Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035300-B nr. 9

35 300 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2020

Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 november 2019

Bij deze informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, over de uitvoering van motie met Kamerstuk 35 300 VII, nr. 46. In deze motie roept uw Kamer de regering op om in overleg met gemeenten de financiële impact van bestaande beleidsmaatregelen van de rijksoverheid op gemeenten in kaart te brengen en hierover uiterlijk 1 april 2020 naar de Kamer te rapporteren.

Laat ik vooropstellen dat gemeentefinanciën structureel de aandacht heeft van het kabinet. Tweemaal per jaar zijn gemeentefinanciën onderwerp van gesprek tijdens het Bestuurlijk Overleg Financiële Verhoudingen (BOFv). Tijdens het BOFv is recent afgesproken dat het bestaande overzicht van financiële kengetallen verder ontwikkeld zal worden, zodat er meer inzicht ontstaan in de financiële positie van gemeenten. Dit zal in het voorjaar van 2020 gereed zijn.

Daarnaast bevat de Financiële-verhoudingswet een bepaling die specifiek ingaat op de financiële impact van beleidsmaatregelen. Artikel 2 van deze wet luidt namelijk dat, indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens gestaafd, de financiële gevolgen van deze wijziging voor de provincies of gemeenten inzichtelijk moeten worden gemaakt. Tevens moet het Rijk aangegeven hoe deze financiële gevolgen opgevangen kunnen worden. Er wordt dus bij beleidsvoornemens standaard gekeken wat de impact van rijksbeleid op de financiën van gemeenten is.

Afgelopen jaar heb ik afspraken gemaakt met gemeenten over een aantal specifieke onderwerpen, gerelateerd aan de toereikendheid en verdeling van middelen in het gemeentefonds. Zo wordt de normeringsystematiek opnieuw geëvalueerd1. Hierbij wordt gekeken naar de criteria stabiliteit, evenredigheid, actualiteit, inzichtelijkheid en beheersbaarheid. Een werkgroep bestaande uit de fondsbeheerders en vertegenwoordigers van de VNG en het IPO rapporteert haar bevindingen in het BOFv in het voorjaar van 2020. Op basis van deze evaluatie werkt het Rijk samen met medeoverheden aan mogelijke varianten voor de normering van het gemeentefonds en het provinciefonds vanaf 2022. Uitkomsten van de evaluatie dienen als input voor de Studiegroep Begrotingsruimte.

In de tussentijd wordt door het Rijk en vertegenwoordigers van de VNG en het IPO ook bekeken of het mogelijk en wenselijk is om voor de korte termijn – 2020 en 2021 – schommelingen in de fondsen te voorkomen of te dempen. Ik heb toegezegd uw Kamer hier in december over te informeren.

Specifiek op het gebied van jeugdzorg wordt aanvullend onderzoek gedaan om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. Dit onderzoek zal in het najaar van 2020 gereed zijn.

De resultaten van het onderzoek dienen als inbreng van de komende kabinetsformatie. De uitkomsten van het onderzoek zijn zwaarwegend. Dit in het licht van de jeugdhulpplicht van gemeenten en de noodzaak van sluitende begrotingen. De uitkomsten van het onderzoek worden bestuurlijk gewogen in het licht van de door betrokken partijen verrichtte inspanningen en afgesproken bestuurlijke maatregelen. Indien Rijk en gemeenten in de bestuurlijke weging niet tot overeenstemming komen, wordt een en ander voorgelegd aan een – gezamenlijk benoemde – commissie van wijzen die een semi-bindend oordeel geeft (vergelijkbaar met arbitrage).

Daarnaast is afgesproken dat de verdeling van de middelen in het Sociaal Domein wordt onderzocht en aangepast. Deze onderzoeken zijn gereed in 2020 en de invoering van de nieuwe verdeling is beoogd per 2021.

Om uitvoering te geven aan de motie zal ik uw Kamer in april 2020 informeren over de financiële positie van gemeenten, zoals die in het BOFv is besproken. Daarnaast zal ik nog dit jaar een overzicht geven van lopende onderzoeken en afspraken in het kader van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Tevens zullen de Staatssecretaris van Financiën en ik tijdens de budgettaire besluitvormingsmomenten rondom de Voorjaarsnota, Prinsjesdag en Najaarsnota, inventariseren welke beleidsvoornemens financiële effecten hebben op de taken van gemeenten. Op basis daarvan zullen wij uw Kamer een integraal overzicht doen toekomen.

Aanvullend op bovenstaande zal in overleg met VNG worden bezien of een integraal onderzoek naar de impact van rijksbeleid op gemeentelijke financiën uitgevoerd kan worden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Kamerstuk 35 300 B, nr. 5