Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135557 nr. 8

35 557 Wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de introductie van bepalingen ter invoering van de tijdelijke mogelijkheid voor de rechter om de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een schuldenaar een tijdelijk betalingsuitstel te verlenen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 oktober 2020

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het artikel komt te luiden: De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:.

2. Onder de aanhef van het artikel wordt de aanduiding «A» geplaatst.

3. In het voorgestelde artikel 78fa, tweede lid, wordt «ten hoogste met drie maanden» vervangen door «ten hoogste drie maanden» en wordt «de wet» vervangen door «dit artikel».

4. Na onderdeel A (nieuw) worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

B

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a. Tijdelijke openstelling van re-integratie instrumenten voor personen jonger dan 27 jaar

1. In afwijking van artikel 31, vijfde lid, zijn het tweede lid, onderdelen k, n en r, van dat artikel wel van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.

2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.

3. De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

C

Na artikel 41 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 41a. Tijdelijke uitzondering op de zoektermijn voor kwetsbare jongeren

1. Artikel 41, vierde lid, is niet van toepassing op een persoon jonger dan 27 jaar indien:

a. die persoon ten tijde van de melding, bedoeld in artikel 44, in een inrichting verblijft of recht heeft op een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

b. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, in een inrichting verbleef of recht had op een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

c. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleef als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

d. ten aanzien van die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, sprake was van een kinderbeschermingsmaatregel uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

e. die persoon niet is ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of als ingezetene zonder woonadres is ingeschreven met een briefadres in de basisregistratie personen;

f. die persoon uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding, bedoeld in artikel 44, ingeschreven heeft gestaan bij:

1°. het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs; of

2°. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra; of

g. die persoon medisch urenbeperkt is of behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.

3. De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 41b. Tijdelijk maatwerk bij de zoektermijn

1. In afwijking van artikel 41, vierde lid, kan een aanvraag worden ingediend voordat de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, is verstreken en kan het college de aanvraag eerder in behandeling nemen indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.

2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2021. Het tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.

3. De voordracht van een krachtens het tweede lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

B

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «en werkt terug tot en met 1 maart 2020» vervangen door «, waarbij:

a. onderdeel A terugwerkt tot en met 1 maart 2020;

b. onderdeel B terugwerkt tot en met 1 november 2020;

c. onderdeel C, voor zover dat betrekking heeft op artikel 41b (nieuw), terugwerkt tot en met 1 oktober 2020;

d. onderdeel C, voor zover dat betrekking heeft op artikel 41a (nieuw), terugwerkt tot en met 1 november 2020.»

2. In het derde lid wordt «1 december 2020» vervangen door «1 februari 2021».

Toelichting

Deel I. Algemeen

1. Inleiding

In de Participatiewet is beoogd dat jongeren in beginsel niet uitkeringsafhankelijk worden. Zij moeten werken of leren. Daarom is voor jongeren tot 27 jaar een zoekperiode van vier weken opgenomen voordat zij in aanmerking komen voor een uitkering. In deze vier weken moeten zij zich inspannen om aan werk te komen of om onderwijs te gaan volgen. Ook zijn jongeren tot 27 jaar uitgesloten van een aantal re-integratie instrumenten die bijverdiensten tot een bepaald bedrag toestaan zonder dat deze gekort worden op de uitkering.

De maatregelen om de verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan hebben plotselinge consequenties voor de arbeidsmarkt. Een aantal sectoren is tijdelijk gesloten geweest. Andere sectoren hebben duidelijk minder omzet. Hoewel met de ondersteunende maatregelen zoals NOW en Tozo zoveel mogelijk werkgelegenheid bewaard blijft, is de positie op de arbeidsmarkt voor veel jongeren toch ernstig verslechterd. Zij hebben immers vaker een tijdelijk dienstverband en zij zijn vaker flexwerker. Bij plotseling baanverlies hebben zij daardoor vaak slechts beperkt recht op WW en zijn zij al snel aangewezen op bijstand.

Het onder deze omstandigheden strikt toepassen van de vier weken termijn leidt tot knelpunten. Niet alleen is het voor een aantal jongeren niet mogelijk om tijdig ander werk te vinden, ook kunnen zij in financiële problemen komen als zij vier weken geen inkomsten hebben.

In de periode van 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020 hebben gemeenten de ruimte gekregen om in individuele gevallen af te kunnen wijken van de vier-weken termijn.1 Hiermee was het voor gemeenten mogelijk om maatwerk toe te passen.

