35 526 Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

25 295 Infectieziektenbestrijding

CI1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 oktober 2021

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid2, voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3, voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning4, en voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving5 hebben kennisgenomen van de stand van zakenbrief covid-19 van 28 mei 20216, inclusief de bijlagen. Naar aanleiding daarvan hebben zij gezamenlijk nog een aantal vragen en is op 18 juni 2021 een brief gestuurd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Minister heeft op 30 september 2021 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING EN INFRASTRUCTUUR, WATERSTAAT EN OMGEVING

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Den Haag, 18 juni 2021

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, en voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben met belangstelling kennisgenomen van de stand van zakenbrief covid-19 van 28 mei 20217, inclusief de bijlagen.

De leden van de fracties van GroenLinks en D66 hebben kennisgenomen van uw brief. Naar aanleiding daarvan hebben zij gezamenlijk nog een aantal vragen. De leden van de fractie van 50PLUS sluiten zich graag bij deze vragen aan. De fractieleden van de ChristenUnie en de Fractie-Otten sluiten zich graag aan bij de gestelde vragen over de realistische ondergrens betreffende de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen.

De fractieleden van de PvdD hebben naar aanleiding van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Quarantaineplicht voor inreizigers uit hoogrisicogebieden8 en de daarop gebaseerde regeling enkele vragen. De leden van de fractie van 50PLUS sluiten zich graag bij deze vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks en D66 gezamenlijk

In het plenaire debat op 25 mei jl. gaf u aan dat er voor testcentra in het kader van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen9 een afstandscriterium wordt gehanteerd van 20–30 minuten aanrijtijd met de auto.10 Desondanks verschenen vlak na het debat berichten in de media dat er in de provincies Zeeland en Groningen (in eerste instantie) geen testcentra gepland waren. Kunt u aangeven waarom er in beide provincies geen testcentra gepland waren? Kunt u tevens aangeven sinds wanneer deze informatie bij het Ministerie van VWS bekend is, en met name of deze informatie op 25 mei 2021 reeds bekend was? Welke actie heeft u daarop ondernomen, zodat de 20–30 minuten aanrijtijd voor iedereen gehaald kan worden?

Op 1 juni 2021 is de motie-Van der Voort (D66) c.s.11 aangenomen waarin verzocht wordt om een realistische ondergrens te bepalen van de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen en deze toe te passen bij het inzetten van maatregelen, zoals het inzetten van coronatoegangsbewijzen en het op- of afschalen van de andere maatregelen in het stappenplan. Kunt u aangeven op welk niveau van prevalentie we op dit moment zitten?

De fractieleden van GroenLinks en D66 hechten zeer aan deze ondergrens, zoals ook aangeven tijdens het plenaire debat over de coronatoegangstesten. Kunt u aangeven welke ondergrens gehanteerd gaat worden? Wanneer wordt deze ondergrens toegepast, voor welke maatregelen en bij welke stappen in het stappenplan? Kunt u hierbij specifiek ook aangeven bij welk prevalentieniveau het inzetten van de coronatoegangsbewijzen wordt ingezet? Is dit niveau leidend in het omzetten van wat in het debat genoemd werd de «aan-uitknop»?

Kunt u aangeven wat de verwachte aantallen waar-positieven en fout-positieven zijn bij het gebruik van toegangstesten op het prevalentieniveau dat zoals besproken in het debat, als «aan-uitknop» kan worden gebruikt en dat overeenkomstig in de motie-Van der Voort c.s. als ondergrens wordt benoemd?

De motie-Van der Voort c.s. vraagt om de genoemde ondergrens in de ministeriële regeling op te nemen. De huidige ministeriële regeling heeft deze nog niet opgenomen. Kunt u aangeven wanneer een ministeriële regeling met een ondergrens, waaronder de toegangsbewijzen niet worden ingezet, wordt nagehangen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

1. Voor welke landen gold op 31 mei 2021 een vliegverbod?

2. Zijn er sinds de inwerkingtreding vliegverboden opgeheven, in stand gelaten of bijgekomen? Zo ja, voor welke landen?

3. Bent u voornemens om vliegverboden die op 1 juni 2021 nog golden, op te heffen? Zo ja, welke en op welke grond?

4. Welke gebieden zijn op de voet van de artikelen 58ea en 58nb, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg) aangewezen direct na inwerkingtreding? Welke gebieden zijn op het moment van beantwoording van deze vragen aangewezen?

