De memorie van antwoord2 heeft de commissie aanleiding gegeven tot het stellen van de volgende vragen.
1. Inleiding
De antwoorden van de regering roepen bij de fractieleden van FVD de volgende nadere vragen op.
2. Doel en aanleiding
Op pagina 2 van de memorie van antwoord stelt de regering dat de bedenktijd weliswaar
uniek is in Europa, maar dat in andere Europese landen er ook soortgelijke maatregelen
zijn. Het is de fractieleden van FVD onbekend op welke maatregelen de regering doelt. Zou zij deze kunnen specificeren?
Op pagina 4 (en ook op pagina 7) stelt de regering dat er geen aanleiding is om te
veronderstellen dat Nederland minder aantrekkelijk zal worden voor investeerders en
refereert daarbij aan een brief van VNO-NCW.3 Uit de brieven van beleggers die zijn binnengekomen op het consultatiewetsvoorstel
en voorafgaand aan de Tweede Kamerhoorzitting in 2017 over beschermingsconstructies,
blijkt echter dat beleggers en investeerders zeker wel ongerust zijn.4 Is de regering het met de fractieleden van FVD eens dat bij de beoordeling van het
investeringsklimaat de mening van (buitenlandse) investeerders relevanter is dan die
van belangenorganisaties zoals VNO-NCW?
Is de regering het met hen eens dat het moeilijk is vast te stellen of VNO-NCW en
de Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen (hierna: VEUO) optreden in het belang
van (beursgenoteerde) ondernemingen of in het belang van bestuurders van (beursgenoteerde)
ondernemingen?
Op pagina 4 en 5 van de memorie van antwoord stelt de regering dat het criterium van
de rechter om aanvragen van aandeelhouders om een (buitengewone) algemene vergadering
te mogen beleggen, tot «rechtsonzekerheid» kan leiden. Waarom lost de regering dit
niet op in het desbetreffende artikel 2:110/111 van het Burgerlijk Wetboek in plaats
van een heel apart wetsvoorstel in te dienen?
Op pagina 5 van de memorie van antwoord toont de regering zich bevreesd voor «opportunistische
overnames» in deze coronatijd van relatief lage beurskoersen van sommige ondernemingen.
Kan de regering een voorbeeld geven van zo'n «opportunistisch» bod? Waarom is de tijdelijke
coronasituatie reden voor een wettelijke maatregel met onbeperkte termijn?
3. Huidig stelsel van corporate governance gelet op strategie van de vennootschap
Op pagina 6 van de memorie van antwoord haalt de regering de brieven van VEUO en VNO-NCW
aan om haar argument kracht bij te zetten dat aandeelhouders druk zetten om hoge dividenduitkeringen
te doen. Is de regering het met de leden van de FVD-fractie eens dat een aandeelhouder in een beursgenoteerde onderneming helemaal niet
beschikt over de mogelijkheid om een hoger dividend af te dwingen? Deze leden wijzen
er bovendien op dat in het afgelopen jaar veel ondernemingen het dividend kortten
of passeerden zonder enige druk van aandeelhouders om de bestuurders te bewegen om
toch dividend uit te keren.
Op voornoemde pagina wordt ook de indruk gewekt alsof aandeelhouders kunnen dreigen
met opsplitsing en verkoop van de ondernemingen. Is de regering het met de leden van
de FVD-fractie eens dat aandeelhouders in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen
niet over een initiatiefrecht beschikken en dat zij dus nooit opsplitsing of verkoop
kunnen afdwingen? En dat er altijd eerst een bestuursbesluit aan een dergelijke actie
vooraf moet gaan?
Is de regering bereid om ─ indien de belangrijkste motieven om deze wet voor te stellen
niet in overeenstemming blijken te zijn met de feiten ─ het wetsvoorstel in te trekken,
dan wel uit te stellen tot na nader onderzoek naar de noodzaak ervan?
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de reactie van de
regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren