Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135527 nr. 11

35 527 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijnen elektronische handel)

Nr. 11 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 3 februari 2021

Inhoudsopgave

blz.

     

1.

Algemeen

1

2.

Implementatieproces en implementatietermijn

2

3.

Uitvoeringsaspecten Belastingdienst

10

4.

Budgettaire aspecten

14

5.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

14

6.

Advies en consultatie

15

7.

Vragen over de Nota naar aanleiding van het verslag

15

1. Algemeen

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66, GroenLinks en de SP met betrekking tot het wetsvoorstel implementatie richtlijnen elektronische handel. Het kabinet constateert dat er bij de leden van deze fracties grote zorgen zijn over de tijdige uitvoering van dit wetsvoorstel. Zo geven de leden van de fractie van de VVD aan dat zij zich ernstige zorgen maken over een adequate implementatie en de gevolgen van een niet tijdige en niet adequate implementatie voor ondernemers.

De leden van de fractie van het CDA geven ook aan de nodige vragen te hebben. Zij wijzen in dit verband op de brief van de Algemene Rekenkamer van 14 januari 2021 en op mijn brief van 19 januari 2021. De leden van de fractie van de VVD vragen hier ook naar. Met het noodspoor worden de knelpunten van niet tijdige implementatie weggenomen, maar het noodspoor kent zelf ook serieuze risico’s en onzekerheden. Deze komen hierna meer gedetailleerd aan de orde.

De leden van de fractie van D66 merken op dat zij bij hun eerdere inbreng voor dit wetsvoorstel meerdere vragen hebben gesteld over een tijdige implementatie en uitvoering van dit wetsvoorstel. Deze leden spreken in dit verband ook hun dank uit voor de extra waarschuwing van de Algemene Rekenkamer over de problemen bij de implementatie en de gevolgen en risico’s daarvan voor het bedrijfsleven. Het kabinet deelt deze zorgen, dit in antwoord op de desbetreffende vraag van deze leden. Deze zorgen bestaan ook al langer, zeker toen duidelijk begon te worden dat er over een verder uitstel van de datum van implementatie in Europees verband geen overeenstemming zou komen.

De leden van de fractie van GroenLinks zeggen het wetsvoorstel inhoudelijk een goede stap te vinden maar delen ook de zorgen van de Algemene Rekenkamer en het kabinet over de uitvoering.

Ook de leden van de fractie van de SP maken zich grote zorgen over de constateringen die de Algemene Rekenkamer heeft gedaan. Zij menen dat de opmerkingen van het kabinet dat het nog moet onderzoeken of de datum van 1 juli 2021 kan worden gehaald, weinig geruststellend is.

De leden van de hier genoemde fracties stellen naast hun meer algemene opmerkingen verschillende vragen. In deze nota geef ik hierop een reactie. Bij de beantwoording hierna houd ik zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aan, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen en opmerkingen samen worden beantwoord.

2. Implementatieproces en implementatietermijn

De leden van de fractie van de VVD en het CDA stellen de regering een aantal vragen over de risico’s van het noodspoor.

In mijn brief aan de Tweede Kamer van 19 januari 2021 heb ik aangegeven dat de ADR en de CIO Belastingdienst gewezen hebben op een aantal belangrijke risico’s zoals de onzekerheid over de aantallen registraties en meldingen en het niet tijdig goed functioneren van de gegevensuitwisseling tussen lidstaten. Verder in de nota wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast zijn door de Belastingdienst in de notitie over het noodspoor eveneens risico’s in kaart gebracht. Deze notitie is als bijlage opgenomen1. Naast de gesignaleerde risico’s zijn in de notitie ook eerste berekeningen met betrekking tot de mitigerende maatregelen opgenomen. Daarbij is niet per risico een overzicht beschikbaar van de (financiële) gevolgen voor de ondernemer en de Belastingdienst. Een dergelijk overzicht is er niet. Er is wel een memo beschikbaar waarin in aangegeven welke risico’s zijn verbonden aan een te late implementatie van de e-commerce regelgeving met de daarbij behorende gevolgen. Dit memo is gedeeld met de ARK en zal ik ook als bijlage bijsluiten2.

De minder beheerste procesuitvoering bij het noodspoor, waar de leden van de fractie van de VVD naar vragen, betreft de beperkte functionaliteit voor geautomatiseerde monitoring en beheerfunctionaliteit bij de uitvoering van de werkzaamheden. Door deze beperkingen en het handmatig uitvoeren van een scala aan werkzaamheden is sprake van een verminderde beheersing van de uitvoering van de processen. Zo is bijvoorbeeld ook de bestuurlijke informatie niet ingericht naar de normen van een goede en volledige procesbeheersing. Door deze handmatige werkzaamheden waarbij ook deels moet worden aangesloten op een deel van het proces dat al wel is geautomatiseerd ontstaan eerder fouten dan bij volledig geautomatiseerde werkzaamheden die volledig zijn getest. Deze fouten kunnen leiden tot gedeeltelijke uitval in processen en allerlei meerwerk, bijvoorbeeld voor de BelastingTelefoon die vragen van ondernemers ontvangt.

De beperkte IV-ondersteuning voor het bedrijfsleven betekent dat de invoervoorzieningen voor ondernemers eenvoudiger zullen zijn dan gebruikelijk. Daaruit vloeit bijvoorbeeld voort dat ondernemers formulieren niet, niet op de juiste wijze of onvolledig invullen. Dit leidt dan vervolgens tot meer uitval bij de verwerking waarover contact moet worden opgenomen met de ondernemer. Het handmatige werk bij de Belastingdienst betreft verder bijv. het ontbreken van een geautomatiseerd workflow managementsysteem en het (in het noodspoor) ontbreken van een online-systeem waarin de belastingplichtige kan zien welke melding hij heeft gedaan. Het ontbreken van de nuttige IV-ondersteuning van de processen leidt tot verminderde kwaliteit van de processen en ook van dienstverlening naar bedrijven. Zo kan bijvoorbeeld de Belastingtelefoon in het noodspoor niet beschikken over statusinformatie over of een melding al dan niet is gedaan en zal voor vragen over dit soort statusinformatie moeten worden doorverwezen naar de inspecteur.

De leden van de VVD-fractie vragen specifiek naar de verwachte doorlooptijden en de capaciteit die hiervoor aan de zijde van de Belastingdienst wordt ingezet. De Belastingdienst maakt een uitvoeringstoets voor deze aanpak. Onderdeel daarvan is een uitwerking van de verwachte benodigde capaciteit. In het in te stellen operations center vindt strakke monitoring plaats van het binnenkomende en uitgaande werk. De monitoring stelt ook in staat snel te kunnen opschalen en afschalen in inzet van fte’s, werkplekken en huisvesting waar nodig, afhankelijk van volumegroei en het operations center moet in staat zijn om snel in te spelen en bij te sturen als bedrijven proberen hun weg te vinden naar de Belastingdienst als het niet goed loopt (routeringen website – telefonie – uitvoeringsproces). Bij grote volumes werkstromen kan een toename ontstaan aan benodigde capaciteit.