5. Hoeveel personen die verbleven hebben in de in artikel 58nb, eerste lid, van de Wpg bedoelde gebieden zijn sinds de inwerkingtreding Nederland ingereisd? Op hoeveel van die personen was het bepaalde in artikel 58nc van de Wpg van toepassing?

6. Hoeveel personen (personen die samen zijn ingereisd en op hetzelfde quarantaineverblijfadres verbleven, tellen als één persoon) zijn sinds de inwerkingtreding door het belteam benaderd? Hoeveel zijn op het verblijfadres bezocht door een toezichthouder?

7. Hoeveel boetes zijn sinds de inwerkingtreding gegeven wegens overtreding van artikel 58nb van de Wpg?

8. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Quarantaineplicht voor inreizigers uit hoogrisicogebieden in de Eerste Kamer is aan de orde gekomen dat de VNG12 had aangegeven niet te kunnen instaan voor een adequate handhaving van de quarantaineplicht. Wat heeft u ondernomen om te garanderen dat de handhaving adequaat ter hand kan worden genomen?

9. In het 102e OMT13-advies is aangegeven dat «[z]olang de naleving van het quarantainebeleid in Nederland te wensen overlaat» vlieg- en aanmeerverboden «dienen te worden gehandhaafd».14 Het belteam en de toezichthouders die personen op hun quarantaineverblijfadres checken, zullen niet met 100% van de ingereisde personen contact kunnen leggen. Als het percentage 60% blijkt te bedragen, acht u dan een situatie aan de orde waarin – overeenkomstig het 102e OMT-advies – de vliegverboden weer dienen te worden afgekondigd? En bij 50%? En bij 40%?

10. Bent u bij het aanwijzen van gebieden met toepassing van artikel 58ea van de Wpg rechtens gebonden aan voorschriften van bovennationale aard? Zo ja, welke en op welke grond? Bent u gebonden aan afspraken met vliegmaatschappijen?

11. Welke gebieden zijn met toepassing van artikel 58ea van de Wpg aangewezen als hoogrisicogebieden, als zeer hoogrisicogebieden en als uitzonderlijk hoogrisicogebieden, en op basis van welke data? Is daaromtrent advies ingewonnen bij het OMT?

12. Welke variants of concern (hierna: VOC’s) bestonden er ten tijde van de inwerkingtreding? Welke zijn nadien aangewezen? In welke gebieden kwamen/komen die VOC’s voor? Bent u voornemens om met het oog daarop vliegverboden te doen herleven? Zo nee, op grond waarvan oordeelt u dat voldoende is gegarandeerd dat die VOC’s niet door inreizigers in Nederland worden gebracht?

13. Het formulier betreffende de quarantaineverklaring bevat ruimte voor het invullen van een telefoonnummer. Uit welke wettelijke bepaling volgt dat de betrokkene verplicht is telefonisch bereikbaar te zijn? Is de verklaring in strijd met de waarheid ingevuld als iemand invult «niet telefonisch bereikbaar»?

De leden van de voornoemde commissies zien uw reactie – bij voorkeur uiterlijk dinsdag 29 juni 2021 – met belangstelling tegemoet.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat ontvangt een afschrift van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, M.M. de Boer

Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.A.M. Adriaansens

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/ Algemene Zaken en Huis van de Koning, B.O. Dittrich

Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, H.J. Meijer

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 september 2021

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, en voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben een aantal vragen gesteld naar aanleiding van de stand van zakenbrief Covid-19 van 28 mei 2021. Hierbij stuur ik u de antwoorden op uw vragen.

De leden van de fracties van GroenLinks en D66 hebben gezamenlijk een aantal vragen gesteld, waar de leden van de fractie van 50PLUS zich bij aansloten.

In het plenaire debat op 25 mei jl. gaf u aan dat er voor testcentra in het kader van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen een afstandscriterium wordt gehanteerd van 20–30 minuten aanrijtijd met de auto. Desondanks verschenen vlak na het debat berichten in de media dat er in de provincies Zeeland en Groningen (in eerste instantie) geen testcentra gepland waren.

