35 570 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021

Nr. 85 BRIEF VAN DE SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2021

Op 11 en 18 april 2021 is door BNNVARA de tweedelige serie «Scheefgroei in de Polder» uitgezonden. Volgens het programma hebben werknemers relatief beperkt geprofiteerd van de economische groei in de afgelopen decennia. Daarmee sluit het programma aan bij het boek «Fantoomgroei» van Sander Heijne. Vervolgens stelt het programma aan de hand van persoonlijke verhalen dat vooral op de arbeidsmarkt en woningmarkt sprake is van scheefgroei en toenemende onzekerheid. In de tweede uitzending werd met experts en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers gesproken over mogelijke oplossingen. In deze brief reageer ik, mede namens de Minister van BZK, op verzoek van uw Kamer1, op deze uitzending en de uitspraken die daarin worden gedaan.

Deze brief is opgebouwd aan de hand van de drie voornoemde thema’s uit de serie: de ontwikkeling van de inkomensverdeling, onzekerheid op de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Voor elk van deze onderwerpen volgt eerst een weergave van wat daarover in het programma gezegd is, vervolgens een appreciatie, en tot slot een verwijzing naar wat het kabinet op deze thema’s al heeft gedaan en wat er is voorbereid voor een volgend kabinet.2

Ontwikkeling van de inkomensverdeling

Het programma begint met de stelling dat de besteedbare inkomens van huishoudens de afgelopen decennia minder hard gestegen zijn dan het bbp. De loonontwikkeling, waaronder het wettelijk minimumloon (wml), blijft achter bij de ontwikkeling van de economie. Het wettelijk minimumloon, dat momenteel circa 10 euro per uur bedraagt, zou veel hoger zijn als het was gecorrigeerd voor inflatie en productiviteitsgroei. De bedrijfswinsten nemen daarentegen toe. Ook wordt in het programma gesteld dat de inkomensongelijkheid toeneemt. Om dit te illustreren wordt het voorbeeld aangehaald van de ontwikkeling van het verschil tussen de beloning aan de top ten opzichte van de werknemers op de werkvloer. Dit verschil is in de loop der tijd toegenomen.

Uit figuur 1 blijkt dat de besteedbare inkomens sinds 2001 inderdaad minder hard gestegen zijn dan het bbp.3 De besteedbare inkomens zijn dus gestegen, ook gecorrigeerd voor het gestegen prijspeil, maar niet zo snel als het bbp. Ook uit de ontwikkeling van het bbp afgezet tegen het besteedbaar inkomen per werkende of per gewerkt uur blijkt dat de ontwikkeling van het huishoudinkomen achter loopt bij de ontwikkeling van de economie.4 Doordat in dezelfde periode de arbeidsparticipatie is toegenomen is wel het beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking gestegen.

Als de groei van het bbp niet volledig bij huishoudens terecht is gekomen, waar blijft dan het restant? In figuur 2 wordt de verdeling van het nationaal beschikbaar inkomen («nationale koek») tussen huishoudens, bedrijven en overheid over een langere periode getoond. Het aandeel van de huishoudens neemt inderdaad af. Tussen 2001 en 2009 daalt het aandeel van de huishoudens in het nationaal beschikbaar inkomen met ongeveer 7% procentpunt. In 2001 bedroeg dit ongeveer 62% en in 2019 ongeveer 55% van het nationaal beschikbaar inkomen. In dezelfde periode neemt het aandeel van de overheid met ongeveer 5 procentpunt toe. In 2001 bedroeg dit ongeveer 27% en in 2019 ongeveer 32%. Het afgenomen aandeel van huishoudens komt dus voor iets meer dan twee derde terecht bij de overheid en voor iets minder dan een derde bij bedrijven.

Het gestegen aandeel van de overheid in het nationaal beschikbaar inkomen wordt ook zichtbaar in de gestegen belasting- en premieontvangsten (figuur 3). In 2019 bedroegen de belasting- en premieontvangsten ongeveer 39,3% van het bbp, terwijl deze in 2001 35,5% van het bbp bedroegen. Deze stijging van bijna 4 procentpunt komt vooral door de gestegen zorgverzekeringswetpremies (zvw-premies) sinds 2006.

