Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035319 nr. 5

35 319 Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en van de Arbeidstijdenwet (Verzamelwet IenW 2019)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 3 december 2019

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen van haar bevindingen. Het verslag behandelt alleen die onderdelen waarover door de genoemde fracties inbreng is geleverd.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Algemeen

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben geen verdere opmerkingen of vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden hebben geen nadere vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben geen inbreng op de schriftelijke bespreking van de verzamelwet Infrastructuur en Waterstaat 2019.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben de stukken gelezen en hebben hier enkele vragen en opmerkingen bij.

De leden van de fractie van de SP hebben geen vragen en opmerking bij de Verzamelwet Infrastructuur en Waterstaat 2019.

Artikel IX onderdeel D: de milieueffectrapportage

De leden van de GroenLinks-fractie willen zich in hun reactie beperken tot het deel over Artikel IX onderdeel D, met betrekking tot de milieueffectrapportage (MER). De leden maken uit het voorstel op dat de wijziging is bedoeld om een omissie recht te zetten en zo de procedures voor vergunningen die naar verwachting weinig milieueffecten hebben, te bekorten. Wat de leden van de GroenLinks-fractie betreft is er geen behoefte aan onnodige lange procedures, maar is een MER aan het begin van een procedure vaak wel heel verstandig om te bezien of een project überhaupt noodzakelijk is of dat er niet betere alternatieven zijn. Immers een MER toetst juist ook op mogelijke alternatieven en hoe eerder die in beeld komen hoe beter. Een MER is daarmee een belangrijk middel om tot keuzes te komen en niet een bureaucratisch vinkje op een vergunning. De leden van de GroenLinks-fractie zijn deze overweging niet tegen gekomen in de memorie van toelichting en vragen of dit belangrijke onderdeel is meegewogen.

De leden van de GroenLinks-fractie maken zich in het algemeen zorgen over de steeds verdere uitholling van de MER. De veronderstelling dat veel projecten geen milieueffecten hebben, is niet het uitgangspunt dat verwacht mag worden van een overheid die de eigen procedures en het algemeen belang hoog in het vaandel heeft staan. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of vergunningsverleners dan nog wel kritisch naar een mogelijke behoefte aan een MER kijken. Immers, deze vraag komt straks pas op als de aanvraag er al ligt. Dan alsnog een onderzoek eisen leidt tot veel extra vertraging en deze leden vrezen dat dit sterk drempelverhogend werkt. Kan de regering garanderen dat nu niet heel veel projecten alsnog onterecht ongetoetst worden vergund? In hoeverre voldoet hiermee de Nederlandse MER-wetgeving dan nog wel aan de Europese eisen? Is dit niet een nieuwe variant op de vormvrije beoordeling? Zal dit wel standhouden in Europa?

De voorzitter van de commissie, Agnes Mulder

De adjunct-griffier van de commissie, Witzke