Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634302 nr. 113

34 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016)

Nr. 113 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 maart 2016

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 17 december 2015 over oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer; oudedagssparen in eigen beheer of uitfaseren van PEB? (Kamerstuk 34 302, nr. 108).

De vragen en opmerkingen zijn op 21 januari 2016 aan de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 15 maart 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Elferink

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief. De leden van de VVD-fractie benadrukken dat zij voor ondernemers die met hun pensioen in eigen beheer in de knel zijn gekomen, graag een definitieve oplossing wil. zodat ondernemers meer ruimte krijgen in hun bv en ondernemers vooral kunnen ondernemen. De leden van de VVD-fractie begrijpen de keuze voor het oudedagssparen in eigen beheer boven de oudedagsbestemmingsreserve. De leden van de VVD-fractie hebben de volgende vragen;

Biedt het oudedagssparen in eigen beheer echt een oplossing voor alle gevallen? Kunnen in de toekomst zich weer nieuwe problemen of knelpunten voordoen zoals dit ook bij pensioen in eigen beheer voor deden?

De leden van de VVD-fractie lezen dat bij de definitieve mogelijkheid om het pensioen in eigen beheer af te kopen dit tegen een grondslag van 80% is. Kan de staatsecretaris ingaan op de kritiek van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) dat een maximaal tarief van 44,6% te hoog is, aangezien het pensioen in de regelmaat tegen 30% wordt belast? Klopt dit? Is het percentage niet erg hoog en is het zo voor ondernemers wel voldoende aantrekkelijk om hun pensioen in eigen beheer te stoppen? Kan de Staatssecretaris ingaan op de kritiek van het Register Belastingadviseurs (RB) dat deze regeling in een groot aantal gevallen geen werkbare oplossing biedt? Moeten DGA’s dit bedrag aan belasting in één keer betalen? Kan een DGA met een ex-partner ook alleen zijn pensioendeel in eigen beheer afkopen? En hoe kan een minderheidsaandeelhouder in de bv zijn of haar pensioen in eigen beheer eventueel afkopen?

Gaan DGA’s minder pensioen opbouwen of hebben zij te weinig mogelijkheden als pensioen in eigen beheer wordt afgeschaft? Kan een DGA zijn pensioen onder brengen bij een pensioenpremie instelling? Verwacht de Staatssecretaris minder pensioenopbouw bij afschaffing of hebben veel ondernemers nu juist weinig feitelijk pensioen omdat dit alleen op de balans staat maar ondernemers geen reserves hebben?

Kan de Staatssecretaris ingaan op de mogelijke gevolgen van afschaffing van pensioen in eigen beheer zoals gesteld door VNO-NCW in hun brief van 20 januari 2016?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie danken de Staatssecretaris voor zijn brief van 17 december 2015 aangaande oplossingsrichtingen op het gebied van pensioen in eigen beheer. Zij delen de opvatting van de Staatssecretaris dat het niet de voorkeur heeft de huidige regeling voort te zetten. In de brief wordt verder gereflecteerd op twee oplossingsrichtingen, te weten het fiscaal ondersteund afschaffen van de huidige regeling en de invoering van het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB). Hoewel beide varianten een duidelijke verbetering zijn ten opzichte van de huidige situatie, neigen de leden van de PvdA-fractie naar het afbouwen van de regeling; zij hebben daarbij enkele vragen.

Een ondernemer, en dus ook een DGA, heeft grote vrijheid bij het inrichten van zijn pensioenvoorziening. Hoe de DGA zijn pensioen wil opbouwen is van vele zaken afhankelijk, van de situatie van de partner, van het succes van de onderneming, en ook van de hoeveelheid risico die hij wil nemen. Pensioen kan worden opgebouwd in box 3, bij een externe verzekeraar, of in de eigen onderneming. De laatste is lang fiscaal gestimuleerd, door middel van een regeling die niet meer functioneert en die grote risico’s kent voor het pensioen van de DGA. Tegelijkertijd constateren de leden van de PvdA-fractie dat er door de fiscale stimulering, en de daaropvolgende veranderende omstandigheden zoals de lage rente, ertoe hebben geleid dat er nu sprake is van een groot probleem. Miljarden aan euro’s die muurvast op balansen staan, en waarvan niet eens zeker is of zij een afdoende pensioen zullen opleveren.

De leden van de PvdA-fractie neigen dan ook naar het uitfaseren van de regeling. Dit kost ondernemingen wellicht op de korte termijn liquiditeit wanneer zij ervoor kiezen het pensioen af te kopen. Daar staat echter tegenover dat veel beklemd vermogen vrij komt, dat diezelfde ondernemingen meer solvabel worden en ondernemingen eenvoudiger toegang krijgen tot financiering van derden, hetzij met eigen, hetzij met vreemd vermogen. Deelt de Staatssecretaris die analyse?

Hoe beoordeelt hij de economische gevolgen van het uitfaseren van pensioen in eigen beheer? Wat betekent het voor de toegang tot financiering voor ondernemingen? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de effecten van beide opties op de investeringscapaciteit van ondernemingen?

De leden van de PvdA-fractie kunnen billijken dat in het geval gekozen wordt voor afschaffing, een snelle afwikkeling wordt gestimuleerd door het achtereenvolgens afstempelen tot de fiscale waarde, afzien van revisierente en het bieden van een eenmalige korting op de resterende belastinggrondslag. In eerder overleg met de Kamer is aan de orde geweest dat sommige DGA’s niet van deze korting gebruik kunnen maken omdat het ontbreekt aan voldoende liquiditeit om met de fiscus af te rekenen. Sommige organisaties, zoals VNO-NCW stellen zelfs dat het een illusie is om te denken dat op grote schaal zal worden afgekocht, ondanks de geboden belastingvoordelen. Hoe taxeert de Staatssecretaris de te verwachten belangstelling voor fiscaal vriendelijke afkoop? Wat zijn in dit verband de ervaringen met de fiscaal vriendelijke afkoop van stamrecht bv’s en de levensloopregeling?

Verondersteld dat in ieder geval een deel van de ondernemingen kampt met krappe liquiditeit, rijst de vraag wat de Staatssecretaris vindt van het idee om DGA’s een betalingsregeling aan te bieden over meerdere jaren? Aan welke termijnen denkt de Staatssecretaris dan? Kan de Staatssecretaris reageren op het alternatief dat het Register Belastingadviseurs heeft gepresenteerd voor het afschaffen van het pensioen in eigen beheer?

Het OSEB heeft als voordeel dat ook bv’s die in een minder goede financiële positie verkeren en bv’s met lage liquiditeit eraan mee kunnen doen. Hoe verhoudt dit voordeel zich tot de grotere flexibiliteit bij afschaffing van het pensioen in eigen beheer?

Deelt de Staatssecretaris de mening dat het OSEB, net als het pensioen in eigen beheer vroeger, een ingebouwde prikkel bevat om het pensioen op zeer risicovolle wijze in te richten? Zou het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer niet een meer neutrale uitgangssituatie opleveren, waarbij de ondernemer minder op fiscale gronden zijn keuze voor de manier van pensioenopbouw zal baseren? Deelt de Staatssecretaris de mening dat een externe pensioenvoorziening ook meer zekerheid oplevert voor partners? Is een inschatting te geven wat buiten de onderneming pensioen opbouwen betekent voor het rendement en de zekerheid van het pensioen ten opzichte van de huidige situatie?

In de beantwoording van de technische vragen bij het algemeen overleg van 24 september 2015 wordt gesteld dat bij emigratie een conserverende aanslag mogelijk is indien het OSEB is gebruikt. Waarom is hiervoor gekozen? Tot wanneer geldt de conserverende aanslag en onder welke voorwaarden zou een dergelijke conserverende aanslag opeisbaar worden? Het OSEB verleent voor een belangrijk deel uitstel van belasting; welke aanvullende maatregelen zijn mogelijk in het OSEB om te voorkomen dat uitstel leidt tot afstel van belasting?

Wanneer kan de Tweede Kamer meer uitgewerkte voorstellen tegemoet zien? Voor de leden van de PvdA-fractie is namelijk ook belangrijk dat een nieuw systeem robuust is. Dat wil zeggen dat het systeem toekomstbestendig is, en weinig ruimte laat voor oneigenlijke taxplanning en belastingontwijking. Zij zouden eventuele voorstellen daar dan ook graag op kunnen toetsen.

De leden van de PvdA-fractie zijn tenslotte benieuwd naar het structurele effect van de beide varianten op de toekomstige belastingopbrengsten. Weegt de derving van Vpb-opbrengsten bij OSEB op tegen mogelijk hogere IB-opbrengsten op termijn vergeleken met afschaffing van pensioen in eigen beheer en (dus) netto sparen binnen de eigen bv?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris en van zijn antwoorden op de technische vragen die zijn gesteld tijdens het algemeen overleg op 24 september 2015.

De leden zijn benieuwd hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de suggestie om DGA’s toe te staan hun pensioen onder te brengen bij een premiepensioeninstelling.

De leden van de SP-fractie hebben enkele vragen over de afkoopregeling. Allereerst vragen zij of de afkoopregeling ook geldt voor degenen die hun pensioen in eigen beheer (PEB) reeds hebben stopgezet. Kan worden aangegeven hoeveel procent van de vennootschappen die gebruik konden maken van de afkoopregeling die gold bij het afschaffen van de stamrechtvrijstelling, dit ook hebben gedaan? Denkt de Staatssecretaris dat van de voorgestelde afkoopregeling veel gebruik wordt gemaakt? De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs verwacht dat niet veel DGA’s gebruik zullen kunnen maken van de afkoopregeling, vanwege het feit dat velen van hen slechts weinig liquide middelen hebben. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?

De leden van de SP-fractie hebben vernomen dat de gemiddelde belastingaanslag per ondernemer in 2017 bij afkoop 120.000 euro bedraagt. Daarna, vanaf 2018, bedraagt het belastingnadeel gemiddeld 4.000 euro per ondernemer. Zij vragen de Staatssecretaris of deze cijfers kloppen en of deze belastingaanslag, zowel in 2017 als daarna, voor de ondernemers zijn op te brengen. Leidt het voorstel tot afkoop van pensioen in eigen beheer volgens de Staatssecretaris tot faillissementen? Is hij voornemens om maatregelen te treffen die faillissementen kunnen voorkomen? Zo ja, welke?

Dienen partners van DGA’s in te stemmen met afkoop van de PEB, vragen de leden van de SP-fractie?

Tevens vragen de leden van de SP-fractie een reactie van de Staatssecretaris op hetgeen het RB schrijft, namelijk dat uitfasering van pensioen in eigen beheer met zich meebrengt dat minder wordt gespaard voor de oude dag, hetgeen leidt tot een groter beroep op collectieve voorzieningen.

Ten slotte willen de leden van de SP-fractie weten hoe de Staatssecretaris tot het oordeel is gekomen dat het overgangsrecht in de vorm van de mogelijkheid tot afzien van pensioen niet wenselijk is. Welke argumenten hebben hierbij een rol gespeeld?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 17 december 2015 over de oplossingsrichtingen voor het pensioen in eigen beheer. De Staatssecretaris legt in onderhavige brief de keuze voor tussen het oudedagssparen in eigen beheer of het afschaffen en uitfaseren van het pensioen in eigen beheer. De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat er eindelijk een oplossing komt voor het langslepende probleem van de dividendklem bij het pensioen in eigen beheer. Alleen zijn de twee door de Staatssecretaris uitgewerkte wegen beide onwenselijk of op zijn minst onvolledig. De Staatssecretaris mocht met een oplossing komen, maar dit lijkt meer een heel erg onevenwichtig voorstel tot afschaffing.

Hoewel het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer een aantrekkelijke vereenvoudiging oplevert, is een uitfasering onder de voorwaarden zoals deze door de Staatssecretaris in zijn brief geschetst worden, onwenselijk en leidt het er bovendien toe dat weinig DGA’s in staat zullen zijn om het pensioen in eigen beheer af te kopen.

Bij het oudedagssparen in eigen beheer mist het overgangsrecht, waardoor het probleem alleen richting de toekomst wordt opgelost, maar niet voor de jaren waarin reeds pensioen in eigen beheer is opgebouwd.

De leden van de CDA-fractie hebben dan ook nog een aantal vragen over de geschetste uitfasering en het oudedagssparen in eigen beheer en zij vragen de Staatssecretaris tevens in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en het Register Belastingadviseurs in hun commentaren op bovengenoemde brief.

De leden van de CDA-fractie achten het in het kader van de afweging tussen de door de Staatssecretaris geschetste varianten van belang dat zoveel mogelijk gepensioneerden beschikken over een afdoende oudedagsvoorziening en waarbij, los van de AOW, zo min mogelijk ouderen een beroep moeten doen op collectieve overheidsvoorzieningen. Het is dus van belang dat zoveel mogelijk mensen een veilig pensioen opbouwen. Voor een deel van de DGA’s is de bv een voldoende veilige oudedagsvoorziening, maar voor een deel van de DGA’s, vooral kleine ondernemers met een bv, bestaat het risico dat er bij faillissement geen enkele aanvullende oudedagsvoorziening meer is. De mogelijkheden om extern een gedegen oudedagsvoorziening op te bouwen zijn voor DGA’s echter veel beperkter dan voor andere werknemers. Het pensioen in eigen beheer was dan ook meer dan alleen een fiscale faciliteit, het voorzag in een goede mogelijkheid voor DGA’s om pensioen op te bouwen. Kan de Staatssecretaris een overzicht geven van de mogelijkheden die DGA’s momenteel hebben om bij een externe partij pensioen op te bouwen (en die dus ook daadwerkelijk worden aangeboden in de markt) en hierbij een vergelijking maken met werknemers?

De Staatssecretaris schetst een afkoopmogelijkheid die eenmalig is, slechts in 2017, waarbij geruisloos afgestempeld wordt tot de fiscale waarde en waarbij de fiscale waarde tegen 80% van de afkoopsom wordt uitgekeerd en vervolgens belast wordt in de loonbelasting. Per saldo resteert een heffing over de fiscale waarde van 41,6%. De leden van de CDA-fractie constateren dat de geschetste afkoop van het eigen beheer alleen beschikbaar en voordelig is voor DGA’s met een hoog pensioen in eigen beheer waarbij het 41,6% van de fiscale waarde beschikbaar is in de bv voor betaling aan de Belastingdienst. Moet de DGA ook kunnen beschikken over de overige 58,4%? Of is het mogelijk om het pensioen in eigen beheer dat onder water staat, geheel af te kopen en de waarde schuldig te erkennen aan de DGA of voor deze waarde aandelen uit te geven? Is het ook mogelijk om, bijvoorbeeld in het geval dat het pensioen in eigen beheer onder water staat, een deel van het pensioen in eigen beheer af te kopen? Hoe kijkt de Staatssecretaris in dit kader naar de voorwaarde dat de afkoop alleen in 2017 kan plaatsvinden, bijvoorbeeld in gevallen dat de pensioenvoorziening onder water staat of de pensioenvoorziening gedekt is door onroerend goed? De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris tevens in te gaan op de voorbeeldbalansen uit bijlage 1 van het commentaar van het Register Belastingadviseurs met betrekking tot onderhavige brief. De leden van de CDA-fractie merken bovendien op dat het voor DGA’s van een kleine onderneming, als hun pensioen in eigen beheer onder water staat, zeer ingewikkeld zal zijn om in de huidige financiële markt externe financiering aan te trekken bij een bank voor de afkoop van het pensioen in eigen beheer.

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris of hij (renteloos) uitstel van betaling bij gebruik van de fiscaal gefaciliteerde afkoop van het pensioen in eigen beheer dan wel een kwijtscheldingsmogelijkheid voor niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraken heeft overwogen, zodat de afkoop voor veel meer DGA’s mogelijk wordt. Zo ja, waarom is dit volgens de Staatssecretaris geen optie, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Waarom vindt de afkoop plaats met als grondslag 80% van de afkoopsom ten bedrage van de fiscale waarde van de pensioenverplichting vóór afstempeling»?

De leden van de CDA-fractie missen de gehele budgettaire onderbouwing van de geschetste afkoopmogelijkheid. Komt 80%, een heffing tegen 41,6%, overeen met de contante waarde van de toekomstige belastingheffing over het pensioen in eigen beheer? Zo nee, waarom is dan voor het percentage van 80% gekozen? Kan de Staatssecretaris becijferen tegen welk tarief het pensioen van DGA’s, of indien dat niet bekend is gepensioneerden in het algemeen, gemiddeld belast wordt?

Het komt de leden van de CDA-fractie voor dat de uitfasering – althans voor sommige – DGA’s een oplossing is voor de huidige problematiek van het pensioen in eigen beheer. Oftewel de opbouw in het verleden. Momenteel is verdere opbouw door de lage rente niet heel aantrekkelijk voor DGA’s. Dit doet echter niet af aan het feit dat DGA’s een aftrekpost voor de toekomst verliezen. Hier staat in de door de Staatssecretaris geschetste uitwerking van de uitfasering niets tegenover. De Staatssecretaris benoemt zelf ook dat «de bv en haar DGA door het uitfaseren van het PEB en zonder externe oudedagsvoorzieningen in samenhang met het wegvallen van het belastinguitstel een nadeel ondervinden». De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris waarom hij niets tegenover dit nadeel stelt, zoals een verlaging van het aanmerkelijk belang-tarief? Is nu niet per saldo sprake van het verhogen van de lasten voor ondernemers, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De Staatssecretaris schrijft in bijlage 1 van de brief dat er «hoogstwaarschijnlijk bij het OSEB geen verschil is tussen de fiscale en de commerciële waardering». Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer er toch een verschil kan ontstaan tussen de fiscale en de commerciële waardering van de OSEB?

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris wat het verschil is, zowel voor de DGA als voor de Belastingdienst, tussen een in eigen beheer opgebouwde pensioenverplichting die direct wordt ondergebracht bij een professionele verzekeraar en een in eigen beheer opgebouwde pensioenverplichting die eerst wordt omgezet in een OSEB-verplichting en vervolgens wordt ondergebracht bij een verzekeraar. Kan de Staatssecretaris dit met een rekenvoorbeeld toelichten?

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie wat de gevolgen zijn van de spaarvariant bij uitfasering voor DGA’s waarvan het pensioen in eigen beheer onder water staat (minder middelen dan de fiscale waarde).

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris voor het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer en voor het oudedagssparen in eigen beheer te schetsen op welke manier de wetswijziging «uitstraalt naar de fiscale oudedagsreserve».

Wat zijn bij afkoop van het pensioen in eigen beheer de rechten van de partner, zo vragen de leden van de leden van de CDA-fractie. Is instemming en meetekenen door de partner ook bij de afkoop van het pensioen in eigen beheer vereist? En geldt hetzelfde voor een ex-partner? En indien dit het geval is, onder welke voorwaarden? Kan een DGA zonder instemming zijn eigen deel van het verevend pensioen afkopen?

Bij de uitwerking van het oudedagssparen in eigen beheer zijn de rechten van de partner nog een groot probleem, zo constateren de leden van de CDA-fractie. De partner heeft bij echtscheiding geen enkele rechten, tenzij er aanvullende huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Is de Staatssecretaris bereid om, indien deze variant geconsulteerd gaat worden, reeds in het consultatievoorstel op te nemen dat het oudedagssparen in eigen beheer, zowel voor nieuwe gevallen als voor gevallen ter vervanging van een bestaand pensioen in eigen beheer, onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) gaat vallen? Is de Staatssecretaris voornemens om in het te consulteren wetsvoorstel regels op te nemen over maxima voor het deel van het saldo van de oudedagsspaarverplichting voor een externe afdekking van het vooroverlijdensrisico en het extern bedingen van een andere kwalificerende lijfrente voor de partner en de kinderen van de DGA of is dit geheel vrij?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief die nader ingaat op de keuze tussen het fiscaal blijven faciliteren van de opbouw van een oudedagsvoorziening in eigen beheer en het afschaffen van het pensioen in eigen beheer, zonder daarvoor een andere fiscaal gefaciliteerde oudedagsvoorziening in de plaats te stellen. Deze leden hebben enkele aanvullende vragen.

De leden van de D66-fractie vragen naar de situatie in andere EU-lidstaten. Zijn er andere lidstaten waar een ondernemerspensioen in de eigen onderneming kan worden ondergebracht? Zo ja, welke zijn dit en welke type vormgeving is daar gekozen?

De leden van de D66-fractie constateren dat onder meer het Register Belastingadviseurs waarschuwt voor het risico dat bij uitfasering van PEB aanzienlijk minder zal worden gespaard voor de oude dag, gegeven het feit dat de bereidheid om daarvoor geld aan de onderneming te onttrekken bijzonder laag wordt ingeschat. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij tegen dit risico aankijkt?

Op dit moment wordt in Nederland een brede discussie gevoerd over de toekomst van het pensioenstelsel. Het kabinet komt hopelijk voor de zomer met een nader uitgewerkt voorstel hieromtrent. Hoe ziet de Staatssecretaris de samenhang tussen een eventuele wijziging rondom PEB en deze bredere discussie?

Wijze van uitfaseren.

De leden van de D66-fractie hebben vragen met betrekking tot de voorgestelde wijze van uitfaseren, indien ervoor gekozen wordt om het PEB af te schaffen en geen andere fiscaal gefaciliteerde oudedagsvoorziening in het leven te roepen. Vennootschappen met een PEB-verplichting die een minder goede financiële positie hebben, dan wel over weinig of geen liquide middelen beschikken en daarbij onvoldoende leencapaciteit hebben, kunnen mogelijk geen gebruik maken van de voorgestelde afkoopfaciliteit. Kan de Staatssecretaris een inschatting maken van het aantal bedrijven dat hieronder valt?

Voorts constateren de leden van de D66-fractie dat afkoop van het opgebouwde PEB toestemming vereist van de partner van de directeur-grootaandeelhouder. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe dit zal worden uitgewerkt, met het oog op gevallen waarin het pensioen in het kader van een echtscheiding is verevend? Zijn er mogelijkheden voor een directeur-grootaandeelhouder om zonder toestemming van een eventuele ex-partner wel het eigen deel van het PEB af te kopen?

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van 50Plus

Het lid van de 50PLUS-fractie heeft met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Financiën inzake de oplossingsrichtingen voor het huidige Pensioen in eigen beheer.

Vanwege fiscale redenen, de lage rentestand van dit moment, de economische positie van veel bv’s en om administratieve redenen is PEB lang niet meer zo aantrekkelijk als voorheen. Vanuit vereenvoudigingsoogpunt heeft fiscaal gefaciliteerde uitfasering van het PEB (afkoopmogelijkheid) zonder dat daar iets voor in de plaats komt, volgens de Staatssecretaris de voorkeur.

Hier staat tegenover, dat veel ondernemers nog wel degelijk waarde hechten aan de mogelijkheid om fiscaal gefaciliteerd in eigen beheer een oudedagsvoorziening op te kunnen bouwen. Zij staan veelal positief tegenover Oudedagssparen in eigen beheer (OSEB).

Deelt de Staatssecretaris de mening van het lid van de 50PLUS-fractie dat DGA’s afgezien van het bestaande pensioen in eigen beheer in wezen verder alléén maar de keuze hebben het pensioen nog onder te brengen bij een verzekeraar, en dat zij daarmee relatief beperkt mogelijkheden hebben om «voordelig» een gedegen pensioen op te bouwen?

Met de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft het lid van deze fractie ook de vraag of het mogelijk zou kunnen worden gemaakt dat het pensioen van de DGA, evenals het pensioen van «reguliere» werknemers, bij een premiepensioeninstelling kan worden ondergebracht. En welke rol kunnen banken eventueel (gaan) spelen bij de pensioenvoorziening van een DGA?

Is het waar dat het argument van de «eenvoud» het belangrijkste / overwegende argument van de Staatssecretaris is om voorkeur te hebben voor het niets in de plaats willen stellen voor uitfasering van het PEB?

Bent u eens dat «eenvoud» niet een overwegend of doorslaggevend argument zou moeten zijn om géén OSEB te willen aanbieden? Het is evident dat het niet aanbieden van een fiscale faciliteit altijd zal leiden tot eenvoudiger wetgeving. Veel ondernemers echter staan positief tegenover een OSEB-faciliteit.

De gefaciliteerde afkoopregeling bij uitfasering van het PEB voorziet in een heffing van maximaal 52% over 80% (gelijk aan maximaal 41,6%) van de fiscale waarde van het PEB). Kan exact worden aangegeven / omschreven worden in welke gevallen / situaties wel en niet gebruik kan worden gemaakt van de gefaciliteerde afkoopregeling?

Volgens de NOB verkeert méér dan 28% van de vennootschappen met een PEB in een situatie van onderdekking; veel vennootschappen die een PEB hebben beschikken bovendien over relatief weinig liquide middelen. In hoeverre kan dit een belemmering gaan opwerpen voor het daadwerkelijk gebruik maken van de afkoopregeling?

De belastingdruk voor de afkoopregeling, effectief maximaal 41,6%, is aanmerkelijk hoger dan de gemiddelde belasting van pensioen, die rond de 30% ligt. Kan dit grote verschil verklaard worden, en zet dit grote verschil niet een flinke rem op de aantrekkelijkheid van de afkoopregeling? Zal de afkoopregeling onder de gestelde fiscale randvoorwaarden wel effectief kunnen zijn?

Het lid van de 50PLUS-fractie vraagt de Staatssecretaris in te gaan op de mogelijke effecten van de Wet verevening Pensioenrechten bij scheiding, op de afkoopregeling.

Het is denkbaar dat een ex-partner géén toestemming geeft voor afkopen van het PEB. Welke mogelijkheden staan er dan open voor de DGA? Is het mogelijk dat een DGA alleen zijn/haar «deel» van het PEB afkoopt? Verzocht wordt uitvoerig in te gaan op de positie van de (ex)partner rond de afkoop van een PEB.

Tot slot vraagt de 50PLUS-fractie de Staatssecretaris in te gaan op de thematiek van de conserverende aanslag voor pensioen bij emigratie, in relatie tot uitfasering van het PEB.

Vragen en opmerkingen van het lid Van Vliet

Veel dank aan de Staatssecretaris voor zijn duidelijke brief van d.d. 17 december 2015 over de oplossingsrichtingen voor pensioen in eigen beheer.

Het lid Van Vliet deelt de visie van de Staatssecretaris dat we op een kruispunt staan ten aanzien van de toekomst van het PEB. Het doet mij daarnaast deugd om te lezen dat de Staatssecretaris de geluiden uit het maatschappelijk middenveld niet heeft genegeerd en beide opties aan de Tweede Kamer voorlegt «zodat tot een zo breed mogelijk gedragen finaal oordeel kan worden gekomen». Ik heb daarbij nog enkele vragen:

Kan de Staatssecretaris een overzicht / reeks geven van de budgettaire effecten van beide voorliggende beleidsopties voor de schatkist, zowel voor de overgangsjaren als het structurele effect?

Het PEB vertegenwoordigt ook vanuit macro-perspectief een groot financieel belang en de voorliggende alternatieve beleidsopties kunnen bovendien leiden tot omvangrijke gedragseffecten. Het ligt derhalve voor de hand dat de effecten van de voorgestelde beleidsopties op de werkgelegenheid en de economische groei aanzienlijk uiteen lopen.

Heeft de Staatssecretaris zicht op de effecten van de verschillende beleidsopties op de economie en de werkgelegenheid?

Is de Staatssecretaris bereid om de beleidsopties ten aanzien van de toekomst van pensioen in eigen beheer, als geïsoleerde maatregelen (en dus niet als onderdeel van een breder pakket) te laten doorrekenen door het Centraal Planbureau? Indien nee, waarom niet?

Kan de regering voor beide voorliggende beleidsopties de administratieve lastendruk (voor de DGA’s) en de uitvoeringskosten (voor de Belastingdienst) kwantificeren?

De Staatssecretaris stelt dat vanuit een vereenvoudigingsoogpunt, het uitfaseren van de PEB met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid, de voorkeur heeft.

Leidt deze optie volgens de Staatssecretaris tot een positieve structurele opbrengst voor de schatkist? Indien nee, waarom niet?

Indien er sprake is van een positieve budgettaire opbrengst van deze beleidsoptie, is er dan ook sprake van een terugsluis via lagere vennootschapsbelastingtarieven of anderszins? Indien nee, waarom niet?

Werkgeversorganisaties zijn beducht voor uitfasering met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid, omdat er dan volgens hen omvangrijke bedragen (moeten) worden onttrokken aan het ondernemingsvermogen, met alle gevolgen van dien voor de gezondheid van de balansen en de investeringscapaciteit van de betrokken ondernemingen. Dit is ook naar mijn mening een reëel risico.

Kan de Staatssecretaris toelichten waarom zij dit risico niet als doorslaggevend beschouwen?

II Reactie van de Staatssecretaris van Financiën

Inleiding

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA, de PVV en D66, van het lid van de fractie van 50PLUS en van het lid Van Vliet. Voor de duidelijkheid heb ik de antwoorden – met verwijzing naar de fracties – gebundeld naar onderwerp.

Hierna ga ik achtereenvolgens op de volgende onderwerpen in:

  • 1. de fiscale aantrekkelijkheid van de voorgestelde afkoopvariant en toelichting op de spaarvariant;

  • 2. de partnerproblematiek;

  • 3. gevolgen voor de financieringscapaciteit, effecten voor de economie in het algemeen en budgettaire aspecten;

  • 4. OSEB;

  • 5. overige vragen.

De in de reacties van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en het Register Belastingadviseurs (RB) alsmede de in de gezamenlijke reactie van VNO-NCW en MKB-Nederland naar voren gebrachte punten komen aan de orde in de beantwoording van de hiervoor genoemde vragen.

Voordat ik toekom aan de beantwoording merk ik het volgende op. In mijn brief van 1 juli 20151 heb ik mijn voorkeur aangegeven het pensioen in eigen beheer (verder: PEB) om te vormen in het oudedagssparen in eigen beheer (in deze brief: OSEB) boven een omvorming in een oudedagsbestemmingsreserve. De invoering van OSEB bevrijdt veel directeuren-grootaandeelhouders (verder: DGA’s) voor een belangrijk deel van de dividendklem en vereenvoudigt de uitvoering voor de DGA. Vervolgens kwam de maatschappelijke vraag waarom het PEB niet kon worden uitgefaseerd weer sterker op de voorgrond. Op verzoek van uw Kamer heb ik de mogelijkheid van een dergelijke uitfasering uitgewerkt. Uit mijn brief van 17 december 20152 blijkt dat het uitfaseren tot een wezenlijke vereenvoudiging zou leiden. Hierbij is van belang dat de aantrekkelijkheid van het PEB – zowel in fiscale zin als voor de financiering van ondernemingsactiviteiten – de laatste decennia sterk terug is gelopen. Inmiddels is het een breed gedragen wens van velen en ook van uw Kamer om afscheid te nemen van het PEB. In het algemeen overleg op 24 september 2015 heb ik aangegeven ook bereid te zijn deze weg te gaan, mits zich voldoende draagvlak in beide Kamers aftekent. In dat licht valt op dat vrijwel alle leden van de genoemde fracties zich bij een eventueel afschaffen van het PEB zorgen maken over de werkbaarheid van de voorgestelde afkoopfaciliteit, bijvoorbeeld in situaties van onderdekking. Hoewel vanuit vereenvoudigingsoogpunt uitfasering van het PEB met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid de voorkeur zou hebben, heb ik begrip voor die naar voren gebrachte zorgen. Ik zie een mogelijkheid om aan die zorgen tegemoet te komen. Zoals ik ook in bijlage 2 bij de brief van 17 december 2015 heb geschreven, kan ik DGA’s – naast de afkoopfaciliteit – een alternatief bieden. Dat alternatief maakt gebruik van de systematiek van het OSEB, maar niet van de opbouwmogelijkheden van het OSEB. Ik noem dat de «spaarvariant bij uitfasering». DGA’s die niet willen of kunnen afkopen, kunnen hun rechten dan fiscaal geruisloos afstempelen tot het niveau van de fiscale (balans)waarde en vervolgens omzetten in een oudedagsverplichting. Na de omzetting kan geen verdere opbouw plaatsvinden. Zij worden op die manier verlost van de problemen die het PEB met zich brengt zonder dat liquiditeiten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv) hoeven te worden onttrokken. Belastingheffing vindt namelijk pas plaats in de uitkeringsfase. Hiermee wordt mijns inziens tegemoetgekomen aan DGA’s die niet kunnen of willen afkopen, verdwijnt de zogenoemde dividendklem voor een belangrijk deel, hoeft het als oudedagsvoorziening toegezegde vermogen niet aan de bv te worden onttrokken en wordt tegelijkertijd voor de toekomst wel een belangrijke vereenvoudiging bereikt.

In dat licht hebben de leden van de genoemde fracties, net als de NOB en het RB, zich ook afgevraagd of de voorgestelde korting op de belastinggrondslag in de afkoopvariant (belastingheffing over 80% van de fiscale balanswaarde van de PEB-verplichting) wel toereikend genoeg is om deze optie voor zo veel mogelijk DGA’s aantrekkelijk te maken. Ook hier zie ik een mogelijkheid om aan deze zorgen tegemoet te komen. Het blijkt dat budgettair een ruimere faciliteit mogelijk is. In de verdere uitwerking in deze brief stel ik voor om uit te gaan van een belastinggrondslag van 70% van de fiscale balanswaarde voor de afkoop van de bestaande PEB-rechten teneinde het PEB uit te faseren.

Ik hoop dat ik met het vorenstaande en de beantwoording van de vragen in het kader van dit schriftelijk overleg, uw Kamer in de gelegenheid stel om een goede en verantwoorde afweging te maken.

1. De fiscale aantrekkelijkheid van de voorgestelde afkoopvariant en toelichting op de spaarvariant

Een deel van de vragen van de leden van uw Kamer richt zich op de fiscale aantrekkelijkheid van de voorgestelde afkoopvariant in het kader van het uitfaseren van het PEB zonder er een nieuwe fiscale faciliteit voor in de plaats te stellen. In deze paragraaf zijn de daarop betrekking hebbende vragen en antwoorden gebundeld. Daarbij ga ik tevens nader in op de in de inleiding al geschetste spaarvariant waarmee het uitfaseren van het PEB ook voor bv’s in een minder goede economische positie aantrekkelijk wordt.

De leden van de fractie van de VVD vragen in te gaan op de opmerking van de NOB dat een maximaal tarief van 41,6% te hoog is, aangezien het pensioen in het algemeen bij reguliere afwikkeling tegen 30% wordt belast. Zij vragen of het zo voor DGA’s wel voldoende aantrekkelijk is om hun PEB te beëindigen. Ook het lid van de fractie van 50PLUS vraagt naar de aantrekkelijkheid van de afkoopregeling, gezien de randvoorwaarden en het verschil tussen het tarief bij afkoop in vergelijking met het tarief dat naar verwachting in de uitkeringsfase van het pensioen van toepassing zal zijn. Tevens vraagt dit lid of de afkoopregeling onder de gestelde fiscale randvoorwaarden wel effectief kan zijn. Mijns inziens zijn de voorwaarden van de afkoopfaciliteit aantrekkelijk genoeg om DGA’s de benodigde prikkel te geven hier gebruik van te maken. Dit zal ik illustreren aan de hand van een voorbeeld. Hierbij is rekening gehouden met mijn aangepaste voorstel, waarbij als belastinggrondslag voor de afkoopfaciliteit 70% van de fiscale balanswaarde in aanmerking komt.

Voorbeeld1

   

Waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak:

€ 900.000

 

Fiscale waarde pensioenaanspraak:

€ 300.000

 
X Noot
1

Conform de cijfers in het voorbeeld van het RB in de bijlage bij de brief van 20 januari 2016.

In huidige situatie afkoop:

   

Vennootschapsbelasting (Vpb) extra aftrekpost (maximaal 25% * € 600.000):

-/- € 150.000

Loonheffing (maximaal 52% * € 900.000):

€ 468.000

 

Revisierente (20% * € 900.000):

€ 180.000

 

Totaal:

€ 498.000

 

Op termijn vindt geen box 1-heffing meer plaats over pensioenuitkeringen aangezien het pensioen is afgekocht. Wel wordt in de toekomst extra Vpb geheven omdat de additionele Vpb-last in de tijd naar voren is gehaald.

Fiscaal gefaciliteerde afkoop:

   

Loonheffing (maximaal 52% * 70% * € 300.000):

€ 109.200

 

Revisierente (nihil):

€ 0

 

Totaal:

€ 109.200

 

Op termijn vindt geen box 1-heffing plaats over pensioenuitkeringen aangezien het pensioen is afgekocht. De waarde van de bv neemt toe doordat de bv bevrijd is van een verplichting. Wel vindt box 2-heffing plaats bij dividenduitkeringen en bij vervreemding van de aandelen in de bv.

Overigens zij vermeld dat bij afkoop ook DGA’s met een reeds ingegaan pensioen kunnen afkopen. Zij zullen voor een deel niet in het 52%-tarief vallen.

Verschuldigde belasting bij uitkering (over de hele uitkeringsfase)

Bij DGA’s is uitgegaan van een gemiddeld tarief van 34% bij de pensioenuitkering (geen 30%, zoals in de vraag gesteld) omdat zij in het algemeen, inclusief pensioen, hogere inkomens hebben vanuit hun PEB dan een gemiddelde Nederlander.

Loonheffing (34% * € 900.0001):

€ 306.000

 
X Noot
1

Uitgaande van de waarde in het economische verkeer en daarbij de verdere oprenting van het bestaande PEB tijdens de uitkeringsfase voor dit rekenvoorbeeld buiten beschouwing gelaten.

Tijdens de opbouwfase van het PEB heeft de bv in de vennootschapsbelasting bovendien reeds een forse aftrekpost gehad en heeft de DGA door toepassing van de omkeerregel belastinguitstel genoten. Door af te zien van revisierente en door toepassing van de 70%-regeling is naar mijn mening sprake van een aanzienlijke tegemoetkoming. Er bestaat naar mijn beleving daarom ook geen directe noodzaak om het voorgestelde percentage voor de afkoopfaciliteit verder te verlagen. Met het afkopen van het PEB zal de bv bovendien worden bevrijd van de daarmee gemoeide – vaak aanzienlijke – administratieve lasten met betrekking tot het beheer van het toegezegde pensioen. De bv hoeft dan niet meer jaarlijks actuariële berekeningen te laten maken, waardoor naast een belastingbesparing een aanzienlijke kostenbesparing wordt gerealiseerd. Ook de vergelijking met de verschuldigde belasting bij uitkering van de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak laat zien dat de afkoopmogelijkheid voor de DGA’s fiscaal voordelig is.

De leden van de fractie van het CDA vragen in het kader van de afkoopregeling en de daaraan gekoppelde afdrachtverplichting voor de loonheffing, die bij het voor 80% in aanmerking nemen van de afkoopsom effectief op (maximaal) 41,6% van de fiscale waarde van de pensioenaanspraak neerkomt, of de DGA de resterende 58,4% van de fiscale waarde uitgekeerd moet krijgen. Zoals in de inleiding al is toegelicht, zal de belastinggrondslag in de afkoopvariant op 70% van de fiscale balanswaarde worden gesteld. Het effectieve tarief dat dan over de fiscale waarde zal worden geheven komt neer op 36,4%. De door de leden van de fractie van het CDA genoemde 58,4% van de fiscale waarde wordt dan 63,6%. De door de bv ter zake van de afkoop in te houden en af te dragen loonheffing komt in mindering op de afkoopsom. De na belastingheffing resterende (netto)afkoopsom kan worden uitgekeerd aan de DGA. Er is geen verplichting tot uitkering aan de DGA. Het is een van de mogelijkheden. Het resterende bedrag kan ook (deels) worden omgezet in een lening van de DGA aan de bv (waarbij in het algemeen wel toepassing van de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling3 in beeld komt) of in een formele of informele kapitaalstorting (bijvoorbeeld uitgifte van aandelen tegen betaling van de na loonheffing resterende afkoopsom).

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA waarom de afkoop plaatsvindt met als grondslag 80% van de afkoopsom ten bedrage van de fiscale waarde van de pensioenverplichting vóór afstempeling. In de inleiding heb ik al aangegeven dat ik voorstel om de oorspronkelijk voorziene 80% te verlagen tot 70%. Met het percentage van 70% voor de uiteindelijke belastinggrondslag wordt – samen met de afstempeling naar de fiscale balanswaarde – een adequate verlaging verleend. Bij het afstempelen van de commerciële waarde naar de fiscale waarde zoals die op de balans van de bv staat, wordt een deel van de pensioenrechten prijsgegeven en gaat vervolgens (in beginsel pro rata) ook de fiscale waarde weer omlaag. Het is niet de bedoeling dat voor de afkoopfaciliteit van deze verlaagde fiscale waarde wordt uitgegaan. Daarom zal de regeling zo worden vormgegeven dat uiteindelijk de fiscale waarde zoals die vóór het afstempelen al op de balans stond de primaire grondslag is voor de loonheffing bij afkoop.

Het lid Van Vliet vraagt naar de kwantificering van de administratieve lasten (voor DGA’s) en de uitvoeringskosten (voor de Belastingdienst) voor beide oplossingsrichtingen. De uitvoeringskosten voor de Belastingdienst zullen met het OSEB met € 2,5 miljoen dalen. Deze besparing zit vooral in het vervallen van de bewerkelijke waarderingsverschillen en de actuariële exercitie. Met het uitfaseren van het PEB via gefaciliteerde afkoop zullen de uitvoeringskosten in het begin met € 2,7 miljoen dalen. Hier zit de besparing vooral in het vervallen van de toekomstige opbouw en het verminderen van het aantal eigenbeheersituaties doordat gebruik is gemaakt van de afkoopmogelijkheid. Op de langere termijn zal het uitfaseren van het PEB vanzelfsprekend een steeds verder oplopende besparing op de uitvoeringskosten tot gevolg hebben. De administratieve lasten voor de DGA’s zullen met het OSEB met € 3 miljoen en met het uitfaseren van het PEB via gefaciliteerde afkoop op korte termijn met € 3,5 miljoen en op de langere termijn met € 10 miljoen dalen. De incidentele kosten voor de Belastingdienst bedragen bij het OSEB € 1,6 miljoen en bij het uitfaseren in combinatie met de afkoopmogelijkheid € 20.000. Met het uitfaseren van het PEB via gefaciliteerde afkoop en spaarvariant zullen de uitvoeringskosten met € 3,5 miljoen dalen.

De leden van de fracties van de VVD en de SP vragen in te gaan op de door de NOB en het RB verwoorde kritiek dat de voorgestelde afkoopregeling in een groot aantal gevallen geen werkbare oplossing biedt. Het lid van de fractie van 50PLUS uit in dit kader zijn zorgen over bv’s in onderdekking en met te weinig liquide middelen en vraagt in hoeverre dit een belemmering kan opwerpen voor het gebruikmaken van de afkoopfaciliteit. De leden van de fractie van de PvdA en het lid van de fractie van 50PLUS vragen hoe groot naar verwachting de belangstelling voor fiscaalvriendelijke afkoop zal zijn en in welke mate van de mogelijkheid van afkoop gebruik zal worden gemaakt. De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel bedrijven in een financiële positie verkeren die het de DGA’s van deze bedrijven niet mogelijk maakt van de afkoopmogelijkheid gebruik te maken. De belangstelling voor fiscaalvriendelijke afkoop is moeilijk precies te voorspellen. Het is niet eenvoudig inzichtelijk te maken hoeveel bedrijven over weinig of geen liquide middelen beschikken en daarbij onvoldoende leencapaciteit hebben en waarbij ook de DGA zelf niet in staat is het bedrag van de door de bv op de DGA te verhalen belasting te betalen. Dit vergt een toetsing op individueel niveau. Om op hoofdlijnen een inschatting te geven, kan op basis van cijfers over 2009 worden geconstateerd dat circa 40.000 (28%) van de ongeveer 141.500 bv’s met een pensioenvoorziening in eigen beheer in onderdekking verkeerden als uitgegaan wordt van de fiscale waarde van de verplichting. Dit aantal zal als gevolg van de financiële crisis vermoedelijk zijn toegenomen. Voor deze bv’s en hun DGA’s lijkt mij afkoop als reële mogelijkheid dan ook minder voor de hand te liggen. De overige ruim 100.000 bv’s met een pensioenvoorziening in eigen beheer hadden een positieve gecumuleerde winstreserve, uitgaande van de fiscale waarde van de pensioenvoorziening in eigen beheer. Bij een commerciële waardering van de pensioenvoorziening in eigen beheer was bovenop de hiervoor genoemde 40.000 bv’s bij nog ongeveer 44.000 bv’s (31% van de bv’s met een pensioenvoorziening in eigen beheer) sprake van onderdekking. Als voor deze laatste groep de pensioenvoorzieningen in eigen beheer zouden worden omgezet in een fiscale voorziening ter grootte van de fiscale waarde van de pensioenverplichting, verkeren deze laatste bv’s niet meer in onderdekking. Of deze bv’s vervolgens gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van fiscaalvriendelijke afkoop hangt mede af van het vermogen dat de bv op dat moment liquide kan maken, en eventueel de bereidheid van de DGA om geld aan de bv te verstrekken (kapitaal of lening), alsmede de bereidheid van een eventuele partner om met de afkoop in te stemmen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of bij de beschreven afkoopoptie de DGA het bedrag van de verschuldigde belasting in één keer moet betalen. De leden van de fractie van de PvdA vragen of het mogelijk is om een betalingsregeling aan te bieden over meerdere jaren. De leden van de fractie van het CDA vragen in dit kader of renteloos uitstel van betaling zal worden geboden. Wanneer de DGA bij het uitfaseren van het PEB gebruik wil maken van de fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid zal de verschuldigde belasting inderdaad in één keer moeten worden voldaan. De vennootschap moet de loonheffing inhouden en afdragen aan de Belastingdienst. Als de vennootschap niet voldoende liquide middelen en onvoldoende leencapaciteit heeft om het benodigde bedrag af te dragen en bovendien de DGA niet in staat is het bedrag van de door de bv op de DGA te verhalen belasting te betalen, kan de situatie zich voordoen dat geen gebruik kan worden gemaakt van de afkoopfaciliteit. Ik ben van mening dat terughoudend moet worden omgegaan met het verruimen van het bestaande invorderingsbeleid. Bij het verlenen van uitstel treedt de Belastingdienst namelijk op als oneigenlijke kredietverlener, het ondernemersrisico wordt dan feitelijk gedragen door de Belastingdienst. Bovendien werkt uitstel concurrentieverstorend ten opzichte van ondernemers die wel tijdig betalen. Daarnaast zal een speciale regeling voor (renteloos) betalingsuitstel in afkoopsituaties niet in lijn zijn met de algemene bepalingen voor uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen, waar in ieder geval wel altijd rente verschuldigd is.

Waar in dit kader wel aan kan worden gedacht is de «spaarvariant bij uitfasering», zoals die in de brief van 17 december 2015 in bijlage 2, paragraaf I, onder 2,4 is beschreven en in de inleiding hiervoor al is aangestipt. Dit is een variant op het uitfaseren van het PEB die wel het spaaronderdeel, maar niet de opbouwmogelijkheden van het OSEB heeft. Deze regeling zou dan alleen gelden voor overgangsgevallen. Oprenting van deze (oudedags)spaarverplichting vindt dan wel plaats. Bij een dergelijk uitfaseren van het PEB wordt acute belastingheffing voorkomen. Na het afstempelen van de commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting kan deze waarde zonder het verschuldigd worden van loonheffing en vennootschapsbelasting worden omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Op het moment dat de DGA de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt5 én voor aanwending is gekozen, zal het gespaarde bedrag gedurende een periode van 20 jaar in de vorm van gelijkmatige6 uitkeringen worden uitgekeerd die aan de loonbelasting, de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen worden onderworpen. Hierdoor wordt – in zoverre overigens net als bij het bevriezen van de PEB-aanspraken – feitelijk belastinguitstel gegeven tot in de uitkeringsfase maar dan (hoogstwaarschijnlijk) zonder de verschillen in fiscale en commerciële waardering. Bij een dergelijke omzetting van de bestaande pensioenverplichting in de spaarvariant spelen ook de belangen van de partner van de DGA een rol.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de gevolgen zijn van de spaarvariant bij uitfasering van het PEB voor DGA’s waarvan het PEB onder water staat en er dus minder middelen aanwezig zijn dan de fiscale waarde bedraagt. Na de omzetting, zoals hiervoor al toegelicht, is het natuurlijk wel de bedoeling dat de spaarverplichting uiteindelijk volledig gedekt wordt door de in de bv aanwezige middelen. Zolang dat niet het geval is, kunnen er geen dividenden worden uitgekeerd op straffe van kwalificatie als afkoop. Het volledige saldo van de verplichting wordt bij zo’n kwalificatie in één keer aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarbij is men 20% revisierente verschuldigd.

Het lid van de fractie van 50PLUS stelt dat het argument voor vereenvoudiging er niet aan in de weg zou moeten staan om naast het uitfaseren van het PEB ook het OSEB aan te bieden. Daar ben ik het niet mee eens. Als ervoor wordt gekozen om het PEB helemaal uit te faseren en dus geen fiscale prikkel voor toekomstige opbouw in eigen beheer meer te bieden, dan past het daarbij niet om wel een fiscale faciliteit zoals het OSEB te introduceren. Als niet voor uitfasering wordt gekozen, maar wel voor het OSEB, zal dat echter in ieder geval ten opzichte van de huidige situatie ook al een belangrijke vereenvoudiging betekenen. Ik ben hier al uitvoerig in mijn brief van 17 december 2015 op ingegaan, maar wil hierbij nogmaals benadrukken dat dit negatieve uitstralingseffecten kan hebben. Dat heeft namelijk tot gevolg dat een DGA fiscaalvriendelijk zijn pensioen mag afkopen terwijl deelnemers met pensioenen en andere oudedagsvoorzieningen in de tweede en derde pijler dit niet mogen. Dit valt te rechtvaardigen als het PEB uitgefaseerd wordt en er geen nieuwe fiscale faciliteit voor in de plaats komt. Dit ligt echter anders wanneer daarnaast het OSEB wordt geïntroduceerd. In dat geval is immers wel sprake van een alternatief.

De leden van de fractie van de SP vragen of ook DGA’s die hun PEB al hebben stopgezet een beroep kunnen doen op de afkoopregeling. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. De afkoopregeling zal zo worden vormgegeven dat ook pensioenaanspraken waaraan niet meer gedoteerd wordt – de zogenoemde bevroren aanspraken – daaronder kunnen vallen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het mogelijk zal worden gemaakt om het PEB, wanneer de aanspraak niet gedekt is door het vermogen van de bv, alleen gedeeltelijk af te kopen. Ik ben geen voorstander van een gedeeltelijke afkoop omdat hiermee in principe geen vereenvoudiging wordt bereikt en de administratieve lasten voor de DGA en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst niet verlaagd worden. Wel mag, zoals eerder aangegeven, worden afgestempeld tot de fiscale balanswaarde voordat tot afkoop wordt overgegaan. Dit betekent al dat de aanspraak niet geheel, maar slechts gedeeltelijk wordt afgekocht.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de voorwaarde dat de afkoop alleen in 2017 kan plaatsvinden, bijvoorbeeld in gevallen dat de pensioenvoorziening onder water staat of de pensioenvoorziening gedekt is door onroerend goed. Voor een beperking in de tijd van een jaar is gekozen om zo spoedig mogelijk het PEB uit te faseren. Wanneer voor de beëindiging van het PEB wordt gekozen, zonder er iets nieuws voor in de plaats te stellen, is het consistent om daar ook een overzienbare termijn aan te verbinden. In gevallen waar de pensioenvoorziening onder water staat, kan eventueel met een lening worden gewerkt. Juist waar onroerend goed op de balans staat, kan het aantrekken van een lening een oplossing zijn. Beide gevallen geven geen aanleiding om de afkoopmogelijkheid onbeperkt in de tijd aan te bieden. Dat zou namelijk de uitfasering van het PEB niet bespoedigen en DGA’s daarmee langer confronteren met hoge administratieve lasten en de Belastingdienst langer confronteren met hoge uitvoeringskosten. Ik ben me er uiteraard van bewust dat de afkoopmogelijkheid niet in alle gevallen even goed toegepast kan worden. Om die reden zal ik naast de (kortstondige) afkoopfaciliteit de spaarvariant mogelijk maken. Dat neemt niet weg dat de afkoopoptie voor een deel van de DGA’s en bv’s wel een aantrekkelijke mogelijkheid biedt. Zie in dat kader ook het cijfervoorbeeld dat hiervoor is gegeven.

De leden van de fractie van het CDA stellen dat het voor DGA’s van kleinere ondernemingen en van bv’s waarbij het PEB onder water staat, zeer ingewikkeld kan zijn om voor de afkoop van het PEB een externe financiering aan te trekken. In samenhang hiermee vragen zij om in te gaan op de voorbeelden in bijlage 1 van de brief van het RB. Vooropgesteld moet worden dat er geen verplichting zal zijn tot gebruikmaking van de afkoopfaciliteit. De voorgestelde gefaciliteerde afkoop is alleen een optie voor situaties waarin deze voor de bv mogelijk is en hij is bedoeld om het aantal resterende gevallen waarop het bestaande recht van toepassing blijft, zo veel mogelijk te verkleinen. Ik ben mij ervan bewust dat de afkoopmogelijkheid niet voor alle gevallen soelaas zal bieden. De gevallen waarop de leden doelen, vallen mogelijkerwijs in deze groep. De voorbeelden die het RB in bijlage 1 bij zijn brief van 20 januari 2016 in beeld heeft gebracht, bieden hiervan een voorbeeld. Zoals al een aantal keer aangegeven, zou de spaarvariant bij uitfaseren voor deze gevallen een uitkomst kunnen bieden.

2. De partnerproblematiek

Uit de vragen van de leden van uw Kamer leid ik af dat er zorgen bestaan over de positie van de partner van de DGA, vooral wanneer het PEB wordt uitgefaseerd, maar ook wanneer naar het OSEB zou worden overgestapt.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA en D66 en het lid van de fractie van 50PLUS vragen in het kader van de geschetste afkoopfaciliteit of een DGA met een ex-partner ook alleen zijn eigen pensioendeel in eigen beheer kan afkopen. Daarbij vragen de leden van de fractie van het CDA of een ex-partner met de afkoop van dat PEB moet instemmen en meetekenen, alsmede, indien dit het geval is, onder welke voorwaarden. Ook de leden van de fractie van D66 en het lid van de fractie van 50PLUS stellen soortgelijke vragen. Het kenmerk van pensioenverevening is dat er voor de ex-partner een recht op uitbetaling ontstaat van (de helft van) het ouderdomspensioen van degene die dit pensioen tijdens het huwelijk heeft opgebouwd. Het is in die zin een afhankelijk recht, namelijk afhankelijk van de gekozen ingangsdatum van het pensioen van de DGA en afhankelijk van het in leven zijn van de DGA. Daardoor zal het niet mogelijk zijn om alleen het ouderdomspensioen dat aan de DGA zelf toekomt af te kopen. Daarmee ontvalt namelijk de basis aan het recht op uitbetaling van de vereveningsgerechtigde. Dit wordt anders als gekozen is voor omzetting in een zelfstandig recht voor de ex-partner (conversie). In die situatie ontstaat een zelfstandig pensioenrecht voor de ex-partner, dat is losgekoppeld van het pensioen van de DGA.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of ik de mening deel dat een externe pensioenvoorziening ook voor de partners van DGA’s meer zekerheid oplevert. Een externe pensioenvoorziening staat buiten de risicosfeer van het bedrijf. Dat betekent een duidelijk grotere zekerheid van de toekomstige pensioenaanspraak voor de DGA’s, maar ook een duidelijk grotere zekerheid voor de partners.

De leden van de fracties van de SP en het CDA vragen of partners van DGA’s dienen in te stemmen met afkoop van het PEB. Ook het lid van de fractie van 50PLUS vraagt in te gaan op de positie van de partner rond de afkoop van het PEB en de mogelijke effecten van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet Vps) op de afkoopregeling. In artikel 3a, zesde lid, van de Wet Vps is bepaald dat de aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van de echtgenoot van een DGA zonder toestemming van die echtgenoot niet bij overeenkomst tussen de DGA en het uitvoeringsorgaan of de werkgever kan worden verminderd. Dat houdt in dat bij gebruikmaking van de afkoopfaciliteit ten aanzien van zo’n aanspraak op partnerpensioen te allen tijde toestemming van de eventuele partner noodzakelijk is. Verder heeft de partner van de DGA krachtens de Wet Vps bij scheiding in het algemeen recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en op 100% van het partnerpensioen.7

De leden van de fractie van het CDA vragen wat bij afkoop van het PEB de rechten van de partner zijn en zijn van mening dat er nog een probleem bestaat omdat de partner bij echtscheiding geen rechten zou hebben, tenzij er aanvullende huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Met betrekking tot de gerechtigdheid tot de afkoopsom en de rechten op de waardestijging van de aandelen is inderdaad het huwelijksvermogensrecht van belang. Indien toepassing van de gefaciliteerde afkoop zou leiden tot een benadeling van de partner van de DGA, zal die partner daarvoor kunnen worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een aanvulling op de huwelijkse voorwaarden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of reeds in het consultatievoorstel kan worden opgenomen dat het OSEB, zowel voor nieuwe gevallen als voor gevallen ter vervanging van een bestaand PEB, onder de Wet Vps gaat vallen. Op dit moment is de Wet Vps van toepassing op een pensioenovereenkomst die is gesloten met een DGA als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet. De rechten uit hoofde van het oudedagssparen vallen niet onder het huidige begrip pensioen of partnerpensioen van de Wet Vps. Ik ben bereid te consulteren of het OSEB, zowel voor nieuwe gevallen als voor gevallen ter vervanging van een bestaand PEB, onder een regeling moet vallen die rekening houdt met de belangen van de partner van de DGA.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het voornemen bestaat om maxima te stellen aan het deel van het saldo van de oudedagsspaarverplichting dat kan worden aangewend voor een externe afdekking van het vooroverlijdensrisico en het extern bedingen van een andere kwalificerende lijfrente voor de partner en de kinderen van de DGA. Op dit moment denk ik meer aan duidelijke omschrijvingen van de kwalificerende lijfrenten waarin mogelijk een impliciete maximering kan zitten. Het gaat om een soort vertaling van de huidige PEB-rechten waarbij het vooroverlijdensrisico of de delen die de belangen van partner en kinderen vertegenwoordigen – naar keuze – extern kunnen worden ondergebracht. Natuurlijk kan op elk moment ook voor het volledige saldo van de oudedagsspaarverplichting een externe voorziening worden aangekocht, waarbij die externe voorziening een soort vertaling is van het geheel aan huidige PEB-rechten.

3. Gevolgen voor de financieringscapaciteit, effecten voor de economie in het algemeen en budgettaire aspecten

Een deel van de vragen van de leden van uw Kamer heeft betrekking op de financieringscapaciteit van de bv’s in geval van het uitfaseren van het PEB zonder daarvoor een nieuwe fiscale faciliteit te bieden. In dit kader wordt ook gevraagd naar de effecten voor de economie in het algemeen en de budgettaire aspecten.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of ik hun analyse deel dat uitfasering van het PEB weliswaar op korte termijn ondernemingen liquiditeit kost wanneer DGA’s ervoor kiezen het pensioen af te kopen, maar dat daartegenover staat dat beklemd vermogen vrijkomt, dat diezelfde ondernemingen meer solvabel worden en dat ondernemingen eenvoudiger toegang krijgen tot financiering van derden, hetzij met eigen, hetzij met vreemd vermogen. Daarnaast vragen deze leden wat dit betekent voor de financiering van ondernemingen en hoe ik de economische gevolgen van uitfaseren beoordeel. Ten slotte vragen zij naar mijn beoordeling van de effecten van beide opties op de investeringscapaciteit van ondernemingen. Het lid Van Vliet vraagt of ik zicht heb op de effecten van de verschillende beleidsopties op de economie en de werkgelegenheid. De leden van de fractie van de VVD vragen om in te gaan op de mogelijke gevolgen van afschaffing van het PEB, zoals die door VNO-NCW en MKB-Nederland in de brief van 20 januari 20168 aan de vaste commissie voor Financiën in uw Kamer gesteld zijn. Het lid Van Vliet vraagt in samenhang hiermee waarom ik dit door de werkgeversorganisaties geschetste risico als niet-doorslaggevend beschouw.

Om te beginnen met het door de belangenorganisaties genoemde punt van het enorme bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting: het is de vraag of extern pensioen wordt opgebouwd of meer salaris wordt uitgekeerd wanneer er geen PEB wordt opgebouwd; pensioen is immers ook een vorm van loon. Als de DGA genoegen neemt met minder loon – in de vorm van pensioen of in een andere vorm – leidt dat tot meer winst voor de bv. Dat dit leidt tot een groter bedrag aan vennootschapsbelasting, hoort bij het principe van ons fiscale stelsel dat over gemaakte winsten door bv’s vennootschapsbelasting moet worden betaald. Daar is mijn inziens niets mis mee. Met betrekking tot de twee andere aspecten – verlies van vermogen/liquide middelen en minder investeringsruimte door afstorten bij een professionele verzekeraar – ben ik van mening dat dit door de werkgeversorganisaties geschetste risico veel minder zwaar aanwezig is. Ik deel op dat punt de analyse van de leden van de fractie van de PvdA dat het uitfaseren van het PEB op korte termijn weliswaar zal leiden tot minder liquiditeit bij de bv’s van de DGA’s die kiezen voor afkoop van het pensioen, maar dat daar tegelijkertijd tegenover staat dat de economische positie van bv’s zonder een PEB sterk verbetert: er staat geen schuldpositie meer op de balans voor het PEB. Ondernemingen worden daardoor meer solvabel en krijgen daardoor meer toegang tot externe financiering. Minder schulden op de balans en – in geval van het gebruiken van de bv als «spaarpotje» voor de oudedagsvoorziening – een hoger eigen vermogen maken investeringen in het bedrijf mogelijk. Ook ontstaat er meer ruimte voor dividenduitkeringen en levert het afschaffen van het PEB een behoorlijke besparing op van de administratieve lasten, waaronder een besparing op advieskosten. Indien het pensioen extern wordt ondergebracht, wordt het pensioen voor de DGA onttrokken aan de risicosfeer van de onderneming, waardoor de toekomstige aanspraak beter wordt veiliggesteld dan wanneer die in de bv blijft. Door extern pensioen op te bouwen blijven overigens wel minder middelen in de onderneming aanwezig en vermindert daarmee ook de liquiditeitspositie. Ook zijn er andere vereenvoudigingsaspecten, zoals ik die in paragraaf 2 van mijn brief van 17 december 2015 heb toegelicht.9 Naast de vereenvoudiging voor de Belastingdienst waar op dit moment 75 personen fulltime bezig zijn met het PEB, verwacht ik een vermindering van gerechtelijke procedures, zowel op fiscaal als op civielrechtelijk gebied.

In het algemeen geldt dat aan een opbouw van een oudedagsvoorziening in eigen beheer voor- en nadelen kleven. Voordeel is dat middelen die tegenover de oudedagsverplichting staan beschikbaar blijven voor gebruik in de onderneming. Indien opbouw van een oudedagsvoorziening fiscaal wordt gefaciliteerd zoals bij het OSEB, biedt bijvoorbeeld het daaraan verbonden belastinguitstel extra liquiditeit voor de bv en mogelijkheden voor investeringen. Tegenover deze voordelen staan ook nadelen. De oudedagsvoorziening in eigen beheer is immers niet zo veilig als bij een professionele aanbieder, bijvoorbeeld omdat het faillissementsrisico groter is. Het risico is reëel dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn om de verplichting van de oudedagsvoorziening na te komen en om aan de uitgestelde betalingsverplichting te voldoen. Ook als wel voldoende vermogen wordt opgebouwd, kan het – puur met het oog op de fiscale faciliteit – binnen de onderneming houden van vermogen, voor de economie als geheel tot inefficiëntie leiden. Het vermogen zal als gevolg van het lock-ineffect niet altijd worden ingezet op de plaats waar het hoogste rendement wordt behaald en veelal zal voor een ander risicoprofiel worden gekozen dan op grond van de leeftijd van de DGA verantwoord is.

Wat betreft het effect op de investeringen van pensioen opbouwen in eigen beheer versus externe pensioenopbouw: de mate van aantrekkelijkheid van een pensioenopbouw in eigen beheer ten opzichte van een externe pensioenopbouw kan voor elke DGA anders liggen. Het hangt onder meer af van:

  • de solvabiliteit en winstgevendheid van de bv;

  • de situatie van de partner;

  • de mate waarin de DGA hecht aan zekerheid van een pensioen;

  • de mate van vrijheid die een DGA wenst bij het opbouwen van vermogen.

Al die afwegingen spelen overigens ook al een rol onder de huidige situatie. Uiteindelijk geldt dat in beide gevallen vermogen dient te worden opgebouwd om het pensioen zeker te stellen. Ook indien dit vermogen in eigen beheer wordt opgebouwd zal er uiteindelijk vermogensopbouw moeten plaatsvinden wil de DGA zichzelf daadwerkelijk een pensioen toekennen en zullen, naarmate de DGA ouder wordt, minder investeringen kunnen worden gedaan. Per saldo heeft het niet langer fiscaal gefaciliteerd kunnen opbouwen van het PEB daarmee op de korte termijn slechts beperkte gevolgen voor de mate waarin DGA’s kunnen en zullen investeren en daarmee beperkte gevolgen voor de werkgelegenheid. Op de lange termijn staan daar naar verwachting meer solvabele ondernemingen tegenover met een betere economische positie.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het structurele effect van de beide varianten op de toekomstige belastingopbrengsten. Zij vragen in dit verband of de derving van vennootschapsbelastingopbrengsten bij het OSEB opweegt tegen mogelijk hogere inkomstenbelastingopbrengsten op termijn vergeleken met afschaffing van het PEB en (dus) het nettosparen binnen de eigen bv. Ook het lid Van Vliet informeert naar de opbrengst voor de schatkist. De leden van de fractie van het CDA geven aan de budgettaire onderbouwing van de geschetste afkoopmogelijkheid te missen. Deze leden vragen waar het percentage van 80 en daarmee de heffing tegen effectief 41,6%, op gebaseerd is. In dit kader vragen deze leden of dit percentage van 80 overeenkomt met de contante waarde van de toekomstige belastingheffing over het PEB. Als dat niet het geval is, vragen zij waarom dan voor het percentage van 80 is gekozen. De leden van de fractie van het CDA geven aan dat met het uitfaseren van het PEB zonder externe oudedagsvoorzieningen in samenhang met het wegvallen van het belastinguitstel, ondernemers een nadeel ondervinden. Deze leden vragen waarom niets tegenover dit nadeel wordt gesteld. Verder suggereren deze leden om de eventuele opbrengst die voort zou kunnen vloeien uit het uitfaseren van het PEB, in te zetten voor een algemene tariefsverlaging voor aanmerkelijkbelanghouders. Het lid Van Vliet vraagt in hoeverre een budgettaire opbrengst kan terugvloeien in bijvoorbeeld een verlaging van het vennootschapsbelastingtarief.

De OSEB-variant wordt dusdanig vormgegeven dat deze als afzonderlijke maatregel budgettair neutraal uitpakt in termen van nettocontantewaarde. De verwachting is dat het afschaffen van het PEB met een afkoopfaciliteit, waarbij een – zoals hiervoor al toegelicht bijgesteld – percentage van 70 wordt gehanteerd, leidt tot een structurele budgettaire opbrengst van circa € 65 miljoen. Hierbij is rekening gehouden met effecten in de vennootschapsbelasting, de loonbelasting en premie volksverzekeringen, de dividendbelasting en met box 2-opbrengsten als gevolg van hogere dividenduitkeringen.

Deze opbrengst wordt vooral gerealiseerd doordat het in de toekomst niet meer mogelijk is dat bv’s wel aftrek genieten in de Vpb, maar uiteindelijk geen (of slechts gedeeltelijk) pensioen uitkeren omdat zij in onderdekking zijn of failliet zijn gegaan. Er is dan wel een aftrekpost in de Vpb geclaimd, maar zonder uitkering van een pensioen zal er geen opbrengst in de loonbelasting tegenover staan. Door het uitfaseren zal zich deze situatie niet meer voordoen.

De opbrengst die uit het uitfaseren van het PEB voortvloeit, kan inderdaad aangewend worden. Ik kom hierop terug bij de uitwerking van het alternatief, maar mijn gedachten gaan uit om dit ten goede te laten komen aan het bedrijfsleven.

De leden van de fractie van de SP hebben vernomen dat de gemiddelde belastingaanslag per ondernemer in 2017 bij afkoop € 120.000 bedraagt. Daarna, vanaf 2018, bedraagt het belastingnadeel volgens deze leden gemiddeld € 4.000 per ondernemer. Zij vragen of deze cijfers kloppen en of deze belastingaanslag, zowel in 2017 als daarna, voor de ondernemers is op te brengen. Voor de bepaling van de totale waarde van de pensioenvoorzieningen in eigen beheer op basis van fiscale waarde is gebruikgemaakt van de informatie over deze voorzieningen van eind 2009. Alle DGA’s samen hadden op basis van deze informatie een pensioenvoorziening in eigen beheer van circa € 31 miljard op basis van de fiscale waarde. Er waren circa 141.500 bv’s met een pensioenvoorziening in eigen beheer. Gemiddeld is de fiscale waarde van de voorziening dus € 219.000 per bv. Als een dergelijke voorziening wordt afgekocht, is het bedrag waarover loonheffing betaald moet worden en conform een belastinggrondslag van 70% x € 219.000 = € 153.300. Bij het toptarief van 52% is de te betalen loonheffing € 79.716. De mate waarin men dit bedrag kan financieren zal per bv/DGA verschillen.

Dat het belastingnadeel na de afkoop vanaf 2018 gemiddeld € 4.000 per bv/DGA zou bedragen, lijkt mij iets te ongenuanceerd. Vermoedelijk wordt hier gedoeld op het niet meer kunnen aftrekken van een PEB-dotatie, waardoor meer winst wordt gemaakt en de bv meer vennootschapsbelasting verschuldigd is. Zoals hiervoor is aangegeven, is het de vraag of wanneer er geen PEB wordt opgebouwd niet extern pensioen wordt opgebouwd of gewoon meer salaris wordt uitgekeerd; pensioen is immers ook een vorm van loon. Als de DGA genoegen neemt met minder loon – in de vorm van pensioen of in een andere vorm – leidt dat tot meer winst voor de bv.

Verder vragen de leden van de fractie van de SP of de afkoopregeling tot faillissementen zal leiden en of voor dat geval geschikte maatregelen getroffen zullen worden. Ik verwacht niet dat iemand gebruik wil maken van de afkoopfaciliteit als hij hierdoor failliet gaat. De afkoopregeling zal daarom naar haar aard niet tot faillissementen leiden. Ook in situaties waar eventueel een (kortstondige) lening moet worden aangetrokken om aan de uitkeringsverplichting tegenover de DGA te kunnen voldoen, zal deze financiering door banken alleen worden verstrekt wanneer de onderneming van de bv aan de betreffende eisen van banken voldoet. Verder is er geen verplichting om gebruik te maken van de afkoopfaciliteit; er kan ook gebruik gemaakt worden van de spaarvariant. Het is daarom ook niet noodzakelijk om in het kader van de afkoopfaciliteit bepaalde maatregelen ter voorkoming van faillissementen te treffen.

Het lid Van Vliet vraagt naar een overzicht / reeks van de budgettaire effecten van beide voorliggende beleidsopties voor de schatkist, zowel voor de overgangsjaren als voor de structurele situatie. Bij de beleidsoptie «introduceren van het OSEB» zal op korte termijn sprake zijn van een lichte stijging van de inkomstenbelastingopbrengst (box 2), omdat er meer ruimte ontstaat voor dividenduitkeringen. Dit effect is tijdelijk. In de loop van de jaren zal het niveau van dividenduitkeringen weer terugkeren naar het reguliere niveau. Verder zal het verschil met het huidige PEB niet groot zijn. Bij de beleidsoptie «uitfaseren van het PEB» door middel van afkoop zal op korte termijn een groot bedrag aan loonheffing (box 1) ontvangen worden omdat bij de groep die afkoopt, ineens wordt afgerekend met de fiscus over de opgebouwde pensioenverplichting, waarbij de loonheffing plaatsvindt over 70% van de fiscale waarde. In de jaren daarna zal waarschijnlijk ook meer vennootschapsbelasting ontvangen worden omdat er niet meer gedoteerd wordt aan het PEB en deze aftrekpost verdwijnt. Tevens ontstaat meer ruimte voor dividenduitkeringen en nemen de ontvangsten uit de dividendbelasting en box 2 toe. Daar staat tegenover dat op de langere termijn er aanmerkelijk minder loonbelasting ontvangen zal worden vanwege lagere pensioenuitkeringen. Zoals hiervoor al toegelicht is de verwachting dat de variant waarbij zowel afkoop als – als alternatief wanneer afkoop niet mogelijk is – de spaarvariant aanwezig is, in totaliteit leidt tot een budgettaire opbrengst van circa € 65 miljoen structureel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nettocontantewaardeberekening. Voor het OSEB geldt dat deze in nettocontantewaardetermen budgettair neutraal ingericht kan worden.

4. OSEB

De leden van de fractie van de VVD vragen of het OSEB echt een oplossing voor alle gevallen zal bieden. OSEB zal in het merendeel van de gevallen een reëel alternatief zijn voor het huidige PEB, ook in situaties waarin bij bv’s de commerciële of (zelfs) de fiscale balanswaarde van de pensioenaanspraak niet (volledig) gedekt is. Bij onderdekking rijst natuurlijk wel de vraag of er sprake is van een reële oudedagsvoorziening. Bij overstap van het PEB naar het OSEB gelden de voordelen van het OSEB. Het is voor de fiscaal geruisloze overgang van het PEB naar het OSEB gewenst dat de partner van de DGA daarmee instemt.

De leden van de fractie van de VVD vragen of zich in de toekomst bij invoering van het OSEB weer nieuwe problemen of knelpunten kunnen voordoen zoals deze zich ook bij het PEB voordeden.

De problemen met het PEB worden met name veroorzaakt doordat de commerciële waarde van de in eigen beheer gehouden pensioenaanspraak afwijkt van de fiscale waarde van deze pensioenaanspraak. Daarnaast vormt natuurlijk ook het ontbreken van werkelijke geldstromen, die zorgen voor borging van de aanspraken buiten de risicosfeer van de onderneming, een risico voor de dekking. Het OSEB daarentegen is een fiscale voorziening voor de oude dag waarbij de waarde en de balanswaardering – behoudens de voorgestelde oprenting – niet afhankelijk is van de marktrente en actuariële berekeningen. Het OSEB wordt gevormd door dotaties en oprenting en de waarde van het OSEB komt overeen met het bedrag dat daarvoor in de (fiscale) jaarstukken is opgenomen. Er is dus naar verwachting geen verschil tussen de fiscale en de commerciële waarde. Hierdoor zullen zich de problemen zoals we die nu kennen bij dividenduitkeringen of verevening in het kader van (echt)scheiding naar verwachting veel minder dan bij het PEB voordoen. Natuurlijk is het nog steeds belangrijk dat de tegenwaarde van het OSEB daadwerkelijk voor de oude dag beschikbaar is. Op het moment dat gelden tot uitkering moeten komen, moeten de benodigde middelen aanwezig zijn. De eventuele gevolgen van de afwezigheid van liquiditeiten worden binnen het voorgestelde OSEB weliswaar verkleind, maar niet geheel voorkomen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of kan worden aangegeven wanneer toch een verschil kan ontstaan tussen de fiscale en de commerciële waardering van het OSEB. Hierover is op ambtelijk niveau overleg gevoerd met deskundigen op het gebied van jaarverslaggeving. Uit dat overleg leid ik af dat het mogelijk is om het OSEB zodanig vorm te geven dat er geen verschil zal zijn tussen de fiscale en de commerciële waardering. Ingeval op bepaalde punten wordt afgeweken van de aan de deskundigen voorgelegde beschrijving van het OSEB (zoals ook richting de Kamer is beschreven), kan de situatie ontstaan dat er wel een verschil ontstaat tussen de fiscale en de commerciële waardering. Essentieel voor een gelijke waardering is bijvoorbeeld dat op elk moment met het saldo van de oudedagsspaarverplichting een externe voorziening, zoals bijvoorbeeld een kwalificerende lijfrente, mag worden aangekocht. Ook is essentieel dat er geen van het leven afhankelijke factoren of andere factoren worden ingebouwd die leiden tot een commercieel van fiscaal afwijkende waardering.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen op het voordeel dat ook bv’s die in een minder goede financiële positie verkeren en bv’s met een lage liquiditeit mee kunnen doen aan het OSEB; zij vragen hoe dat voordeel zich verhoudt tot de grotere flexibiliteit bij afschaffing van het PEB. Doordat het PEB kan worden omgezet in een OSEB-verplichting zonder het verschuldigd worden van loonheffing of vennootschapsbelasting, kunnen ook bv’s die in een minder goede financiële positie verkeren of over weinig liquide middelen beschikken zonder belemmering meedoen. Het voordeel daarvan is dat de in de bv aanwezige activa volledig beschikbaar blijven voor de bv. Bij het omzetten van het PEB in een oudedagsspaarverplichting neemt ook de dividendruimte toe, doordat de pensioenverplichting tot de fiscale waarde wordt afgestempeld.10 Zowel de fiscale als de civielrechtelijke dividenduitkeringstoets is inzichtelijk, waarbij de ruimte voor dividenduitkeringen makkelijker is te bepalen. Kortom, door het omzetten van een PEB in een OSEB wordt een DGA flexibeler in het ondernemen dan in de huidige situatie met een PEB. Bij het uitfaseren van het PEB zonder dat daarvoor een nieuwe fiscaal gefaciliteerde mogelijkheid voor opbouw in eigen beheer terugkomt, komt tevens een einde aan de conflicterende belangen van het opbouwen van een veilige oudedagsvoorziening en de financieringsbehoefte van de onderneming. Op de lange termijn vergroot dit de flexibiliteit en economische positie van de gemiddelde bv.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of ik de mening deel dat het OSEB, net zoals het PEB thans nog, een ingebouwde prikkel bevat om het pensioen op zeer risicovolle wijze in te richten.

Aangezien het OSEB, net zoals het PEB, in de risicosfeer van de onderneming zit, is sprake van een minder veilige oudedagsvoorziening dan wanneer deze bij een professionele verzekeraar is ondergebracht. De opbouw bij een professionele partij, zoals een verzekeraar of een bank, biedt door risicospreiding nu eenmaal een hogere zekerheid wat betreft de toekomstige uitkeringen.

Het OSEB verleent voor een belangrijk deel uitstel van belastingbetaling ten behoeve van de opbouw van een oudedagsvoorziening. De leden van de fractie van de PvdA vragen welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om ongewenst uitstel of zelfs afstel te voorkomen. Zoals ik in mijn brief van 17 december 201511 aan de Kamer heb aangegeven, leidt het OSEB niet tot de gewenste vereenvoudiging op het gebied van wet- en regelgeving. Dit in tegenstelling tot de variant waarin het PEB wordt uitgefaseerd. Een groot deel van die ingewikkelde regelgeving zal juist ontstaan door het zekerstellen van de belastingclaim. Er zal regelgeving moeten komen die ongewenst uitstel tegengaat en er zal regelgeving moeten komen waarbij bijvoorbeeld afkoop, vervreemding, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid maken van het oudedagsspaarbedrag, tot het belasten van de gehele waarde gaat leiden, vergelijkbaar met de huidige PEB-regelgeving op dat punt.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat het verschil is tussen een in eigen beheer opgebouwde pensioenverplichting die direct wordt ondergebracht bij een professionele verzekeraar en een in eigen beheer opgebouwde pensioenverplichting die eerst wordt omgezet in een OSEB-verplichting en vervolgens wordt ondergebracht bij een verzekeraar. Voor het bij een professionele verzekeraar onderbrengen van het volledige door de DGA in eigen beheer opgebouwde pensioen zal de vennootschap direct de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak moeten betalen aan de verzekeraar. Gezien de geldende beperkingen voor het waarderen van pensioenverplichtingen op de fiscale balans, zal de aan de verzekeraar te betalen koopsom voor het onderbrengen van het volledige pensioen op dit moment veel hoger zijn dan de op de fiscale balans opgenomen pensioenverplichting. Wanneer het opgebouwde pensioen volledig extern wordt verzekerd, kan de vennootschap het verschil tussen de aan de verzekeraar betaalde koopsom en de op de fiscale balans opgenomen pensioenverplichting direct volledig ten laste van de fiscale winst brengen. In deze situatie blijft de gehele pensioenaanspraak in stand.

In geval van een overgang naar het OSEB zal het opgebouwde pensioen eerst worden afgestempeld naar het niveau van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting vóór afstempeling. Indien de oudedagsvoorziening voor de DGA daarna wordt ondergebracht bij een professionele verzekeraar, zal de aan de verzekeraar te betalen koopsom gelijk zijn aan het volledige saldo van het OSEB. Het onderbrengen van het saldo van het OSEB zal geen gevolgen hebben voor de fiscale winst van de vennootschap. Door het gedeeltelijk afstempelen van de opgebouwde pensioenaanspraken bij de overgang naar het OSEB, zullen de uiteindelijk door de DGA uit het OSEB te ontvangen uitkeringen (bij gelijke verzekeringstarieven) uiteraard lager zijn dan de pensioenuitkeringen van de DGA in de situatie dat de vennootschap de pensioenverplichting direct afstort bij een verzekeraar.