In de motie Smeulders c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 35420–118) is de regering verzocht een aantal re-integratie instrumenten waar jongeren tot 27 jaar nu van zijn uitgesloten tot 1 juli 2021 ook voor deze groep open te stellen, te weten de vrijlating van inkomsten, het vrijstellen van de vrijwilligersvergoeding en het vrijlaten van inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder. Tevens werd verzocht de zoektermijn van vier weken voor kwetsbare jongeren tot 1 juli 2021 buiten werking te stellen, en tot 1 juli 2021 gemeenten de ruimte te geven om de zoektermijn ook bij andere jongeren niet toe te passen.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

Met deze nota van wijziging wordt uitwerking gegeven aan de motie Smeulders c.s. In de eerste plaats wordt geregeld dat gemeenten tot 1 juli 2021 de bevoegdheid hebben om in individuele gevallen af te wijken van de vier weken zoektermijn. Gemeenten hebben in de periode 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020 de ruimte gekregen om af te wijken van de regels rond de verplichte zoektermijn van vier weken.2 De tijdelijke maatregel die tot 1 oktober 2020 gold wordt met deze nota van wijziging als het ware verlengd en tot 1 juli 2021 in de Participatiewet verankerd. Gemeenten behouden hiermee tot 1 juli 2021 de ruimte om individueel maatwerk toe te passen om financiële problemen bij jongeren die plotseling zonder werk en inkomsten komen te zitten zoveel mogelijk te voorkomen. Het is aan het college om te beoordelen of de zoektermijn in een individueel geval zinvol is of dat er maatwerk nodig is. Van gemeenten wordt gevraagd om een zorgvuldige afweging te maken en waar mogelijk jongeren te ondersteunen bij het zoeken naar werk en scholing.

Verder wordt geregeld dat de vier weken zoektermijn tot 1 juli 2021 niet van toepassing is op bepaalde groepen kwetsbare jongeren. De zoektermijn wordt voor deze jongeren tijdelijk buiten werking gesteld. Het gaat hierbij om:

  • jongeren die in een inrichting verblijven of recht hebben op opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo 2015);

  • jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang als bedoeld in de (Wmo 2015);

  • jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de Jeugdwet;

  • jongeren voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet;

  • jongeren die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen;

  • jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;

  • jongeren die medisch urenbeperkt zijn of behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie.

Om re-integratie te bevorderen en arbeidsdeelname in gedeeltelijk geopende sectoren te stimuleren, wordt het voor jongeren tijdelijk mogelijk om naast de uitkering beperkt bij te verdienen zonder dat dit in mindering wordt gebracht op de uitkering. Een aantal re-integratie instrumenten waarvoor jongeren nu niet in aanmerking komen wordt tijdelijk voor hen opengesteld. Zo mogen zij:

  • een vergoeding voor vrijwilligerswerk behouden tot ten hoogste een bedrag zoals vastgesteld in de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (ten hoogste € 170 per maand of € 1.700 per kalenderjaar);

  • gedurende zes maanden inkomsten uit arbeid tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 215 behouden;

  • na deze zes maanden mogen alleenstaande ouders tot 27 jaar die de volledige zorg hebben over een kind tot 12 jaar gedurende 30 maanden 12,5% van een inkomen houden tot een bedrag van € 134,35 per maand, als dit volgens het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

3. Inwerkingtreding en terugwerkende kracht

De voorgestelde tijdelijke wijzigingen in de Participatiewet hebben onmiddellijke werking. Dat betekent dat de wijzigingen ook van toepassing zijn op reeds bestaande rechtsposities. Voor de categoriale uitzondering op de zoektermijn voor kwetsbare jongeren (artikel 41a) betekent dit bijvoorbeeld dat een lopende zoektermijn vervalt als de betrokkene tot één van de kwetsbare groepen behoort. De tijdelijke openstelling van re-integratie instrumenten (artikel 31a) geldt ook voor jongeren die reeds zijn gestart met vrijwilligerswerk/werk. Hiervoor geldt wel dat de vrijlating van vergoedingen/inkomsten slechts van toepassing is op vergoedingen/inkomsten die zijn genoten na de ingangsdatum van de wetswijzigingen.

Aan gemeenten wordt de ruimte geboden om voor zover mogelijk te anticiperen op de inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijzigingen. De mogelijkheid om individueel maatwerk te bieden bij de zoektermijn is een maatregel die tot 1 oktober 2020 gold. Deze maatregel wordt als het ware verlengd en tot 1 juli 2020 wettelijk verankerd. Gemeenten kunnen anticiperen op de inwerkingtreding van deze wetswijziging door het maatwerkbeleid ten aanzien van de zoektermijn voort te zetten. Aan dit onderdeel van het wetsvoorstel wordt dan ook terugwerkende kracht verleend tot en met 1 oktober 2020. Voor de overige maatregelen hebben gemeenten wat tijd nodig om de uitvoering voor te bereiden. Gemeenten kunnen vanaf 1 november 2020 starten met de uitvoering van de opengestelde re-integratie instrumenten (vrijlating van vergoedingen/inkomsten uit arbeid) en de categoriale uitzondering op de zoektermijn voor kwetsbare jongeren. Aan deze onderdelen van het wetsvoorstel wordt dan ook terugwerkende kracht verleend tot en met 1 november 2020.

4. Vervaldatum

De tijdelijke maatregelen gelden tot 1 juli 2021. Dit sluit aan bij de einddatum van het steun- en herstelpakket. Met betrekking tot de vrijlating van inkomsten uit arbeid wordt ten overvloede nog opgemerkt dat ook deze maatregel eindigt op 1 juli 2021. Dat betekent dat de vrijlating van inkomsten op 1 juli 2021 stopt, ook als de maximale periode van de vrijlating (zes maanden respectievelijk 30 maanden) nog niet is bereikt. Verder wordt nog opgemerkt dat in de tijdelijke wetsartikelen wordt voorzien in de mogelijkheid om de tijdelijke maatregelen te verlengen. Dit wordt nader toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

5. Financiële gevolgen

Het toepassen van maatwerk en de generieke uitzondering voor kwetsbare jongeren bij de vier weken zoektermijn hebben geen financiële gevolgen. De categoriale uitzondering geldt alleen voor specifieke kwetsbare groepen, het gaat daarbij om jongeren die anders na het verstrijken van de vier weken zoektermijn naar alle waarschijnlijkheid onder de huidige omstandigheden alsnog voor bijstand in aanmerking zouden komen. De bijstand zou dan alsnog met terugwerkende kracht vanaf het moment van melding verstrekt moeten worden. Voor de overige jongeren geldt dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om maatwerk toe te kunnen passen bij de vier weken zoektermijn. Indien gemeenten verwachten dat inzet van de vier weken zoektermijn niet effectief is gegeven de omstandigheden van de aanvrager, kunnen zij ervoor kiezen direct een uitkering te verstrekken.

De financiële gevolgen van de verruiming van de mogelijkheden om bij te verdienen zijn naar verwachting verwaarloosbaar. Enerzijds zal er sprake zijn van beperkt hogere bijstandskosten, omdat bijverdiensten niet meer in mindering gebracht worden op de uitkering. Anderzijds zou de verruiming van de mogelijkheden voor bijverdienen mensen kunnen stimuleren meer te werken. Gezien de huidige arbeidsmarktsituatie en het maatwerk dat gemeenten toe kunnen passen is de verwachting dat de budgettaire gevolgen nihil zijn. De vrijlatingen zijn namelijk alleen toepasbaar als dit volgens het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

De budgettaire gevolgen van de aanpassingen op de bijstandsuitgaven zijn naar verwachting verwaarloosbaar. Het Rijk past daarom niets aan in de omvang van het macrobudget voor Participatiewetuitkeringen.

6. Advies en consultatie

Door het spoedeisende karakter van de aanpassingen is er onvoldoende tijd geweest voor volledige uitvoeringstoetsen. Wel hebben VNG, Divosa en een aantal individuele gemeenten input geleverd op dit voorstel.

Inhoudelijk kunnen zij zich vinden in de voorgestelde wijzigingen en zijn de gehanteerde definities voor kwetsbare jongeren werkbaar.

Het in mindering brengen van bijverdiensten op de uitkering verloopt geautomatiseerd. Bij jongeren tot 27 jaar worden bijverdiensten dus standaard volledig in mindering gebracht op de uitkering. Aanpassing van de automatisering kost tijd. Daarbij implementeren niet alle gemeenten direct de laatste release van de softwarepakketten. Dit betekent dat bij een ingangsdatum van 1 november 2020 er op veel plekken handmatig verrekend moet worden of dat pas na de release en implementatie met terugwerkende kracht verrekend kan worden.

Gemeenten geven aan dat communicatie met de bijstandsgerechtigden over de verschillende regels en de tijdelijkheid ervan een aandachtspunt is.

Deel II. Artikelsgewijs

Onderdeel A (artikel 1.1)

De aanhef van artikel 1.1 van het wetsvoorstel wordt gewijzigd in verband met de toevoeging van twee onderdelen (onderdelen B en C). Artikel 1.1 bestond voor deze nota van wijziging uit één onderdeel. Daarom wordt na de aanhef van artikel 1.1 de aanduiding «A» geplaatst. Daarnaast worden in het voorgestelde artikel 78fa, tweede lid, enkele redactionele omissies hersteld.

Onderdeel A, artikel 1.1, onderdeel B (artikel 31a. Tijdelijke openstelling re-integratie instrumenten voor personen jonger dan 27 jaar)

Voor een inhoudelijke toelichting op het eerste lid wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Het tweede lid behelst een zogenaamde horizonbepaling. Het artikel vervalt automatisch met ingang van 1 juli 2021. Dit sluit aan bij de einddatum van het steun- en herstelpakket. Het tweede lid voorziet bovendien in de mogelijkheid om de vervaldatum bij koninklijk besluit op een later tijdstip vast te stellen. Het derde lid bepaalt dat het koninklijk besluit moet worden voorgehangen bij beide Kamers van de Staten-Generaal voor een periode van één week. Omdat de ontwikkelingen die aanleiding kunnen geven tot zo’n voorstel tot verlenging zeer snel verlopen, wordt bij die voorhang een korte termijn van één week wenselijk geacht, zodat een besluit om te komen tot verlenging niet langer dan een week voor de vervaldatum genomen zal hoeven worden.

Voor een nadere toelichting omtrent de vervaldatum wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel A, artikel 1.1, onderdeel C (artikel 41a. Tijdelijke uitzondering zoektermijn voor kwetsbare jongeren)

Met een tijdelijk nieuw artikel 41a wordt geregeld dat de voorgeschreven vier weken zoektermijn niet van toepassing is op bepaalde groepen kwetsbare jongeren. De gevolgen van deze tijdelijke categoriale uitzondering zijn tweeledig. Jongeren die tot één van de genoemde groepen kwetsbare jongeren behoren, kunnen, in afwijking van artikel 41, vierde lid, direct na de melding een aanvraag voor een bijstandsuitkering indienen. Het college neemt de aanvraag vervolgens in behandeling. Daarnaast ontstaat voor deze jongeren ook direct een aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.

In dit tijdelijke artikel is getracht om de doelgroep kwetsbare jongeren zo volledig mogelijk af te bakenen. Hierbij wordt opgemerkt dat er mogelijk ook jongeren zijn die weliswaar niet onder één van de genoemde categorieën vallen, maar toch in een kwetsbare positie verkeren. Voor deze jongeren kan het college op grond van het tijdelijke artikel 41b maatwerk bieden door de zoektermijn niet toe te passen. Dit wordt nader toegelicht onder artikel 41b.

Met betrekking tot de horizonbepaling in het tweede lid en de voorhangbepaling in het derde lid wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting onder onderdeel A, artikel 1.1, onderdeel B (artikel 31a). Voor een nadere toelichting omtrent de vervaldatum wordt ook verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel A, artikel 1.1, onderdeel C (artikel 41b. Tijdelijk maatwerk bij de zoektermijn)

Artikel 41b betreft een discretionaire bevoegdheid voor het college om bij de toepassing van de vier weken zoektermijn individueel maatwerk te bieden. Het is aan het college om te beoordelen of de zoektermijn gezien de individuele omstandigheden van de belanghebbende zinvol kan zijn of dat er maatwerk nodig is. Het college kan op basis van deze individuele beoordeling besluiten om de zoektermijn niet toe te passen. Indien de zoektermijn niet wordt toegepast, kan de belanghebbende in afwijking van artikel 41, vierde lid, een aanvraag voor een bijstandsuitkering indienen voordat de voorgeschreven periode van vier weken is verstreken. Het college neemt de aanvraag vervolgens in behandeling. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Met betrekking tot de horizonbepaling in het tweede lid en de voorhangbepaling in het derde lid wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting onder onderdeel A, artikel 1.1, onderdeel B (artikel 31a). Voor een nadere toelichting omtrent de vervaldatum wordt ook verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel B (artikel 3.1, eerste lid, inwerkingtreding en terugwerkende kracht)

Het eerste lid van de inwerkingtredingsbepaling wordt aangepast in verband met de terugwerkende kracht die wordt verleend aan de inwerkingtreding van de verschillende maatregelen. Gemeenten kunnen vanaf 1 november 2020 starten met de uitvoering van de nieuwe tijdelijke artikelen 31a (vrijlating vergoedingen/inkomsten) en 41a (categoriale uitzondering op de vier weken zoektermijn voor kwetsbare jongeren). Aan deze onderdelen van het wetsvoorstel wordt dan ook terugwerkende kracht verleend tot en met 1 november 2020. Voor het tijdelijke artikel 41b (maatwerk vier weken zoektermijn) geldt dat gemeenten het maatwerk dat in de periode 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020 is toegepast, kunnen voortzetten. Daarom wordt aan dit onderdeel van het wetsvoorstel terugwerkende kracht verleend tot en met 1 oktober 2020.

Onderdeel B (artikel 3.1, derde lid, vervaldatum tijdelijke voorziening betalingsuitstel)

Artikel 3.1, derde lid, wordt aangepast, zodat de artikelen 2.1 tot en met 2.4 waarin de tijdelijke voorziening betalingsuitstel COVID-19 is geregeld, in ieder geval geldig blijven tot 1 februari 2021 in plaats van 1 december 2020.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. van ’t Wout


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 2020D21193, p. 1.

X Noot
2

Kamerstukken II 2019/20, 2020Z09805.