Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135570-XVII nr. 49

35 570 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2021

Nr. 49 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 december 2020

Graag bied ik u hierbij aan de jaarlijkse Decemberbrief voor de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Via deze brief wordt u geïnformeerd over kas- en verplichtingenmutaties ten opzichte van de tweede suppletoire begroting.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag

Hieronder volgt een overzicht van de voornaamste budgettaire mutaties ten opzichte van de tweede suppletoire begroting 2020 voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII)(Kamerstuk 35 650 XVII). Met de Slotwet en het Jaarverslag ontvangt Uw Kamer de definitieve standen voor 2020.

Artikel 1: Duurzame handel en investeringen

Verplichtingen

Er is sprake van onderbesteding van het verplichtingenbudget op artikel 1. Dit wordt met name veroorzaakt door lager dan verwachte nieuwe subsidies bij DRIVE en het niet in 2020 verstrekken van een nieuwe subsidie voor het vakbondsmedefinancieringsprogramma.

Uitgaven

Op artikelonderdeel 1.2 zal de realisatie van de totale uitgaven voor DTIF (subsidies, opdrachten en garanties) hoger uitkomen dan verwacht. De stijging wordt enerzijds veroorzaakt door een fors toegenomen vraag naar het instrument. Anderzijds is het DTIF in 2020 uitgebreid naar de doelgroep starters (DTIF1) en is een mogelijkheid tot het verschaffen van werkkapitaal geïntroduceerd (DTIF2).

De uitgaven aan RVO vallen hoger uit dan eerder verwacht. Dit heeft diverse oorzaken, zowel wat betreft programma-uitgaven als uitvoeringskosten.

Op artikelonderdeel 1.3 zal de realisatie hoger uitkomen dan verwacht. Zo wordt er via opdrachten meer besteed aan economic governance and institutions. Dit heeft vooral betrekking op de door RVO uitgevoerde PSD-toolkit.

De uitgaven aan subsidies en opdrachten binnen financiële sectorontwikkeling zullen hoger uitvallen dan verwacht. Dit wordt vooral veroorzaakt door een betaling aan het door FMO beheerde MASSIF-fonds en doordat bij de uitvoering van het DGGF extra bijdragen aan technische assistentie nodig waren. De uitgaven aan infrastructuur in de vorm van leningen die vanwege de verwachte budgettaire krapte in de tweede suppletoire wet waren teruggebracht naar EUR 0 komen uit op EUR 12,5 miljoen: de bestaande afspraken met Private Infrastructure Development Group (PIDG) konden zo worden gerespecteerd.

De uitgaven via subsidies duurzame productie en handel zullen hoger uitvallen dan oorspronkelijk verwacht. Dit betreft vooral subsidies aan IDH en Solidaridad.

Ontvangsten

De ontvangsten op artikel 1 vallen hoger uit dan verwacht. Dit wordt veroorzaakt door hogere DGGF ontvangsten en door een onttrekking uit de FOM begrotingsreserve om de hogere uitgaven voor DTIF mogelijk te maken.

Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Verplichtingen

Er is sprake van een onderbesteding van het verplichtingenbudget op artikel 2. Deze onderbesteding is toe te schrijven aan vertraging bij de uitvoering van een aantal programma’s op het gebied van voedselzekerheid en water. Deze zullen in 2021 alsnog worden gecommitteerd.

Op artikelonderdeel 2.1 (Voedselzekerheid) betreft dit een deel van de contributie aan IFAD, de subsidie aan het CABI-programma (Plantwise and Invasive Species Programmes) en het G4AW programma van de Netherlands Space Office. Daarnaast valt ook de additionele verplichting aan het beurzenprogramma van de NUFFIC lager uit dan eerder verwacht.

Op artikelonderdeel 2.2 (Water) betreft dit de subsidies en bijdragen aan het DUPC-programma van IHE Delft, het Water Sector Fund met de EIB, de nieuwe fase voor het Blue Deal programma, het Landscape4Life programma met het CDI, het Senior Expert programma, de bijdrage aan het Sanitation and Hygiene Fund, de duurzaamheidsfaciliteit, de subsidie aan de vervolgfase voor het WaterWorx programma met de Nederlandse waterbedrijven en enkele andere, kleinere programma’s.

Uitgaven

Op artikelonderdeel 2.1 (Voedselzekerheid) wordt het budget in beperkte mate overschreden. Dit is o.a. toe te schrijven aan de directe liquiditeitsbehoefte bij het Drylands Sahel Programma dat op 1 januari 2021 van start gaat en waarvoor nu de eerste tranche is overgemaakt.

Op artikelonderdeel 2.3 (Klimaat) wordt het budget beperkt opgehoogd, vanwege de eerste betaling voor het LDCF (Least Developed Countries Fund). Daarnaast wordt aan het Klimaatfonds minder uitgegeven vanwege het feit dat het fonds zich nog in de opstartfase bevindt en als gevolg van aan de COVID-19 crisis gerelateerde vertragingen. Deze tegenvaller is ingezet voor diverse betalingen aan andere programma’s van artikelonderdeel 2.3, zoals de Climate Investment Funds en het Access to Energy Fund.

Artikel 3: Sociale ontwikkeling

Verplichtingen

Er is sprake van een onderbesteding van het verplichtingenbudget op artikel 3. Deze onderbesteding is toe te schrijven aan de opgelopen vertraging bij de uitvoering van een aantal programma’s. Deze zullen in 2021 worden gecommitteerd

Op artikelonderdeel 3.1 (SRGR) betreft dit de bijdragen aan WAHO en Triangulaire en diverse subsidies (o.a. IPAS, IPPF, SRI, Wemos). Daarnaast valt het verplichtingenbudget voor enkele programma’s lager uit dan eerder verwacht. Dit betreft o.a. diverse decentrale programma’s in Afrika en de bijdrage aan UNFPA. Deze verlagingen van het verplichtingenbudget zijn gedeeltelijk gebruikt voor de nieuwe committering aan GAVI.

Op artikelonderdeel 3.2 (Gender) betreft dit subsidies voor Hivos en GenderLinks binnen de versterking maatschappelijk middenveld tender.

Op artikelonderdeel 3.3 (Maatschappelijk Middenveld) betreft dit een subsidie binnen de versterking maatschappelijk middenveld tender (Power of Voices).

Op artikelonderdeel 3.4 (Onderwijs) zijn de lagere verplichtingen het gevolg van het nog niet opstarten van de International Finance Facility for Education (IFFEd) in 2020. Daartegenover staat een hogere verplichting dan eerder aangegeven voor het Nuffic OKP programma (Orange Knowledge Programme).

Uitgaven

Binnen artikelonderdeel 3.3 (Versterking maatschappelijk middenveld) en 3.4 (Onderwijs) vindt er een verschuiving plaats van EUR 30 miljoen. Als gevolg van het niet van start gaan van IFFEd in 2020 wordt EUR 30 miljoen van het IFFEd budget gebruikt om de eerste betalingen ten behoeve van de programma’s onder het Beleidskader versterking maatschappelijk middenveld al 2020 te betalen. EUR 10 miljoen van het voor 2020 gereserveerde IFFEd budget zal in 2020 worden ingezet voor een extra betaling aan het Global Partnership for Education (GPE). Hierdoor vindt er dus een verschuiving plaats van onderwijs naar versterking maatschappelijk middenveld.

Tegenover de vervroegde betalingen binnen de versterking maatschappelijk middenveld tender staan lager dan verwachte uitgaven aan het accountability fonds als gevolg van opgelopen vertraging i.v.m. Covid-19.

Artikel 4: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget van artikel 4 wordt opgehoogd. Dit hangt samen met genoemde verschuiving van instrumenten in de uitgavenbegroting, het aangaan van verplichtingen met betrekking tot het Opportunity Fund binnen het PROSPECTS partnerschap, Multi-Purpose Cash Assistance Libanon in het kader van opvang in de regio en tenslotte een aantal kleinere mutaties.

Uitgaven

Op artikelonderdeel 4.1 (Humanitaire hulp) vallen de uitgaven hoger uit dan begroot. Binnen 4.1 wordt geschoven van het instrument bijdragen Noodhulpprogramma’s naar de instrumenten bijdragen UNRWA en bijdragen WFP. De aanvullende bijdrage aan UNRWA wordt zoals in voorgaande jaren geleverd om de continuïteit van de dienstverlening door UNRWA te garanderen. De verhoging van de bijdrage aan WFP is met name nodig voor de toegenomen voedselonzekerheid als gevolg van COVID-19 waarbij de noden in vooral crisisgebieden het hoogst zijn. Aanvullend worden de uitgaven op artikelonderdeel 4.1 (Humanitaire hulp) verhoogd met een extra bijdrage van EUR 8 miljoen aan het Central Emergency Response Fund van de VN in reactie op de hoge humanitaire noden.

Het budget van artikel 4.3 (Veiligheid en Rechtsordeontwikkeling) wordt opgehoogd met EUR 10 miljoen in verband met een betaling aan Peace Building Fund. Deze betaling op al aangegane verplichtingen is nu nodig om voldoende kasbudget te houden voor de voorgenomen activiteiten in 2021.

Artikel 5: Multilaterale samenwerking en overige inzet

Ontvangsten en koersverschillen

Op moment van schrijven voorzie ik een tegenvaller op Ontvangsten OS van ongeveer EUR 9 miljoen.

Voor de koersontwikkeling voorzie ik op het moment van schrijven juist een meevaller van EUR 15 miljoen. Dit wordt veroorzaakt doordat het ministerie werkt met een vooraf vastgestelde wisselkoers ten opzichte van buitenlandse valuta (de zgn. corporate rate). Deze koers wordt met de presentatie van de begroting vastgesteld en voor het hele jaar gehanteerd. Omdat bij betalingen in buitenlandse valuta gedurende het jaar een verschil ontstaat als gevolg van de werkelijk geldende koers, ontstaat een (in dit geval positief) saldo.

Uitgaven

Ten tijde van de Najaarsnota (Kamerstuk 35 650, nr. 1) was de stand op het verdeelartikel 5.4 EUR 11 miljoen. Deze stand is aan het einde van het jaar teruggebracht naar om en nabij EUR 0.