Voorbeeld

Stel dat de fiscale balanswaarde van het opgebouwde pensioen van een DGA € 250.000 is. Om het volledige opgebouwde pensioen onder te brengen bij een professionele verzekeraar moet de vennootschap een koopsom betalen van (stel) € 600.000.

Bij een directe overdracht van de volledig opgebouwde pensioenaanspraak aan een professionele verzekeraar kan de vennootschap het verschil tussen de aan de verzekeraar betaalde koopsom (€ 600.000) en de pensioenverplichting op de fiscale balans (€ 250.000) direct volledig ten laste van het fiscale resultaat brengen.

Bij het inbrengen van de opgebouwde pensioenaanspraak in het OSEB zal het pensioen in beginsel eerst worden afgestempeld naar het niveau van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting vóór afstempeling (€ 250.000). Het saldo van het OSEB zal in de daaropvolgende jaren toenemen door oprenting van het saldo en de eventuele toevoegingen ten laste van de winst van de werkgever. Bij het onderbrengen van het saldo van het OSEB bij een professionele verzekeraar, zal de aan de verzekeraar te betalen koopsom gelijk zijn aan het volledige saldo van het OSEB (stel op het moment van onderbrengen door dotatie en oprenting € 300.000). De vennootschap kan zich «bevrijden» van de OSEB-verplichting door het opgebouwde saldo van het OSEB af te storten bij de verzekeraar. Het onderbrengen van het saldo van het OSEB zal dan geen gevolgen hebben voor het resultaat van de vennootschap (maar de oprenting uiteraard wel).

5. Overige vragen

Naast de hiervoor besproken onderwerpen, waren er nog vragen van uiteenlopende aard die in deze paragraaf bij elkaar zijn gevoegd. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in de onderwerpen

  • a) conserverende belastingaanslag,

  • b) andere landen,

  • c) andere opbouwmogelijkheden voor DGA’s en

  • d) resterende vragen.

a) Conserverende belastingaanslag

In de beantwoording van de technische vragen bij het algemeen overleg van 24 september 2015 is gesteld dat bij emigratie een conserverende belastingaanslag mogelijk is indien het OSEB wordt gebruikt. De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom hiervoor wordt gekozen. Ook vragen zij tot wanneer de conserverende belastingaanslag geldt en onder welke voorwaarden een dergelijke conserverende belastingaanslag opeisbaar wordt. Indien een belastingplichtige werknemer of gewezen werknemer aan wie een pensioen is toegezegd emigreert, wordt de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenaanspraken in beginsel tot het loon gerekend.12 Onder voorwaarden wordt ter zake een conserverende belastingaanslag opgelegd.13 Hiermee wordt beoogd oneigenlijk gebruik na emigratie tegen te gaan door het genoten belastingvoordeel terug te kunnen nemen bij bepaalde (zogenoemde verboden) handelingen, zoals pensioenafkoop. Ingeval het OSEB in de plaats komt van het PEB, zal aansluiting gezocht worden bij bestaande regels voor conserverende belastingaanslagen.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt in het verlengde hiervan naar de thematiek van de conserverende belastingaanslag voor pensioen bij emigratie, in relatie tot uitfasering van het PEB. Met betrekking tot de variant van uitfasering van het PEB via een fiscaal gefaciliteerde afkoop is een conserverende belastingaanslag in twee situaties aan de orde. De eerste situatie betreft die waarin de DGA niet heeft gekozen voor een fiscaal gefaciliteerde afkoop in Nederland. Als de DGA emigreert, wordt net als onder de huidige regeling in beginsel een conserverende belastingaanslag opgelegd over de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenaanspraken op het onmiddellijk aan de emigratie voorafgaande moment. Daarnaast wordt de emigratie van de DGA beschouwd als een fictieve vervreemding van zijn aanmerkelijk belang. Er wordt een conserverende belastingaanslag opgelegd over de waardeaangroei van de aandelen.

De tweede situatie betreft die waarin de DGA wel heeft gekozen voor een fiscaal gefaciliteerde afkoop van het pensioen in Nederland. Bij afkoop voorafgaand aan emigratie komt bij de latere emigratie vanzelfsprekend geen conserverende aanslag ter zake van dat pensioen aan de orde. Bij emigratie van de DGA wordt slechts een conserverende belastingaanslag opgelegd over de eventuele waardeaangroei van zijn aanmerkelijk belang in de bv.

Wanneer in het kader van uitfasering van het PEB zou worden gekozen voor de zogenoemde spaarvariant (zie bijlage 2, paragraaf I, onder 2, van de brief van 17 december 2015) – die in feite gelijk is aan het OSEB zonder verdere opbouw, maar waarbij wel jaarlijkse oprenting plaatsvindt – zal voor de situatie van emigratie eveneens een overeenkomstige regeling worden ingevoerd (met oplegging van een conserverende belastingaanslag).

b) Andere landen

De leden van de fractie van D66 vragen of er andere EU-lidstaten zijn waar een ondernemerspensioen in de eigen onderneming kan worden ondergebracht en zo ja, welke dit zijn en welk type vormgeving daar is gekozen. Uit het onderzoeksrapport «De toekomst van het pensioen van de ondernemer» van de Werkgroep Ondernemerspensioen van Tilburg University14 blijkt dat er in Zweden, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk geen fiscaal gefaciliteerde mogelijkheden bestaan om pensioen in de eigen onderneming op te bouwen. In Duitsland is het wel mogelijk om door middel van een overeenkomst tussen de vennootschap (GmbH) en de DGA een pensioen voor de DGA op te bouwen (zogenoemde «Pensionszusage»). De waarde van de aanspraak wordt jaarlijks actuarieel berekend en de aangroei in het betreffende jaar wordt als voorziening in de balans opgenomen. Op die manier worden de winst en daarmee de belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting verlaagd. Genoemde overeenkomst dient aan een aantal strenge eisen te voldoen. Ook in Duitsland is de commerciële waardering niet gelijk aan de fiscale waardering. Gezien het krappe tijdskader heb ik geen onderzoek kunnen doen naar andere EU-lidstaten dan die waarnaar de genoemde Werkgroep Ondernemerspensioen heeft gekeken.

c) Andere opbouwmogelijkheden voor DGA’s

De leden van de fracties van de VVD, de SP en D66 vragen of in geval van afschaffing van het PEB, DGA’s minder pensioen zullen opbouwen of dan te weinig mogelijkheden voor pensioenopbouw zullen hebben. Zij verwijzen hierbij naar de brief van het RB van 20 januari 2016. In samenhang hiermee vraagt het lid van de fractie van 50PLUS of DGA’s naast het PEB alleen de mogelijkheid hebben om pensioen bij een verzekeraar op te bouwen. De leden van de fractie van de SP uiten verder de zorg dat hierdoor wellicht een groter beroep zal worden gedaan op collectieve voorzieningen. Afgezien van het OSEB, hebben DGA’s, net zoals andere werknemers die geen DGA zijn, de mogelijkheid extern in de tweede pijler pensioen op te bouwen of om in de derde pijler een oudedagsvoorziening op te bouwen. De opbouw in de derde pijler is mogelijk bij professionele verzekeraars, maar ook bij banken (lijfrentespaarrekening) en bij beheerders van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging (lijfrentebeleggingsrechten). Een deel van de DGA’s zal mogelijk zonder de mogelijkheid van opbouw in eigen beheer minder aan gefaciliteerde oudedagsvoorzieningen gaan opbouwen. Met de discussie die nu gaande is, wordt wel meer pensioenbewustheid gecreëerd. Uit het hiervoor aangehaalde onderzoeksrapport van de Werkgroep Ondernemerspensioen blijkt dat 81,7% van de ondervraagden op andere wijze pensioen zou opbouwen als PEB niet meer zou zijn toegestaan.15 Aan deze groep is verder gevraagd op welke wijze men dan een oudedagsvoorziening zou opbouwen. De antwoorden leverden het volgende resultaat op (per ondervraagde meerdere opties mogelijk):16

Tabel 1

 

Pensioenverzekering

27,5%

Pensioenfonds

2,9%

Beroepspensioenregeling

8,8%

Lijfrente

36,3%

Beleggen in de bv

36,3%

Sparen of beleggen in privé

62,7%

Opbrengst onderneming

36,3%

Eigen woning

49,0%

Anders

3,9%

Uit deze cijfers komt duidelijk naar voren dat veel DGA’s ook bij afschaffen van het PEB niet afhankelijk willen zijn van collectieve voorzieningen, maar zelf zullen proberen een voorziening op te bouwen. Ook onder het bestaande PEB kan niet worden uitgesloten dat in verband met een ontoereikende financiële positie van de bv op het moment van de ingangsdatum van het pensioen, de DGA een beroep moet doen op de collectieve middelen. Maar op basis van bovenstaand resultaat uit het onderzoek van de Werkgroep Ondernemerspensioen kan ik de stelling niet onderbouwen dat door het afschaffen van het PEB een groter beroep op de collectieve voorzieningen zal worden gedaan dan onder het PEB.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het mogelijk is een inschatting te geven wat buiten de onderneming pensioen opbouwen betekent voor het rendement en de zekerheid van het pensioen ten opzichte van de huidige situatie. In het algemeen zal het extern onderbrengen van het pensioen van de DGA een grotere kans bieden op het daadwerkelijk uitkeren van het opgebouwde pensioen dan in de situatie dat het pensioen door de vennootschap in eigen beheer wordt opgebouwd. Voor een in eigen beheer opgebouwd pensioen geldt dat de uiteindelijk uit te keren pensioenbedragen afhankelijk zijn van de ondernemingsresultaten en de vermogenspositie van de vennootschap. Tegenvallende ondernemingsresultaten kunnen tot gevolg hebben dat het pensioen van de DGA niet of niet volledig kan worden uitgekeerd.

Een buiten de onderneming opgebouwd en daarmee extern verzekerd pensioen zal na het storten van de premies bij de verzekeringsmaatschappij niet meer afhankelijk zijn van de ondernemingsresultaten en de vermogenspositie van de betreffende bv. Voor de professionele verzekeraar waar het pensioen van de DGA wordt ondergebracht, zijn de regels van de Wet op het financieel toezicht van toepassing. Het extern verzekeren van het pensioen van de DGA zal dan ook in de meeste gevallen positieve effecten hebben op de zekerheid van het pensioen.

Over het met het pensioenvermogen te behalen rendement kan geen algemene uitspraak worden gedaan. Bij een in eigen beheer uitgevoerde pensioenregeling zal het pensioenvermogen veelal ook worden gebruikt voor de financiering van de onderneming van de vennootschap. Voor een extern verzekerd pensioen bestaan er veel verschillende keuzemogelijkheden om het pensioenvermogen te beleggen.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een overzicht van de mogelijkheden die DGA’s momenteel hebben om bij externe partijen pensioen op te bouwen. DGA’s hebben verschillende mogelijkheden om bij externe professionele pensioenuitvoerders een oudedagsvoorziening op te bouwen. DGA’s kunnen bijvoorbeeld een lijfrenteverzekering, lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een professionele pensioenuitvoerder afsluiten. Daarnaast kunnen in bepaalde gevallen DGA’s een oudedagsvoorziening opbouwen bij een bedrijfstakpensioenfonds of een instelling die een beroepspensioenregeling uitvoert. De Werkgroep ondernemerspensioen heeft onderzoek gedaan naar de door DGA’s getroffen oudedagsvoorzieningen. In de hierna opgenomen tabel is een overzicht opgenomen van door DGA’s getroffen voorzieningen (in percentage van aantal DGA’s).17

Tabel 2

 

Pensioenverzekering

17,7%

Pensioen in eigen beheer

78,2%

Combinatie van verzekeren en eigen beheer

21,8%

Bedrijfstakpensioenfonds

6,1%

Beroepspensioenregeling

2,0%

Lijfrente

40,1%

Beleggen in de BV

22,4%

Sparen of beleggen in privé

41,5%

Opbrengst van de onderneming

32,7%

Eigen woning

54,4%

Andere wijze

4,1%

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt welke rol banken eventueel zouden kunnen gaan spelen bij de pensioenvoorziening van een DGA. Het is nu al mogelijk voor de DGA om in de derde pijler een lijfrentespaarrekening bij een bank af te sluiten en aldus een oudedagsvoorziening op te bouwen. Wanneer het PEB wordt afgeschaft en er meer vraag zal komen naar dit soort producten zal de markt die naar verwachting gaan aanbieden. Ingeval wordt gekozen voor het introduceren van het OSEB, kunnen de banken waarschijnlijk ook een rol spelen bij het extern aanwenden van de OSEB-verplichting.

d) Resterende vragen

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe een minderheidsaandeelhouder in de bv het PEB eventueel kan afkopen. In beginsel kan een minderheidsaandeelhouder in een bv het PEB afkopen met gebruikmaking van de geschetste afkoopfaciliteit, alleen kan daarbij bijvoorbeeld ook heffing van schenkbelasting in beeld komen omdat de waarde van de aandelen toeneemt en deze waardestijging voor een groot deel aan andere aandeelhouders toekomt. Een onafhankelijke pensioengerechtigde zou geen gebruik maken van een dergelijke afkoopfaciliteit, mede vanwege het daarin besloten afzien van een deel van de pensioenrechten.

