Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035300-A nr. 74

35 300 A Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2020

Nr. 74 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 februari 2020

4 december 2019 om informatie over de wijze waarop het amendement1 van de leden Amhaouch en Van der Graaf over een betere internetverbinding in de trein zal worden uitgevoerd. Hieronder ga ik hier kort op in. Ik verwacht u vóór het zomerreces uitgebreider te informeren.

Naar aanleiding van het amendement heb ik een aantal verkennende gesprekken gevoerd met partijen die verantwoordelijk zijn voor internet in de trein. Het enthousiasme om met de invulling van dit amendement aan de slag te gaan is groot. Er zijn dan ook al meerdere ideeën aangedragen. Deze variëren van het verbeteren van internet op de decentrale lijnen in de grensgebieden tot aan de grotere internationale verbindingen en de verbetering van het internet in de omgeving van de stations. Ook is mij duidelijk geworden dat het kostbaar is om een voorziening daadwerkelijk te implementeren. Het beschikbare budget wordt daarom, in lijn met het amendement, besteed aan het in beeld brengen van innovatieve mogelijkheden voor verbetering van internet in de trein.

Om de mogelijkheden in kaart te brengen, heb ik besloten om in april 2020 een brede sessie te organiseren. Hierin kunnen alle betrokken partijen innovatieve projecten aandragen die een effectieve bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de internetverbinding in de trein. Ik zal deze vervolgens toetsen aan de kaders van het amendement. Hierbij let ik in het bijzonder op grensoverschrijdende verbindingen en op innovatieve oplossingen.

Zodra bekend is welke projecten en/of pilots zullen worden uitgevoerd zal ik uw Kamer hierover informeren.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

Kamerstuk 35 300 A, nr. 9.