35 300 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Nr. 77 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2020

Bij brief van 18 december 20191 heb ik Uw Kamer de eindproducten van de eerste fase van de Verkenning bevolking 2050 aangeboden. Met deze Verkenning wordt door het kabinet uitvoering gegeven aan de motie van het lid Dijkhoff c.s. (Kamerstuk 35 000, nr. 8, dd. 21 september 2018). Het betreft het Achtergronddocument, Inventarisatie van toekomstverkenningen en de Voortgangsrapportage, Zekerheden en onzekerheden over de gevolgen van de veranderingen in de bevolking. In het laatste document zijn de zeven demografische varianten toegelicht die het Nederlands Demografisch Interdisciplinair Instituut (NIDI) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doorrekenen. Deze varianten brengen de gevolgen van demografische veranderingen in Nederland op verschillende beleidsterreinen in kaart. De uitvoering hiervan is in december jl. gestart. Hierin wordt ook het vraagstuk van de dubbele vergrijzing betrokken, zoals tijdens de Algemeen Politieke Beschouwingen in de Eerste Kamer is toegezegd2.

De inzichten die tot nu toe zijn opgedaan, leiden tot de constatering dat de doorrekening van de demografische varianten moet worden afgewacht voordat de doordenking van de maatschappelijke gevolgen kan plaatsvinden. Om die reden hebben de betrokken instituten besloten tot een aangepaste invulling van deze tweede en laatste fase van de Verkenning. Ik heb u hierover geïnformeerd tijdens het Algemeen Overleg Integratie op 5 februari en het Algemeen Overleg over De Sociale Staat van Nederland 2019 op 4 maart jl. De aangepaste invulling betekent dat de beoogde integrale eindrapportage wordt opgesplitst in twee rapportages. Het rapport met de demografische projecties wordt naar verwachting eind juni opgeleverd door het NIDI en het CBS en aan Uw Kamer aangeboden.

Na de zomer volgt de rapportage met de uitkomsten van de verkenning van maatschappelijke gevolgen. Deze rapportage wordt opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), in samenwerking met het Centraal Planbureau (CPB), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Deze rapportage levert ook aangrijpingspunten op voor beleid.

Het kabinet zal de rapportages te zijner tijd aan Uw Kamer aanbieden met een appreciatie van de inzichten. In de appreciatie van de tweede rapportage wordt aandacht besteed aan de aangrijpingspunten voor beleid.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 35 300, nr. 76.

X Noot
2

Handelingen II 2019/20, nr. 4, item 6.

Naar boven