De leden van de fracties van de VVD en de SP en het lid van de fractie van 50PLUS vragen naar het onderbrengen van het pensioen van een DGA bij een premiepensioeninstelling (PPI). De huidige (niet-fiscale) regelgeving biedt, in samenhang met hetgeen hierover is opgenomen in de parlementaire geschiedenis, een PPI geen ruimte om een DGA toe te laten die niet valt onder een pensioenregeling die een PPI uitvoert. Een PPI kan slechts regelingen uitvoeren die door de relevante sociale en arbeidswetgeving worden erkend als pensioenregeling. Voor de Nederlandse regelingen zijn dan de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepalend. Voor de Pensioenwet is een pensioenregeling van een DGA geen arbeidsgerelateerde pensioenregeling. Een PPI kan in het kader van de voornoemde regelgeving alleen een pensioenregeling voor zelfstandigen uitvoeren als die pensioenregeling op grond van de nationale wetgeving als een arbeidsvoorwaardelijk pensioen wordt gezien. In Nederland zijn alleen verplicht gestelde solidaire pensioenregelingen voor beroepsgenoten op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gelijkgesteld met arbeidsvoorwaardelijke pensioenen. Dergelijke regelingen kan een PPI dus uitvoeren, ook als daar een DGA onder valt. Andere pensioenregelingen of pensioenproducten zijn geen verplicht gestelde solidaire pensioenregelingen voor beroepsgenoten en behoren alleen al daarom niet tot het domein van arbeidsvoorwaardelijke pensioenen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de ervaringen met de fiscaalvriendelijke afkoop van stamrecht-bv’s en de levensloopregeling. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de SP of kan worden aangegeven hoeveel procent van de vennootschappen die gebruik konden maken van de afkoopregeling die gold bij het afschaffen van de stamrechtvrijstelling, dit ook hebben gedaan. Bij de 80%-regeling voor afkoop van het levenslooptegoed in 2013 konden deelnemers aan de levensloopregeling hun tegoed opnemen, waarbij – kort gezegd – een groot deel van het tegoed voor 80% werd betrokken in de belastingheffing. Uit verschillende (externe) bronnen valt op te maken dat het levenslooptegoed in 2013 met ongeveer 50% is afgenomen. Daarbij is ongeveer € 2,4 miljard van de € 4,8 miljard aan tegoed opgenomen. Van de mogelijkheid om bestaande goudenhanddrukstamrechten af te kopen, waarbij 80% van de grondslag wordt betrokken in de belastingheffing, is het gebruik nog niet bekend, omdat de aangiftegegevens over die periode op dit moment nog niet volledig zijn.

De leden van de fracties van de PvdA en de SP vragen waarom ik het fiscaal gefaciliteerd afzien van het PEB, dat het RB wel als geschikt alternatief presenteert, geen wenselijke optie vind. Bij deze zogenoemde afzienvariant wordt de vrijval van de pensioenverplichting die resteert na afstempeling naar de fiscale waarde in de vennootschapsbelasting betrokken, maar wordt het afzien van het pensioen niet in de loonheffing betrokken. De bezwaren tegen deze benadering liggen met name in de mogelijkheid tot het gebruik van verliescompensatie bij de bv en de budgettaire consequenties daarvan, en in de uitwerking van voornoemde afzienmogelijkheid in internationaal verband. In zijn reactie gaf het RB ook juist aan dat bij deze variant minder belasting wordt betaald dan bij afkoop. Uit budgettair oogpunt en om juridische redenen beoordeel ik deze oplossingsmogelijkheid daarom als onwenselijk.

Verder vragen de leden van de fractie van de PvdA of door het uitfaseren van het PEB een neutralere uitgangssituatie wordt bereikt, omdat de DGA dan minder geneigd is om zijn opbouw van een oudedagsvoorziening op basis van de fiscale mogelijkheden te kiezen. Het uitfaseren van het PEB leidt inderdaad tot een neutralere uitgangssituatie ten opzichte van werknemers die geen DGA zijn.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het tijdstip waarop de Tweede Kamer verder uitgewerkte voorstellen tegemoet kan zien. Zij geven daarbij aan het belangrijk te vinden dat het nieuwe stelsel robuust en derhalve toekomstbestendig is en weinig ruimte laat voor oneigenlijke taxplanning en belastingontwijking. In mijn brief van 17 december 2015 heb ik aangegeven dat ik in geval van een duidelijk richtinggevend resultaat van het algemeen overleg – dat inmiddels gepland staat voor 23 maart 2016 – een van de twee opties nader zal uitwerken en deze uitwerking in de eerste helft van 2016 voor een internetconsultatie ter beschikking zal stellen. In die uitwerking zullen ook de door de leden van de fractie van de PvdA genoemde aandachtspunten worden meegewogen. De internetconsultatie biedt vervolgens ook een breed publiek de mogelijkheid om hieraan nadere aandacht te schenken.

In mijn brief van 17 december 2015 heb ik aangegeven de inwerkingtreding per 1 januari 2017 op het oog te hebben. In verband met het uitstel van het algemeen overleg over mijn brief van 17 december 2015 is de vraag gesteld of door dit uitstel de inwerkingtreding van de wetswijziging zal opschuiven naar 1 januari 2018. Aan de uitwerking van het wetsvoorstel zal – nadat uw Kamer tijdens het algemeen overleg op 23 maart 2016 een voorkeur heeft uitgesproken – hoge prioriteit worden gegeven, dit met het oog op een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding. Echter, ik heb uw Kamer ook beloofd om het definitieve wetsvoorstel in een internetconsultatie breed te delen en door geïnteresseerden te laten becommentariëren. Op de reacties die in deze consultatie naar voren zullen komen en de eventuele gevolgen daarvan voor het wetsvoorstel, kan ik nu nog niet vooruitlopen. Ondanks het uitstel van het algemeen overleg met vier weken, is de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2017 nog niet uit het zicht.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een kwijtscheldingsmogelijkheid voor gevallen waar de pensioenaanspraken niet voor verwezenlijking vatbaar zijn. Ik zie onvoldoende aanleiding voor een algehele kwijtscheldingsmogelijkheid voor het gedeelte van de pensioenaanspraak dat niet door het vermogen in de bv gedekt is. De voorgestelde gefaciliteerde afkoopmogelijkheid bevat al een behoorlijke tegemoetkoming (zie ook het cijfervoorbeeld in paragraaf 1 van deze brief). In plaats van loonheffing (tegen een tarief van maximaal 52%) over 100% van de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak en daarnaast nog 20% revisierente over deze waarde, is alleen loonheffing (tegen een tarief van maximaal 52%) over 70% van de fiscale balanswaarde verschuldigd. Heffing van revisierente blijft achterwege. Bovendien is in het verleden door de aftrek van pensioenpremies en de lasten van de aangroei van de pensioenverplichting in de vennootschapsbelasting en het toepassen van de omkeerregel in de loonbelasting reeds belastinguitstel alsmede rentevoordeel genoten.

De leden van de fractie van het CDA vragen of becijferd kan worden tegen welk tarief het pensioen van DGA’s, of indien dat niet bekend is gepensioneerden in het algemeen, gemiddeld belast wordt respectievelijk worden. Zoals al eerder aangegeven in deze brief is de inschatting dat een PEB gemiddeld tegen een tarief van 34% wordt belast bij pensioenuitkering. Dit percentage ligt voor een gemiddelde DGA iets hoger dan voor een gemiddelde gepensioneerde omdat het gemiddelde pensioen van een DGA hoger ligt dan de gemiddelde pensioenuitkeringen.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een nadere toelichting op de uitstraling van de beoogde wetswijziging voor het PEB naar de fiscale oudedagsreserve (FOR). Kort gezegd is de FOR een faciliteit in de inkomstenbelasting voor IB-ondernemers waarbij jaarlijks een bepaald percentage van de ondernemingswinst (tot een bepaald maximumbedrag) kan worden gereserveerd om uiteindelijk een kwalificerende lijfrente aan te kunnen kopen.

Indien wordt gekozen voor het afschaffen en uitfaseren van het PEB, kan (een vergelijkbare regeling voor) het afschaffen van de FOR ook in beeld komen.

Wanneer er daarentegen voor wordt gekozen om de opbouw van een oudedagsvoorziening in eigen beheer fiscaal te faciliteren overeenkomstig het systeem van het OSEB, ligt het voor de hand om te bezien of de FOR langs dezelfde lijnen zou moeten worden aangepast. Dat kan bijvoorbeeld door het introduceren van 20% revisierente18 bij het niet-regulier afwikkelen van de FOR (dat wil zeggen bij het niet aanwenden van de FOR voor de aankoop van een kwalificerende lijfrente). De introductie van revisierente sluit aan bij het voorstel van de Commissie Van Dijkhuizen.19

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet de samenhang ziet tussen de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel en het PEB. In het werkprogramma dat 18 december 2015 naar uw Kamer is gestuurd, geeft het kabinet aan welke vraagstukken en oplossingsrichtingen in het kader van het toekomstig pensioenstelsel de komende maanden zullen worden onderzocht en uitgewerkt.20 Een van de geformuleerde hoofdlijnen is dat het kabinet door middel van een gedifferentieerde aanpak de verschillende groepen werkenden wil ondersteunen bij de opbouw van een aanvullend pensioen. Het PEB of een mogelijk alternatief hiervoor, maakt als zodanig niet specifiek deel uit van de brede discussie over het toekomstig pensioenstelsel, maar kan wel worden gezien als een gedifferentieerde aanpak voor de opbouw van een oudedagsvoorziening van DGA’s.

Het lid van de fractie van 50PLUS vraagt of de «eenvoud» het belangrijkste / overwegende argument is om een voorkeur te hebben voor het uitfaseren van het PEB zonder daarvoor iets in de plaats te stellen. Met het oog op mijn vereenvoudigingsagenda is «eenvoud» natuurlijk een heel belangrijk argument, maar uiteraard spelen er ook nog andere overwegingen een rol. Een opbouw in eigen beheer biedt geen volledige zekerheid voor de DGA dat hij op pensioenleeftijd ook daadwerkelijk van een pensioen uit «zijn» bv kan genieten. De aanspraak is afhankelijk van het succes van een onderneming. Die kan wel heel wisselend uitpakken en ertoe leiden dat op pensioeningangsdatum onvoldoende vermogen voorhanden is waaruit het pensioen zou kunnen worden betaald. Juist het feit dat nu al veel pensioenaanspraken «onder water» staan, laat duidelijk zien dat het PEB minder zekerheid biedt dan bij een externe aanbieder ondergebrachte aanspraken. Het is daarom van groot belang voor de DGA’s en niet te vergeten hun partners en kinderen om hun voorziening voor de oude dag onafhankelijk van de onderneming vorm te geven. Door de fiscale prikkel van de opbouw in eigen beheer af te halen, zal de opbouw van een oudedagsvoorziening in andere vormen bevorderd worden. Dit wordt bevestigd door de constateringen in het onderzoek van de meergenoemde Werkgroep Ondernemerspensioen. Op de vraag of de DGA’s hun pensioen op andere wijze zouden opbouwen, wanneer het PEB niet meer bestaat, geeft 81,7% van de ondervraagden aan dat wel te willen doen.21

Het lid Van Vliet vraagt om de beleidsopties voor de toekomst van het PEB als geïsoleerde maatregelen en dus niet als onderdeel van een breder pakket te laten doorrekenen door het Centraal Planbureau (CPB). Ik ben te allen tijde bereid om beleidsopties te laten doorrekenen door het CPB of meer in het algemeen ter beoordeling op economische gevolgen voor te leggen. Het CPB heeft echter geen modellen beschikbaar voor een dergelijke doorrekening. Een dergelijke doorrekening vergt een uitgebreide gedetailleerde en langjarige dataset over de pensioenopbouw door DGA’s, die niet beschikbaar is. Het CPB zou alleen in kwalitatieve bewoordingen kunnen aangeven wat in het algemeen de gevolgen van beide beleidsopties zijn.


X Noot
1

Kamerstuk 34 002, nr. 104.

X Noot
2

Kamerstuk 34 302, nr. 108.

X Noot
3

Artikel 3.92 van de Wet IB 2001.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstuk 34 302, nr. 108.

X Noot
5

Of maximaal vijf jaar later indien en zolang de DGA (reëel) loon geniet (voor gemiddeld ten minste een dag per week werken).

X Noot
6

Afgezien van oprenting.

X Noot
7

Zie ook bijlage 1, paragraaf III, bij de brief van 17 december 2015, Kamerstuk 34 302, nr. 108.

X Noot
8

Briefnummer 16/10.066/Jla/H.

X Noot
9

Kamerstuk 34 302, nr. 108.

X Noot
10

Tenzij de vennootschap fiscaal al onder water stond. Dan blijft er geen ruimte voor dividenduitkeringen, al wordt de dividendklem wel minder groot.

X Noot
11

Kamerstuk 34 302, nr. 108.

X Noot
12

Artikel 3.83 van de Wet IB 2001. In deze nota wordt eenvoudshalve geabstraheerd van situaties als bedoeld in artikel 3.136, derde lid, van de Wet IB 2001.

X Noot
13

Artikel 2.8 juncto artikel 3.83 en artikel 3.146, derde lid, van de Wet IB 2001 alsmede artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 juncto artikel 1e van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

X Noot
14

Werkgroep Ondernemerspensioen, De toekomst van het pensioen van de ondernemer, Tilburg november 2015, ISBN: 978-94-6167-266–7, paragraaf 3.3, blz. 48 tot en met 51.

X Noot
15

Werkgroep Ondernemerspensioen, De toekomst van het pensioen van de ondernemer, hoofdstuk 3, blz. 43, tabel 11.

X Noot
16

Werkgroep Ondernemerspensioen, De toekomst van het pensioen van de ondernemer, hoofdstuk 3, blz. 43, tabel 11a.

X Noot
17

Ontleend aan hoofdstuk 3, blz. 40, tabel 3, van het rapport van de Werkgroep Ondernemerspensioen, De toekomst van het pensioen van de ondernemer.

X Noot
18

Voor nieuwe dotaties en met de mogelijkheid voor de IB-ondernemer om aan te tonen dat de rentevergoeding lager zou moeten zijn.

X Noot
19

Zie blz. 89 van het interim-rapport en blz. 126 (bijlage 5) van het eindrapport van de Commissie Van Dijkhuizen.

X Noot
20

Kamerstuk 32 043, nr. 298.

X Noot
21

Werkgroep Ondernemerspensioen, De toekomst van het pensioen van de ondernemer, Tilburg november 2015, paragraaf 3.1, Tabel 11, pagina 43.