Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035418 nr. 6

35 418 Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot het opnemen van een bepaling over een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Nr.6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 mei 2020

Inhoudsopgave

blz.

   

ALGEMEEN

1

1. Inleiding

1

2. Inhoud van het voorstel

2

3. Advies en consultatie

8

   

ARTIKELSGEWIJS

9

ALGEMEEN

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen in het verslag. Het verheugt mij dat de leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de PvdA het voorstel onderschrijven. Bij het beantwoorden van de vragen heb ik zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

De leden van de VVD-fractie vragen of het mogelijk is dat het onderhavige voorstel in werking treedt voor de eerstvolgende verkiezingen van de Eerste Kamer in 2023.

Het streven van de regering is erop gericht de behandeling van het onderhavige voorstel zo spoedig mogelijk af te ronden. Als het voorstel tijdig voor de komende verkiezingen van de Tweede Kamer tot wet wordt verheven, kan de dan te kiezen Tweede Kamer de tweede lezing ter hand nemen. Als het voorstel ook in tweede lezing tot wet wordt verheven, zal ook nog uitvoeringswetgeving tot stand moeten worden gebracht en andere voorbereidingshandelingen moeten worden getroffen. Met de voorbereiding daarvan kan uiteraard al wel eerder worden begonnen. Als dit met grote voortvarendheid ter hand wordt genomen is het mogelijk haalbaar dat de Nederlanders in het buitenland met ingang van 2023 invloed kunnen krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer.

De leden van de SGP-fractie vinden het een goede gedachte om te bezien of en hoe de betrokkenheid van niet-ingezetenen kan worden versterkt, maar vragen zich wel af of er niet meer duidelijkheid moet zijn over de precieze mogelijkheden voor uitvoering, voordat er tot wijziging van de Grondwet kan worden overgegaan. Zij vragen in dit verband met name aandacht voor de vormgeving van het kiescollege in het licht van de evenredige vertegenwoordiging.

Het onderhavige voorstel biedt de grondwettelijke kaders voor een kiescollege voor Nederlanders in het buitenland. De nadere uitwerking van de verkiezing van dit kiescollege zal plaatsvinden bij wet (de Kieswet). Naar het oordeel van de regering dienen de wijziging van de Grondwet en de daarop volgende uitvoeringswetgeving op hun eigen merites te worden beoordeeld. Naar het oordeel van de regering is het tegen deze achtergrond zuiverder om in het kader van de behandeling van het onderhavige voorstel niet in algemene zin vooruit te lopen op de inhoud van de uitvoeringswetgeving. Dat neemt niet weg dat enkele aspecten die in de uitvoeringswetgeving zullen worden opgenomen niettemin raakvlakken hebben met de Grondwet, zoals de evenredige vertegenwoordiging. Die aspecten worden in de memorie van toelichting wel uitgelicht. Hierna zal hierop naar aanleiding van vragen van enkele fracties nog nader worden ingegaan.

2. Inhoud van het voorstel

De leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie vragen of de regering bereid is in het kader van de tweede lezing van het onderhavige wetsvoorstel inzicht te geven in de wijze waarop de noodzakelijke uitvoeringswetgeving zal worden vormgegeven.

Zoals hiervoor is opgemerkt, kan al tijdens de tweede lezing van het onderhavige voorstel begonnen worden met de voorbereiding van de uitvoeringswetgeving. Uitgaande van de wenselijkheid om de Nederlanders in het buitenland al met ingang van 2023 invloed te laten hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer, ligt het ook in de rede dat het volgende kabinet al tijdens de behandeling van de tweede lezing inzicht zal geven in de wijze waarop de noodzakelijke uitvoeringswetgeving zal worden vormgegeven. Op hoofdlijnen heeft het kabinet overigens al in de brief van 22 februari 2019 inzicht gegeven in de aspecten die in de uitvoeringswetgeving zullen worden geregeld.1 Gelet daarop is er nu al op hoofdlijnen duidelijkheid over de strekking en inhoud van de uitvoeringswet.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat bij de grondwetsherziening van 1983 nog niet was voorzien in de mogelijkheid voor de wetgever om het kiesrecht voor de Eerste Kamer aan niet-ingezetenen toe te kennen en vragen waarom hierin nu alsnog wordt voorzien. De leden van de SP-fractie vragen waarom de niet-ingezetenen invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer en waarom ten behoeve van deze groep afstand wordt genomen van de grondwettelijke systematiek voor de verkiezing van de Eerste Kamer, waarbij de inwoners van provincies op getrapte wijze invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer.

