35 483 Regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 20.)

Nr. 30 AMENDEMENT VAN HET LID BECKER C.S.

Ontvangen 29 juni 2020

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

Aan artikel 14, derde lid, wordt, onder vervanging van «; en» aan het slot van onderdeel b door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c deel door «; en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. voor zover van toepassing, een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

II

Aan artikel 15, eerste lid, wordt, onder vervanging van «; en» aan het slot van onderdeel b door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c deel door «; en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. voor zover van toepassing, of de inburgeringsplichtige gehouden is ervoor zorg te dragen dat zijn kind als leerling deelneemt aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

III

In artikel 23, eerste lid, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd «, dan wel indien de inburgeringsplichtige zich niet houdt aan de verplichting zorg te dragen voor de deelname van zijn kind aan de voorschoolse educatie of vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel d».

Toelichting

Met dit amendement beogen de indieners ervoor te zorgen dat inburgeringsplichtigen hun nog niet leerplichtige kinderen naar de voor- en vroegschoolse educatie laten gaan ten einde onderwijsachterstanden te voorkomen. Kinderen van inburgeringplichtigen lopen een groter risico om (taal)achterstanden op te lopen doordat hun ouders (nog) onvoldoende de Nederlandse taal beheersen. Achterstanden die moeilijk in te lopen zijn en de kans verkleinen dat deze kinderen volwaardig mee kunnen doen aan de samenleving. Deze kinderen vallen al binnen de doelgroep voor de voor- en vroegschool, maar helaas komt het nog altijd voor dat kinderen van inburgeraars hier niet naar toe worden gestuurd. Daarom stellen de indieners met dit amendement voor dat een afspraak voor inburgeringsplichtige ouders om kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 5 jaar naar de voor- en vroegschool te sturen, wordt opgenomen in het persoonlijk plan inburgering en participatie, zodat de inburgeraar ook gecommitteerd is aan deelname van hun kinderen aan voor- en vroegschoolse educatie. Door afspraken hierover op te nemen in het persoonlijk plan inburgering en participatie, hebben gemeenten de ruimte om rekening te houden met uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden. Het verwijtbaar niet nakomen van deze afspraak door de inburgeraar wordt in principe gehandhaafd (via art. 23) door de gemeente.

Becker Paternotte Peters

Naar boven