De verwachte doorlooptijden van aanmeldingen en de verwerking van meldingen en betalingen hangen af van de aantallen. Wanneer de aantallen laag blijven wordt het werk veelal binnen normale behandeltermijnen behandeld. Is het aantal aanmeldingen en meldingen hoger dan gaan de doorlooptijden oplopen en gaan achterstanden ontstaan.

De risico’s voor de uitwisseling van gegevens met andere EU lidstaten bestaat uit het volgende. Aan de ene kant is er een risico dat door de hoeveelheid handmatig werk met betrekking tot het berichtenverkeer (bijv. uitvraag info over ondernemer vanuit de lidstaat), en doordat er verschil van interpretatie kan ontstaan over de wetgeving door de 27 lidstaten, geen of onvoldoende gegevens worden uitgewisseld. Aan de andere kant bestaat het risico dat Nederland geen of onvoldoende data kan ontvangen, waarbij het risico bestaat dat ontvangen belastingbedragen uit andere EU lidstaten niet ordentelijk worden geadministreerd.

Alle risico’s worden zoveel mogelijk gemitigeerd. Bijvoorbeeld door meer capaciteit aan te trekken bij grotere aantallen. Voorts wordt met het bedrijfsleven verkend wat de beste manier is om hen goed te informeren over de juiste wijze van registreren en het doen van meldingen om de risico’s te verminderen dat bedrijven zich bijv. op een onjuiste wijze gaan registreren. In dit kader wordt bijvoorbeeld informatiemateriaal gedeeld en kan het bedrijfsleven op concepten van informatiemateriaal input leveren en kan de Belastingdienst tijdig kennis nemen van in het bedrijfsleven bestaande vragen. Het bedrijfsleven wordt als belangrijke stakeholder gevraagd te participeren in het communiceren over de nieuwe regels en hun toepassing. Hiermee worden onnodige vragen en werk voorkomen wat aan beide zijden de efficiency dient.

Het niet juist en volledig versturen of ontvangen door de Nederlandse Belastingdienst wordt zoveel als mogelijk voorkomen door intensief testen vooraf. Er worden extra procescontroles ingericht voor bewaren, dupliceren en schonen van berichten.

Met betrekking tot ontvangen van betalingen van andere EU lidstaten (MSCON)worden bedragen geparkeerd als ze onvoldoende gematcht kunnen worden op de melding (aangifte) om later verwerkt te worden in grootboek/administratie. Er vindt monitoring en zo nodig alsnog handmatige verwerking plaats. De monitoring en belangrijke besluiten over de uitvoering van het noodspoor worden verricht door de bestaande stuurgroep e-commerce. Bij knelpunten worden deze besproken in het driehoeksoverleg Belastingdienst met als leden de Secretaris-Generaal, de Directeur-Generaal Belastingdienst en de Directeur-Generaal Fiscale Zaken. Hierdoor kan indien nodig sneller worden besloten bij bijgestuurd. De verstevigde governance is aldus ingericht dat periodiek wordt gerapporteerd over de voortgang van de implementatie van btw e-commerce door de DG Belastingdienst.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de VVD merk ik op dat niet gebleken is dat er bij andere lidstaten dan Duitsland en Nederland gesproken moet worden van implementatieproblemen bij btw e-commerce. Naast de formele procedures zijn de verschillen tussen beide landen in dat opzicht te groot om daarvan voordelen te verwachten binnen een zo kort tijdsbestek. Het is daarom niet mogelijk gebleken de beschikbare capaciteit in beide landen te bundelen om zo te komen tot een tijdelijke voorziening.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe opvolging is gegeven aan het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2018, hoe de handhaving van deze btw-verplichtingen is opgepakt en of de regering kan onderzoeken hoe de Belastingdienst de handhaving van de btw-verplichtingen rondom grensoverschrijdende digitale dienstverlening heeft opgepakt. De Algemene Rekenkamer heeft in november 2018 een rapport uitgebracht over de handhaving van de btw-regels voor grensoverschrijdende digitale diensten en het gebruik van het éénloketsysteem, beter bekend als MOSS (mini-one-stopshop). De Rekenkamer heeft hierin aanbevelingen gedaan voor verbetering van de handhaving. De aanbevelingen van de Rekenkamer waren op hoofdlijnen:

  • neem verder initiatief bij uitwisseling van gegevens en fraudesignalen in de EU,

  • zet meer inspanning op het opsporen van onbekende belastingplichtigen en het verzamelen van gegevens van betaaldiensten,

  • verbeter de werking van de MOSS, met name voor geautomatiseerde ondersteuning voor toezicht en opsporing.

Hierna geef ik aan wat de Belastingdienst met deze aanbevelingen heeft gedaan.

De Nederlandse Belastingdienst en FIOD vervullen al jaren een voortrekkersrol in de EU bij het bestrijden van btw-fraude. Nederland werkt actief mee bij het uitwisselen van gegevens en vervult een aanjagende rol bij het vroegtijdig signaleren van fraude met btw. Voor e-commerce is Nederland actief lid van een speciale werkgroep in het kader van Eurofisc. Dit biedt het wettelijke en organisatorische kader voor uitwisseling tussen lidstaten van vroege signalen van non-compliance.

Als het gaat om onbekende belastingplichtigen voert de Belastingdienst sinds het najaar van 2020 een algemene verkenning uit naar het fenomeen van onbekende belastingplichtigen. Uiteindelijke doel is om hieruit in de loop van 2021 actiepunten te formuleren die kunnen worden meegenomen in de jaarlijkse handhavingsplannen van de uitvoerende directies, met name op het gebied van de handhaving van de btw-verplichtingen bij e-commerce.

Voor het gebruik van gegevens van betaaldiensten bij het toezicht is op EU-niveau door de Europese Commissie initiatief genomen voor wetgeving die betaaldiensten verplicht om gegevens aan te leveren over grensoverschrijdende betalingen. Deze gegevens worden vanuit afzonderlijke lidstaten dan aan de Commissie aangeleverd, die deze op EU-niveau geschikt maakt voor gerichte raadpleging en gebruik in het toezicht op naleving van de btw e-commerce bepalingen. Dit wetgevingspakket is in 2019 door de Ecofinraad aanvaard. Bedoeling is dat deze wetgeving ingaat per 2024. Daarvoor zal in 2022 een implementatiewetsvoorstel naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Voor wat betreft de verbetering van de MOSS heeft mijn voorganger indertijd aangegeven dat dit meeloopt bij de implementatie van het EU btw e-commerce pakket. Hierover heeft de Rekenkamer u recent nog een brief gestuurd met een bestuurlijke reactie van mijn kant. Ik verwijs u kortheidshalve daarnaar en naar mijn brief over de implementatie per 1 juli a.s.

Ik ben bereid een onderzoek te verrichten naar de opvolging van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. Ik zal de Belastingdienst vragen hiervoor een opdracht te verlenen aan de Auditdienst Rijk (ADR).