De regering acht het onevenwichtig dat de Nederlanders in het buitenland thans geen invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer, terwijl zij wel kunnen deelnemen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer en van de leden van het Europees parlement.

De regering is bij de voorbereiding van het onderhavige voorstel niet over één nacht ijs gegaan. Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, vroeg uw Kamer al in 2014 om een inventarisatie van de mogelijkheden om onder meer voor deze categorie Nederlanders een kiescollege te vormen, met als enige taak om de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Mede naar aanleiding van deze inventarisatie is in overleg met de beide Kamers vervolgens besloten voorrang te geven aan een grondwettelijke regeling die ertoe strekt de Nederlandse inwoners van Caribisch Nederland invloed te geven op de samenstelling van de Eerste Kamer en de hiervoor genoemde discussie daarvan los te koppelen. Ter uitvoering van het regeerakkoord, waarin is vastgelegd dat het stemproces dient te worden aangepast zodat Nederlanders in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen,2 is de discussie

hernomen met de hiervoor al genoemde brief van 22 februari 2019. Die is in uw Kamer vervolgens besproken in een algemeen overleg. In de Eerste Kamer werd geen aanleiding gezien hierover een afzonderlijk overleg met het kabinet te voeren. Tegen deze achtergrond heeft de regering het onderhavige voorstel ingediend.

In antwoord op de vragen van de SP-fractie wijs ik erop dat met het onderhavige voorstel geen afstand wordt genomen van de grondwettelijke systematiek waarbij Nederlanders op getrapte wijze invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer. Ook de Nederlanders in het buitenland krijgen immers geen rechtstreeks kiesrecht voor de Eerste Kamer.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de voorkeur van het kabinet om alleen de stemwaarde van de leden van een kiescollege voor Nederlanders in het buitenland te bepalen op basis van het aantal uitgebrachte stemmen zich verhoudt tot de constatering dat als bij een en dezelfde verkiezing wordt uitgegaan van twee principieel van elkaar verschillende berekeningswijzen, men op twee gedachten hinkt en geen recht wordt gedaan aan het uitgangspunt dat bij verkiezingen de stem van elke kiesgerechtigde (relatief) even zwaar weegt. Zij verwijzen in dit verband naar artikel 4 van de Grondwet. De leden van de D66-fractie vragen waarom in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de mogelijke regeling van de stemwaarde voor het kiescollege, terwijl die regeling pas in de uitvoeringswetgeving zal worden uitgewerkt. Ook vragen zij of de regeling die de voorkeur van het kabinet heeft tot democratische ongelijkheid leidt. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het niet logischer en rechtvaardiger zou zijn om voor alle groepen kiesgerechtigden uit te gaan van dezelfde basis voor het bepalen van de stemwaarde en of de regering heeft overwogen om voor het bepalen van de stemwaarde van een provincie of een openbaar lichaam te kijken naar het aantal kiesgerechtigden dat gebruik maakt van het stemrecht bij de verkiezingen van provinciale staten en bij de verkiezing van het kiescollege van de openbare lichamen.

