35 295 EU en de rechtsstaat

AP VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 december 2023

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 hebben kennisgenomen van de brief van 13 juli 2023 met de antwoorden op de vragen over de hernieuwde Rijksbrede strategie voor het beschermen van het vrije en open publieke debat tegen desinformatie.2 De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding daarvan enkele nadere vragen, al dan niet verdeeld in subvragen.

Naar aanleiding hiervan is op 4 oktober 2023 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties heeft op 10 november 2023 een uitstelbericht gestuurd en op 19 december 2023 hebben de Minister en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties inhoudelijk gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties

Den Haag, 4 oktober 2023

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben kennisgenomen van de brief van 13 juli 2023 met de antwoorden op de vragen over de hernieuwde Rijksbrede strategie voor het beschermen van het vrije en open publieke debat tegen desinformatie.3 De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding daarvan enkele nadere vragen, al dan niet verdeeld in subvragen.

Vraag 1

1a.

In het antwoord op vraag 1a uit de brief van 13 juli 2023 wordt verwezen naar de kamerbrief Monitoring sociale media en naleving AVG door overheden. Moeten de PvdD-leden hieruit afleiden dat het monitoren van sociale media op het daarop verschijnen van een complottheorie altijd een handeling betreft waarop de AVG van toepassing is?

1b

In de voorgenoemde brief wordt een handreiking voor gemeenten aangekondigd. Is deze inmiddels gepubliceerd?

1c

Mag de AIVD monitoren of er op sociale media complottheorieën verschijnen? Zo nee, op grond waarvan oordeelt u dat het monitoren van complottheorieën op sociale media in het algemeen niet van overheidswege zou mogen plaatsvinden?

1d

In de brief van 13 juli 2023 staat dat «indien een complottheorie een ondermijnend effect heeft op de democratische rechtsorde» de AIVD een onderzoek mag doen. Hoe kan die dienst beoordelen of er een complottheorie rondgaat die een ondermijnend effect heeft, als de dienst niet zou mogen monitoren of er op sociale media complottheorieën verschijnen?

Vraag 2

In het antwoord op vraag 1e (uit de brief die gestuurd is op 3 mei 2023) wordt niet ingegaan op de gestelde vraag.

2a

Waarom zou de instelling van een van de overheid onafhankelijke autoriteit of instelling die tot taak krijgt mis- of desinformatie te monitoren geen voldoende ruimte laten voor kritiek en het publieke debat?

2b

Uit het antwoord valt af te leiden dat als het parlement heeft geoordeeld dat bepaalde mis- of desinformatie aantoonbaar een bedreiging vormt voor de maatschappelijke en economische stabiliteit, de overheid wel mag optreden. Waarom zou dat optreden niet in handen kunnen liggen van de onafhankelijke autoriteit zoals in de vraag bedoeld?

Vraag 3

In vraag 2c was gevraagd of aangegeven kan worden hoe het systeem in Finland werkt en of dit ook in Nederland zou kunnen worden ingevoerd. Deze vragen zijn niet beantwoord. Graag ontvangen de leden alsnog de antwoorden.

Vraag 4

In het antwoord op vraag 2c staat dat «de overheid blijft inzetten op technologisch burgerschap».

4a

Op welke wijze wordt dat op dit moment vormgegeven met name op het punt van herkennen van fake-nieuws?

4b

Is de inzet en zijn de resultaten daarvan vergelijkbaar met die in Finland?

4c

In hoeverre voldoet deze inzet aan de eisen die uit het rapport van het Rathenau Instituut kunnen worden afgeleid?

Vraag 5

In vraag 2d was gevraagd of er een overzicht gegeven kan worden van hoe andere landen in Europa omgaan met het bestrijden van desinformatie. Dat overzicht is niet gegeven. Graag ontvangen de leden alsnog de gevraagde informatie.

Vraag 6

In vraag 4 werd gewezen op het gebruik van het programma «Aims» door het Israëlische «Team Joirge». De toenmalige Minister van BZK heeft toegegeven dat zulke programma’s ook kunnen worden toegepast in Nederland. Moeten de leden uit dat antwoord afleiden dat als Nederland door zo’n toepassing getroffen wordt of dreigt te worden, Nederlandse overheidsorganen geen actie kunnen ondernemen om daartegen op te treden? Zo ja, acht u dat aanvaardbaar? Zo nee, welke overheidsorganen kunnen dan welke acties ondernemen?

Vraag 7

Uit het antwoord op vraag 5 leiden de leden af dat het in die vraag geschetste scenario net zoals de leden denkbaar wordt geacht.

7a

De voormalige Minister van BZK rekent het tot de toezichttaken van de ECB, en DNB en de AFM om de in het scenario geschetste gang van zaken te monitoren. Hoe ziet u in de praktijk – waar het gaat om razendsnelle ontwikkelingen – deze instellingen in zo’n geval opereren om de ineenstorting van de ABNAmro te voorkomen?

7b

Kan in zo’n geval worden opgetreden tegen fake-filmpjes met lange rijen voor bankfilialen en daarin gegeven commentaar? Zo ja door wie en op welke wijze?

7c

In de brief van 13 juli 2023 staat dat wereldwijd door toezichthouders en overheden gekeken wordt naar welke lessen kunnen worden getrokken. Onderschrijft u het risico dat in de tussentijd – al dan niet opgezet door een kwaadaardige mogendheid of criminele organisatie – ontwikkelingen in gang kunnen worden gezet zoals in het scenario omschreven? Zo nee, waarom niet?

De commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 november 2023

Hierbij informeer ik u dat de nadere Kamervragen van de leden van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over de hernieuwde Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie, ingezonden op 4 oktober 2023 met kenmerk 172562.07U, niet binnen de gebruikelijke termijn van vier weken kunnen worden beantwoord. Vanwege de benodigde interdepartementale afstemming vraagt de beantwoording van de vragen meer tijd. Ik streef ernaar de beantwoording zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor eind november, aan uw Kamer te verzenden.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties – Digitalisering en Koninkrijksrelaties, A.C. van Huffelen

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 december 2023

Hierbij bieden wij u, mede namens de Minister van Financiën, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door de fractieleden van de PvdD over de hernieuwde Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie. Deze vragen werden ingezonden op 4 oktober 2023, met kenmerk 172562.07U.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, H.M. de Jonge

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en KoninkrijkrelatiesDigitalisering en Koninkrijksrelaties A.C. van Huffelen

172562.07U

(ingezonden 4 oktober 2023)

Nadere vragen over de hernieuwde Rijksbrede strategie voor het beschermen van het vrije en open publieke debat tegen desinformatie ingediend door de leden van de fractie van de PvdD.

Vraag 1

1a. In het antwoord op vraag 1a uit de brief van 13 juli 2023 wordt verwezen naar de kamerbrief Monitoring sociale media en naleving AVG door overheden. Moeten de PvdD-leden hieruit afleiden dat het monitoren van sociale media op het daarop verschijnen van een complottheorie altijd een handeling betreft waarop de AVG van toepassing is?

Antwoord

Nee, dat is strikt genomen niet altijd zo. De AVG is alleen van toepassing op het monitoren van sociale media als daarbij persoonsgegevens worden verwerkt. De aard van het monitoren brengt met zich mee dat daarvan wel snel sprake zal zijn. De brief waaraan werd gerefereerd ging niet alleen over de sociale media monitoring, maar daarnaast ook over het onderzoek naar de naleving van de AVG door gemeenten.

1b. In de voorgenoemde brief wordt een handreiking voor gemeenten aangekondigd. Is deze inmiddels gepubliceerd?

Antwoord

Ja.4

1c. Mag de AIVD monitoren of er op sociale media complottheorieën verschijnen? Zo nee, op grond waarvan oordeelt u dat het monitoren van complottheorieën op sociale media in het algemeen niet van overheidswege zou mogen plaatsvinden?

Antwoord

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten verrichten onderzoek naar personen, organisaties en landen waarvan een (mogelijke) dreiging uitgaat richting de nationale veiligheid. In een onderzoek van de diensten kan blijken dat bepaalde personen, organisaties of landen desinformatie verspreiden, eventueel in de vorm van complottheorieën. Deze onderzoeken vinden plaats binnen de kaders van Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) en op basis van de Geïntegreerde Aanwijzing. Vanuit die kaders hebben de diensten aandacht voor desinformatie of complottheorieën, als uit onderzoek blijkt dat sprake is van een mogelijke dreiging richting de nationale veiligheid. De diensten doen echter geen onderzoek naar het fenomeen desinformatie of complottheorieën. De diensten rapporteren hun bevindingen waar mogelijk in het openbaar en anders via de geëigende kanalen. Zie bijvoorbeeld de publicatie van de AIVD over anti-institutioneel-extremisme, waarin ook aandacht wordt besteed aan de definitie en rol van complottheorieën.

Wat betreft het tweede deel van uw vraag heb ik eerder aangegeven dat het uitgangspunt is dat de overheid niet monitort op complottheorieën als algemeen fenomeen. De aard van online monitoring brengt met zich mee dat er snel sprake is van het verwerken van persoonsgegevens. Hiervoor geldt dat aan de AVG-beginselen moet worden voldaan; dat de gebruikte grondslag de inbreuk op grondrechten die gemaakt wordt, moet kunnen rechtvaardigen; en dat er een noodzaak moet bestaan om specifieke persoonsgegevens te verwerken, bijvoorbeeld vanwege een specifieke dreiging. Achter de verspreiding van complottheorieën zitten immers niet altijd kwade intenties, maar ook zorgen en vragen. Zie verder antwoord 2a.

1d. In de brief van 13 juli 2023 staat dat «indien een complottheorie een ondermijnend effect heeft op de democratische rechtsorde» de AIVD een onderzoek mag doen. Hoe kan die dienst beoordelen of er een complottheorie rondgaat die een ondermijnend effect heeft, als de dienst niet zou mogen monitoren of er op sociale media complottheorieën verschijnen?

Antwoord

Zoals in het antwoord op vraag 1c is aangegeven, doet de AIVD onderzoek naar bepaalde personen, organisaties of landen waarvan een mogelijke dreiging uitgaat richting de nationale veiligheid. In het verlengde hiervan doet de AIVD geen onderzoek naar complottheorieën als fenomeen. De wijze waarop de diensten uitlatingen van bepaalde personen, organisaties en landen mogen monitoren, is wettelijk geregeld in de Wiv 2017.

Vraag 2

In het antwoord op vraag 1e (uit de brief die gestuurd is op 3 mei 2023) wordt niet ingegaan op de gestelde vraag.

2a. Waarom zou de instelling van een van de overheid onafhankelijke autoriteit of instelling die tot taak krijgt mis- of desinformatie te monitoren geen voldoende ruimte laten voor kritiek en het publieke debat?

Antwoord

De productie en verspreiding van desinformatie en misinformatie als zodanig zijn niet verboden; het valt binnen de vrijheid van meningsuiting. Dit vrijheidsrecht is cruciaal in en voor de democratische rechtsstaat. Het is van belang dat we het publieke debat, binnen de grenzen van de wet, vrij met elkaar kunnen voeren. Voorkomen moet worden dat een autoriteit of instelling, onafhankelijk of niet, deze vrijheid inperkt doordat het alle informatie in het algemeen monitort en vervolgens een deel van deze informatie bestempelt als desinformatie. Het idee dat een autoriteit of instelling altijd meekijkt en een oordeel velt over de aard van de informatie kan leiden tot een «chilling effect» (verstikkende effecten en mogelijke «zelfcensuur»). Van een chilling effect is sprake als het gebruik van een grondwettelijk recht – met name de vrijheid van meningsuiting – door de mogelijkheid van (juridische) sancties wordt ontmoedigd of verhinderd. Kern van de inzet van het kabinet is daarom om burgers in staat te stellen des- en misinformatie zelf te herkennen, onder andere met hulp van onafhankelijke media.

2b. Uit het antwoord valt af te leiden dat als het parlement heeft geoordeeld dat bepaalde mis- of desinformatie aantoonbaar een bedreiging vormt voor de maatschappelijke en economische stabiliteit, de overheid wel mag optreden. Waarom zou dat optreden niet in handen kunnen liggen van de onafhankelijke autoriteit zoals in de vraag bedoeld?

