Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035213 nr. 7

35 213 Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 21 oktober 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel I, onderdeel F, onder 1, wordt toegevoegd «en «en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering had»».

B

Aan artikel I, onderdeel H, wordt toegevoegd «en «en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had»».

C

In artikel I, onderdeel HH, onderdeel 2 wordt na «In het eerste lid» ingevoegd «, onderdeel b,» en wordt na «binnen vijf jaar» toegevoegd «en «en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt»».

D

In artikel I wordt na onderdeel HH een onderdeel ingevoegd, luidende:

HHa

In artikel 3:22, vierde lid, vervalt «niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen,».

E

In artikel I, onderdeel UU, wordt het voorgestelde artikel 8:8 als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «op de dag voor inwerkingtreding van de wet» vervangen door «in

de maand voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de wet»

b. In onderdeel b wordt «in de maand van inwerkingtreding van die wet» vervangen door «in de daaropvolgende maand».

2. In het tweede lid wordt «voor inwerkingtreding van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet» vervangen door «op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet», wordt «inwerkingtreding van die wet» vervangen door «inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van die wet» en wordt «het inkomen per dag» vervangen door «het gemiddelde inkomen per dag».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het

inkomen, bedoeld in artikel 2:6 dan wel artikel 3:48, achtste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel OO, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet.

F

In artikel I, onderdeel WW, wordt in het voorgestelde artikel 8:10d na «De artikelen 1a:10, 2:17 en 3:21, zoals deze luidden op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding» ingevoegd «van artikel I, onderdelen F, H en HH».

G

In artikel II, onderdeel 2, wordt in het voorgestelde achtste lid na «op of na de datum van inwerkingtreding» ingevoegd «van artikel II».

H

Na artikel WW wordt een artikel ingevoegd, luidende:

XX

Na artikel 8:10d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

8:10e. Overgangsbepaling in verband met artikel 3:22, vierde lid

Artikel 3:22, vierde lid, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel HHa, van de wet van PM tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. PM), blijft van toepassing op de jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering meer dan vier weken voor dat tijdstip, in verband met artikel 3:19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken.

TOELICHTING

Wijziging in het recht op herleven van de Wajong

In het wetsvoorstel is opgenomen dat herleving van de Wajong tot de pensioengerechtigde leeftijd (de uitbreiding van de herlevingstermijn) alleen van toepassing is als de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de jonggehandicapte eerder recht op arbeidsondersteuning had.1

Als een jonggehandicapte zijn werk verliest door een oorzaak die niet voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had, herleeft het recht op Wajong niet. De regering constateert, net als leden van de Tweede Kamer, dat dit ertoe kan leiden dat de angst van jonggehandicapten om te gaan werken blijft bestaan.2 Dit is niet in lijn met het doel van het wetsvoorstel om belemmeringen voor participatie weg te nemen. Daarom worden de regels voor het herleven van het recht op een Wajong-uitkering met deze wijziging verbreed. Het gaat om het verbreden van de regels voor het herleven van het recht op een Wajong-uitkering waarbij uitval niet langer te herleiden hoeft te zijn naar de oorzaak op grond waarvan een jonggehandicapte eerder recht op inkomens- en arbeidsondersteuning had. Een verschil in de regels voor het herleven van het recht tussen de Wajong en andere arbeidsongeschiktheidswetten is gerechtvaardigd vanwege het verschil in doelgroep. De Wajong is een afzonderlijke voorziening tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid voor personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op een tijdstip dat zij vanwege de jeugdige leeftijd nog niet konden deelnemen aan betaalde arbeid.

Bij het beoordelen van het recht op herleving van de Wajong-uitkering speelt de oorzaak op grond waarvan een jonggehandicapte eerder recht op inkomens- en arbeidsondersteuning daardoor niet langer een rol. Als blijkt dat een jonggehandicapte ook recht heeft op een WIA-uitkering, wordt de Wajong-uitkering alleen uitbetaald als deze hoger is dan de WIA-uitkering. Dit is ook in de huidige situatie het geval.

Over het algemeen komt het weinig voor dat het recht op Wajong eindigt. Daarmee is ook het aantal mensen dat in aanmerking komt voor het herleven van het recht beperkt. De financiële consequenties van het aanpassen van de regels voor het herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de «oude Wajong» tot 2010 (hierna: oWajong) en Wajong2010 zijn daarom naar verwachting nihil.

Overige wijzigingen

Deze nota van wijziging bevat voorts een aantal technische verbeteringen van het voorgestelde artikel 8:8. In onderdeel 1 wordt «op de dag» vervangen door «in de maand van». De reden hiertoe is dat alleen zicht is op het inkomen over de gehele maand. Het is niet mogelijk en ook niet noodzakelijk om te bezien in welke dagen van die maand het inkomen is genoten. Zolang de jonggehandicapte in december inkomen had en in januari nog steeds inkomen heeft wordt een garantiebedrag vastgesteld. In onderdeel 2 wordt aan het tweede lid toegevoegd dat het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde inkomen over de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode. Dit is conform de toelichting bij het overgangsregime op pagina 20 van de memorie van toelichting. In onderdeel 3 is toegevoegd dat onder inkomen in artikel 8:8 wordt verstaan het inkomen als bedoeld in artikel 2:6 dan wel artikel 3:48, achtste lid, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel OO, van het wetsvoorstel. Dit betekent dat het voor Wajonger2010 gaat om het inkomen, bedoeld in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en voor oWajongers om het inkomen, bedoeld in de Regeling samenlooparbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Daarnaast voorziet onderdeel H in overgangsrecht met betrekking tot het gewijzigde artikel 3:22, vierde lid. Voor de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering meer dan vier weken voor de inwerkingtreding van deze wet is ingetrokken, en die binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, blijft de voorwaarde bestaan dat voor aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

De Staatssecretaris van Sociale Zakenen Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 35 213, nr. 3, p. 12.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 35 213, nr. 6.