Artikel 4 van de Grondwet heeft inderdaad als uitgangspunt dat bij verkiezingen de stem van iedere stemgerechtigde even zwaar dient te wegen. Bij een regeling waarbij wordt uitgegaan van twee van elkaar verschillende berekeningswijzen – een voor de kiezers in de provincies en de Caribische openbare lichamen en een voor de kiezers buiten Nederland – is hiervan niet zonder meer sprake. Artikel 4 van de Grondwet maakt het mogelijk om bij wet «beperkingen en uitzonderingen» op dit uitgangspunt te regelen. Bij de nadere wettelijke uitwerking van het onderhavige voorstel zal de vraag moeten worden beantwoord of een dergelijke beperking te verkiezen is boven een wettelijke regeling waarbij de stemwaarde over de hele linie wordt bepaald op basis van het aantal uitgebrachte stemmen. Het kabinet heeft inderdaad overwogen om voor het bepalen van de stemwaarde van een provincie of een openbaar lichaam te kijken naar het aantal kiesgerechtigden dat gebruik maakt van het stemrecht. Alles afwegende heeft het kabinet een voorkeur om dat niet te doen en de hiervoor genoemde vraag dus bevestigend te beantwoorden. Daarbij geeft de doorslag dat een regeling waarbij de stemwaarde over de hele linie wordt bepaald op basis van het aantal uitgebrachte stemmen, de verkiezing van de Eerste Kamer in een ander perspectief zou plaatsen. Die verkiezing wordt op dit moment gezien als een rechtstreekse verkiezing door de leden van provinciale staten en de kiescolleges in de Caribische openbare lichamen. Door de stemwaarde te baseren op het aantal uitgebrachte stemmen zou die verkiezing veeleer het karakter krijgen van een indirecte verkiezing door de kiezers.

In antwoord op de vragen van de D66-fractie wil ik benadrukken dat het uiteindelijk aan de wetgever is om te bepalen op welke wijze de stemwaarde wordt vastgesteld. Die is uiteraard niet gebonden aan de voorkeur die het kabinet op dit moment heeft uitgesproken.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader in te gaan op het bezwaar, dat de stemwaarde in dit systeem pas kan worden vastgesteld na afloop van de stemming. Deze leden vragen de regering een cijfermatige vergelijking te maken van de effecten van de verschillende berekeningswijzen.

In het bestaande systeem kunnen de stemwaarden voorafgaand aan de verkiezingen bekend worden gemaakt. Indien wordt gekozen om voor een deel van de stemwaarde uit te gaan van daadwerkelijk uitgebrachte stemmen bestaat die mogelijkheid niet. Voor het overgrote deel – de provincies en de Caribische openbare lichamen – verandert de stemwaarde in dat geval echter niet. Die zal dus ook in de toekomst voorafgaand aan de verkiezingen bekend kunnen worden gemaakt. De regering acht het niet bezwaarlijk als dit voor een klein deel – de Nederlanders in het buitenland – niet mogelijk is.

Uitgaande van de meest recente cijfers – de verkiezingen van de Eerste Kamer in 2019 en het aantal stemmen dat door Nederlanders in het buitenland is uitgebracht bij de verkiezing van de Tweede Kamer in 2017 – zijn de effecten van de verschillende berekeningswijzen als volgt. Als de stemwaarde voor de provincies en de Caribische openbare lichamen wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners en de stemwaarde van het kiescollege voor Nederlanders in het buitenland aan de hand van het aantal uitgebrachte stemmen, zou de invloed van de kiezers in het buitenland neerkomen op 0,26 zetel in de Eerste Kamer. Als de stemwaarde voor zowel de provincies en de Caribische openbare lichamen als de Nederlanders in het buitenland zou worden bepaald aan de hand van het aantal uitgebrachte stemmen, zou de invloed van de kiezers in het buitenland neerkomen op 0,61 zetel in de Eerste Kamer.

De leden van de D66-fractie vragen of de ongelijkheid bij het bepalen van de stemwaarde is op te lossen door uit te gaan van het aantal personen dat is ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen (RNI). In dit verband vragen zij of het kabinet mogelijkheden ziet om de RNI op orde te krijgen voordat wettelijk wordt vastgesteld hoe de stemwaarde precies bepaald zal worden.

Het aantal Nederlanders dat in de RNI voorkomt kan worden bepaald. Dat is bijvoorbeeld gebeurd voorafgaand aan de invoering van de permante registratie om te kunnen stemmen vanuit het buitenland. Toen, begin 2017, waren ongeveer 750.000 Nederlanders in de RNI opgenomen. Van ongeveer een derde van dat aantal is in de RNI geen adres in het buitenland geregistreerd. Van het restant wel. Bij de invoering van de hiervoor genoemde permanente registratie heeft de gemeente Den Haag meer dan 500.000 Nederlanders, die in de RNI voorkwamen met een adres in het buitenland, een brief gestuurd met de vraag of betrokkene zich wilde registreren om te kunnen stemmen. Het aantal Nederlanders dat thans in de permanente registratie is opgenomen bedraagt ongeveer 72.000 personen. Het is aannemelijk dat een deel van de adressen in de RNI niet (meer) actueel is. Personen die naar het buitenland vertrekken geven bij vertrek een adres in het buitenland op, maar dat kan een tijdelijk adres zijn. Als betrokkene daarna geen contacten meer heeft met Nederlandse overheidsinstanties zal een nieuw adres van betrokkene niet bekend worden en daardoor niet in de RNI verwerkt kunnen worden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of inwoners van Aruba, Curaçao en Sint Maarten als niet-ingezetenen kunnen deelnemen aan de verkiezingen voor het nu voorgestelde kiescollege voor niet-ingezetenen. Ook vragen zij of de regering, in het licht van artikel 4 van de Grondwet, van oordeel is dat Nederlanders die woonachtig zijn in de andere landen van het Koninkrijk, net zo goed als niet-ingezetenen die op bijvoorbeeld het Franse deel van Sint Maarten of in Australië wonen, geraakt kunnen worden door besluiten die door de Tweede Kamer en Eerste Kamer worden genomen.

Op grond van het nieuwe tweede lid van artikel 55 komt het kiesrecht voor het kiescollege toe aan Nederlanders die geen ingezetenen zijn en die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer. De koppeling aan het kiesrecht voor de Tweede Kamer brengt met zich mee dat de niet-ingezetenen die op grond van artikel 54, eerste lid, van de Grondwet bij wet zijn uitgezonderd van het kiesrecht voor de Tweede Kamer ook zijn uitgezonderd van het kiesrecht voor het kiescollege. Op grond van de Kieswet hebben Nederlanders die hun werkelijke woonplaats hebben in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in beginsel geen kiesrecht voor de Tweede Kamer en krijgen zij dus evenmin kiesrecht voor het kiescollege. De vergelijking met Nederlanders die in het buitenland woonachtig zijn, gaat in dit verband niet op. Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, werd de uitsluiting van de Nederlanders die woonachtig zijn in Aruba, Curaçao of Sint Maarten van het kiesrecht voor de Tweede Kamer met name nodig geacht om te voorkomen dat de inwoners van de Caribische landen van het Koninkrijk dubbel actief kiesrecht zouden krijgen, zowel voor de vertegenwoordigende organen van die landen als voor de Tweede Kamer.

De leden van de SP-fractie vragen of het wetsvoorstel een einde wil maken aan het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen en of hiermee een einde wordt gemaakt aan het idee van de Eerste Kamer als een vertegenwoordiging die gekozen wordt door de provincies. Zij vragen of daarmee niet ook een belangrijk staatsrechtelijk argument voor het bestaan van de Eerste Kamer wegvalt.

Het onderhavige voorstel strekt ertoe ook Nederlanders in het buitenland invloed te geven op de samenstelling van de Eerste Kamer, en daarmee aan te sluiten bij de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer en van de leden van het Europees parlement waaraan deze Nederlanders nu al kunnen deelnemen. De regering ziet hierin geen argument om het bestaansrecht van de Eerste Kamer ter discussie te stellen.

De leden van de PvdA-fractie zien het goed dat, indien de stemwaarde van de leden van een kiescollege voor Nederlanders in het buitenland wordt bepaald op basis van het aantal uitgebrachte stemmen, de invloed van het desbetreffende kiescollege op de samenstelling van de Eerste Kamer groter wordt naarmate er meer stemmen door Nederlanders in het buitenland worden uitgebracht.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel niet-ingezeten Nederlanders gemiddeld hun stem uitbrengen bij verkiezingen van de Tweede Kamer en hoe groot daarmee hun invloed op de samenstelling van de Tweede Kamer is. Ook vragen zij wat de verwachting is ten aanzien van het aantal stemmers uit het buitenland voor het kiescollege voor de Eerste Kamer. De leden van de SGP-fractie vragen hoe het aantal niet-ingezetenen zich ongeveer verhoudt tot het totaalaantal ingeschrevenen in het kiesregister en welk deel van de ingeschrevenen normaal gesproken een stem uitbrengt voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer of het Europees parlement.

Bij de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in 2017 hadden zich 80.660 kiezers in het buitenland geregistreerd, van wie er ruim 68.000 hebben verzocht om per brief te stemmen.3 Van de ruim 68.000 briefstemmers hebben 59.857 kiezers in 2017 een geldige stem uitgebracht. De «opkomst» van kiezers buiten Nederland was daarmee 88%4. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 2017 zijn in totaal (dus inclusief de stemmen van de kiezers vanuit het buitenland) 10.563.456 stemmen uitgebracht. Het aandeel briefstemmen vanuit het buitenland is dus net iets meer dan 0,5%.

Voor de verkiezing van de leden van het Europees parlement liggen de cijfers van het aantal geregistreerde kiezers lager. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat Nederlanders die in een lidstaat van de Europese Unie wonen ervoor kunnen kiezen om in die lidstaat te stemmen. Het opkomstpercentage bij de verkiezing van de leden van het Europees parlement varieert meer dan bij de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. In 2019 was het opkomstpercentage ongeveer 57%. Bij de verkiezing van 2014 was dat ongeveer 80%.

Het is niet mogelijk om enige onderbouwde verwachting uit te spreken over het aantal Nederlanders dat gebruik zal gaan maken van de mogelijkheid om een stem uit te brengen voor het kiescollege. Deze kiezers hebben immers tot nu toe die mogelijkheid niet gehad.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen nader te beargumenteren waarom het kabinet een juridisch onderscheid tussen niet-ingezetenen en ingezetenen hier gerechtvaardigd acht.

Hiervoor is reeds betoogd waarom het kabinet het gerechtvaardigd acht om bij het bepalen van de stemwaarde uit te gaan van twee van elkaar verschillende berekeningswijzen, een voor de kiezers in de provincies en de Caribische openbare lichamen en een voor de kiezers buiten Nederland. Een dergelijke regeling acht de regering in elk geval te verkiezen boven de door de leden van de ChristenUnie-fractie bepleite regeling, waarbij de stemwaarde voor het kiescollege voor de Nederlanders in het buitenland op nul wordt gesteld.

De leden van de ChristenUnie-fractie roepen in herinnering dat bij de wijziging van de Grondwet om de inwoners van Caribisch Nederland invloed te geven op de samenstelling van de Eerste Kamer, duidelijk is uitgesproken dat de grondwetgever het niet acceptabel vindt als buitenlanders invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer en vragen hoe dit voorstel zal uitwerken voor Nederlanders in het buitenland met een dubbele nationaliteit. Ook vragen zij of de regering kan verzekeren dat de stem van mensen die niet of niet meer over de Nederlandse nationaliteit beschikken en in het buitenland wonen niet zal worden meegewogen voor de verkiezing van de Eerste Kamer.

Nederlanders met een dubbele nationaliteit hebben uit de aard der zaak ook de Nederlandse nationaliteit. Deze categorie Nederlanders komt dus net zo goed in aanmerking voor het kiesrecht voor het kiescollege voor Nederlanders in het buitenland als de Nederlanders met een dubbele nationaliteit die ingezetene zijn van een provincie of een Caribisch openbaar lichaam en uit dien hoofde kiesrecht hebben voor de provinciale staten of het kiescollege in de Caribische openbare lichamen. Op grond van het onderhavige voorstel komt het kiesrecht voor het kiescollege nadrukkelijk uitsluitend toe aan Nederlanders en dus niet aan mensen die niet of niet meer over de Nederlandse nationaliteit beschikken. Mogelijk ten overvloede wordt erop gewezen dat de kiezers die vanuit het buitenland stemmen bij het uitbrengen van hun briefstem het bezit van het Nederlanderschap moeten aantonen. De kiezer moet een kopie van een geldig Nederlands identiteitsbewijs meesturen met het briefstembewijs. Dat is zo geregeld in de Kieswet.

De leden van de SGP-fractie vragen uit hoeveel leden het kiescollege naar het oordeel van het kabinet zou moeten bestaan.

Zoals in de hiervoor genoemde brief van 22 februari 2019 is opgemerkt, moet een kiescollege in elk geval voldoende leden hebben om de in de Grondwet verankerde geheime stemming te waarborgen. Als een kiescollege bijvoorbeeld slechts één lid zou hebben, kan uit de uitslag afgeleid worden hoe dit lid heeft gestemd. Ook bij twee of drie leden kan men zich afvragen of het stemgeheim van de leden voldoende gewaarborgd is. Het is lastig om een algemene ondergrens aan te geven, maar duidelijk is dat het stemgeheim beter kan worden gewaarborgd naarmate een kiescollege meer leden telt. Een tweede overweging is dat er per kiescollege voldoende leden moeten zijn om een stembureau te vormen dat de uitslag van de stemming voor de Eerste Kamer vaststelt. In Europees Nederland wordt het stembureau gevormd door drie statenleden en de commissaris van de Koning. Hiervan uitgaande zou elk kiescollege ten minste drie leden moeten tellen. Ten derde is het aantal leden van belang voor de mate waarin de verschillende voorkeuren van de kiezers kunnen doorwerken in de samenstelling van het kiescollege en daarmee in de samenstelling van de Eerste Kamer. Hoe meer leden het kiescollege telt, hoe groter de kans is dat ook kandidaten van kleine politieke groeperingen tot lid verkozen worden en voor de Eerste Kamer kunnen stemmen. Daarmee komt een groter aantal leden de grondwettelijk voorgeschreven evenredige vertegenwoordiging ten goede.

Tot slot is het aantal leden van belang voor de stemwaarde van de leden. Naarmate de stemwaarde hoger is, is een lager aantal stemmen nodig om een kandidaat met doorbreking van de lijstvolgorde te kiezen. Het ligt in de rede hiermee rekening te houden bij het bepalen van het aantal leden van een kiescollege. Anderzijds zou een zeer lage stemwaarde ertoe kunnen leiden dat de animo om zich kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van het kiescollege en om voor het kiescollege te stemmen beperkt is.

De leden van de SGP-fractie vragen of de opmerking dat het register niet-ingezetenen niet actueel is, niet eveneens geldt voor het kiesregister. Ook vragen zij wat de toegevoegde waarde van het register niet-ingezetenen is, als dat niet actueel is.

Nederlanders die bij de gemeente Den Haag een verzoek indienen om zich permanent te registreren om te stemmen vanuit het buitenland moeten een adres opgeven waar de kiezer de stembescheiden wil ontvangen. Voor de permanente registratie hoeft dat niet een woonadres te zijn, dat is anders dan voor het register niet-ingezetenen. Verder wordt aan de Nederlander die zich wil registreren om te stemmen gevraagd een e-mailadres en telefoonnummer op te geven. Het overgrote deel van de geregistreerden doet dat ook. De gemeente Den Haag kan daardoor ook op andere wijze dan per post met de geregistreerden communiceren. Voor het geven van informatie wordt waar mogelijk via e-mail gecommuniceerd, bijvoorbeeld om aan te kondigen dat er een verkiezing gaat plaatsvinden. Langs die weg wordt er ook op geattendeerd dat als de adresgegevens zijn veranderd die tijdig moeten worden doorgegeven aan de gemeente. Kiezers die daar eerder niet aan hebben gedacht kunnen zo alsnog hun wijzigingen doorgeven. Uiteraard is het zo dat als een kiezer dat niet doet de gegevens in de permanente registratie niet meer actueel zullen zijn. Dat is wel een verantwoordelijkheid die uiteindelijk bij de kiezer zelf ligt.

De leden van de SGP-fractie vragen of het de bedoeling is dat het kiescollege in Europees Nederland bij elkaar komt, of dat het de bedoeling is om te gaan werken met digitale stemmen. In dat laatste geval vragen zij hoe dan kan worden vastgesteld of het wel gaat om de daadwerkelijk gekozenen.

De keuze waar het kiescollege bijeen zal komen zal worden bepaald in de uitvoeringswetgeving. Het is de bedoeling dat het kiescollege fysiek bijeen zal komen.

3. Advies en consultatie

De leden van de SP-fractie vragen om in te gaan op de zorgen van de Kiesraad over de verschillende behandeling van groepen kiezers op basis van stemwaardebepaling, los van de vraag of het ingezetenen zijn of niet.

In zijn advies plaatst de Kiesraad kanttekeningen bij de passage in de memorie van toelichting over de stemwaardebepaling en gaat daarbij ook in op de vraag of het nodig is om groepen kiezers in dit opzicht verschillend te behandelen. Om een verschil in behandeling te voorkomen, doet de Kiesraad de suggestie om de stemwaarde zowel voor de provincies en de Caribische openbare lichamen als de Nederlanders in het buitenland te bepalen op basis van het aantal kiesgerechtigden. De regering ziet echter geen heil in deze suggestie. In de eerste plaats is een dergelijke stemwaardebepaling vanuit theoretisch oogpunt minder juist: als de verkiezing van de Eerste Kamer zou worden gezien als een indirecte verkiezing door de kiezers – hetgeen als gezegd niet de voorkeur van het kabinet heeft – ligt het veeleer voor de hand om uit te gaan van het aantal kiezers dat daadwerkelijk heeft gestemd dan van het aantal kiezers dat zich heeft laten registreren. In de tweede plaats is er een praktisch probleem, aangezien de kiesgerechtigdheid van Nederlanders in het buitenland niet wordt bepaald door de vraag of iemand is ingeschreven in het permanente register (bedoeld in artikel D 2 van de Kieswet). Ook andere Nederlanders in het buitenland die voldoen aan de in artikel B 1 van de Kieswet bepaalde voorwaarden zijn kiesgerechtigd.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel III (additioneel artikel VI)

De leden van de SGP-fractie vinden het een goede zaak dat het additioneel artikel in het wetsvoorstel is opgenomen. Wel vragen zij zich af of niet tegelijkertijd moet worden voorzien in het automatisch vervallen van dat artikel, bijvoorbeeld tien jaar na inwerkingtreding.

Naar aanleiding van deze vraag heb ik een nota van wijziging ingediend, die ertoe strekt dat het additionele artikel (van rechtswege) vervalt nadat het is uitgewerkt.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 31 142, nr. 88. Zie ook de eerdere notitie over dit onderwerp: Kamerstukken II 2014/15, 33 900, nr. 10.

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34, p. 8.

X Noot
3

De rest van de geregistreerden had een kiezerspas aangevraagd of een volmacht verleend.

X Noot
4

De opkomst bij de verkiezing van 2017 was vergelijkbaar aan de opkomst bij de Tweede Kamerververkiezing van 2012 (88%) en 2010 (89%).