Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035300-VII nr. 109

35 300 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2020

Nr. 109 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 maart 2020

Uw Kamer heeft bij motie van het lid Van der Molen1 verzocht om «op systematische wijze het gesprek op gang te brengen met en tussen medeoverheden over mogelijke taakdifferentiatie en de Kamer daarover vóór 1 maart 2020 te informeren». Bij deze informeer ik u over de uitvoering van deze motie en stel u voor daarmee de motie als afgedaan te beschouwen.

Zoals in de motie al gesteld, bestaat er voldoende ruimte in de (Grond)wet om te differentiëren in taken tussen gemeenten (en provincies). Mijn ambtsvoorganger heeft ook in de brief aan uw Kamer over de Toekomst van het Openbaar Bestuur2 aangekondigd de mogelijkheden van taakdifferentiatie verder te doordenken.

Het gesprek over en het doordenken van taakdifferentiatie verloopt op dit moment langs verschillende lijnen. Vanuit mijn ministerie start binnenkort een gespreksronde met medeoverheden, waarin wordt gereflecteerd op onder andere de mogelijkheden om invulling te geven aan alle opgaven waar gemeenten voor staan. Ook in de gesprekken tussen Rijk en gemeenten over het sociaal domein, is taakdifferentiatie onderwerp van gesprek. Daarnaast wordt taakdifferentiatie door mijn medewerkers actief als optie ingebracht in gesprekken over aansturings- en inrichtingsvraagstukken met medeoverheden en/of andere departementen. Verder heeft de VNG in haar reactie op voornoemde Kamerbrief over de Toekomst van het Openbaar Bestuur aangegeven graag in samenspraak met mijn ministerie de mogelijkheden en kansen van taakdifferentiatie te verkennen.

Zoals uit bovenstaande blijkt zijn of komen de gesprekken over taakdifferentiatie op gang. Het is mijn voornemen uw Kamer na de zomer te informeren over de eerste opbrengsten en eventuele vervolgstappen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Kamerstuk 35 300 VII, nr. 20

X Noot
2

Kamerstuk 35 300 VII, nr. 7