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom begin 2019 is gekozen voor een andere benutting van de IV-capaciteit en of hierdoor de gehele implementatie van het EU wetgevingspakket stil is komen te liggen. De leden van de fractie van het CDA vragen hier ook naar. De leden van de fractie van de VVD vragen ook wanneer de Tweede Kamer hierover is geïnformeerd. In december 2018 heeft mijn voorganger de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek door een externe commissie met betrekking tot het gebruik van het bsn in het btw-nummer, waarvoor de Autoriteit Persoonsgegevens een verwerkingsverbod heeft opgelegd. In deze brief heeft mijn voorganger aangekondigd om de systematiek van het btw-nummer uiterlijk per 1 januari 2020 te wijzigingen. In de uitvoeringstoets voor deze maatregel die vervolgens begin 2019 is afgerond, is de impact van het programma op de IV-portfolio van de Belastingdienst in kaart gebracht. Gelet op het forse beslag op de IV-keten in combinatie met Brexit is bekeken of het haalbaar was om alle voorgenomen IV-activiteiten voor de OB uit te voeren. Daaruit volgde het inzicht in maart 2019 dat vertraging op het gebied van EU btw e-commerce (tot na 1 januari 2021) onvermijdelijk leek. Er zijn toen verschillende alternatieve paden besproken op drie niveaus. Allereerst is ruimte gezocht in de technische implementatie, bestaande uit mogelijke variatie in de IV-omgeving, bijvoorbeeld via extra inzet of inhuur. Een alternatief was te zoeken naar ruimte in wet- en regelgeving op nationaal niveau. Tot slot kon worden gezocht naar ruimte op EU-niveau.

Het was destijds al wel bekend dat Nederland in de rol van lidstaat van consumptie waar de prestaties belast zijn met btw problemen ondervond. Dit is ook gemeld in het Jaarverslag Bedrijfsvoering Rijk zoals gepubliceerd in mei 2019. Tegelijkertijd kwam in het kader van de implementatie de vraag op of de ondersteunende systemen voor de MOSS in de bestaande vorm konden worden uitgebouwd of dat er nieuwbouw van de IT-omgeving moest plaatsvinden. Er is toen besloten dat het programma bsn uit btw-nummer voorrang zou moeten hebben in verband met een oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens. Mijn ambtsvoorganger heeft daarbij benadrukt dat al het mogelijke moet worden gedaan om de implementatie per 1 januari 2021 of zo kort mogelijk daarna mogelijk te maken. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in de brief van 27 februari 2020 over de aanpak van de problemen bij Belastingdienst, Douane en Toeslagen.

Ik ben begin 2020 via het introductiedossier op de hoogte gesteld van de problemen die er waren met betrekking tot de implementatie van de richtlijnen elektronische handel, dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD. De beslissing in Europees Verband om de deadline van 1 januari 2021 uit te stellen, is vastgelegd in een richtlijn van 20 juli 2020.3

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er niet voor is gekozen om ontwikkelcapaciteit in te huren om aan de verplichtingen te voldoen?

Bij de implementatie van btw e-commerce is er voor gekozen om wel extra ontwikkelcapaciteit in te huren. In de afgelopen periode zijn binnen het IV voortbrengingsproces 37 fte extra geworven en aan de slag gegaan. Helaas is verdere tijdswinst door het inhuren van extra personeel niet haalbaar.

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de samenwerkende centrales van overheidspersoneel in het DGO Financiën, de ondernemingsraad en verschillende deelraden hun zorgen hebben geuit over de aangekondigde reorganisatie naar aanleiding van het besluit tot het ontvlechten van Belastingdienst, Toeslagen, Douane? Voorts vragen de leden van de VVD of ook vanuit de afdeling ICT een brief aan de Minister is gestuurd waarin zorgen zijn geuit over de reorganisatie in relatie tot de (ontwikkelcapaciteit) ICT en of de regering bereid is deze brief te delen.

Ja, het klopt dat vanuit de vakbonden en de ondernemingsraad Belastingdienst zorgen zijn geuit na het besluit van 11 februari 2020 tot ontvlechting van Belastingdienst, Toeslagen en Douane. Op 4 februari hebben de samenwerkende centrales van overheidspersoneel in het DGO Financiën een brief gestuurd aan de Minister van Financiën waarin zij aandacht vragen voor een dienstleiding met kennis van de fiscaliteit en van de Belastingdienst, een veilige werkomgeving, werkende automatisering en uitvoerbare wetgeving. Dit is door de samenwerkende centrales van overheidspersoneel ook in de openbaarheid gebracht. Op 10 februari hebben de groepsondernemingsraad Belastingdienst en een aantal onderliggende ondernemingsraden tevens een brief gestuurd naar de Minister waarin zij aandacht vragen voor rust in de uitvoering, fiscale kennis bij de top van de Belastingdienst en het belang van medezeggenschap. Op 12 februari 2020 heeft de ondernemingsraad Informatievoorziening van de Belastingdienst een brief gestuurd. Deze twee documenten zijn reeds openbaar gemaakt met het Wob-verzoek Reorganisatie Belastingdienst uit september 2020.4 U treft deze documenten als bijlage aan5. De betrokkenheid van medezeggenschap en bonden is vervolgens bij de verdere uitwerking van de ontvlechting verder vormgegeven, onder andere door gesprekken met mijzelf en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane.

De leden van de VVD-fractie hebben de regering gevraagd naar een verloop van de beschikbare capaciteit en hoe deze in de afgelopen periode is opgeschroefd.

Zoals hiervoor aangegeven is 37 extra fte aan de slag gegaan. In totaal zijn er nu ongeveer 120 fte actief.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat er in de uitvoeringstoets veranderd is waardoor het btw e-commerce pakket eerder geïmplementeerd kon worden en wat het oordeel is over dit proces.

Het opstellen van een uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel heeft in het laatste kwartaal 2019 plaatsgevonden omdat de IV-keten gaande de invoering van bsn uit btw-nummer per 1 januari 2020 tijd nodig had om een overzicht te verkrijgen van de benodigde capaciteit en doorlooptijd bij een robuuste ontwikkeling van de benodigde ondersteunende systemen voor btw e-commerce aan de hand van zogenaamde oplossingsarchitectuur. De bevindingen van deze uitvoeringstoets die begin december 2019 is vastgesteld, waren dat het btw e-commerce pakket op zijn vroegst in 2024 zou kunnen worden geïmplementeerd. Deze toets is meegezonden met het implementatievoorstel bij de adviesaanvraag aan de Raad van State in februari 2020.

In het kader van deze uitvoeringstoets was vanuit de IV-keten wel het signaal afgegeven dat de termijn kon worden verkort met maximaal twee jaar, maar dat de hiervoor benodigde IV-capaciteit dan de bestaande kaders zou overschrijden.

De toenmalige DG Belastingdienst heeft gedurende het hiervoor beschreven traject eind 2019 de vraag neergelegd bij de ketenvoorzitter OB welke impact eventuele alternatieve paden voor EU btw e-commerce zouden hebben op het ketenplan voor de OB als geheel, die was aangekondigd in de brief van mijn voorganger van 28 mei 2019 over de uitkomsten van het portfolioproces 2019. De toenmalige ketenvoorzitter OB heeft mede naar aanleiding hiervan in februari 2020 het programma «kwartier maken EU btw e-commerce» ingesteld, gericht op een versnelling van de invoering. Uiteindelijk is na overleg met mij en de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, een uitvoeringstoets opgesteld met een richtdatum van 1 januari 2022, waarin de uitkomsten van het programma kwartier maken btw e-commerce zijn opgenomen. Deze herijkte uitvoeringstoets is op 14 juli 2020 bij het implementatiewetsvoorstel aangeboden aan de Tweede Kamer.

Door de beperkingen en schaarste in het IV-portfolio en de besluitvorming daarover was het geen optimaal proces.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat deze prioritering betekent voor andere ICT-projecten en onderdelen bij de Belastingdienst. Implementatie van Europese richtlijnen zijn prioritaire dossiers en gaan daarmee vaak voor op andere opdrachten. Dit kan de ruimte voor andere projecten beperken. Dit is het geval bij het noodspoor EU BTW e-commerce. Door het realiseren van de structurele voorzieningen voor btw e-commerce kan binnen de keten OB zelf in 2021 nog niet gestart worden met het oplossen van de legacy-problematiek van het sterk verouderde ICT-landschap. Dit betekent dat de uitvoering van het eerder aan de Tweede Kamer gemelde plan om het ICT-landschap van de omzetbelasting te vervangen, wordt vertraagd. Voor het IV portfolio zal dit leiden tot enige vertraging, maar dit leidt niet tot een continuïteitrisico.

De leden van de fractie van de VVD vragen of geconcludeerd kan worden dat het niet voldoende prioriteit geven aan de tijdige implementatie heeft geleid tot grote inhaalstappen en met de nodige onzekerheden en wat het oordeel hierover is. De leden van de fractie van Groen Links vragen hier ook naar dit laatste. Ik constateer met deze leden dat voor tijdige implementatie nu noodgedwongen grote inhaalstappen genomen moeten worden, maar ook dat dit voortvloeit uit eerdere herprioritering binnen het IV-portfolio.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe wordt geborgd dat voor implementatie van Europese richtlijnen voldoende ontwikkelcapaciteit beschikbaar is. Implementatie van Europese richtlijnen, zijn prioritaire dossiers en gaan daarmee in een aantal gevallen voor op andere opdrachten. Uiteraard is ons uitgangspunt dat op termijn de ontwikkelcapaciteit wordt uitgebreid.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke stappen de Belastingdienst zet om de achterstanden op ICT-gebied te verbeteren. Het Programma Modernisering IV bij de Belastingdienst heeft als doel de verouderde ICT-systemen te vervangen. Daarmee beoogt de Belastingdienst een wendbaar ICT-landschap, waardoor nieuw beleid gemakkelijker doorgevoerd kan worden. Dit programma rapporteert op het Rijks ICT Dashboard.

De leden van de fractie van de VVD vragen op welke andere gebieden op dit moment duidelijk is dat er problemen in de IV-dienstverlening kunnen optreden en of de Tweede Kamer hiervan een lijst kan krijgen. De Belastingdienst onderkent op dit moment risico’s in de IV-dienstverlening voor drie gebieden. Allereerst is voor de keten Loonheffingen naar aanleiding van de brief van 28 mei 2019 van mijn voorganger aan de Tweede Kamer hiervoor ook een ketenplan voor modernisering van het ICT-landschap opgesteld. Hieraan wordt thans gewerkt. De geplande einddatum van het plan is ultimo 2024. Daarnaast is voor de keten Gegevens, die indirect en ondersteunend aan de Dienstverlening werkt, ook een ketenplan opgesteld met de aanpak voor het oplossen van het verouderde ICT-landschap. Hieraan wordt gewerkt en dit brengt risico’s met zich mee voor uitloop. De geplande einddatum van het plan is ultimo 2024. Tenslotte is op het gebied van de inkomensheffingen de applicatie voor de inkomensheffing verouderd en moet deze vervangen worden. Dit is echter wel één van de grootste applicaties van de Belastingdienst. De geplande einddatum voor vervanging is 2026.

Als de Belastingdienst aanvullende risico’s signaleert met impact voor burgers en bedrijven, wordt de Tweede Kamer geïnformeerd. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de reguliere voortgangsrapportage aan de Kamer, maar wordt indien nodig daarvan afgeweken zodat de Kamer eerder geïnformeerd kan worden.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe ervoor gezorgd wordt dat ondernemers niet de dupe worden van achterstallig onderhoud bij de Belastingdienst. Op dit moment is er geen sprake van achterstand in het up-to-date houden van systemen, waardoor ondernemers niet aan hun aangifte verplichtingen kunnen voldoen. In het geval dit zich toch voor zou mogen gaan doen en dit gevolgen gaat krijgen voor ondernemers, wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet in de toekomst problemen als rond de implementatie van dit wetsvoorstel wil voorkomen en welke «safeguards» daarbij worden ingebouwd. De problemen met de te korte implementatiedeadline bij dit wetsvoorstel zijn ontstaan doordat er na de totstandkoming van de richtlijn een herprioritering van de werkzaamheden in de portfolio van de Belastingdienst is geweest ten koste van de uitvoering die hoort bij de implementatie van dit wetsvoorstel. De les voor de toekomst is dat een dergelijke herprioritering achterwege moet blijven wanneer dat ten koste zou gaan van de implementatie van nationale wetgeving waartoe Nederland zich reeds heeft verplicht in Uniewetgeving.

De leden van de fractie van het CDA voelen zich op het verkeerde been gezet door de opmerking van het kabinet in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat Nederland met de landen die ook niet gereed zijn, zal proberen een oplossing te vinden ingeval er nog steeds tijd zit tussen de officiële inwerkingtreding en het tijdstip dat Nederland daadwerkelijk gereed is. Zij krijgen nu de indruk uit de Nota naar aanleiding van het verslag dat de kans op een latere inwerkingtreding dan 1 juli 2021 toch al klein was bij de totstandkoming van de memorie van toelichting.

Zoals aangegeven in mijn brief van 4 september 2020 waren de onderhandelingen in Brussel nog niet afgerond bij de indiening van het wetsvoorstel.6 Kort daarna is de richtlijn van 20 juli 2020 tot stand gekomen waarbij de datum van inwerkingtreding is verschoven naar 1 juli 2021. In juli 2020 kon er binnen de EU alleen overeenstemming worden bereikt over een kort uitstel tot 1 juli 2021. Als Nederland die overeenstemming had geblokkeerd was de datum van inwerkingtreding gehandhaafd op 1 januari 2021. Zoals ook is aangegeven in de brief van 4 september 2020 hebben Nederland en Duitsland in de Ecofin-Raad gewezen op het belang een verder uitstel tot 1 januari 2022 in beraad te houden. De Europese Commissie zou daartoe begin 2021 de stand van zaken van de implementatie moeten evalueren.

De kans op het bereiken van een dergelijk uitstel is in de loop der tijd echter steeds kleiner geworden. Ik deel de opvatting van deze leden dat de Commissie, en overigens ook de meeste andere lidstaten, een snelle implementatie van de richtlijnen wil. Dat houdt met name ook verband met de grote belangen die er voor de lidstaten en het bedrijfsleven verbonden zijn aan het nieuwe systeem. Dat neemt niet weg dat ook de Commissie geen enkel belang heeft bij een éénloketsysteem binnen de Europese Unie dat meteen bij de aanvang niet zou werken. Voor zover mij bekend, deze leden en de leden van de fracties van D66 en de SP vragen daarnaar, zijn er naast Duitsland en Nederland ook geen andere lidstaten die problemen hebben met de tijdige implementatie van de nieuwe regels. Het systeem zou daarom naar de opvatting van de Commissie kunnen draaien met ingang van 1 juli 2021.

Nederland heeft in dit verband verschillende keren ambtelijk overlegd met Duitsland over de implementatie en de daarmee gepaard gaande uitvoeringsproblemen. Ook hebben mijn medewerkers verschillende keren contact gehad hierover met de diensten van de Commissie. Daaruit is naar voren gekomen dat een verder uitstel van de inwerkingtreding niet kansrijk was. Ik verwijs in dit verband ook naar de bij de Nota naar aanleiding van het verslag gevoegde brief van de Commissie aan de directeur-generaal voor Fiscale Zaken van 20 oktober 2020.

Het kabinet verwacht dat de Europese Commissie inbreukprocedures zal starten tegen die lidstaten die de richtlijnen elektronische handel niet of niet volledig zullen implementeren met ingang van 1 juli 2021. Dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66.

De overgang van het tijdelijke noodspoor naar de structurele geautomatiseerde oplossing start in 2022 en zal in de loop van 2023 worden afgerond, de leden van de fractie van de VVD vragen hier naar.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe op termijn gezorgd zal worden voor een soepele overgang tussen de tijdelijke, deels handmatige infrastructuur en de permanente, geautomatiseerde infrastructuur. Ik zeg hierbij toe, de leden van de fractie van de VVD vragen daar naar, dat er wordt getracht de overgang van het tijdelijke systeem naar het nieuwe definitieve systeem zo geruisloos mogelijk te maken. De overgang van handmatige infrastructuur naar structurele en geautomatiseerde IV-ondersteuning is zo ingericht dat de data van het noodspoor worden gemigreerd naar de geautomatiseerde omgeving van de structurele infrastructuur. Uiteraard wordt dit uitgebreid getest en wordt de software bijgesteld als verbeteringen noodzakelijk zijn.

3. Uitvoeringsaspecten Belastingdienst

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering de huidige situatie als een continuïteitsrisico beoordeelt en welke rol de dienst Rijksbegroting hierin heeft. In de uitvoeringstoets bij het implementatiewetsvoorstel is aangegeven dat de inpassing van e-commerce in het IV-portfolio van de Belastingdienst ten koste gaat van de beschikbare capaciteit voor andere trajecten zoals het vernieuwen van het btw-aangifte systeem en het ketenplan omzetbelasting. Dit leidt echter niet tot een toenemend risico voor de continuïteit van de btw-heffing. Daarnaast kunnen nieuwe trajecten in de IV-sfeer invloed hebben op de implementatie en de daarmee de uitvoerbaarheid van btw e-commerce. De uitkomsten van de uitvoeringstoets zijn afgestemd met de Rijksbegroting.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer de aanvullende uitvoeringstoets met de Tweede Kamer wordt gedeeld en of dit kan tegelijkertijd met de beantwoording van het nader verslag. De leden van de fractie van het CDA vragen of toezending kan plaatsvinden voor de plenaire behandeling. De leden van de fractie van Groen Links vragen hier ook naar. Streven is de uitvoeringstoets zo snel mogelijk af te ronden.

De leden van de fractie van het CDA vragen wanneer de voorbereidingen voor de implementatie daadwerkelijk zijn begonnen. Op 17 juli 2017 heeft het toenmalige MT Uitvoering van de Belastingdienst van 17 juli 2017 ingestemd met het voorstel om de voorbereidingen te starten voor de implementatie van het EU wetgevingspakket voor btw e-commerce onder coördinatie van de ketenvoorzitter OB. Dat gebeurde mede met het oog op de toen beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2021.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom een eerste uitvoeringstoets in december 2019 is opgeleverd. Al bij het uitbrengen van de voorstellen van de voorstellen van de Europese Commissie in december 2016 is de Belastingdienst zoals gebruikelijk gestart met de eerste activiteiten in het kader van de uitvoeringstoets via het opstellen van een zogenaamde quickscan. Nadien zijn medio 2017 tussenbevindingen opgesteld, die ook zijn aangeboden aan het toenmalige MT Uitvoering van de Belastingdienst. Een definitieve uitvoeringstoets wordt in een dergelijk EU-traject opgesteld in het kader van het implementatiewetsvoorstel. Dit wetsvoorstel is in de loop van 2019 beschikbaar gekomen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van het CDA om een tijdlijn te geven van de implementatie van de e-commercerichtlijn en alle relevante waarschuwingen die de ambtelijke en politieke top bereikt hebben merk ik het volgende op. De e-commercerichtlijnen bestaan uit een tweetal richtlijnen, vastgesteld op 5 december 20177 en respectievelijk 12 maart 20198 in de Raad.

Meteen na de totstandkoming van de richtlijn van 5 december 2017 is voorrang gegeven aan de implementatie van artikel 1 van die richtlijn, omdat die implementatie moest geschieden met ingang van 1 januari 2019. Vervolgens is in 2019 begonnen aan de omzetting van de andere artikelen van die richtlijn in de Wet OB 1968. Daarbij zijn ook de bepalingen meegenomen van de richtlijn van 12 maart 2019. Het daaruit voortkomende wetsvoorstel dat nu voorligt is op 14 juni 2019 aan de Belastingdienst voorgelegd voor een Uitvoeringstoets.

Van belang is op te merken dat er in de eerste helft van 2019 een her prioritering van de werkzaamheden van de Belastingdienst is geweest, waarbij de zogenoemde «implementatie bsn uit BTW-identificatienummer» naar voren is gehaald ten koste van de implementatie van de e-commerce richtlijn. Mijn ambtsvoorganger is akkoord gegaan met deze lijn op 9 juni 2019, maar hij heeft daarbij benadrukt dat al het mogelijke moet worden gedaan om de implementatie per 1 januari 2021 of zo kort mogelijk daarna mogelijk te maken.

Zoals gebruikelijk is de concept wetgeving medio oktober 2019 voor consultatie gepubliceerd.

Uit de eerste Uitvoeringstoets is in november 2019 naar voren gekomen dat een robuuste implementatie met ingang van 1 januari 2021 niet mogelijk was. Een robuuste implementatie zou pas mogelijk zijn in 2024. Daarna is bezien of de implementatie kon worden versneld, zodat 1 januari 2021 toch nog haalbaar zou zijn. Na onderzoek bleek dat niet mogelijk.

Uit de geactualiseerde Uitvoeringstoets zoals meegezonden met het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer op 14 juli 2020 is gebleken dat de Belastingdienst dit wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2022 kan uitvoeren.

In het Nader Rapport bij dit wetsvoorstel is op 14 juli 2020 aangegeven dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om de inwerkintreding met een half jaar te verlengen. Bij brief van 4 september 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat de lidstaten zijn overeengekomen dat de e-commercerichtlijnen per 1 juli 2021 geïmplementeerd moeten zijn.

Nederland heeft toen ook met Duitsland via een statement bij de aanvaarding van de nieuwe datum gewezen op het belang om verder uitstel tot 1 januari 2022 in beraad te houden en daartoe door de Europese Commissie begin 2021 de stand van zaken van de implementatie te laten evalueren. Deze statement is als bijlage meegezonden bij de brief van 4 september.

Op 30 november 2020 is in de Nota naar aanleiding van het Verslag aangegeven dat een extra uitstel met een half jaar niet haalbaar is en dat onderzoek gedaan wordt naar de mogelijkheden om toch per 1 juli 2021 een draaiend systeem te hebben. Ik heb al deze hiervoor genoemde stukken naar de Tweede Kamer gezonden.

Zoals ik heb opgemerkt in mijn brief van 11 januari 2021 als reactie op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer van gelijke datum heb ik de Belastingdienst begin 2020 bij mijn aantreden verzocht alles in het werk te stellen om de implementatie te versnellen. Dat de implementatie twee jaar vervroegd kon worden van 2024 naar 1 januari 2022 met deels tijdelijke maatregelen is hiervan een succesvol resultaat.

Het versnellen van de implementatie naar 1 juli 2021 kent zoals gezegd uitvoeringsrisico’s die in kaart zijn gebracht en zoveel mogelijk worden voorzien van risico mitigerende maatregelen.

De leden van de fractie van het CDA hebben een aantal vragen gesteld over de inhoud, omvang en duur van het noodspoor. Ook is gevraagd voor welke ondernemer Nederland een aantrekkelijke one stop shop land is en wat dit betekent voor de capaciteit met betrekking tot de omzetbelastingvoorbereidingen ten behoeve van de Brexit. Ook is gevraagd naar het precieze terugval scenario als het loket met het noodspoor niet werkt. Gevraagd is of Nederland aantrekkelijk zal worden voor fraudeurs.

Het noodspoor zal zeker negen maanden worden toegepast voor de gehele uitvoering van de e-commercerichtlijn. De realisatie van de voorzieningen voor het noodspoor vertraagt de realisatie van het hoofdspoor.

Om zo goed als mogelijk op de registratie voor het éénloketsysteem in te spelen wordt een tijdelijke organisatie ingericht met intensieve monitoring en control en flexibele opschaling en afschaling van fte.

Er wordt vanuit gegaan dat bij gematigde aantallen van 30.000 deelnemers aan het éénloketsysteem dit nog redelijk beheerst kan werken, maar ook dan zal de dienstverlening op een lager niveau zijn dan gebruikelijk. Het aantal bedrijven dat hiervan in Nederland is gevestigd is niet gespecificeerd. Het aantal deelnemers aan het éénloketsysteem in andere landen waarbij btw in Nederland wordt aangegeven en betaald bedraagt 55.000 in een gematigd scenario. Het aantal kwartaal meldingen is 4 keer per jaar, dus gaat het om respectievelijk 120.000 en om 220.000 meldingen.

Nederland zou om meerdere redenen een aantrekkelijke one stop shop kunnen zijn. Zo is het mogelijk dat een bedrijf buiten de EU veel klanten in Nederland heeft of op zoek is naar registratie in een land met een Belastingdienst die Engels spreekt. De vraag hoeveel mensen nodig zijn voor de handmatige verwerking hangt uiteraard af van de aantallen. Het is mogelijk om in relatief korte tijd 100 mensen aan te nemen maar of dit ook mogelijk is voor grote aantallen valt zeer te betwijfelen. Hiervoor zal inderdaad de tijd maar ook capaciteit, bijv. voor het opleiden, ontbreken. Een groot aantal van deze extra mensen zal langer dan zes maanden ingezet worden voor de tijdelijke voorzieningen.

De capaciteit met betrekking tot de omzetbelastingvoorbereidingen ten behoeve van de Brexit heeft zeer beperkte invloed op de implementatie van btw e-commerce. Het noodscenario zoals dat eerder is geschetst in een nota «worst case scenario» stuur ik aan uw Kamer. Het risico dat juist fraudeurs Nederland kiezen als éénloketsysteemland is niet erg waarschijnlijk. Nederland heeft nog steeds een moderne Belastingdienst met voldoende en gekwalificeerd personeel die de btw actief handhaaft en toezicht uitoefent. Hierop wordt ook ingezet bij btw e-commerce vanaf 1 juli 2021. Het kabinet beschikt niet over signalen dat Nederland populair zal worden onder fraudeurs omdat er in de beginfase een beperktere handhaving plaatsvindt of omdat wordt gewerkt met tijdelijke voorzieningen en veel handmatig werk. Daar komt bij dat handhaving en toezicht op naleving van de btw bij gebruikmaking van het éénloketsysteem snel de Nederlandse landsgrenzen passeert. Andere EU lidstaten waarin bedrijven btw over afstandsverkopen of digitale diensten moeten betalen, ook als ze gebruik maken van een éénloketsyteem, zullen de regels handhaven en zo mogelijk toezicht uitoefenen.

De leden van de CDA-fractie vragen ook of is voorzien dat per 1 januari 2022 de noodvoorzieningen deels overgaan in tijdelijke voorzieningen, of dat deze van kracht blijven totdat alle structurele IV-ondersteuning per 1 januari 2023 is gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de risico’s van de overgang van het noodspoor naar de tijdelijke oplossingen en naar structurele oplossingen.

De noodvoorzieningen op IV-gebied zijn eindig. De data worden gemigreerd naar de structurele IV. Bij deze migratie doen zich geen bijzonder risico’s voor. Het doel is de noodvoorzieningen in 2022 en 2023 te gaan vervangen door structurele. De huidige stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding hiervan is dat de requirements hiervoor grotendeels zijn opgesteld en al gestart is met de bouw van deze structurele IV. Er is voldaan aan opschaling van de capaciteit binnen IV voor deze werkzaamheden. Er is aanvullend 30 fte binnen IV gestart (waarvan 26 inhuur) en binnen CAP 7. Een nadeel van het noodspoor is dat een deel van de mensen die zouden kunnen werken aan de structurele oplossing nu tijdelijk wordt ingezet voor de ondersteuning van het noodspoor. Hierdoor loopt een structurele oplossing minimaal drie maanden vertraging op de oorspronkelijke planning.

De leden van de fractie van het CDA vragen of grote vertragingen of fouten met betrekking tot het noodspoor kunnen leiden tot schadeclaims van bedrijven en andere lidstaten. Als Nederland de btw-richtlijnen elektronische handel te laat, dus na 1 juli 2021, uitvoert bestaat het risico op schadeclaims van bedrijven en andere lidstaten. De keuze voor een tijdige uitvoering door middel van het noodspoor beoogt juist deze schadeclaims te voorkomen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de stand van zaken van het onderzoek van de Belastingdienst naar de mogelijkheden om uitvoering van de nieuwe regels met ingang van 1 juli 2021 op orde te hebben en dit onderzoek naar de Kamer te sturen. De leden van de fractie van D66 vragen verder om een verdere toelichting op de ontwikkeling van een robuuste IV-voorziening sinds de uitvoeringstoets uit december 2019 en de geactualiseerde uitvoeringstoets.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze de Belastingdienst een half jaar tijdswinst kan boeken ten opzichte van de meest positieve scenario’s. Welke risico’s zijn hieraan verbonden? Zoals hiervoor aangegeven stuurt het kabinet de uitkomsten van dit onderzoek naar de Tweede Kamer.

De robuuste of structurele IV voorziening voor e-commerce wordt parallel ontwikkeld. Voor een aantal deelprocessen is sprake van het voorbereiden van de bouwwerkzaamheden waarbij per deelproces wordt beschreven waarin die processen moeten voldoen Voor een ander deel wordt al gebouwd.

De tijdwinst van het halfjaar wordt geboekt via in hoofdzaak tijdelijke maatregelen. Deze bestaan voor een deel uit tijdelijke IV en voor een deel uit handmatige werkzaamheden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke manier de Belastingdienst voorbereid is om (deels) handmatig te handelen en of het oordeel van de CIO naar de Kamer gezonden kan worden. De Belastingdienst richt hiervoor een tijdelijke organisatie in. Zoals hiervoor aangegeven wordt het oordeel van de CIO als bijlage meegezonden9.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om in te gaan op de onzekerheden over de aantallen registraties en meldingen. In de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel is hierover opgemerkt dat de uitvoeringstoets grotendeels is gebaseerd op schattingen voor het aantal deelnemers aan de verschillende regelingen en het aantal registraties in Nederland als lidstaat van consumptie. Deze schattingen zijn dusdanig zacht dat afgesproken is om deze aantallen te blijven monitoren, zodat er tijdig op- of afhaling kan worden gerealiseerd. Verwachting is dat pas bij de daadwerkelijke registratie een minder volatiel beeld ontstaat van de aantallen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de risico’s bij stijgende volumes van e-commerce gemitigeerd kunnen worden. Welke stappen heeft de regering op dit punt reeds genomen?

Voor wat betreft de handhaving door de Douane en Belastingdienst op de naleving van wet- en regelgeving bij kleine zendingen, waaronder het aangeven van de juiste waarde, richt deze zich – naast het controleren van individuele aangiften – meer en meer op de ondernemers die deze aangiften indienen. Bedrijven die compliant zijn worden minder gecontroleerd en bedrijven die dit niet zijn kunnen te maken krijgen met meer controles, navorderingen, het intrekken van vergunningen of strafrechtelijke trajecten.

4. Budgettaire aspecten

De leden van de fractie van D66 vragen om in te gaan op de mogelijke financiële gevolgen voor het bedrijfsleven en de Staat, zoals beschreven door de Algemene Rekenkamer. Voor wat betreft de Staat is het afschaffen van de 22 euro-regeling budgettair van belang. Het budgettaire belang hiervan wordt geraamd op 150 miljoen euro hogere belastingontvangsten uit de btw per jaar voor Nederland, waarbij opgemerkt moet worden dat deze raming met veel onzekerheid omgeven is.

5. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de fractie van de VVD en GroenLinks vragen naar de gevolgen van het noodspoor voor de lasten van de ondernemer. De leden van de fractie van de VVD vragen tevens of gesprekken zijn gevoerd over de gevolgen van het noodspoor. Bij de ontwikkeling van het noodspoor hoeft er voor de ondernemer technisch beschouwd op zichzelf geen verschil op te treden in afhandeling van zijn aanmelding voor de Unie-regeling en zijn melding respectievelijk betaling. De dienstverlening vanuit de Belastingdienst naar bedrijven zal evenwel op een lager niveau zijn dan gebruikelijk en er zal als gevolg hiervan meer werk bij de bedrijven zijn. Met de vertegenwoordigende koepels van ondernemers hebben hierover nog geen gesprekken plaatsgevonden, omdat uitgangspunt was dat eerst de Tweede Kamer wordt geïnformeerd. Nu dit is gebeurd, zal dit traject binnenkort worden opgestart zoals ook in de brief aan de Kamer is aangegeven.

De leden van de fracties van de VVD en Groen Links vragen naar de gevolgen en risico’s voor de handelsstromen en de logistiek van het mogelijk niet tijdig en goed functioneren van de uitwisseling van gegevens met andere lidstaten. Zonder noodspoor kunnen Nederlandse ondernemers die btw verschuldigd worden in andere lidstaten niet het éénloketsysteem toepassen. Zij zullen in die andere lidstaten aan hun fiscale verplichtingen moeten voldoen. Met het noodspoor wordt dit voorkomen.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de betrokkenheid van het Bureau ICT-toetsing BIT). Het programma implementatie EU btw e-commerce is als groot ICT-programma aangemerkt aangezien de ICT-component de grens van € 5 miljoen overschrijdt. Om deze reden is het programma bij het Adviescollege ICT-toetsing (voorheen Bureau ICT-toetsing) voor 2021 als te toetsen initiatief aangekondigd. De formele aanmelding volgt. Bij de aanmelding wordt geen onderscheid gemaakt tussen nood- en hoofdspoor; het programma wordt als geheel aangemeld.

Voor het programma btw e-commerce geldt dat zij momenteel zeer druk zijn met het goed op gang brengen van het noodspoor. Een BIT-toets inzake het hoofdspoor van dit programma heeft de voorkeur. Daarmee kan de focus nu volledig op het halen van de (krappe) deadline van het noodspoor. Het Adviescollege bepaalt, in goed overleg met de departementale CIO, welke toetsen zij binnen de departementen uitvoert.

De leden van de fractie van de VVD-fractie hebben gevraagd naar de bevindingen van de ADR en het CIO-oordeel van de Belastingdienst en welke aanbevelingen concreet zijn overgenomen.

De ADR heeft in zijn voorlopige advies vooralsnog de volgende adviezen gegeven die zijn en worden opgevolgd:

  • Stel stakeholdersanalyse op en voer tussentijdse herijking uit. Dit punt was al opgepakt en wordt uitgevoerd.

  • Communiceer intern gerichter om zo haalbaarheid te vergroten. Dit gebeurt via verschillende middelen. Een intern communicatieplan wordt vastgesteld inclusief een planning.

  • Laat onderzoek uitvoeren naar proces huisvesting en werving.

  • Evalueer (besluitvormings)proces inzake traject invoeringsdatum

Van de CIO zijn de volgende aanbevelingen overgenomen:

  • Werk de risico mitigerende acties gedetailleerd uit en begin spoedig met de uitvoering;

  • Evalueer de governance afspraken op geschiktheid voor het noodspoor;

  • Zorg voor eerdere en hogere escalatie bij issues, de tijd dringt;

  • Borg de software kwaliteit en de online beschikbaarheid van portaal en

  • website voor de deelnemende bedrijven.

6. Advies en consultatie

De leden van de fractie van de VVD vragen of de zorgen van de Rekenkamer zijn toegenomen naar aanleiding van de korte brief van de staatsecretaris van Financiën van 11 januari 2021 en of de zorgen van de Rekenkamer onvoldoende zijn erkend.

In mijn brief van 11 januari 2021 heb ik juist aangegeven dat de constateringen van de Rekenkamer al bij mij bekend waren en ik mijzelf daar ook volledig in herken. Met de grote (financiële en logistieke) gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en voor de Staat in het achterhoofd heb ik de Belastingdienst begin 2020 dan ook verzocht alles in het werk te stellen om de implementatie te versnellen.

7. Vragen over de Nota naar aanleiding van het verslag

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de € 10.000 grens met betrekking tot afstandsverkopen aan consumenten in andere lidstaten. Gevraagd wordt hoe deze grens zich verhoudt tot de drempelbedragen bij afstandsverkopen naar consumenten in andere lidstaten. Onder de huidige regels worden intracommunautaire afstandsverkopen vaak belast in de lidstaat van de verkoper, en alleen belast in de lidstaat van de consument wanneer een bepaalde per lidstaat van de consument verschillende jaarlijkse omzetdrempel is overschreden. Deze leden refereren daarbij aan omzetgrenzen van € 100.000 en € 35.000 die nu gelden voor bijvoorbeeld Duitsland en België. In dit wetsvoorstel vervalt de regeling voor deze omzetdrempels. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het beginsel dat de btw moet toekomen aan het land van bestemming. In plaats van deze jaarlijkse omzetdrempels bevat dit wetsvoorstel een tegemoetkoming voor kleinere ondernemers die grensoverschrijdende afstandsverkopen in de Unie verrichten. Ondernemers die in maar in één lidstaat zijn gevestigd, en afstandsverkopen verrichten binnen de Unie, kunnen voortaan de btw verschuldigd zijn in de eigen lidstaat zijn naar het daar geldende tarief. Dit geldt echter alleen voor zover de totale grensoverschrijdende omzet van de ondernemer voor deze goederen en digitale diensten onder een jaarlijkse drempel van € 10.000 blijft.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet preciezer kan aangeven welk percentage van het totaal aantal bedrijven in de elektronische dienstensector in Nederland voor de btw geregistreerd zijn. Het gaat om minder dan duizend buitenlandse bedrijven in de elektronische dienstensector in Nederland die voor de btw geregistreerd zijn.

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA of er niets is wat de Nederlandse overheid kan doen om de klant te beschermen tegen het risico van dubbele heffing als een ondernemer buiten de Unie in het bestelproces btw in rekening brengt maar deze vervolgens niet afdraagt. Het betreft hier een algemeen risico dat een consument loopt als hij of zij online aankopen doet. De consument heeft hier zelf een verantwoordelijkheid om na te gaan of de leverancier bonafide is. Dubbele heffing kan in deze situatie alleen worden voorkomen door het pakketje als consument bij aanbieding te weigeren. Ik zie geen mogelijkheden om de consument in het kader van deze fiscale wetgeving te beschermen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de communicatie richting consumenten al begonnen is. Dat is niet het geval. De algemene communicatie richting consumenten wordt op dit moment voorbereid op basis van de gezamenlijke communicatiestrategie die door de Belastingdienst en Douane is ontwikkeld. Over de communicatie heeft overleg plaatsgevonden met betrokken partijen via het overleg tussen Douane en bedrijfsleven en met de organisaties van belastingadviseurs.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het oordeel over toezicht op de afhandeling door post- en koeriersbedrijven richting de klant van zendingen met niet vooraf betaalde btw. Dit betreft een relatie tussen de post- en koeriersbedrijven en de klant voor wie de zending bedoeld is. Het is niet aan de Belastingdienst of Douane om daarin op te treden.

De leden van de fractie van het CDA vragen vervolgens waarom de aankoop van de pakjes zo sterk zal stijgen. De markt voor de betreffende grensoverschrijdende leveringen is sterk gegroeid, blijkens de cijfers over de afgelopen jaren. De expertinschatting van de douane is dat de groei komende jaren 15% per jaar zal bedragen. Dit sluit grofweg aan bij de inschatting van 12% jaarlijkse groei uit de Impact Assessment van de Europese Commissie. Voor de groei tussen 2018 en 2021 is uitgegaan van de recentere inschatting van 15% per jaar. Dit is een grote bron van onzekerheid in de raming.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de prijzen die buitenlandse platformen berekenen zullen dalen als gevolg van de afschaffing van de € 22 regeling. Mogelijk bedoelen de leden dat buitenlandse platformen hun prijzen verlagen om concurrerend te blijven, aangezien de prijs inclusief btw die EU klanten betalen toeneemt als gevolg van het wegvallen van de vrijstelling. Het is denkbaar dat buitenlandse platformen dit doen, maar dit is niet onderzocht. De Europese Commissie gaat in haar Impact Assessment ervan uit dat de invoerprijzen toenemen als gevolg van het wegvallen van de vrijstelling.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de verwachte economische gevolgen van het wetsvoorstel. De impact assessment van de Europese Commissie spreekt van een beperkt positief effect op economische groei, zonder nadere kwantificering. De Europese Commissie merkt daarbij op dat het gaat om slechts een enkele sector die geraakt wordt. Het kabinet heeft geen nadere kwantificering van de verwachting van de invoering van de wet op de economische groei.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de dekking van het noodspoor. De budgettaire gevolgen voor het noodspoor van e-commerce worden momenteel inzichtelijk gemaakt middels een uitvoeringstoets. Vervolgens wordt bezien hoe financiering zal plaatsvinden. Het uitgangspunt is om deze kosten te dekken op de begroting van het Ministerie van Financiën. De Kamer wordt bij Voorjaarsnota geïnformeerd over de budgettaire effecten

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het antwoord op de vraag van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) over fraude met invoerregelingnummers. In dat antwoord wordt aangegeven dat het platform zijn invoerregelingnummer alleen moet verstrekken aan partijen die noodzakelijk zijn voor de douaneaangifte van de goederen als deze in een pakketje met vrijstelling van btw de Unie worden ingevoerd. Het platform moet daarbij strikte regels overeenkomen met de leverancier, inclusief sancties (bijvoorbeeld het verwijderen van een leverancier van een platform). Ook is het mogelijk dat de leverancier afspraken maakt met de post- en koeriersdienst en zijn invoerregelingnummer alleen met de post- en koeriersdienst deelt. Er is geen reden om dit niet van platforms te verwachten.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het mogelijke nadeel dat platforms kunnen ondervinden bij oneigenlijk gebruik van hun invoerregelingsnummer. Bij oneigenlijk gebruik van invoerregelingnummers is het risico dat de verschuldigde btw niet wordt aangegeven. Dit kan blijken uit een mismatch tussen de invoergegevens van de Douane en de door het platform ingediende btw-melding. In dat geval zal de Belastingdienst te rade gaan bij het platform en deze vragen om een uitleg van de mismatch. Als het platform in het geheel niet betrokken is geweest bij de zendingen die wel onder het nummer van het platform zijn ingevoerd en voldoende zorgvuldig is geweest bij het delen van zijn nummer, zal het platform niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de verschuldigde btw. Een volgende stap kan zijn dat de Douane de aangever hierop aanspreekt.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de platforms actief op de hoogte worden gesteld van risico’s van fraude met invoerregelingsnummers. Indien platforms zich in Nederland registreren om van de invoerregeling gebruik te maken, zal met hen worden gecommuniceerd over hun verplichtingen en rechten op basis van de EU regelgeving. Daarbij hoort ook informatie over hun positie en aansprakelijkheid met betrekking tot de af te dragen btw, ook wat betreft het geval dat een non-EU leverancier oneigenlijk gebruik maakt van een invoerregelingsnummer.

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Besluit (EU) 2020/1109 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 wat betreft de data van omzetting en toepassing in respons op de COVID-19-pandemie, PbEU L 244.

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
6

Kamerstuk 35 527, nr. 5.

X Noot
7

Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348).

X Noot
8

Richtlijn (EU)2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (PbEU 2019, L 310).

X Noot
9

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer