35 347 Regels voor de aanpak van de stikstofproblematiek in relatie tot natuur (Spoedwet aanpak stikstof)

Nr. 33 AMENDEMENT VAN HET LID OUWEHAND

Ontvangen 4 december 2019

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel II wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Na artikel 2.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.5a. Verbod op productiegericht fokken

Het is verboden varkens te fokken die structureel toomgroottes hebben van meer dan 12 biggen.

Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2025.

Toelichting

De veehouderij in Nederland is de afgelopen jaren steeds verder geïntensiveerd, waarbij de productie per dier steeds verder is opgevoerd. Zo zijn zeugen doorgefokt op het krijgen van steeds meer biggen per worp, waardoor zij niet meer in staat zijn om voor hun biggen te zorgen, en zijn koeien zo doorgefokt op productie dat ze bijna twee keer zoveel melk geven als in 1980. Met ernstige gezondheidsproblemen, structureel lijden en een schrikbarend hoge sterfte onder de dieren als gevolg.

De huidige beleidskoers richting emissiearme landbouw stuurt nog verder op efficiëntie en intensivering, met technologie en veevoeraanpassingen ten koste van het dier. Onlangs pleitte de door de Minister van LNV ingestelde adviescommissie «Taskforce verdienvermogen kringlooplandbouw» er zelfs voor dat veehouders klimaat en reductie van stikstof belangrijker zouden moeten maken dan dierenwelzijn.

Deze ontwikkelingen maken het noodzakelijker dan ooit om betere waarborgen in te bouwen voor dierenwelzijn.

Dit amendement regelt dat het verboden wordt om varkens te fokken die per dracht structureel meer dan 12 biggen baren, omdat dit de kans op biggensterfte aanzienlijk vergroot.

In de Nederlandse varkenshouderij sterven jaarlijks ruim 5 miljoen biggen binnen de eerste maand van hun leven. Ze worden doodgeboren of sterven omdat ze te licht of te zwak zijn. De steeds grotere aantallen biggen die per dracht geboren worden, is hier een van de belangrijke oorzaken van, zo wordt ook door de sector erkend. Het richten van het fokprogramma op het verhogen van de biggenproductie leidt bovendien niet alleen tot een hogere biggensterfte, maar ook tot een grotere voortijdige sterfte van zeugen.

Een zeug in de Nederlandse varkenshouderij krijgt wel zes keer zoveel biggen als in de natuur. Per dracht krijgt een zeug nu 15 tot 16 biggen, met uitschieters tot wel 27 biggen. Een zeug is van nature niet in staat voor dergelijke aantallen biggen te zorgen. Daardoor worden «kunstzeugen», «pleegzeugen» en «wisselzeugen» ingezet en is de sector zelfs bezig met het fokken op een hoger aantal functionele spenen bij zeugen.

De Raad voor Dieraangelegenheden waarschuwde al in 2010 voor het ongewenste neveneffect van het fokbeleid: meer zwakke biggen en sterfte bij een eenzijdige selectie op worpgrootte bij varkens.1

Voormalig LNV-minister Verburg noemde de biggensterfte in 2009 al te hoog – die bedroeg destijds 12,8%. Zij stelde daarom de sector ten doel om binnen 10 jaar de sterfte onder biggen in de varkenshouderij van 12,8% terug te brengen naar maximaal 10,5%. Dat doel is niet gehaald – integendeel. Op dit moment, 10 jaar later, is de sterfte met 13,4% zelfs hoger dan het niveau dat de Minister van LNV in 2009 al onacceptabel achtte.

Omdat de broodnodige concrete plannen om de sterfte terug te dringen nog altijd uitblijven, vraagt dit amendement om een verbod op het fokken van varkens die structureel toomgroottes hebben van gemiddeld meer dan 12 biggen. Dit sluit aan op het advies van de EFSA (2007) aan de Europese Commissie. 2 Daarin werd gesteld dat gemiddelde worpgrootte niet hoger zou moeten zijn dan 12 levend geboren biggen. Boven dit aantal gaat de biggensterfte omhoog.

Het amendement voorziet in een overgangstermijn van vijf jaren. Dit sluit aan bij de motie De Groot (28 286, nr. 1025), die gesteund werd door de coalitiepartijen.

Ouwehand


X Noot
1

Zienswijze RDA Fokkerij en voortplantingstechnieken (2010)

Naar boven