Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035319 nr. 6

35 319 Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en van de Arbeidstijdenwet (Verzamelwet IenW 2019)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 september 2020

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel (Kamerstukken 2019–2020 II, nr. 5, 35 319). Ik dank de leden van de PVV-fractie, de CDA-fractie, de D66-fractie en de SP-fractie voor het kennis nemen van het wetsvoorstel, en de Groenlinks-fractie voor hun bijdrage. In het navolgende ga ik in op de vraag uit het verslag.

Artikelsgewijs

Artikel IX onderdeel D: de milieueffectrapportage

De leden van de fractie van GroenLinks hebben vragen over de milieueffectrapportage (mer). Ik ben het geheel eens met de leden van de GroenLinks-fractie dat mer een belangrijk middel is om tot keuzes te komen en niet een bureaucratisch vinkje op een vergunning. Bij de voorliggende wetswijziging wordt enkel een verandering in de procedure aangebracht. Er vindt geen verandering plaats in de verplichting om een mer-beoordeling, en zo nodig een milieueffectrapport (MER), te maken.

De verandering in de procedure betreft het moment waarop de initiatiefnemer de informatie ten behoeve van de mer-beoordeling moet aanleveren. Dat moet uiterlijk op het moment dat de aanvraag van een vergunning wordt ingediend. De mer-beoordeling hoeft dus niet geheel voorafgaand aan de aanvraag van de vergunning gereed te zijn. De mer-beoordeling kan tegelijkertijd met de behandeling van de aanvraag worden uitgevoerd. Dit leidt tot tijdwinst voor de initiatiefnemer. Deze manier van werken heeft van april 2011 tot mei 2017 goed gefunctioneerd. Er is geen reden om aan te nemen dat het bevoegd gezag de mer-beoordeling straks niet of minder serieus oppakt wanneer dit gelijktijdig aan de aanvraag plaatsvindt. Door een omissie is die werkwijze bij de laatste wijziging van de Wet milieubeheer veranderd. Met de voorgestelde wijziging wordt die werkwijze weer terug ingevoerd. De wijziging geldt overigens alleen voor gevallen beneden de eventuele drempels van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer).

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of het niet tot veel extra vertraging leidt als na indiening van de vergunningaanvraag alsnog een MER moet worden gemaakt en dat dit niet een drempel opwerpt voor het bevoegd gezag om tot die conclusie te komen.

Het wetsvoorstel verandert niets aan de wijze waarop een mer-beoordeling moet worden verricht of wanneer een MER moet worden gemaakt. Voor een initiatiefnemer brengt deze verandering in procedure alleen een versnelling en geen vertraging. Als een MER moet worden gemaakt is dat nu zo en blijft dat ook met deze wijziging zo. Juist de huidige procedure leidt soms tot vertraging voor een initiatiefnemer, omdat op dit moment, voordat de vergunningaanvraag kan worden gedaan, eerst een afzonderlijke mer-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen met een apart (mer-beoordelings)besluit van het bevoegd gezag. Met deze wijziging kunnen de mer-beoordelingsprocedure en de vergunningprocedure tegelijkertijd worden doorlopen. Dat leidt tot versnelling, maar verandert niets aan de uitkomst van die procedures.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan garanderen dat nu niet heel veel projecten alsnog onterecht ongetoetst worden vergund. Zoals ik hiervoor al heb aangegeven, blijft de verplichting om voor bepaalde activiteiten (genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer) een mer-beoordeling te verrichten, ongewijzigd. Dat houdt in dat projecten niet onterecht ongetoetst worden vergund.

Op de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie in hoeverre de Nederlandse mer-wetgeving na deze wijziging voldoet aan de Europese eisen kan ik antwoorden dat daar geheel aan wordt voldaan. De mer-richtlijn schrijft niet voor op welk moment precies een mer-beoordeling moet worden verricht, anders dan dat deze moet zijn verricht voordat de vergunning wordt verleend. Met dit wetsvoorstel wordt zeker geen nieuwe variant op de vormvrije beoordeling geïntroduceerd. De procedurele eisen die nu in de Wet milieubeheer en het Besluit mer worden gesteld aan de mer-beoordeling van activiteiten onder de drempel van kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (voorheen ook wel de «vormvrije» mer-beoordeling genoemd) blijven ongewijzigd.

Het instrument mer wordt met deze wijziging dus niet minder belangrijk. De mer-plicht in de huidige wetgeving volgt de mer-richtlijn. Daar kunnen geen uitzonderingen op worden gemaakt.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga