er wordt bijvoorbeeld niet toegelicht of het om subsidies vergelijkbaar met de BIK gaat, of het om tijdelijke of structurele subsidies gaat en of de economische omstandigheden vergelijkbaar zijn met de huidige coronacrisis. Kan de regering verdere toelichting geven op deze studies en hoe deze kunnen dienen ter onderbouwing van de keuze voor de BIK?

Deze leden lezen ook dat er geen evident effect van fiscale investeringssubsidies wordt aangetoond op de werkgelegenheid. Toch lezen deze leden dat de motivering van de regering voor deze regeling onder meer baanbehoud en uitbreiding van het verdienvermogen is. Heeft de regering bij deze maatregel een positief effect op de werkgelegenheid voor ogen?

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel banen worden gecreëerd door de BIK en hoeveel banen behouden blijven. De leden van de fractie van D66 vragen of is overwogen de BIK in een subsidie vorm te geven. Deze leden vragen tevens of het capaciteitseffect kan worden gekwantificeerd. De leden van de fractie van D66 vragen of is overwogen om een maximumgrens aan te brengen om de BIK budgettair beheersbaar te houden. Deze leden vragen waarom hier niet voor is gekozen. De leden vragen welke lessen van de Wet op de Investeringsrekening (WIR) invloed hebben gehad op de vormgeving van de BIK.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de bang for the buck is van de BIK. Tevens vragen deze leden of ook andere alternatieven zijn overwogen en welke dit zijn. Daarnaast vragen deze leden of willekeurige afschrijving over bedrijfsmiddelen is overwogen.

De leden van de fractie van GroenLinks kijken met interesse uit naar de studie van het CPB over de economische effecten van de BIK en de vergelijking met alternatieven. Wanneer verwacht de regering deze naar de Kamer te kunnen sturen?

De leden van de SP-fractie maken op uit de nota van wijziging dat de effectiviteit van de maatregel onduidelijk is. Zij vragen de regering om een vergelijking te maken met de S&O-aftrek waarvan ook al sinds deze bestaat de additionaliteit, het creëren van een stimulans om onderzoek te doen, betwijfeld wordt. In hoeverre heeft de regering de verwachting dat daadwerkelijk besloten wordt tot nieuwe investeringen en waarom treffen deze leden hierover geen onderbouwing in de nota van wijziging aan?

De leden van de PvdA-fractie vragen in te gaan op de kritiek van het CPB dat de percentages te laag zijn om effectief nieuwe investeringen uit te lokken. Kan bovendien worden ingegaan op de verzilveringsproblematiek? Betekent dit dat er voor die bedrijven geen af te dragen loonbelasting meer overblijft? Waarom wordt het mogelijk gemaakt om investeringen door een vennootschap af te trekken in de loonbelasting van een ander vennootschap, een concept uit de vpb maar niet uit de loonbelasting?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen bij de ambitie om investeringen naar voren te halen. Het Centraal Planbureau concludeerde dat het enige investeringseffect op dit moment juist het uitstellen van investeringen in Q3 en Q4 2020 naar 2021 is, hetgeen de economische schade in 2020 alleen maar vergroot. De prikkel om de korting te verzilveren zou eerder leiden tot het verschuiven van investeringen dan tot het effectief naar voren halen. Het CPB voorspelt dat een vijfde van de investeringen uit 2023 een jaar naar voren wordt gehaald en een vijfde van de investeringen die gepland staan in het laatste kwartaal van dit jaar juist een jaar uitgesteld wordt. Per saldo dus weinig winst. Wat voor reden heeft de regering om aan te nemen dat de manier waarop deze investeringskorting is vormgegeven wel degelijk uitnodigt tot het naar voren halen van private investeringen? Tot slot vragen deze leden of en in hoeverre, gezien deze berekeningen van het CPB, dit wetsvoorstel voldoet aan artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of deze regeling wel investeringen met zich meebrengt die de samenleving nodig heeft. Het is nu een ongerichte maatregel en het voorbeeld van een Duitse of Franse bus kopen waarmee een chauffeursbaan geschapen wordt, overtuigt de leden niet. Investeringen in woningbouw zijn wat dat betreft veel urgenter maar hiermee wordt de voorgestelde regeling nauwelijks gestimuleerd. De leden van de fractie van 50PLUS zien meer in een veel grotere en al dan niet voorwaardelijke verlaging van de verhuurderheffing, als middel om de investeringen in met name de nationale bouwsector aan te jagen.

De leden van de fractie van 50PLUS onderschrijven de noodzaak tot het stimuleren van investeringen, maar die moeten dan ook voorzien in maatschappelijke behoeften.

1.4 Accent op het mkb

De leden van de VVD-fractie vragen welk deel van de opbrengst naar verwachting naar het mkb gaat.

De leden van de CDA-fractie achten het goed dat het accent van de BIK op het mkb ligt. Zij lezen dat het investeringspotentieel waarvoor de BIK kan worden toegepast 75 miljard euro is. Uit de voetnoot bij tabel 1 begrijpen deze leden dat de getoonde grondslag van 71 miljard euro (op basis van 2017 vennootschapsbelasting aangiftecijfers), een benadering van het investeringsniveau is en vrijwel overeenkomt met de geraamde gemiddelde grondslag van 75 miljard euro. Deze leden vragen waarom voor het bepalen van de korting is gerekend met de gemiddelde investeringsgrondslag, terwijl dit jaar veel minder investeringen worden verwacht. Zou het baseren van de percentages op een lagere verwachte grondslag een grotere impuls kunnen geven?

De verdeling van de staffel wordt gebaseerd op de cijfers uit 2017. Deze leden vragen zich af of het mkb niet harder is geraakt door de crisis dan grote ondernemingen die doorgaans grotere buffers hebben om schokken op te vangen. Zijn daarom een vergelijkbaar aantal investeringen uit het mkb te verwachten? En is dit meegenomen in de verdeling van de staffel?

De leden van de fractie van D66 vragen op basis waarvan de grens van 5.000.000 euro is gekozen. Deze leden vragen wat het gemiddelde investeringsbedrag is van een mkb’er, uitgaande van de schijfgrensverlenging opgenomen in dit Belastingplan.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kan dat het grootbedrijf een groter aandeel van het budgettair beslag inneemt in de innovatiebox en bij de BIK het mkb juist een groter aandeel van het budgettair beslag inneemt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering om een uitsplitsing tussen mkb en het grote bedrijfsleven als het gaat om het aantal banen en betaalde belasting in Nederland.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een fictief voorbeeld van een bedrijf met een bepaalde omvang waarbij de investeringskorting niet volledig verzilverd kan worden. Hoeveel valt er ongeveer te verzilveren bij een bedrijf met 5, 10, 100 of 1000 werknemers?

De leden van de SP-fractie lezen in de nota van wijziging dat deze maatregel mkb-vriendelijk zou zijn. Om te investeren moet het mkb echter ook kunnen investeren. Hoewel deze regeling iets kan bijdragen aan de betaalbaarheid van een investering heeft een klein bedrijf echter ook eigen vermogen nodig om bijvoorbeeld bankfinanciering aan te gaan. De eigenvermogens- en liquiditeitspositie is voor veel van deze bedrijven nog steeds niet goed genoeg om te kunnen investeren. Daarom is een enkel tabelletje met hoe een investering in aanmerking komt voor de aftrek onvoldoende onderbouwing om te veronderstellen dat het mkb hier ook gebruik van kan maken. Deze leden vragen de regering om een uitgebreide onderbouwing dat het mkb, het kleinbedrijf in het bijzonder, gebruik kan en gaat maken van deze regeling. Deze leden constateren dat van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek door het mkb ruim gebruik wordt gemaakt, maar zien niet direct aanleiding om aan te nemen dat dit ook voor deze regeling gaat gelden. Zeker omdat het grootbedrijf inmiddels van belastingplanning een van haar hoofdtaken heeft gemaakt, verwachten deze leden dat met name deze tak hoofdgebruiker van de BIK gaat zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om de afdrachtvermindering tot een bepaald maximum te beperken, mede overwegende dat er wel een minimum is opgenomen. Is de regering alsnog bereid een maximumvermindering in de regeling op te nemen? Waarom is niet gekozen voor een meer aflopend verminderingspercentage, om het voordeel veel meer bij het mkb neer te laten slaan?

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn zeer te spreken over de voorgenomen mkb-toets, waarmee ook de input van ondernemers wordt gevraagd om een proces te realiseren met zo min mogelijk regeldruk. Het is goed om te constateren dat het accent bij de BIK op het mkb ligt, door onder meer de ingebouwde staffel zodat kleinere investeringen een grotere tegemoetkoming krijgen dan grotere investeringen. De bedoeling is dat zestig procent van het voor de BIK vrijgemaakte budget (1,2 miljard euro per jaar) uiteindelijk bij het mkb belandt. Deze schatting is echter nog omgeven door enige onzekerheid. Kan de regering meer inzicht geven in hoe het tot deze voorspelde scheefheidsverdeling in de regeling is gekomen? Bijvoorbeeld met een Ginicoëfficiënt bij die scheefheidsverdeling zodat deze leden de inschatting beter kunnen beoordelen en contoleren – conform de toezegging bij de afgelopen Algemene Financiële Beschouwingen. Mocht de situatie zich voordoen dat tegen het einde van 2021 op basis van de tot dan toe ontvangen aanvragen bij de RVO blijkt dat het mkb minder dan verwacht (zestig procent) gebruikmaakt van de BIK, is dat dan aanleiding om de parameters voor de BIK voor het jaar 2022 bij te stellen ten faveure van het mkb?

De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat bedrijven maximaal vier keer per jaar (eens per kwartaal) een aanvraag kunnen doen. Wordt het financiële voordeel bepaald aan de hand van het totale investeringsbedrag, of van de aanvragen afzonderlijk? Indien dat laatste het geval is, ontstaat daardoor niet het risico dat niet-mkb-bedrijven de totale aanvraag splitsen in vier afzonderlijke aanvragen, zodat een groter deel van de totale aanvraag onder het tarief van 3% valt? Is dit effect voorzien? Kan de regering nader ingaan op de wenselijkheid daarvan? En zijn er maatregelen ingebouwd om dit tegen te gaan?

De regering benadrukt dat de BIK met name bedoeld is voor het mkb. De leden van de SGP-fractie onderschrijven die opvatting. Juist het mkb is door de gevolgen van de coronacrisis geraakt, de liquiditeitspositie van het mkb is verslechterd, en juist het mkb heeft extra ondersteuning nodig. Toch komt, naar verwachting, slechts 59% van de BIK-afdrachtvermindering terecht bij het mkb. Waarom is niet gekozen voor een hoger percentage (door de tarieven van de staffels te wijzigen), zodat de regeling echt op het mkb gericht wordt?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de BIK een generieke stimuleringsmaatregel is. Hierdoor worden niet alleen ondernemingen gesteund die door de coronacrisis fors geraakt zijn, maar ook ondernemingen waarbij de omzet en winst, juist door de coronacrisis, flink is gestegen. Waarbij geldt dat het de verwachting is dat de laatstgenoemden ook zonder de BIK zullen investeren. Welke mogelijkheden zijn onderzocht om de BIK meer specifiek in te zetten voor mkb-ondernemingen die deze afdrachtvermindering écht nodig hebben?

De leden van de SGP-fractie constateren dat door de opzet van de BIK kapitaalintensieve bedrijven minder profijt hebben van de regeling dan arbeidsintensieve bedrijven. Is dit een bewuste keuze of is dit inherent aan de regeling? Welke opties zijn overwogen om een meer gelijke verdeling te genereren tussen kapitaal- en arbeidsintensieve ondernemingen?

1.5 Aanvulling op bestaande stimuleringsmaatregelen

De leden van de CDA-fractie lezen dat door de stapeling met de EIA, MIA en VAMIL de bestaande stimulans om te investeren in groene bedrijfsmiddelen in stand blijft. Ook de combinatie met de KIA biedt het mkb meer ruimte om beide kortingen op hun investeringen toe te passen. De BIK en de KIA bieden een generieke investeringskorting die niet afhankelijk is van andere doelstellingen van de regering, zoals vergroening of het stimuleren van innovatie. Hoe past de BIK daarmee in de groeistrategie van de Nederlandse overheid?

Deze leden lezen voorts dat de vormgeving van de BIK is voorbehouden aan inhoudingsplichtigen in de zin van de loonbelasting die een onderneming drijven. In de artikelsgewijze toelichting lezen zij verder dat inhoudingsplichtigen die niet belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geen beroep kunnen doen op de BIK. Zij vragen welke delen van de overheid vennootschapsbelastingplichtig zijn en aanspraak kunnen maken op de BIK. Is de Belastingdienst zelf vennootschapsbelastingplichtig en kan zij aanspraak maken op de BIK? Ook vragen deze leden de regering of zorginstellingen en ziekenhuizen dan geen gebruik kunnen maken van de BIK. Indien dit het geval is, dan vragen deze leden of de regeling niet kan worden uitgebreid naar deze instellingen. In de coronacrisis is gebleken hoe essentieel zij zijn voor ons land en ook deze instellingen doen investeringen. Ook vragen deze leden of gemeentes die gedeeltelijk belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting aanspraak kunnen maken op de BIK. En kan de regering ook aangeven of woningcorporaties die woningen bouwen voor deze regeling in aanmerking komen? Dat lijkt de leden van de CDA-fractie gewenst, omdat er een groot woningtekort is. Kan de regering uitleggen hoe de BIK voor woningcorporaties uitwerkt?

Deze leden lezen dat voor de BIK zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de KIA. In de artikelsgewijze toelichting zien zij welke investeringen niet voor de BIK in aanmerking komen. Zij vragen of investeringen in bedrijfs-onroerend goed, zoals nieuwe kantoren, stallen en fabrieken wel onder de BIK kunnen vallen. En als een ondernemer een bedrijfshal helemaal isoleert, wat een grote duurzame investering vormt, kan deze investering dan niet kwalificeren onder de BIK? En als een ondernemer zijn asbest dak door een volledig nieuw geïsoleerd dak met zonnepanelen vervangt, kan dan het gehele nieuwe dak onder de BIK kan vallen of alleen de zonnepanelen? Ook vragen deze leden, indien het bouwen van bijvoorbeeld een nieuwe fabriek langer dan twee jaar duurt, hoe de regering hier dan mee omgaat. Deze leden achten dit toch juist de grote investeringen die een positief effect hebben op productiecapaciteit.

De leden van de fractie van D66 vinden het goed dat de BIK een aanvulling vormt op groene stimuleringsmaatregelen. Deze leden vragen of er niet ook nog een manier binnen de BIK kan worden gevonden om groene investeringen extra te stimuleren.

1.6 Nieuwe investeringen

De leden van de CDA-fractie lezen dat de BIK uitsluitend van toepassing is op investeringen waarvoor de beslissing tot investering is genomen op of na 1 oktober 2020. Daarbij moet aannemelijk worden gemaakt dat de contractuele verplichting (koopcontract of anderszins) op of na die datum is ingegaan. Deze leden vragen of hier een risico op misbruik bestaat, doordat partijen een nieuw koopcontract opstellen om van de regeling gebruik te kunnen maken. In de artikelsgewijze toelichting lezen deze leden voorts dat indien geen contract is getekend, de aanvrager op een andere wijze aannemelijk dient te maken dat de investering niet vóór 1 oktober 2020 is aangegaan en dat deze bewijslast vormvrij is. Deze leden vragen of de regering voorbeelden kan geven van manieren waarop het moment van de investeringsbeslissing kan worden aangetoond. Hoe dient te worden omgegaan met e-mailverkeer tussen partijen, mondelinge afspraken, offertes, etc.? Deze leden achten het risico op misbruik hiermee toegenomen. Hoe wil de regering dit tegengaan?