Kunt u aangeven waarom er in beide provincies geen testcentra gepland waren?

Het fijnmazige testnetwerk van Stichting Open Nederland wordt stap voor stap opgebouwd. Inmiddels zijn er 100 testlocaties aangesloten op het testnetwerk van SON, waaronder meerdere locaties in de provincies Zeeland en Groningen. Het opbouwen van testlocaties in alle provincies is altijd onderdeel van de planning geweest, maar deze opbouw is wel gefaseerd gebeurd. Daarom kon het inderdaad zo zijn dat de testcapaciteit in sommige provincies eerder was gerealiseerd dan in andere provincies15. Inmiddels is er voor 86% van alle inwoners binnen 20 minuten en voor 98% binnen 30 minuten autoreistijd een testlocatie.

Kunt u tevens aangeven sinds wanneer deze informatie bij het Ministerie van VWS bekend is, en met name of deze informatie op 25 mei 2021 reeds bekend was?

Deze informatie was nog niet bekend bij het Ministerie van VWS op 25 mei jl. In aanloop naar de stap 3 in het openingsplan op 5 juni is er door Stichting Open Nederland een open houseregeling opgezet. Daarbij is voorzien in een landelijk dekkend netwerk. Stichting Open Nederland heeft er in de periode voor 5 juni alles aan gedaan om de testaanbieders uit deze tweede open houseregeling operationeel te krijgen voor 5 juni zodat er een landelijk netwerk gerealiseerd zou zijn. Tevens is er in de aanloop naar 5 juni heel veel energie gestoken in het koppelen van de geselecteerde testaanbieders aan de Coronacheck app. Op 5 juni bleek dat dit niet in alle regio’s op de dag van stap 3 gelukt was, maar wel in de dagen die daarop volgden.

Welke actie heeft u daarop ondernomen, zodat de 20–30 minuten aanrijtijd voor iedereen gehaald kan worden?

Uiteraard is er alles in het werk gesteld door het Ministerie van VWS samen met Stichting Open Nederland om alle testaanbieders tijdig operationeel te krijgen en alle testaanbieders tijdig gekoppeld aan de Coronacheck app. Daarbij heeft VWS ICT hulp geboden om dit voor 5 juni geregeld te krijgen. Het is altijd de inzet geweest om een landelijk dekkend netwerk te realiseren.16

Voorts worden er door Groen Links en D66 vragen gesteld naar aanleiding van de motie-Van der Voort (D66) c.s. die op 1 juni is aangenomen en waarin verzocht wordt om een realistische ondergrens te bepalen van de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen en deze toe te passen bij het inzetten van maatregelen, zoals het inzetten van coronatoegangsbewijzen en het op- of afschalen van de andere maatregelen in het stappenplan.

De fractieleden van de ChristenUnie en de Fractie-Otten sloten zich aan bij de gestelde vragen over de realistische ondergrens betreffende de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen.

Op 1 juni 2021 is de motie-Van der Voort (D66) c.s. aangenomen waarin verzocht wordt om een realistische ondergrens te bepalen van de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen en deze toe te passen bij het inzetten van maatregelen, zoals het inzetten van coronatoegangsbewijzen en het op- of afschalen van de andere maatregelen in het stappenplan. Kunt u aangeven op welk niveau van prevalentie we op dit moment zitten? De fractieleden van GroenLinks en D66 hechten zeer aan deze ondergrens, zoals ook aangeven tijdens het plenaire debat over de coronatoegangstesten. Kunt u aangeven welke ondergrens gehanteerd gaat worden? Wanneer wordt deze ondergrens toegepast, voor welke maatregelen en bij welke stappen in het stappenplan? Kunt u hierbij specifiek ook aangeven bij welk prevalentieniveau het inzetten van de coronatoegangsbewijzen wordt ingezet? Is dit niveau leidend in het omzetten van wat in het debat genoemd werd de «aan-uitknop»?

In de motie vraagt u naar een ondergrens van de prevalentie van het aantal geschatte besmettelijke personen en deze toe te passen bij het inzetten van maatregelen.

