35 261 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de herziening van afdeling 2.3 van die wet (Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT / ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING1

Vastgesteld 21 juni 2022

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met de herziening van afdeling 2.3. van die wet (Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer). Graag stellen de leden de regering enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel Wet modernisering elektronisch verkeer. Zij hebben daarover enkele vragen. De leden van de 50PLUS-fractie sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en hebben hierover nog enkele vragen. De leden verzoeken op alle (sub)vragen afzonderlijk te antwoorden. De leden van de 50PLUS-fractie sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van de PvdD-fractie.

2. Papieren weg

Overwegende dat het van belang is dat burgers desgewenst via de papieren weg met de overheid kunnen blijven communiceren; in hoeverre regelt het gewijzigde voorstel van wet dat die mogelijkheid niet alleen voor de Awb, maar ook voor alle bijzondere wetten blijft bestaan, vragen de leden van VVD-fractie de regering.

De regering stelt dat voorliggend wetsvoorstel, een wijzing van de Awb, ervoor zorgt dat de papieren weg en de digitale/elektronische weg naast elkaar blijven bestaan. Maar via een bijzondere wet kan van dit beginsel worden afgeweken en het gebruik van de elektronische weg toch verplicht worden gesteld. Gelukkig niet meer via een AMvB, zoals in het oorspronkelijk wetsvoorstel stond. Nu kan men zeggen dat daar het parlement dus altijd nog over kan oordelen, maar waarom wordt überhaupt die afwijkingsmogelijkheid gecreëerd? Juist om de harmonisatie en samenhang in wetgeving te bevorderen bestaan algemene wetten als de Awb. Ligt het daarom niet veel meer voor de hand, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, om het recht van de burger – als natuurlijke persoon, maar ook als ondernemer/zzp’er – op niet-digitale communicatie met de overheid in de Awb vast te leggen? Wanneer een papieren weg niet meer voor de hand zou liggen, dan moet dat in een bijzondere wet duidelijk worden gemotiveerd en dient er altijd een laagdrempelige, toegankelijke niet-digitale weg voor burgers open staan. Is de regering dat met de leden van de PvdA-fractie eens?

Aanvankelijk was in het wetsvoorstel opgenomen dat «bij of krachtens de wet het gebruik van de elektronische weg kan worden voorgeschreven.». De regering heeft na kritiek van de Raad van State gekozen voor het schrappen van die bepaling. Blijkens de memorie van toelichting geldt nu «dat wordt uitgegaan van nevenschikking van de papieren en de elektronische weg.».2 De Raad van State adviseerde om het recht van burgers om via de papieren weg met de overheid te communiceren uitdrukkelijk in de Awb te formuleren: «De Afdeling adviseert dan ook in de Awb vast te leggen dat burgers, als zij dat wensen, contact met de overheid moeten kunnen onderhouden door communicatie op papier.». De leden van de PvdD-fractie vragen de regering waarom dat niet op die wijze uitdrukkelijk als «recht» in de Awb is geformuleerd? Beschikt de regering over cijfers waaruit blijkt dat de opmerking van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak in haar consultatie, dat Nederland een groep van 2,5 miljoen laaggeletterden kent, op onjuiste gegevens berust? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, vereist de bescherming van die groep dan niet juist dat een fundamenteel recht op papieren contact met de overheid in de Awb dient te worden geformuleerd?

Het tweede lid van artikel 2:7 van het voorstel, waarin gesproken wordt over «een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht», heeft betrekking op berichten die door de overheid aan burgers («geadresseerden») worden gezonden. Uit welke bepaling blijkt dat het gebruik van de elektronische weg voor berichten aan bestuursorganen niet mag worden voorgeschreven?

Blijkens de memorie van toelichting laat de regering de mogelijkheid uitdrukkelijk open dat bij bijzondere wet toch de elektronische weg wordt voorgeschreven. «Afwijking van de Awb, een algemene wet, moet in de bijzondere wet dan uitdrukkelijk worden vermeld en moet worden voorzien van een dragende motivering.».3

Met de «dragende motivering» wordt bedoeld dat voor het specifieke geval de noodzaak daarvan moet worden onderbouwd op basis van een afweging van het belang bij het afsnijden van de papieren weg tegenover het belang van de burgers die in het kader van de wetstoepassing berichtenverkeer met de overheid dienen te hebben. In de memorie van toelichting wordt dit aldus verwoord: «Daar waar, in afwijking van de Awb, in bijzondere wetten wordt gekozen voor de verplichte elektronische verzending van een bericht, bijvoorbeeld via een specifiek webformulier, zal moeten worden onderbouwd dat dat voor de doelgroep een verantwoorde keuze is en zal moeten worden onderzocht of voor een beperkte groep een uitzondering op de verplichting moet worden gemaakt.». Deelt de regering het oordeel van de leden van de fractie van de PvdD dat in de memorie van toelichting van de bijzondere wet de «noodzaak» moet worden aangetoond en dus de proportionaliteitsweging, moet zijn opgenomen, wat ook volgt uit artikel 2.46 eerste lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving («In bijzondere wetten wordt alleen afgeweken van algemene wetten, indien dit noodzakelijk is. Een afwijking wordt in de memorie van toelichting bij de bijzondere wet gemotiveerd.»). Zo nee, op grond van welke overwegingen komt de regering dan tot dat ontkennende antwoord? Zo ja, hoe verdraagt zich met artikel 2.46, eerste lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving dat de toetsing van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het afsnijden van de papieren weg en de afweging met het oog op belangen van bijzondere groepen van burgers (bijvoorbeeld van laaggeletterden) wordt verschoven naar het vaststellen van gedelegeerde wetgeving?

Waar is de motivering als voorgeschreven in artikel 2.46, eerste lid van de Aanwijzingen voor de regelgeving te vinden voor het verplicht mogen voorschrijven van de elektronische weg in de Omgevingswet (artikel XI), en in de overige wetten die genoemd worden in de artikelen II t/m XXXIII van het voorstel, voor zover daarbij wordt voorzien in de mogelijkheid dat het bestuurlijk verkeer alleen elektronisch zal mogen plaatsvinden?

3. Digitale communicatie

In hoeverre wordt met deze wet voldoende tegengegaan dat er een wildgroei aan overheidsinboxen ontstaat, aangezien het nu al zo is dat sommige overheidsorganen naast MijnOverheid.nl een eigen berichtenbox hanteren? De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat het risico op het «missen» van communicatie van de overheid als deze digitaal plaatsvindt groter wordt (bijvoorbeeld als men van emailadres veranderd of gehackt is en vanwege het feit dat er geen digitale variant van de aangetekende brief bestaat). Zo kunnen burgers in grote moeilijkheden komen. Is het aanpassen van het emailadres voldoende eenvoudig en laagdrempelig geregeld? Hoe gaat de regering het ontbreken van digitale aangetekende post ondervangen zodat dit niet leidt tot toenemende risico’s voor burgers om in de problemen te komen door het missen van digitale overheidscommunicatie.

Goede digitale communicatie van de overheid met burgers kan de dienstverlening door de overheid verbeteren en is daarom een groot goed. Maar de leden van de PvdA-fractie vrezen dat door dit wetsvoorstel toegankelijke communicatie met de overheid voor grote groepen burgers die digitaal niet of minder zelfredzaam zijn juist bemoeilijkt. Kan de regering die vrees wegnemen?

Kan de regering een overzicht geven van (bijzondere) wetten of aanhangige wetsvoorstellen, waarin nu al dwingend het gebruik van de elektronische weg wordt voorgeschreven? En hoe is in die gevallen voorzien in een laagdrempelige, toegankelijke niet-digitale weg?

Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de burger niet wordt geconfronteerd met een onoverzichtelijke hoeveelheid verschillende manieren van digitale communicatie door de overheid? Voorkomen moet worden dat de burger die, soms met enige moeite, de weg heeft weten te vinden op MijnOverheid.nl bij andere inboxen wordt geconfronteerd met een geheel andere manier om berichten te kunnen lezen. Is de regering het daar mee eens? Hoe gaat de regering er voor zorgdragen dat de verschillende bestuursorganen niet allemaal hun eigen type overheidsinboxen hebben? Kan de regering bevestigen dat het aangekondigde Federatief Berichten Stelsel per 1 januari 2024 gereed is? En voorkomt dit Stelsel dat burgers met allerlei notificaties van verschillende overheidsberichtenboxen worden geconfronteerd?

4. Verkeer met bestuursorganen

Artikel 2:1, eerste lid van het voorstel voorziet in een fundamentele bepaling van algemeen bestuursrecht die een veel ruimer bereik heeft dan voor het elektronisch bestuurlijk verkeer.

Waarom is de Afdeling advisering van de Raad van State niet om advies gevraagd omtrent deze bepaling en is deze niet in consultatie voorgelegd aan de Nationale ombudsman en de Raad voor de Rechtspraak, terwijl het om een fundamentele aanpassing van de Awb gaat en de regering zelf opmerkt dat de naleving van deze bepaling in handen ligt van de bestuursrechter en de ombudsman?4

Kan de regering met concrete voorbeelden illustreren op welke wijze de naleving kan worden gesanctioneerd? Is het zo dat als een burger een aanvraag te laat of verkeerd indient en er blijkt dat met de nodige ondersteuning van de zijde van het bestuur dat gebrek had kunnen worden voorkomen, dat gebrek niet voor zijn risico komt?

Blijkens de memorie van toelichting kan de «ondersteuning bestaan uit generieke voorzieningen in de vorm van bijvoorbeeld het verschaffen van digitale informatie via een website of app, al dan niet aangevuld met het leveren van maatwerk door een meer individuele (persoonlijke) benadering, bijvoorbeeld via digitale chat of ondersteuning via de telefoon of aan de balie om vraagverheldering of doorverwijzing te realiseren.».5

Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdD eens dat het aan de bestuursrechter en de ombudsman is om te bepalen welke vorm van ondersteuning in een gegeven geval van het bestuursorgaan had mogen worden verlangd?

Welke stappen worden ondernomen om het ertoe te leiden dat een ambtelijke cultuur ontstaat waarin naleving van artikel 2:1, eerste lid van het voorstel tot het ambtelijke ethos wordt gerekend?

5. Algemeen e-mailadres

De Raad van State wijst op het belang van standaardisering met betrekking tot de elektronische bereikbaarheid van bestuursorganen voor e-mailverkeer met burgers. De Afdeling wijst daarbij op het voorstel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om bestuursorganen te verplichten tot het openen van een algemeen e-mailadres (van het type info@bestuursrogaanX.nl). Dit wordt door de regering afgewezen met als argument dat het algemene bestuurs(proces)recht zich, gezien aard en karakter, minder leent voor standaardisering. Is de regering het eens met de leden van de fractie van de PvdD dat de Algemene wet bestuursrecht juist tot doel heeft om tot harmonisering en standaardisering te komen en dat een voorstel zoals dat van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak juist bij uitstek past bij het doel van de Awb? Welke nadelen zijn er volgens de regering verbonden aan het volgen van dat voorstel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak? Waarom zou standaardisering van e-mailbereikbaarheid «niet toekomstbestendig zijn»? In welk opzicht verschilt in de visie van de regering het hanteren van een algemeen e-mailadres van het bestuursorgaan van het gebruiken van een algemene postbus die voor postverkeer door het bestuursorgaan al decennia wordt gebruikt?

Als het uitgangspunt is dat ook altijd de papieren weg mag worden gevolgd, waarom zou dan ook niet uitgangspunt kunnen zijn dat burgers die de informatie over de wijze van digitale communicatie niet goed begrijpen, of in de war zijn geraakt, of niet vaardig genoeg zijn om uit te zoeken welke wijze het bestuursorgaan heeft vastgesteld met betrekking tot het indienen van berichten, altijd terecht kunnen op het algemene e-mailadres? Kan de regering daarop reflecteren?

6. Vindplaats

De regering wijst op de kenbaarheid voor burgers van het elektronisch kanaal dat zij moeten gebruiken in het verkeer met het bestuursorgaan omdat de vaststelling daarvan bij besluit geschiedt als bedoeld in artikel 2:13, tweede lid. Dat besluit is kenbaar via «een algemene, officiële bekendmaking, in bijvoorbeeld het Gemeenteblad of de Staatscourant, die tevens centraal ontsloten wordt via https://www.officielebekendmakingen.nl. Aldus is duidelijk en gemakkelijk vindbaar welke kanalen in welke gevallen wel en niet gebruikt mogen worden.».6 Kan de regering de PvdD-fractieleden uitleggen hoe zij tot het oordeel komt dat voor een gemiddelde Nederlandse burger het «duidelijk en gemakkelijk vindbaar» wordt geoordeeld welke besluiten een bestuursorgaan op grond van artikel 2:13, tweede lid zal hebben genomen? Kan zij daarbij ook betrekken hoe de 2,5 miljoen laaggeletterden geacht worden hun zoektocht op dit punt te realiseren?

7. Lokale bestuursorganen

Blijkens artikel 2:13, tweede lid moet het bestuursorgaan voor elke bevoegdheid die vervat is in de diverse door dat orgaan uit te voeren regelingen vaststellen op welke wijze burgers daarop betrekking hebbende berichten dienen te verzenden. Dat kan per vergunning, ontheffing, aanwijzing, last, toelage, subsidie, uitkering enz. verschillen.

Is de regering nagegaan of alle provinciale en gemeentelijke bestuursorganen al voor alle procedures die betrekking hebben op vergunningen, beschikkingen en andere besluiten die op dit moment nog op papier kunnen plaatsvinden, heeft vastgesteld of en zo ja op welke wijze een digitale weg is opengesteld? Zo nee, hoe is de regering er zeker van dat artikel 2:13, tweede lid uitvoerbaar is, nu in die bepaling een wettelijke verplichting is opgenomen om voor alle bevoegdheidsuitoefeningen vast te stellen welke digitale weg open staat, zo vragen de leden van de PvdD-fractie.

Wat is juridisch de status als met betrekking tot een procedure die betrekking heeft op een vergunning, ontheffing, aanwijzing, last, toelage, subsidie, uitkering enz. het bestuursorgaan de uit artikel 2:13, tweede lid voortvloeiende verplichting niet is nagekomen? Welke wijze van verzending van een bericht door de burger aan het bestuursorgaan (zoals een verzoek, aanvraag, klacht, zienswijze, bezwaar enzovoorts) is dan wettelijk toelaatbaar?

Is het juist dat volgens de eerste volzin van het eerste lid van artikel 2:16 die bepaling niet van toepassing is indien het bestuursorgaan heeft nagelaten voor een bepaald bericht een wijze van verzending vast te stellen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat dan tot het bepaalde in het eerste lid onder c?

8. Zienswijze

In artikel 2:16, eerste lid onder b is een waarborg opgenomen dat een verkeerd elektronisch verzonden bezwaarschrift of administratief beroepschrift niet terzijde kan worden gelegd en niet mag worden volstaan met een enkele mededeling aan de verzender. Het belang dat hiermee beschermd wordt, geldt evenzeer voor gevallen waarin een zienswijze is ingediend die een voorgeschreven eerste stap is in het rechtsbeschermingstraject, zoals bij wetgeving waarin bepaald is dat beroep slechts mogelijk is als tijdig een zienswijze was ingediend. Waarom, zo vragen de leden van de PvdD-fractie, is in het eerste lid onder b niet ook zo’n zienswijze opgenomen?

9. Beschikkingen

Het ontwerp sluit voor bepaalde diep ingrijpende beschikkingen niet uit dat kennisgeving daarvan uitsluitend via elektronische weg mag plaatsvinden.

De Raad van State werpt in zijn advies de vraag op of voor sommige beschikkingen niet zou moeten gelden dat deze in ieder geval ook via de papieren weg aan de betrokkene zouden moeten worden gezonden. Daarbij is immers bij aangetekende verzending gewaarborgd dat de kennisgeving de betrokkene zal kunnen bereiken.

Waarom acht de regering de langs die weg beschermde rechtszekerheid niet van voldoende belang om bij diep ingrijpende beschikkingen voor te schrijven dat deze ook via de papieren weg aan de geadresseerde dienen te worden gezonden, vragen de PvdD-fractieleden.

Zelfs van een bestuurlijke boete – een strafvervolging als bedoeld in artikel 6 EVRM – zou via een e-mailbericht kennis mogen worden gegeven. De Raad voor de Rechtspraak heeft daartegen bedenkingen geuit. Kan de regering daarop reflecteren? Hoe beoordeelt de regering de kans dat het langs elektronische weg kennisgeven van een bestuurlijke boete straks door de rechter in strijd met artikel 6 EVRM of met een algemeen rechtsbeginsel wordt geoordeeld?

10. Risico

De Raad van State wijst er in zijn advies op dat risico’s van e-mailverkeer eenzijdig worden neergelegd bij de burger, zo lezen de leden van de PvdD-fractie.

Is het zo dat als een burger – zonder dat hij dat weet – kampt met een volle elektronische postbus zodat berichten hem niet bereiken, het risico draagt als een voor hem belangrijk overheidsbesluit naar zijn box was verzonden maar hij daarvan niet tijdig kennis heeft kunnen nemen?

Is het zo dat als een burger in een bepaald jaar e-mailverkeer heeft gehad met een bestuursorgaan, enkele jaren later ambtenaren ervan mogen uitgaan dat zij naar het in dat jaar door de burger gebruikte e-mailadres berichten mogen verzenden?

Is het zo dat als een burger verzuimd heeft om bij een bestuursorgaan waarmee hij e-mailverkeer heeft gehad, aan te geven dat hij dat e-mailadres niet meer gebruikt, het voor zijn risico komt als een besluit naar het «oude» e-mailadres is verzonden en dat – als hij er pas na verloop van een bezwaar- of indieningstermijn achter komt dat aan hem een beslissing was verzonden – aan die burger mag worden tegengeworpen dat hij te laat is?

11. Niet tijdig beslissen

In een aantal gevallen verbindt de wet rechtgevolgen aan het stilzitten van een bestuursorgaan. Een uitblijven van een beslissing kan onder omstandigheden ertoe leiden dat van rechtswege een vergunning gaat gelden of dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt wegens te laat beslissen. Ook bij meldingen (die onder de Omgevingswet vaak aan de orde zullen zijn) kunnen aan stilzitten gevolgen worden verbonden.

Volgens het ontwerp kan het rechtsgevolg niet ontstaan als de aanvraag, de kennisgeving of de melding langs de voorgeschreven elektronische weg is gedaan maar de burger geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen. De leden van de PvdD-fractie vragen de regering of dit ook geldt als de aanvraag, kennisgeving of melding niet alleen elektronisch is gedaan maar ook per post?

Indien bijvoorbeeld de dwangsom wegens niet tijdig beslissen pas aan de orde kan zijn als de ontvangst van elektronische aanvraag, kennisgeving of melding is bevestigd, wat is dan de rechtspositie van de burger als er geen ontvangstbevestiging wordt gegeven? In hoeverre is dan het doel van de wettelijke regeling die bescherming biedt tegen stilzitten nog realiseerbaar? Zo lang er geen ontvangst bevestigd wordt, gaan er immers geen sancties tegen het bestuursorgaan werken? Is de regering het met de fractie van de PvdD eens dat het wetsvoorstel op dit punt de wettelijke voorzieningen die burgers tegen stilzitten beschermen tot een dode letter maakt?

12. Notificatie

De Raad van State adviseert te bepalen dat een beslissing om geen notificatie te ontvangen slechts voor een bepaalde tijd geldig is.

Waarom zou dit – zoals in de reactie van de regering op dit advies wordt geschreven – «wat betreft juridische en praktische consequenties onduidelijk en onwerkbaar zijn», vragen de leden van de PvdD-fractie.

13. Aanbevelingen Raad van State

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State was bijzonder kritisch. Veel van de kritiekpunten heeft de regering naast zich neergelegd. Het ontwerp zoals het aan de Tweede Kamer is voorgelegd, week redactioneel geheel af van het ontwerp waarover het advies ging. De nummering werd veranderd, er kwamen bepalingen bij en bepalingen werden gewijzigd. Het ontwerp zoals het vervolgens aan de Eerste Kamer is voorgelegd, wijkt daar weer van af. De leden van de fractie van de PvdD hebben behoefte aan een overzicht waarbij per artikel en zo nodig per lid, wordt gemeld in hoeverre dat overeenstemt met de aanbevelingen van de Raad van State. Is de regering bereid dat te verschaffen?

14. Pilots

Welke lessen (positief en negatief) zijn er inmiddels voortgekomen uit de uitgezette pilots bij gemeenten, provincies en waterschappen, zo vragen de VVD-fractieleden?

15. Financiën

De regering stelt dat met dit wetsvoorstel de zorgplicht van de overheid bij zowel digitale als niet-digitale communicatie wordt versterkt. Kunnen de verschillende overheden dit wel aan, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Kan de regering aangeven welk extra bedrag per gemeente structureel beschikbaar wordt gesteld en waarom dit voldoende is om – via steunpunten – die zorgplicht waar te maken?

De leden van de PvdA-fractie hebben begrepen dat dit wetsvoorstel er in voorziet dat de gelden die ten behoeve van Informatiepunten Digitale Overheid (IDO) door bibliotheken worden ingesteld vanaf 2023 via het gemeentefonds lopen. Is dit correct? Zo nee, hoe worden de IDO’s dan wel gefinancierd? Zo ja, hoe is gegarandeerd dat de gemeenten deze aan het gemeentefonds toegevoegde gelden ook daadwerkelijk aan IDO’s besteden? Indien deze garantie ontbreekt: hoe denkt de regering dat de laagdrempelige wijze waarop mensen hulp kunnen krijgen in hun digitale contact met de overheid dan is verzekerd?

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning ziet met belangstelling uit naar de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit voorlopig verslag.

De voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich

De griffier van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Bezaan (VVD), Van den Berg (VVD), Crone (PvdA), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (Fractie-Frentrop), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Talsma (CU) en Dessing (FVD).

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 4.

X Noot
3

Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 7.

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 39.

X Noot
5

Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 39.

X Noot
6

Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 4, p. 12.

Naar boven