De overheid gebruikt de belasting- en premieontvangsten voor de financiering van collectieve voorzieningen, zoals de zorg. Uiteraard profiteren huishoudens ook van deze voorzieningen. De verdeling tussen vrij beschikbaar inkomen (wat huishoudens kunnen besteden aan marktgoederen en -diensten) en belastingen en premies om de consumptie van diensten van de collectieve sector mogelijk te maken is een politieke vraag, die in de kabinetsformatie op tafel ligt.

Figuur 3 Totale belasting- en premieontvangsten en zvw-premies als percentage bbp 2001–20191

Figuur 3 Totale belasting- en premieontvangsten en zvw-premies als percentage bbp 2001–20191

1 Bron: CPB CEP 2021 Verzamelde bijlagen.

Deze macrocijfers vertellen niets over de onderliggende verdeling. Profiteren mensen met hogere inkomens relatief meer van de BBP-groei dan mensen met lagere inkomens? In figuur 4 wordt ontwikkeling van de primaire inkomensverdeling en de verdeling van de besteedbare inkomens voor huishoudens getoond.

De primaire inkomensverdeling is de afgelopen periode ongelijker geworden. Hogere inkomens hebben de afgelopen tien jaar hun inkomen dus relatief sterker zien stijgen dan lage inkomens. Dat blijkt voor een groot deel met demografische en opleidingsfactoren samen te hangen.5 Zo neemt door vergrijzing het aantal gepensioneerden toe. AOW en pensioen tellen niet mee als primair inkomen en dus stijgt het aantal mensen met (op papier) een klein primair inkomen, hoewel veel werknemers wel vermogen in de vorm van pensioen hebben opgebouwd. Ook hangt de toegenomen primaire ongelijkheid samen met een gestegen opleidingsniveau en meer arbeidsparticipatie, wat op zichzelf positieve ontwikkelingen zijn.

De secundaire inkomensverdeling is echter gelijk gebleven, omdat de overheid meer is gaan herverdelen, ook via de AOW en pensioen. Op andere maatstaven, zoals inkomensaandelen van de top 5% of 10% van de inkomensverdeling, lijkt de ongelijkheid ook niet toegenomen.6 Tevens is de inkomensongelijkheid in internationaal opzicht relatief laag en stabiel.7 Dit heeft als keerzijde dat de overheid meer moet herverdelen. Dat leidt ertoe dat meer mensen in een grotere mate leunen op een inkomen(saanvulling) vanuit de overheid. Toeslagen zijn hierbij een belangrijk instrument. In de afgelopen jaren is helaas gebleken dat toeslagen kunnen leiden tot onzekerheid en onvoorspelbaarheid en daarmee tot terugvorderingen, niet-gebruik en in het slechtste geval (problematische) toeslagschulden. Daarom heeft het kabinet alternatieven voor het toeslagenstelsel uitgewerkt, waar het volgende kabinet een besluit over kan nemen.

Figuur 4: Gini-coëfficiënt (mate van ongelijkheid) van primaire inkomens (marktuitkomsten) en besteedbare inkomens (na herverdeling)1

Figuur 4: Gini-coëfficiënt (mate van ongelijkheid) van primaire inkomens (marktuitkomsten) en besteedbare inkomens (na herverdeling)1

1 Bron: OESO, eigen bewerking. Voor een gelijkaardig beeld zie bijvoorbeeld ook CBS (2017; https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/37/inkomensongelijkheid-en-herverdeling-2001–2015) en Caminada, Goudswaard en Been (2017; https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/handle/1887/46107).

Ten slotte wordt in het programma de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (wml) besproken. Op dit moment wordt het wettelijk minimumloon elk jaar op 1 januari en 1 juli geïndexeerd met de contractloonontwikkeling. Elke vier jaar bekijkt het kabinet of er aanleiding bestaat voor een bijzondere aanpassing van de hoogte van het minimumloon, dat wil zeggen bovenop de reguliere indexaties. De meest recente evaluatie uit 2020 gaf naar de mening van het kabinet geen aanleiding tot een dergelijke bijzondere aanpassing.8 Uit de evaluatie blijkt onder andere dat de ontwikkeling van het wml in de periode 2011- 2018 in de pas liep met de contractloonontwikkeling en groter was dan de feitelijke loonontwikkeling (waarin incidentele loonontwikkeling ook meegenomen is). De koopkracht van werkenden met een minimumloon in de periode 2011–2018 is toegenomen.

Wel gaf de evaluatie aanleiding om verder onderzoek te laten doen naar de effecten van een verhoging van het wml door het Centraal Planbureau. Dat onderzoek is inmiddels afgerond.9 Hieruit blijkt dat het minimumloon als percentage van het mediane loon in Nederland in internationaal opzicht relatief laag is. Daarnaast blijkt hieruit dat het baanverlies bij een verhoging van het wml minder groot is dan in het verleden werd verwacht, en vooral afhankelijk is van de mate waarin ook gerelateerde uitkeringen meestijgen. Dat laat onverlet dat een grote verhoging van het minimumloon een relatief groot werkgelegenheidsverlies zal veroorzaken, zeker als sprake is van een koppeling aan gerelateerde uitkeringen. Ook de doorwerking van een verhoging van het wml op het loongebouw is in beeld gebracht. Gelet op de verkiezingsprogramma’s lijkt het waarschijnlijk dat een volgend kabinet aan de slag gaat met een eventuele verhoging van het wml.

Onzekerheid op de arbeidsmarkt

In het programma werd gesproken over het aandeel werkenden dat werkt op een flexcontract en als zelfstandige zonder personeel. Diverse werkenden lichtten hun situatie toe: een werkende met een nulurencontract, een uitzendkracht, een interieurverzorgster die als gevolg van uitbesteding niet in dienst is in het ziekenhuis waar zij werkzaamheden verricht, en zelfstandigen die werken in de journalistiek, als tolk, als maaltijdbezorger en als taxichauffeur. Deze mensen gaven aan meer zekerheid te willen, meer loon en meer het gevoel «er bij te horen» bij de organisatie waar men werkt.

In Nederland kan je werken als werknemer, met vast of flexibel contract, of als zelfstandige. Voorkeuren verschillen daarin. Sommige werkenden kijken uit naar de zekerheid van een vast contract; anderen waarderen de flexibiliteit en autonomie die geboden wordt door zelfstandig ondernemerschap. Onderzoek laat zien dat veel mensen tevreden zijn over de manier waarop zij werken. In 2020 waren ruim negen van de tien werknemers tevreden of zeer tevreden over hun werkzekerheid en over hun contractvorm.10 Bij zelfstandigen waren in 2019 acht van tien personen tevreden over de werkzekerheid. En negen van de tien van de zelfstandigen prefereerden zelfstandigheid boven werk in loondienst.11

Tegelijkertijd klopt de constatering van «Scheefgroei in de Polder» dat zekerheden op de arbeidsmarkt niet gelijk zijn verdeeld. Dat blijkt niet alleen uit de verhalen van de mensen in het programma, maar ook uit de cijfers over de arbeidsmarkt als geheel en hoe we hebben gezien dat de effecten van de coronacrisis verschillen tussen contractvormen.12 Bijvoorbeeld: in creatieve beroepen maakte in 2019 ongeveer één op de drie werknemers zich zorgen om verlies van baan en inkomen.13 In agrarische beroepen en in de zorg gold dit voor ongeveer één op de acht werknemers. Met name oudere en laagopgeleide werknemers verwachtten niet eenvoudig een andere baan te kunnen vinden (59,2% resp. 37,6%). Ook zelfstandigen ervaren onzekerheid over inkomen en loopbaan. In 2019 gold dit voor één op de drie zelfstandigen.14

Om zekerheden op de arbeidsmarkt eerlijker te verdelen, is de inzet van het kabinet de laatste jaren geweest om in een gelijktijdige beweging de verschillen tussen vaste en flexibele contractvormen te verkleinen, èn om de voorwaarden voor, en zekerheden van zelfstandigen tegen het licht te houden. Het streven van het kabinet is hierbij geweest om een balans te vinden tussen enerzijds het beschermen van werkenden met een zwakkere positie, en anderzijds het bieden van ruimte aan werkenden om zekerheden vorm te geven zoals zij dat zelf willen. Daarbij is een uitgangspunt dat loonkostenverschillen geen rol zouden moeten spelen bij de keuze voor een bepaalde werkvorm.

De constatering dat zekerheden op de arbeidsmarkt ongelijk verdeeld zijn, komt ook nadrukkelijk terug in de rapporten van de Commissie Borstlap en de WRR over de arbeidsmarkt en in het recent gepubliceerde ontwerpadvies van de SER. Voor een uitgebreide reflectie van het kabinet op de situatie op de arbeidsmarkt, evenals wat dit kabinet gedaan heeft om de situatie te verbeteren, verwijs ik u naar de kabinetsreactie op de twee voornoemde rapporten.15 Ik vestig wel graag aandacht op de constatering van het kabinet, die ook in die brief verwoord wordt, dat verdere hervormingen van de arbeidsmarkt nodig blijven. Het is aan een volgend kabinet om deze handschoen op te pakken.

De woningmarkt

In het programma werd gesproken over de stijging van de huizenprijzen en de huren. Aangegeven werd dat de afgelopen jaren de huren sneller zijn gestegen dan de cao-lonen en dat de prijzen van koopwoningen sneller zijn gestegen dan de modale inkomens. Huizenbezitters zouden hiervan profiteren terwijl koopstarters steeds minder woning voor hun geld krijgen en de kloof tussen mensen met een koopwoning en mensen met een huurwoning steeds groter wordt. Ook werd genoemd dat een groot deel van de woningen gaat naar mensen die er niet zelf gaan wonen maar eraan verdienen door de woningen te verhuren en te profiteren van de waardestijging en dat mensen die van belang zijn voor het functioneren van de stad (leraren, politieagenten, verpleegkundigen) er niet meer kunnen wonen. Als oplossingen werden onder andere genoemd het meer bijbouwen van met name betaalbare woningen, het belasten van de waarde-opbouw in woningen en meer zeggenschap van gemeenten over bestaande woningen.

Het woningtekort is historisch groot en veel mensen zijn op zoek naar een woning. De huizenprijzen zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. Het prijsniveau van voor de crisis was in het tweede kwartaal van 2018 weer bereikt16. Vergeleken met het dal in juni 2013 waren de prijzen in februari 2021 ruim 59 procent hoger17. De verschillen tussen mensen die een bij hun portemonnee en levensstijl passende woning hebben en die dat niet hebben is de afgelopen jaren toegenomen. Woningbezitters profiteren daarbij van een gunstigere fiscale behandeling van de eigen woning ten opzichte van andere vermogensbestanddelen. Zij kunnen vaak ook gebruik maken van overwaarde bij de aanschaf van een nieuwe woning.

De problematiek op de woningmarkt kent verschillende oorzaken. Momenteel is er een historisch groot woningtekort wat maakt dat de huizenprijzen blijven stijgen. Daarnaast kunnen door de lage rente huishoudens hogere hypotheken afsluiten en dus meer kunnen bieden voor een woning. Ook de gemiddelde huren zijn de afgelopen jaren gestegen.18 De huren stijgen vooral bij een bewonerswisseling en zijn ook gestegen door een groter aandeel huurwoningen in de vrije sector in met name kraptegebieden. De voornaamste huurstijging vond plaats in de periode 2012–2017. In 2020 was de nominale huurstijging hoger dan in vorige jaren maar gecorrigeerd voor inflatie daalden de huurprijzen voor zittende bewoners met ongeveer 0,2 procent. Verder worden koopwoningen ook steeds vaker gekocht door beleggers om te verhuren in de vrije huursector. In de afgelopen 10 jaar kochten beleggers ruim 25% van de verkochte woningen in de G4 en ruim 15% van de verkochte woningen in heel Nederland.19 Onderliggende factoren die zorgden voor extra activiteit van beleggers zijn de verdere daling van de rentes en de aanhoudende krapte op de woningmarkt. Daarnaast heeft de aankondiging van de hogere overdrachtsbelasting voor beleggers per 1 januari 2021 een extra impuls gegeven aan de activiteiten van woningbeleggers in de laatste maanden van 2020. In het laatste kwartaal van 2020 kochten beleggers in de G4 ruim 40% van de verkochte woningen. Uit de cijfers van 2021 moet blijken of vanaf 1 januari 2021 de activiteiten van woningbeleggers zijn afgenomen door de verhoogde overdrachtsbelasting.

De aanpak van het woningtekort is urgent en nodig om de woningmarkt vlot te trekken. Tot 2030 moeten er ongeveer 900.000 woningen worden gerealiseerd voor verschillende doelgroepen. De afgelopen jaren heeft het kabinet ingezet op het versnellen van de aanpak van het woningtekort via onder andere het vergroten van de plancapaciteit, de inzet van de woningbouwimpuls20 en kortingen op de verhuurderheffing van woningcorporaties. Het bouwen van woningen kost echter tijd. De Minister van Binnenlandse Zaken heeft daarom de afgelopen jaren ook verschillende maatregelen genomen gericht op de betaalbaarheid en toegankelijkheid van huren en kopen.

Zo heeft de Minister van Binnenlandse Zaken in 2019 met de wet Maatregelen middenhuur verduidelijkt dat middenhuurwoningen kunnen worden toegewezen aan mensen met een middeninkomen. Sinds kort is de maximale jaarlijkse huurverhoging beperkt tot de inflatie + 1 procentpunt in de vrije sector. Dit jaar zijn de huren bevroren in de sociale sector. Daarnaast is de mogelijkheid gecreëerd om huurders een tijdelijke huurkorting te geven. Verhuurders kunnen huurders helpen met een tijdelijke huurkorting, bijvoorbeeld als de huurder te maken heeft met een tijdelijke inkomensdaling. Vanaf 2022 is het voor woningcorporaties mogelijk om met gemeenten en huurdersorganisaties afspraken te maken om de vrije toewijzingsruimte te verruimen en beter te benutten. Op deze wijze kunnen woningcorporaties ook mensen met een middeninkomen, bijvoorbeeld in maatschappelijke beroepen, huisvesten.

Het kabinet herkent ook dat er woningen worden opgekocht door beleggers. In gebieden waar schaarste is aan betaalbare koopwoningen voor mensen met een middeninkomen en starters, krijgen gemeenten de mogelijkheid om een opkoopbescherming in te voeren om te voorkomen dat woningen zomaar kunnen worden opgekocht voor de verhuur. Daarnaast heeft het kabinet met de differentiatie van de overdrachtsbelasting de positie van starters verbetert ten opzichte van beleggers. Door deze differentiatie betalen starters21 per 1 januari 2021 geen overdrachtsbelasting en is het tarief voor beleggers verhoogd tot 8%.

Voor de toekomst is er meer nodig. Dat besef wordt breed gedeeld door alle partijen, zie hiervoor bijvoorbeeld de Actieagenda die is opgesteld door de partijen in het veld22. Ook zijn er verschillende ambtelijke rapporten verschenen met aanbevelingen en adviezen23. Onderwerpen zoals betere sturing en regie op het aanbod van woningen, de balans tussen opgaven en middelen van corporaties, huisvesting van kwetsbare groepen, leefbare gebieden en wijken, de verduurzaming en het verkleinen van verschillen tussen mensen met een koopwoning enerzijds en starters en huurders anderzijds worden hierin allemaal genoemd. De keuzes ten aanzien van deze opgaven zijn uiteindelijk aan de formatie en een volgend kabinet.

Slot

De boodschap van het programma luidde dat de economie de afgelopen decennia is gegroeid, maar dat werknemers daar beperkt van hebben geprofiteerd. Volgens het kabinet zitten daar twee kanten aan. Enerzijds laten de cijfers zien dat onze welvaart is gegroeid, en mensen die nu leven meer te besteden hebben dan dertig jaar geleden. Gelukkig gaat er veel in Nederland gewoon goed. Via belastingen en uitkeringen zorgen we ervoor dat we de welvaart eerlijk delen. Daarnaast is een flink deel van de groei besteed aan overheidsdiensten die waarde hebben. Alle Nederlanders hebben toegang tot diensten, zoals zorg en onderwijs, waarvoor hogere inkomens een groter deel van de rekening betalen. Met name door de toegenomen uitgaven aan zorg is dit type herverdeling de afgelopen decennia belangrijker geworden.

Anderzijds onderkent het kabinet, zoals het programma, dat verbeteringen mogelijk en nodig zijn. Op het gebied van de inkomensverdeling, bijvoorbeeld waar het gaat om de werking van het toeslagenstelsel, de arbeidsmarkt en de woningmarkt resteren knelpunten die door het programma treffend in beeld zijn gebracht, en bijvoorbeeld ook terugkomen in het onlangs gepubliceerde ontwerpadvies van de SER. Daarnaast ziet het kabinet ook verschillen in kansen en risico’s tussen verschillende bevolkingsgroepen, die zich bijvoorbeeld uiten in gezondheidsverschillen tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus.24

Het werk is dan ook niet klaar. Het is aan het volgende kabinet om, in samenwerking met maatschappelijke partners, verdere stappen te zetten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Verzoek van het lid Gijs van Dijk (PvdA) tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 13 april (Handelingen II 2020/21, nr. 67, item 6).

X Noot
2

Bijvoorbeeld in de vorm van de Brede maatschappelijke heroverwegingen, Interdepartementale beleidsonderzoeken en de Kansrijk Reeks van het CPB waar beleidsopties worden geschetst waar het volgende kabinet mee aan de slag kan gaan.

X Noot
3

Definities, data en startjaren bepalen het precieze beeld. Zo maakt de economische toestand in het startjaar uit of deze representatief voor een verdere economische ontwikkeling. Bbp-ontwikkeling na een «top» van een economische cyclus geeft een ander beeld dan na een «dal». Zie voor een verdere discussie bijvoorbeeld Rabobank (2018 en 2021) (https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederland-staat-vrijwel-stil/) en CBS (2021) (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/15/inkomen-nederlanders-in-50-jaar-meer-dan-verdubbeld).

X Noot
5

Zie ook Brakel en Otten, 2017, ESB jaargang 102 (4756), Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen en Caminada, Goudswaard en Been, 2017, De ontwikkeling van inkomensongelijkheid en inkomensherverdeling in Nederland 1990–2014 (https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A2916773/view), en Schulenberg en Buitenhuis, 2017, ESB jaargang 102 (4756), Oorzaken van de toename in de primaire inkomensongelijkheid.

X Noot
6

Zie bijvoorbeeld ontwikkeling tot en met 2012: Koen Caminada, Kees Goudswaard, Marike Knoef, «Belasting aan de top: geen spoor van groeiende ongelijkheid», Me Judice, 14 maart 2015.

X Noot
7

Zie bijvoorbeeld data van de OESO: OECD (2021), inkomensongelijkheid (indicator). doi: 10.1787/459aa7f1-en (geraadpleegd op 19 mei 2021).

X Noot
8

Kamerstuk 29 544, nr. 968.

X Noot
9

Centraal Planbureau (2020), Kansrijk Arbeidsmarktbeleid update minimumloonbeleid.

X Noot
10

CBS & TNO. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA).

X Noot
11

CBS & TNO. Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA).

X Noot
12

Zie hiervoor ook de brief «Monitoring arbeidsmarkt en beroep noodpakket», Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2020–2021, Kamerstuk 35 420, nr. 278.

X Noot
13

TNO/CBS 2019, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA).

X Noot
14

TNO/CBS, Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA).

X Noot
15

Kamerstuk 29 544, nr. 1028.

X Noot
16

Kamerstuk 32 847, nr. 653.

X Noot
20

Kamerstuk 32 847, nr. 701.

X Noot
21

Het gaat hier om meerderjarige kopers tot 35 jaar. Zij betalen eenmalig geen overdrachtsbelasting bij aankoop van een woning indien zij er zelf in deze woning gaan wonen. Vanaf 1 april 2021 geldt aanvullend dat de woning niet duurder mag zijn dan € 400.000.

X Noot
24

Kamerstuk 24 515, nr. 447.

Naar boven