Het RIVM geeft aan dat het niet mogelijk is om het aantal besmettelijke personen te berekenen, omdat dit een vertekend beeld zou geven. Het berekende aantal besmettelijke mensen was gebaseerd op het aantal ziekenhuisopnames. Er zijn steeds meer mensen gevaccineerd en daardoor worden minder mensen in het ziekenhuis opgenomen. Het verschil tussen het aantal besmettingen onder de mensen en het aantal ziekenhuisopnames wordt steeds groter. Daarom wordt het aantal besmettelijke personen niet meer berekend. Het is dus niet mogelijk om een ondergrens aan te geven voor het aantal besmettelijke personen.

In de nieuwe Aanpak Najaar, die uw Kamer 14 september toegestuurd heeft gekregen, is omschreven wanneer coronatoegangsbewijzen kunnen worden ingezet. In deze aanpak wordt primair gekeken naar leidende landelijke indicatoren die direct iets zeggen over de druk op de zorg. Dit zijn het aantal IC-opnames en ziekenhuisopnames (7daagsgemiddelde). Daarnaast wordt bij de besluitvorming naar verschillende contextindicatoren gekeken, zoals de druk op de zorgketen, alsook de sociaal-maatschappelijke en economische situatie.

Kunt u aangeven wat de verwachte aantallen waar-positieven en fout-positieven zijn bij het gebruik van toegangstesten op het prevalentieniveau dat zoals besproken in het debat, als «aan-uitknop» kan worden gebruikt en dat overeenkomstig in de motie-Van der Voort c.s. als ondergrens wordt benoemd?

Gedurende de pilotperiode van 27 maart tot en met 17 april was 0,15% van de afgenomen testen positief (96 van 62.500). De verwachting is dat dit percentage verder is gedaald met de afnemende prevalentie, maar het exacte aantal positieven na de pilotperiode is nog niet bekend. Als onderdeel van dat kleine percentage is het absolute aantal vals-positieven erg klein. Zonder hertest zijn er geen exacte percentages te koppelen aan de precieze verhouding tussen vals- en waar-positieven.

De motie-Van der Voort c.s. vraagt om de genoemde ondergrens in de ministeriële regeling op te nemen. De huidige ministeriële regeling heeft deze nog niet opgenomen. Kunt u aangeven wanneer een ministeriële regeling met een ondergrens, waaronder de toegangsbewijzen niet worden ingezet, wordt nagehangen?

Bij het besluit om al dan niet toegangsbewijzen los te laten wordt primair naar het aantal IC-opnames, ziekenhuisopnames (7daagsgemiddelde) en verschillende contextfactoren gekeken.

Het kabinet hecht aan de mogelijkheid een integrale afweging te kunnen maken, waarbij naast de epidemiologische overwegingen ook sociaal-maatschappelijke en economische overwegingen mee gewogen kunnen worden. Om deze reden is het kabinet geen voorstander van het opnemen van de epidemiologische criteria in de ministeriële regeling.

In mijn appreciatie van de motie heb ik gevraagd mij de ruimte te geven op welke plek ik dat vastleg. Het kabinet heeft de criteria opgenomen in de nieuwe aanpak corona oplevingen zoals omschreven in de stand van zakenbrief van 14 september aan beide Kamers. Deze criteria wegen zoals gezegd zwaar mee bij de besluitvorming en daarmee is uw Kamer ook geïnformeerd over de argumentatie en de afweging die het kabinet heeft gemaakt.

De fractieleden van de PvdD hebben naar aanleiding van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Quarantaineplicht voor inreizigers uit hoogrisicogebieden en de daarop gebaseerde regeling enkele vragen. De leden van de fractie van 50PLUS sluiten zich graag bij deze vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

Vraag 1: Voor welke landen gold op 31 mei 2021 een vliegverbod?

Vliegverboden golden voor landen waarin gevaarlijke varianten voorkwamen. Dit was toen het geval voor de landen: India, Zuid-Afrika, Dominicaanse Republiek, Brazilië, Argentinië, Bolivia, Chili, Colombia, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, Panama, Paraguay, Peru, Suriname, Uruguay en Venezuela.

Vraag 2: Zijn er sinds de inwerkingtreding vliegverboden opgeheven, in stand gelaten of bijgekomen? Zo ja, voor welke landen?

Alle vliegverboden zijn per 1 juni opgeheven op basis van een OMT-advies. Gelijktijdig is op 1 juni de quarantaineplicht in werking getreden.

Vraag 3: Bent u voornemens om vliegverboden die op 1 juni 2021 nog golden, op te heffen? Zo ja, welke en op welke grond?

Op 1 juni zijn alle vliegverboden opgeheven op basis van het advies van het OMT. Het OMT (116/117e advies) adviseert dat de huidige epidemiologische situatie geen aanleiding geeft voor het opnieuw instellen van vliegverboden. Het OMT ziet de quarantaineplicht als effectieve manier om verdere verspreiding van het Coronavirus en de import van VOC’s te voorkomen.

Vraag 4: Welke gebieden zijn op de voet van de artikelen 58ea en 58nb, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg) aangewezen direct na inwerkingtreding? Welke gebieden zijn op het moment van beantwoording van deze vragen aangewezen?

De gebieden die op 1 juni jl. tegelijk met de inwerkingtreding van de quarantaineplicht zijn aangewezen zijn gepubliceerd in het Besluit aanwijzing hoogrisicogebieden en zeer hoogrisicogebieden dat op 31 mei is gepubliceerd in stcrt-2021–28058, gebaseerd op een daartoe ontvangen RIVM-advies. De gebieden die op dit moment zijn aangewezen treft u aan in de vigerende versie van het Besluit aanwijzing hoogrisicogebieden en zeer hoogrisicogebieden.

Vraag 5: Hoeveel personen die verbleven hebben in de in artikel 58nb, eerste lid, van de Wpg bedoelde gebieden zijn sinds de inwerkingtreding Nederland ingereisd? Op hoeveel van die personen was het bepaalde in artikel 58nc van de Wpg van toepassing?

In mijn stand van zaken brief van 18 juni jl. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat op dit moment een bredere monitor wordt bijgehouden van alle processen van de quarantainewet. In de maatregelenbrief van 8 juli heb ik u hierover nader geïnformeerd. Op basis van deze monitoring kan worden gemeld dat tot en met half september ruim 190.000 reizigers uit zeer hoogrisico naar Nederland zijn gereisd. Ruim 60% van de reizigers gaf aan onder een uitzondering te vallen.

Vraag 6: Hoeveel personen (personen die samen zijn ingereisd en op hetzelfde quarantaineverblijfadres verbleven, tellen als één persoon) zijn sinds de inwerkingtreding door het belteam benaderd? Hoeveel zijn op het verblijfadres bezocht door een toezichthouder? 5 Kamerstukken I 2020/21, 35 807, G.datum 18 juni 2021 ons kenmerk 167290.196u blad 3

Tot en met half september zijn 37.000 ingenomen quarantaineverklaringen voor nabellen aangeleverd bij het belteam. Negentig procent van deze inreizigers zijn door het belteam nagebeld, behoudens de gevallen waarin geen of een onjuist telefoonnummer is ingevuld.

Hiervan bleek in 69% van de gevallen geen aanleiding te zijn om een signaal over mogelijke niet naleving van de quarantaineplicht door te sturen naar de gemeenten.

Gemeenten hebben in bijna 90% van de door hun ontvangen quarantaineverklaringen een controle uitgevoerd. Deze cijfers zijn gebaseerd op gegevens die wekelijks door de veiligheidsregio worden aangeleverd.

Vraag 7: Hoeveel boetes zijn sinds de inwerkingtreding gegeven wegens overtreding van artikel 58nb van de Wpg?

Tot en met half september zijn door gemeenten 186sancties opgelegd (bestuurlijke boete en/of last onder dwangsom) vanwege overtreding van de quarantaineplicht. Dit betreft circa 12% van de door gemeenten uitgevoerde controles. Deze cijfers zijn gebaseerd op gegevens die wekelijks via de Veiligheidsregio’s worden aangeleverd.

Vraag 8: Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Quarantaineplicht voor inreizigers uit hoogrisicogebieden in de Eerste Kamer is aan de orde gekomen dat de VNG had aangegeven niet te kunnen instaan voor een adequate handhaving van de quarantaineplicht. Wat heeft u ondernomen om te garanderen dat de handhaving adequaat ter hand kan worden genomen?

Er is een handreiking opgesteld met modelbesluiten. Daarnaast zijn gemeenten uitgebreid geïnformeerd over de wet en worden de gemeenten financieel gecompenseerd. Tot en met half september is door gemeenten bijna 90% van de doorgestuurde meldingen over mogelijke overtreding van de quarantaineplicht gecontroleerd.

Vraag 9: In het 102e OMT-advies is aangegeven dat «zolang de naleving van het quarantainebeleid in Nederland te wensen overlaat» vlieg- en aanmeerverboden «dienen te worden gehandhaafd». Het belteam en de toezichthouders die personen op hun quarantaineverblijfadres checken, zullen niet met 100% van de ingereisde personen contact kunnen leggen. Als het percentage 60% blijkt te bedragen, acht u dan een situatie aan de orde waarin – overeenkomstig het 102e OMT-advies – de vliegverboden weer dienen te worden afgekondigd? En bij 50%? En bij 40%?

De huidige epidemiologische situatie geeft volgens oordeel van het OMT geen aanleiding voor het opnieuw instellen van vliegverboden. Wel wordt de quarantaineplicht in aanvulling op pre-vlucht testen, waarbij een goede monitoring van de strikte naleving essentieel is, gezien als een effectieve manier om verdere verspreiding van SARS-CoV-2 en import van VOC’s te voorkomen.

Vraag 10: Bent u bij het aanwijzen van gebieden met toepassing van artikel 58ea van de Wpg rechtens gebonden aan voorschriften van bovennationale aard? Zo ja, welke en op welke grond? Bent u gebonden aan afspraken met vliegmaatschappijen?

Nee, het aanwijzen van gebieden wordt gedaan op basis van het advies van het RIVM. Er zijn geen voorschriften van bovennationale aard of afspraken met vliegmaatschappijen waar het kabinet aan gebonden is. Overigens sluit deze aanwijzing zoveel mogelijk aan bij de EU-raadsaanbevelingen ter bestrijding van de coronapandemie. Zoals ook in de Ministeriële regeling ten aanzien van de quarantaineplicht is toegelicht voor de aanwijzing van de bedoelde gebieden, wordt in beginsel uitgegaan van gebieden waarvan de World Health Organisation (WHO) en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) hebben vastgesteld dat de bedoelde virusvarianten daar voorkomen. Voorts wordt vanuit de wens om zoveel mogelijk aan te sluiten bij een Europees geharmoniseerde benadering, bij de aanwijzing van gebieden in beginsel aangesloten bij de informatie van het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Het RIVM brengt wekelijks advies uit over welke landen als hoogrisico dan wel zeer hoogrisico worden aangemerkt. In hun advies betrekt het RIVM de relevante epidemiologische informatie, waaronder ook de informatie van het ECDC en de WHO. Als er reden is om af te wijken van de inschaling van gebieden door de ECDC, motiveert het RIVM afwijkingen in haar advies, zodat de proportionaliteit transparant en navolgbaar blijkt uit de toepassing van de aanwijzingscriteria.

Vraag 11: Welke gebieden zijn met toepassing van artikel 58ea van de Wpg aangewezen als hoogrisicogebieden, als zeer hoogrisicogebieden en als uitzonderlijk hoogrisicogebieden, en op basis van welke data? Is daaromtrent advies ingewonnen bij het OMT?

De gebieden worden aangewezen op basis van het advies van het RIVM, dat haar advies onder andere baseert op de cijfers en de drempelwaarden van het ECDC. Welke gebieden hoogrisicogebieden en zeer hoogrisicogebieden zijn, wordt wekelijks vastgesteld in het «besluit aanwijzing hoogrisicogebieden en zeer hoogrisicogebieden». Er zal geen uitzondering gelden op de quarantaineplicht voor reizigers die volledig gevaccineerd zijn, daarmee zijn er ook geen uitzonderlijk hoogrisicogebieden aangewezen. De Kamer is hierover geïnformeerd in de Stand van Zaken COVID-19 brief van 18 juni.

Vraag 12: Welke variants of concern (hierna: VOC’s) bestonden er ten tijde van de inwerkingtreding? Welke zijn nadien aangewezen? In welke gebieden kwamen/komen die VOC’s voor? Bent u voornemens om met het oog daarop vliegverboden te doen herleven? Zo nee, op grond waarvan oordeelt u dat voldoende is gegarandeerd dat die VOC’s niet door inreizigers in Nederland worden gebracht?