Verder lezen deze leden in de toelichting dat de laatste betaling voor een BIK-investering moet zijn gedaan in 2021 of 2022. Zij vragen of investeringen die na 1 oktober 2020 zijn gedaan en in 2020 worden betaald dan niet onder de BIK kunnen vallen. Ook vragen zij hoe de regeling uitwerkt bijvoorbeeld bij grotere investeringen die een langere betalingstermijn hebben die tot net na 2022 loopt. Als een ondernemer in november 2022 nog een grote investering doet waarvoor ruimte in de BIK is, maar de betalingstermijn loopt 4 maanden tot eind februari 2023 en de ondernemer heeft onvoldoende liquide middelen om de termijnen eerder te voldoen, komt de investering dan niet meer in aanmerking voor een BIK-korting? Deze leden lezen dat de BIK-verklaring tot 3 maanden na 2022 kan worden aangevraagd, dus dat zou zijn nadat de laatste betaling heeft plaatsgevonden. Zijn er versoepelingen mogelijk in dergelijke grensgevallen als daarvoor ruimte is?

Deze leden begrijpen uit de artikelsgewijze toelichting dat pas na de laatste betaling de BIK-verklaring kan worden aangevraagd, wat de uitvoering voor RVO makkelijker moet maken. Zij vragen zich echter af of de ondernemer hiermee het risico loopt dat hij de investering heeft afgerond en RVO achteraf de verklaring niet afgeeft omdat dan pas beoordeling van de investering plaatsvindt. Zou het niet logischer zijn als ondernemers aan de voorkant zekerheid krijgen van RVO dat de investering kwalificeert voor de BIK, waarbij zij wel pas de BIK-verklaring voor de loonheffing krijgen op het moment dat de laatste betaling is gedaan? Op die manier krijgt RVO ook al een beter inzicht in het aantal voorgenomen investeringen. Of bestaan er andere manieren voor ondernemers om zekerheid te krijgen van RVO dat hun investeringen kwalificeren voor de BIK?

Voorts is vereist dat het bedrijfsmiddel binnen zes maanden na de volledige betaling in gebruik wordt genomen. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe de RVO haar mechanismes om dit te controleren heeft ingericht. Zij begrijpen immers ook dat het voorstel geen desinvesteringsbijtelling bevat. Hoe kan worden voorkomen dat wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen om de korting te ontvangen, waarna deze vervolgens binnen korte tijd weer worden doorverkocht? Hoe kan zonder een dergelijke regeling worden geborgd dat investeringen in bedrijfsmiddelen ook daadwerkelijk zullen leiden tot de beoogde capaciteitsgroei bij bedrijven die van de BIK gebruikmaken?

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel extra investeringen worden verwacht als gevolg van de invoering van de BIK ten opzichte van het scenario dat de BIK niet zou zijn ingevoerd. De leden van de fractie van D66 vragen wat in aanmerking komt als «investering». Deze leden vragen of reguliere bedrijfsuitgaven, zoals de inkoop van voorraad, ook in aanmerking komen voor de BIK.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of woningbouwcorporaties ook gebruik kunnen maken van de BIK voor nieuwe woningen. Is het in theorie mogelijk dat zij een groot deel van de 2 miljard euro gebruiken als ze nu heel snel verzoeken indienen voor nieuwe woningen?

De leden van de SP-fractie merken op dat alleen nieuwe investeringen in aanmerking kunnen komen voor de BIK. In welke mate verwacht de regering dat reguliere investeringen, bijvoorbeeld vervanging van afgeschreven machines en wagenpark, hieronder gaan vallen en in welke mate gaan echt nieuwe investeringen hiermee gefinancierd worden? Indien de verhoudingen eerder naar reguliere investeringen uitslaan vragen deze leden de regering te onderbouwen waarom zij vindt dat deze regeling bijdraagt aan investeringen en banen creëert. Indien de regering hier geen gegevens van heeft, vragen deze leden de regering de gegevens ruim voor de behandeling van het Belastingplan te produceren.

1.7 Doelmatigheidsminimum

Ten aanzien van het doelmatigheidsminimum begrijpen de leden van de CDA-fractie dat per bedrijfsmiddel een minimum investeringsbedrag van 1.500 euro geldt. Geldt deze grens per los bedrijfsmiddel of per factuur? Als een mkb-ondernemer nu een investering doet in tien nieuwe laptops van 750 euro per stuk, dus totaal 7.500 euro en later in het jaar 15.000 euro investeert in zonnepanelen, kan de investering in de laptops dan onder de BIK vallen?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering waarom ze het advies van de Raad van State niet heeft overgenomen om de verwarrende term «baangerelateerd» niet te gebruiken.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel bedrijven van de BIK worden uitgesloten door het doelmatigheidsminimum. Klopt het dat veel bedrijven in de dienstensector, zoals kappers, schoonmaakspecialisten, fietsenmakers en middenstanders hierdoor niet in aanmerking komen voor de BIK? Waarom is er wel voor een doelmatigheidsminimum gekozen en niet voor een doelmatigheidsmaximum?

1.8 Budgettaire beheersbaarheid

De leden van de VVD-fractie vragen of 15 december 2021 niet te laat is om de parameters bekend te maken. Hoe verhoudt zich dit tot het behandelschema van het Belastingplan 2022?

De leden van de CDA-fractie lezen dat eind 2021 een schatting wordt gemaakt van het budgettaire beslag, aan de hand waarvan de parameters voor het jaar 2022 kunnen worden aangepast als sprake is van onder- of overschrijding, waaronder het kortingspercentage in 2022. Deze leden vragen of het herzien van de percentages eind 2021 ertoe kan leiden dat investeerders wachten met het doen van de laatste betaling en aanvragen van de BIK-verklaring tot 15 december 2021, zodat zij kunnen kiezen de betaling in 2021 of 2022 te doen, afhankelijk voor welk jaar het hoogste percentage geldt. Zou dit kunnen betekenen dat er eind december of begin januari ineens een piek in het aantal aanvragen ontstaat? Of dat de parameters een vertekend beeld geven omdat wordt gewacht met het aanvragen van de BIK-verklaring?

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel inzicht de RVO heeft in het totale budgettaire beslag van de BIK gedurende het jaar. Kan de RVO dit nauwkeurig bijhouden? En hoe nauwkeurig zal de inschatting van de RVO zijn als voorspelling van het jaar 2021? De leden van de fractie van D66 vragen waarom er slechts één ijkmoment wordt genoemd voor de budgettaire beheersbaarheid van de maatregel. Deze leden vragen of niet per maand moet worden gemonitord wat het budgettaire beslag is van de maatregel, zeker gezien de onzekerheid omtrent de budgettaire derving. De leden van de fractie van D66 vragen zich tevens af of ook gedurende 2022 zal worden gemonitord wat het budgettaire beslag is van de regeling en kan de regering toezeggen dit ook periodiek te doen? Tevens vragen deze leden of, wanneer de BIK in 2022 of in de eerste drie maanden van 2023 het totaal van vier miljard euro dreigt te overschrijden, de regeling dan wordt gesloten. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering bereid is het vpb-tarief te verhogen om een overschrijding van het BIK-budget te dekken.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom er niet voor is gekozen de regeling gedurende het jaar te kunnen sluiten door middel van het slaan van een koninklijk besluit waardoor het budgettair beslag beheersbaar blijft.

1.9 Geleerde lessen van de WIR

De leden van de fractie van D66 vragen hoe wordt gecontroleerd dat een bedrijfsmiddel nieuw is. De leden van de fractie van D66 vragen om bevestiging dat eigen voortgebrachte bedrijfsmiddelen niet in aanmerking komen voor de BIK. Deze leden vragen of de regering de mening deelt dat een deel van die eigen voortgebrachte bedrijfsmiddelen juist hele innovatieve middelen kunnen zijn. Hoe kijkt de regering ertegenaan die juist uit te sluiten?

1.10 Aanvraag en toekenning

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de RVO BIK-aanvragen pas vanaf 1 september in behandeling kan nemen.

De Belastingdienst kan aan de hand van de door RVO afgegeven BIK-verklaringen beoordelen of de inhoudingsplichtige het bedrag van de afdrachtvermindering terecht en tot het juiste bedrag in de loonaangifte heeft toegepast. Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie nader toelichten of de Belastingdienst achteraf enkel controleert of er conform de BIK-verklaring de juiste afdrachtvermindering is toegepast en dat er achteraf ook nog (mogelijk) een inhoudelijke controle van de investeringen door de Belastingdienst kan plaatsvinden?

De leden van de fractie van D66 vragen of de risicomodellen die worden gebruikt voor het risicogericht toezicht vooraf al zijn gebouwd of worden gemaakt op basis van de praktijkervaringen van de BIK. De leden van de fractie van D66 vragen of de effectiviteit van de BIK niet enorm teniet wordt gedaan vanwege het pas kunnen aanvragen van een afdrachtvermindering per 1 september 2021, waardoor pas laat een liquiditeitsvoordeel wordt genoten en de investeringen mogelijk toch nog worden uitgesteld. De leden van de fractie van D66 vragen waarom de afdrachtvermindering moet worden gerealiseerd in het jaar dat de BIK-verklaring is afgegeven wanneer deze pas per 1 september 2021 kunnen worden afgegeven.

De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de startdatum waarop de aanvraag voor afdrachtvermindering kan worden gedaan. Deze is nu gesteld op 1 september 2021. Klopt het dat daardoor de voordelen voor ondernemingen pas in 2022 effectief worden? De regering benoemt diverse keren dat de BIK gezien moet worden als een maatregel volgend uit de economische crisis. Ook in reactie op het advies van de Raad van State benadrukt de regering de noodzaak van een spoedige implementatie. De leden van de SGP-fractie zijn het eens dat de BIK, indien deze ingevoerd wordt, zo snel mogelijk geïmplementeerd moet worden, zodat ondernemers, in het licht van de huidige economische omstandigheden, de eventuele voordelen ervan kunnen genieten. Doet de genoemde datum waarop de aanvraag gedaan kan worden, niet af aan de effectiviteit van de maatregel op korte termijn? En ontstaat er daardoor geen risico dat bedrijven in de eerste helft van 2021 terughoudend zullen zijn met investeren, omdat onzeker is of zij de korting wel tegemoet kunnen zien? Zijn er andere mogelijkheden om de maatregel op kortere termijn effectief te laten zijn?

2. EU-aspecten

3. Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen of de budgettaire sleutel van de BIK gegeven kan worden. Hoeveel kost het om het «lage tarief» van de BIK te verhogen met 0,1%-punt of 1%-punt? Hoeveel kost het om het «hoge tarief» van de BIK te verhogen met 0,1%-punt of 1%-punt? Wat is de sleutel voor het verhogen van de minimale investeringen met 1.000 euro?

4. Uitvoeringskosten

De leden van de fractie van D66 vragen of er al indicatoren bekend zijn om het risicogericht toezicht in te richten, of dat deze pas na inwerkingtreding van de BIK «on the job» worden ontwikkeld.

5. Evaluatie

De leden van de fractie van D66 vragen of expliciet bij de evaluatie kan worden gekeken naar de mate waarin de BIK extra banen en investeringen heeft gecreëerd.

6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

7. Advies & Consultatie

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of er bij de opzet van de regeling, naast met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven als geheel, ook ondernemingen zelf zijn geconsulteerd, zowel economisch getroffen ondernemingen als ondernemingen die de crisis wel goed doorkomen, om een beter beeld te krijgen bij de effectiviteit en de gevolgen van de regeling.

De leden van de SP-fractie vinden het onbegrijpelijk dat alleen met werkgeversorganisaties is gesproken over een regeling die «baangerelateerd» heet. De leden van de SP-fractie constateren dat werknemersorganisaties bepaald niet lovend zijn over deze regeling en constateren dat de sociaaleconomische partners hierin dus tegenover elkaar staan. Zij vragen de regering waarom zo overduidelijk partij wordt gekozen bij deze regeling en waarom niet in overleg is getreden met werknemersorganisaties over een regeling die daadwerkelijk leidt tot het scheppen van banen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom alleen is gesproken met VNO-NCW en MKB-Nederland. Waar zijn de vakbonden niet betrokken? Kan de regering ingaan op het position paper van FNV, waarin onder andere alternatieven worden voorgesteld?

II Toelichting – onderdeelsgewijs

Hoofdstuk IX, artikel 29 e

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering heeft gekozen voor maximaal vier BIK-verklaringen per jaar (en daarmee 1 BIK-verklaring per kwartaal).

Hoofdstuk IX, artikel 29 h

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven of een overmachtsclausule is opgenomen voor het moment dat een bedrijfsmiddel, buiten schuld van de BIK, niet binnen zes maanden na volledige betaling in gebruik is genomen.

BIJLAGE Advies RvS

De leden van de SP-fractie constateren dat de Raad van State in haar advies uiterst kritisch is over de doelmatigheid en effectiviteit van de BIK, evenals de manier waarop de regeling wordt aangeboden aan de Kamer. Deze leden merken op dat de kritische vragen van de Raad van State over de ongerichtheid van de regeling, waarbij sectoren die geheel geen last hebben van de crisis evenveel en waarschijnlijk meer bevoordeeld worden dan sectoren die ten onder dreigen te gaan, door de regering amper beantwoord worden en vragen zich af of het wetgevingsproces op deze manier zinvol is vormgegeven. Een regeling als deze die niet is besproken met de sociale partners en waarbij kritiek van de Raad van State terzijde wordt geschoven én te laat bij de Kamer wordt aangeboden geeft weinig vertrouwen in voldoende borging van het wetgevende proces. Deze leden hebben al vaak gewezen op de ondergraving van de democratische waarden, onder andere als het gaat staatsgeheim verklaren van allerlei regeringsstukken en het achterhouden van informatie waarbij artikel 63 van de Grondwet in de wind wordt geslagen, en zien in deze procedure opnieuw een afkalving van de democratie.

De leden van de fractie van 50PLUS zijn met de Raad van State van mening «dat moet worden nagegaan of een subsidieregeling niet een meer geëigend instrument is om de beoogde doelen te bereiken». Is dit nagegaan en op welke gronden wordt de keuze voor een lastenmaatregel onderbouwd?

Wat is in het algemeen de reactie van de regering op het hier geciteerde advies van de Raad van State: «De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de fiscale vormgeving van de beoogde investeringsimpuls een aantal nadelen heeft. Het generieke karakter leidt ertoe dat ondersteuning ook plaats vindt waar dat niet opportuun is. De effectuering via een afdrachtskorting op de loonbelasting heeft een aantal effecten die afdoen aan de doeltreffendheid van de regeling. De budgettering past niet goed in de fiscale systematiek. Gelet hierop adviseert de Afdeling na te gaan of een subsidieregeling niet een meer geëigend instrument is om de beoogde doelen te bereiken»?


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2020–2021, nr. 186.

X Noot
2

Zaaknummer 2020Z16841