Antwoord

In de beantwoording van de vorige set gestelde vragen over de hernieuwde strategie aanpak desinformatie, specifiek het antwoord op vraag 1e5, staat niet dat het de taak van het parlement is om bepaalde mis- of desinformatie als zodanig te bestempelen en te beoordelen wat de dreiging van de informatie kan zijn. Het uitgangspunt is dat het bestempelen van desinformatie als zodanig en factchecken primair geen taak is van overheden, zo ook niet van het parlement.

Wanneer de nationale veiligheid, volksgezondheid, maatschappelijke en/of economische stabiliteit in het geding is, kan de overheid optreden en des- of misinformatie tegenspreken. «Optreden» kunt u hierbij lezen als «reageren op». De productie en verspreiding van desinformatie en misinformatie als zodanig zijn niet verboden, dus waar het gaat om legale vormen van des- of misinformatie kan de overheid niet zomaar een verzoek doen tot verwijdering. Daarbij geldt dat iedere overheidsorganisatie een eigen verantwoordelijkheid draagt voor het formuleren van een effectieve en gepaste reactie op des- of misinformatie waarvan de inhoud raakt aan het eigen beleidsterrein. Reageren gebeurt dus vanuit de inhoud. Dit maakt het van belang dat de verantwoordelijkheid voor het formuleren van een reactie ook ligt bij de organisatie die inhoudelijk verantwoordelijk is voor het onderwerp waar de des- of misinformatie inhoudelijk aan raakt.

Daarnaast zijn er strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrechtelijke interventies beschikbaar waarmee illegale en onrechtmatige vormen van online-materiaal kunnen worden aangepakt via een juridische weg. Dit betreft ook illegale en onrechtmatige vormen van des- of misinformatie. Voor een overzicht van deze interventies verwijs ik naar de antwoorden op eerdere Kamervragen.6

Vraag 3

In vraag 2c was gevraagd of aangegeven kan worden hoe het systeem in Finland werkt en of dit ook in Nederland zou kunnen worden ingevoerd. Deze vragen zijn niet beantwoord. Graag ontvangen de leden alsnog de antwoorden.

Antwoord

Zoals eerder genoemd in de Kamervraag 2c uit de eerdere set vragen7 is vanuit het Ministerie van OCW geen (vaste) samenwerking met Finland op dit punt.

Op basis van artikelen kan wel worden afgeleid dat Finland de afgelopen jaren proactief heeft ingezet om de weerbaarheid tegen mis- en desinformatie te versterken. Een van de belangrijkste maatregelen die Finland heeft genomen, is het integreren van multiplatform-informatievaardigheden en sterk kritisch denken in het nationale curriculum van middelbare scholen sinds 2016. Deze stap werd genomen als reactie op mis- en desinformatie afkomstig uit Rusland in 2014.

Daarnaast spelen factchecking-organisaties, zoals de Finse Faktabaari (FactBar), een cruciale rol in het onderwijs. Ze hebben professionele factcheck-methoden aangepast voor gebruik in Finse scholen en leggen de nadruk op het belang van goede onderzoeksvaardigheden en kritisch denken. Ze onderwijzen studenten over verschillende soorten misleidende informatie, waaronder onjuiste informatie, desinformatie zoals hoaxes, en desinformatie die bedoeld is om schade aan te richten.

Het kabinet is voortdurend in gesprek met andere Europese lidstaten over deze digitale uitdagingen.

Vraag 4

In het antwoord op vraag 2c staat dat «de overheid blijft inzetten op technologisch burgerschap».

4a. Op welke wijze wordt dat op dit moment vormgegeven met name op het punt van herkennen van fake-nieuws?

Antwoord

Voor informatie over de maatregelen rondom technologisch burgerschap verwijs ik u naar spoor 1 van de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie, en naar de werkagenda waardengedreven digitalisering.

b. Is de inzet en zijn de resultaten daarvan vergelijkbaar met die in Finland?

Antwoord

Zowel Nederland als Finland zetten in op onderstaande elementen:

  • Proactieve aanpak: zowel Finland als Nederland hebben proactieve maatregelen genomen om de weerbaarheid tegen mis- en desinformatie te versterken.

  • Informatievoorziening aan burgers: beide landen streven ernaar hun burgers goed te informeren om ze minder vatbaar te maken voor des- of misinformatie. Finland doet dit onder andere via factchecking-organisaties en Nederland doet dit door proactieve communicatie over het verkiezingsproces, zoals via de website «elkestemtelt.nl» en via websites zoals «isdatechtzo.nl».

  • Tot slot scoren zowel Finland als Nederland hoog in de Media Literacy Index. Finland staat op de eerste plaats, terwijl Nederland de derde plaats inneemt uit 35 getelde landen.

4c. In hoeverre voldoet deze inzet aan de eisen die uit het rapport van het Rathenau Instituut kunnen worden afgeleid?

Antwoord

Het rapport van het Rathenau Instituut benadrukt het belang van goed technologisch burgerschap, waarbij burgers in staat zijn om complexe kwesties rondom technologie te begrijpen en zichzelf te beschermen in een risicovolle wereld. Het rapport stelt dat de overheid ervoor moet zorgen dat digitale vaardigheden een prominente plaats krijgen in het lager en middelbaar onderwijs. Hierbij gaat het niet alleen om het bijbrengen van ICT-vaardigheden, maar ook om kennis en vaardigheden die weerbaarheid vergroten tegen risico’s die samenhangen met ICT en begrijpen hoe digitale technologieën de maatschappij beïnvloeden.

De inzet van Nederland, zoals beschreven, toont aan dat er stappen worden genomen om burgers te informeren en weerbaar te maken tegen desinformatie. BZK zet in op proactieve communicatie over het verkiezingsproces om burgers te informeren en minder vatbaar te maken voor des- of misinformatie. Daarnaast wordt er gewerkt aan het mediawijs maken van burgers en (mede)overheden om desinformatie te herkennen, met bijdragen van partners zoals «isdatechtzo.nl»

Echter is er steeds ruimte voor verdere uitbreiding en verdieping van de aanpak van de overheid. Dit kan bijvoorbeeld door het meer centraal stellen van publieke waarden in maatschappelijke discussies over grenzen online.

Vraag 5

In vraag 2d was gevraagd of er een overzicht gegeven kan worden van hoe andere landen in Europa omgaan met het bestrijden van desinformatie. Dat overzicht is niet gegeven. Graag ontvangen de leden alsnog de gevraagde informatie.

Antwoord

Het Ministerie van BZK houdt zelf geen overzicht bij van de strategieën van andere lidstaten. Voor een dergelijk overzicht wijs ik u door naar verschillende rapporten hierover van het European Digital Media Observatory (EDMO).8

Vraag 6

In vraag 4 werd gewezen op het gebruik van het programma «Aims» door het Israëlische «Team Joirge». De toenmalige Minister van BZK heeft toegegeven dat zulke programma’s ook kunnen worden toegepast in Nederland. Moeten de leden uit dat antwoord afleiden dat als Nederland door zo’n toepassing getroffen wordt of dreigt te worden, Nederlandse overheidsorganen geen actie kunnen ondernemen om daartegen op te treden? Zo ja, acht u dat aanvaardbaar? Zo nee, welke overheidsorganen kunnen dan welke acties ondernemen?

Antwoord

Nee, dit moet niet uit het antwoord worden afgeleid. Als Nederland wordt getroffen door een dergelijke toepassing en deze zorgt voor overtredingen gebaseerd op het strafrecht of civiele recht, dan kan Nederland optreden. Hiervoor verwijs ik nu naar de antwoorden op eerder gestelde vragen.9 Voor meer informatie over de weerbaarheid van het verkiezingsproces en de acties die overheidsorganen kunnen nemen bij de verspreiding van desinformatie verwijs ik u naar de Kamerbrief Weerbaarheid verkiezingsproces Tweede Kamerverkiezing 22-11-2023.10

Tot slot verplichten de Digital Services Act (DSA) en de Praktijkcode tegen Desinformatie zeer grote online platforms om risico’s die voortvloeien uit hun diensten te identificeren en te beperken. Onder deze risico’s valt ook de verspreiding van desinformatie. Enkel de Europese Commissie is bevoegd op het handhaven van de verplichtingen uit de DSA. Voor de acties die de Europese Commissie kan ondernemen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4 uit de set eerder gestelde vragen.11

Vraag 7

Uit het antwoord op vraag 5 leiden de leden af dat het in die vraag geschetste scenario net zoals de leden denkbaar wordt geacht.

7a

De voormalige Minister van BZK rekent het tot de toezichttaken van de ECB, en DNB en de AFM om de in het scenario geschetste gang van zaken te monitoren. Hoe ziet u in de praktijk – waar het gaat om razendsnelle ontwikkelingen – deze instellingen in zo’n geval opereren om de ineenstorting van de ABNAmro te voorkomen?

Antwoord

In het kader van hun toezichthoudende taken monitoren de ECB en DNB relevante ontwikkelingen en signalen met betrekking tot kapitaal- en liquiditeitsposities. Als vooraf gestelde grenswaarden geraakt worden treedt het «herstelplan» van de betreffende bank in werking. In dit plan staan de strategie en acties omschreven die een bank zelf neemt om haar financiële positie te verbeteren in periodes van financiële stress. Het plan houdt rekening met verschillende scenario’s en gaat in op de financiële, operationele en communicatiestrategie. Dit plan wordt periodiek in een dialoog beoordeeld en goedgekeurd door de toezichthouders. Als de positie van de bank verder verslechtert kan de toezichthouder aanvullende maatregelen nemen om het tij bij de bank te keren. Als het tij niet gekeerd kan worden en de bank faalt, bepaalt de resolutieautoriteit of de bank in faillissement gaat of in resolutie geplaatst wordt.

De AFM houdt toezicht op de kapitaalmarkten en op de financiële ondernemingen die op deze markten actief zijn. Zo borgt zij de integriteit en ordelijke werking van de financiële markten en de bescherming van consumenten en beleggers. Daarvoor monitort de AFM de handel in financiële instrumenten en ziet zij toe op de bedrijfsvoering van handelsplatformen. In geval van significante koersbewegingen kan een handelsplatform of de AFM-maatregelen treffen, zoals het tijdelijk stil leggen van de handel in een financieel instrument.

Naast de maatregelen die toezichthouders kunnen nemen uit hoofde van hun toezicht, hebben zij ook een belangrijke rol in het herstellen van vertrouwen. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door het ontkrachten van mis- en desinformatie en het benadrukken van de financiële gezondheid van de betreffende bank. Op dit moment zet DNB, in samenwerking met de bankensector, bijvoorbeeld in op actieve voorlichting rondom het Depositogarantiestelsel (DGS). Publieksbekendheid met het DGS kan in een voorkomend geval de kans verkleinen dat een «bankrun» op gang komt wanneer een instelling in de problemen is of wanneer er hierover desinformatie wordt verspreid. Dat kwam ook afgelopen voorjaar naar voren, naar aanleiding van de onrust in de internationale bankensector. De actieve voorlichting door DNB bestaat uit diverse uitingen (artikelen, explainers) op sociale media en via haar website.

7b

Kan in zo’n geval worden opgetreden tegen fake-filmpjes met lange rijen voor bankfilialen en daarin gegeven commentaar? Zo ja door wie en op welke wijze?

Antwoord

Reageren op fake filmpjes in brede zin ligt bij verschillende toezichthouders en instanties. In de Rijksbrede strategie voor de aanpak van desinformatie is afgesproken dat ieder ministerie en verschillende overheden verantwoordelijk zijn voor het formuleren van een effectieve en gepaste reactie, dus met respect voor de vrijheid van meningsuiting, wanneer desinformatie raakt aan het eigen beleidsterrein. In een dergelijk scenario zouden dat het Ministerie van Financiën of de betrokken toezichthouders zijn.

De AFM houdt toezicht op de handel in financiële instrumenten in of vanuit Nederland. Zij monitort daartoe de markten waarop die handel plaatsvindt en kan meldingen ontvangen van verdachte of afwijkende transacties die marktpartijen en exploitanten van handelsplatformen verplicht zijn om te melden aan de AFM. Op basis daarvan, of naar aanleiding van signalen van onjuiste informatie of (online) uitingen over financiële instrumenten, zogeheten beleggingsaanbevelingen, kan de AFM een (voor)onderzoek starten, waaruit kan blijken dat er daadwerkelijk sprake is van marktmanipulatie of een andere vorm van marktmisbruik. In dat geval kan de AFM handhavend optreden.

7c

In de brief van 13 juli 2023 staat dat wereldwijd door toezichthouders en overheden gekeken wordt naar welke lessen kunnen worden getrokken. Onderschrijft u het risico dat in de tussentijd – al dan niet opgezet door een kwaadaardige mogendheid of criminele organisatie – ontwikkelingen in gang kunnen worden gezet zoals in het scenario omschreven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Regelgevers en toezichthouders trekken wereldwijd inderdaad lessen uit de onrust in de bankensector afgelopen voorjaar en bekijken momenteel in hoeverre en in welke vorm deze lessen om vervolgactie vragen. Zo heeft DNB recent in het Overzicht Financiële Stabiliteit (OFS)12 van het najaar 2023 haar lessen uiteengezet. Deze maand heeft ook het Bazels Comité (de mondiale standaardzetter voor bankentoezicht) een rapport met eerste lessen gepubliceerd13. Eén van deze lessen is bijvoorbeeld dat de onrust wederom bevestigt dat DGS-dekking een belangrijke factor is bij het voorkomen van onrust zoals bankruns. Bij Nederlandse banken is veruit het grootste deel DGS-gedekt terwijl dit bij de SVB en Credit Suisse minder het geval was. Dit bevestigt waarom eerder genoemde initiatieven zoals proactieve communicatie over het DGS relevant zijn.

Ook heeft de recente onrust laten zien dat het risico op bankruns door digitalisering en sociale media is toegenomen. (Slecht) nieuws verspreidt zich door sociale media sneller en door digitalisering zijn deposito’s vluchtiger geworden dan eerder verondersteld. Daarom heeft de Minister van Financiën haar non-paper, welke zij op 26 april met de Kamer heeft gedeeld, ook gepleit voor een herziening van het liquiditeitsraamwerk om zo beter rekening te houden met de toegenomen vluchtigheid van deposito’s. Dit non-paper heeft zij tevens in de Eurogroep gedeeld. Dezelfde les krijgt ook aandacht in andere internationale fora en is onlangs ook door DNB-president Klaas Knot aangehaald tijdens het International Banking Summit te Bazel.14

Hoewel er momenteel dus verbeterpunten worden geïdentificeerd, is tegelijkertijd ook gebleken dat er op dit moment sprake is van adequaat risicomanagement door banken in Nederland en van effectief toezicht daarop. Dit wordt ook in het OFS benadrukt. Naast de geldende liquiditeitseisen voor alle Europese banken, kijkt DNB als toezichthouder ook naar liquiditeitsrisico’s van individuele banken. Indien nodig, kan DNB additionele maatregelen opleggen aan banken. Zoals aangegeven in het OFS-voorjaar 2023 gebruikt DNB deze mogelijkheid ook in de praktijk. Daarmee wordt beoogd om risico’s waarnaar door de leden wordt verwezen, te ondervangen.


X Noot
1

Samenstelling:

Lagas (BBB) (voorzitter), Kroon (BBB),Van Langen (BBB), Fiers (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Janssen-Van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Rovers (GroenLinks-PvdA), Van den Berg (VVD), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Doornhof (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66), Van Meenen (D66), Van Hattem (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Kox (SP), Talsma (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken I 2023/24, 35 295, AN.

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, 35 295, AN.

X Noot
5

Kamerstukken I 2022–2023, 289094.

X Noot
6

Kamerstukken I, 2022–2023, 35 295, AK.

X Noot
7

Kamerstukken I 2022–2023, 289094.

X Noot
9

Kamerstukken I 2022–2023, 35 295, AK.

X Noot
10

Kamerstukken II, 2023–2024, 35 165, nr. 64.

X Noot
11

Kamerstukken I 2022–2023, 289094.

Naar boven