Op dit 28 mei waren de volgende gebieden aangewezen als zeer hoogrisico met een zorgwekkende variant van het virus: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, India, Panama, Paraguay, Peru, Suriname, Uruguay, Venezuela en Zuid-Afrika. Op 1 juni zijn alle vliegverboden opgeheven in verband met de inwerkingtreding van de quarantaineplicht.

Het OMT (116/117e advies) heeft geadviseerd dat de huidige epidemiologische situatie geen aanleiding geeft voor het opnieuw instellen van vliegverboden. In de onderstaande tabel zijn de VOC’s weergegeven.

WHO label

Earliest documented

samples

Date of designation

Alpha

United Kingdom,

Sep-2020

18-Dec-2020

Beta

South Africa,

May-2020

18-Dec-2020

Gamma

Brazil,

Nov-2020

11-Jan-2021

Delta

India,

Oct-2020

VOI: 4-Apr-2021

VOC: 11-May-2021

Vraag 13. Het formulier betreffende de quarantaineverklaring bevat ruimte voor het invullen van een telefoonnummer. Uit welke wettelijke bepaling volgt dat de betrokkene verplicht is telefonisch bereikbaar te zijn? Is de verklaring in strijd met de waarheid ingevuld als iemand invult «niet telefonisch bereikbaar»?

Op grond van artikel 58nb, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid is een betrokkene gehouden om bereikbaar te zijn voor een toezichthouder. Er is niet voorgeschreven dat de betrokkene telefonisch bereikbaar moet zijn.

Zijn quarantaineverklaring moet op grond van de artikel 6.20, tweede lid, de contactgegevens bevatten van de betrokkene. Hierbij staat niet expliciet vermeld dat dit te allen tijde een telefoonnummer moet zijn. Als de persoon niet telefonisch bereikbaar kan zijn (bijvoorbeeld omdat de persoon niet beschikt over een telefoon of op de locatie waar de persoon verblijft geen telefoon aanwezig is,) dan is zijn verklaring niet in strijd met de waarheid ingevuld als hij invult «niet telefonisch bereikbaar».

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

De letters CI hebben alleen betrekking op 35 526

X Noot
2

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), vac. (CU), Baay-Timmerman (50PLUS), Adriaansens (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga). Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU), Hiddema (FVD)

X Noot
3

Samenstelling:

Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Adriaansens (VVD) (voorzitter), Van der Burg (VVD), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Prast (PvdD), Van Pareren (Fractie-Nanninga) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van der Voort (D66), Keunen (VVD), Hermans (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA)

X Noot
4

Samenstelling:

Kox (SP), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA). Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Bezaan (VVD), Van der Burg (VVD), Crone (PvdA), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (FVD), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Talsma (CU)

X Noot
5

Samenstelling:

Atsma (CDA), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Pijlman (D66), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Geerdink (VVD), Janssen (SP), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga). Meijer (VVD) (voorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) (ondervoorzitter)

X Noot
6

Kamerstukken I 2020/21, 35 526 / 25 295, BK.

X Noot
7

Kamerstukken I 2020/21, 35 526 / 25 295, BK.

X Noot
8

Kamerstukken 35 808.

X Noot
9

Kamerstukken 35 807.

X Noot
10

Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 40.

X Noot
11

Kamerstukken I 2020/21, 35 807, G.

X Noot
12

Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
13

Outbreak Management Team.

X Noot
14

Kamerstukken I 2020/21, 35 526 / 25 295, AN, bijlage Brief van het RIVM van 1 maart 2021 met het advies naar aanleiding van het 102e OMT, p. 7.

X Noot
15

Op de website van SON wordt een lijst bijgehouden van alle locaties: https://www.stichtingopennederland.nl/laagdrempelig-netwerk-van-testlocaties

X Noot
16

1 Kamerstukken I 2020/21, 35 526 / 25 295, BK. 2 Kamerstukken 35 808. 3 Kamerstukken 35 807. 4 Handelingen I 2020/21, nr. 38, item 8, p. 40.datum 18 juni 2021 ons kenmerk 167290.196u blad 2

Naar boven