Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935162 nr. 2

35 162 Initiatiefnota van het lid Van den Hul over «Gelijke Kansen, een leven lang»

Nr. 2 INITIATIEFNOTA

Inhoudsopgave

blz.

 

Inleiding

2

Voorstellen

 
 

1.

Een eerlijke start

3

 

Voorschoolse voorzieningen voor ieder kind (2–4 jaar)

 

2.

Kanjers voor de klas

4

 

Gelijke kansen bonus voor leraar op kwetsbare scholen (4–12 jaar)

 

3.

Passend onderwijs voor ieder kind

5

 

Veranker basisondersteuning in de wet (4–16 jaar)

 

4.

Voordeel van de twijfel

6

 

Automatisch bijstellen schooladvies (11–12 jaar)

 

5.

Samen onder één dak

7

 

Stimuleer brede scholengemeenschappen (12–18 jaar)

 

6.

Een extra steuntje in de rug

8

 

Huiswerkbegeleiding voor wie dat nodig heeft (8–18 jaar)

 

7.

Iedereen een stageplek

9

 

Betrek onderwijsinstellingen in strijd tegen stagediscriminatie (14–25 jaar)

 

8.

Het beste uit jezelf halen

10

 

Doorstroomfonds voor MBO-HBO (16–25 jaar)

 

9.

Inclusief hoger onderwijs

10

 

Maatwerk voor kwetsbare studenten (18–25 jaar)

 

10.

Altijd een tweede kans

11

 

Publiek bekostigde basiseducatie voor laaggeletterden (25 +)

 
 

Financiële consequenties

12

Inleiding

Ieder kind verdient een eerlijke start. Waar je ook woont, wie je ouders ook zijn. Daarom knokt de PvdA al sinds haar oprichting voor goede én toegankelijke scholen. Ons onderwijs is immers bij uitstek de motor voor gelijke kansen, waar je het beste uit jezelf leert halen. Of liever gezegd: ons onderwijs zou een motor voor gelijke kansen moeten zijn. Want ik zie dat die motor steeds vaker hapert. Dat het wel degelijk uitmaakt wie je bent voor de kansen die je krijgt. Dat de portemonnee, de achtergrond of het diploma van je ouders bepalen van wie en hoeveel les je krijgt. Met wie je in de klas zit, en welk schooladvies je krijgt.

Het almaar groeiende lerarentekort maakt dat het uur U is in het onderwijs. Om die crisis het hoofd te bieden heeft de PvdA eerder met tientallen leraren, onderwijsexperts en lokale politici het «Noodpakket voor de Leraar» gelanceerd1. Daarin werd de regering opgeroepen om, nu de economie bloeit en er geld is, een aantal cruciale keuzes voor de korte en langere termijn te maken. Om een einde te maken aan de klassen die overal in het land bij gebrek aan leraren naar huis worden gestuurd. Om te voorkomen dat scholen noodgedwongen overgaan op vierdaagse schoolweken. En bovenal om de positie van de leraar als sleutelfiguur in het onderwijs te versterken.

Maar daarmee zijn we er nog niet. In de meest recente Staat van het Onderwijs waarschuwt de Onderwijsinspectie dat de segregatie in ons onderwijs steeds verder toeneemt: «Er ontstaan nu in het Nederlands onderwijs bubbels van gelijkgestemden waar leerlingen nauwelijks uitkomen. Uit oogpunt van een gezonde samenleving is het al de vraag hoe wenselijk dat is. Maar de eilandvorming kan op afzienbare termijn ook gevolgen hebben voor onderwijskansen van groepen, en voor de kwaliteit van het onderwijs.»2 Ook een recent OESO-rapport wijst op de toenemende kansenongelijkheid waar vooral kinderen met een migratie-achtergrond en kinderen met lager opgeleide ouders de dupe van zijn. Bovendien draagt de wijze waarop we onderwijsvrijheid tegenwoordig uitleggen bij aan de mogelijkheden van scholen om te selecteren. Dat kan en mag niet. Daarom pleitte de PvdA eerder al voor een actualisatie van artikel 23 van de Grondwet, waarbij er onder meer voor wordt gezorgd dat elk kind welkom is op de school van haar of zijn keuze.

Iedereen moet zeker zijn van gelijke kansen, en dat begint in het onderwijs. Daarom kom ik in deze initiatiefnota met een tiental concrete voorstellen voor gelijke kansen op cruciale kruispunten in een mensenleven. Dat begint bij spelend leren voor peuters, maar ook in het basisonderwijs, de overgang naar het voortgezet onderwijs, het mbo en hbo of universiteit. En daarna, want jezelf ontwikkelen kan een heel leven lang.

Deze tien voorstellen tegen toenemende kansenongelijkheid en segregatie zijn het resultaat van vele gesprekken met ouders, leerlingen, leraren, schoolleiders, onderwijsexperts en andere direct betrokkenen. Elk voorstel begint met het persoonlijke verhaal van een ervaringsdeskundige. Hen ben ik veel dank verschuldigd. Niet alleen voor hun onmisbare input, maar vooral voor hun passie voor ons onderwijs. Samen met deze ambassadeurs blijf ik me inzetten voor betere arbeidsvoorwaarden voor leraren, voor echt passend onderwijs en voor minder werkdruk. Want het beste onderwijs begint nog altijd bij de vrouw of man voor de klas.

Beslispunten

De indiener verzoekt de Tweede Kamer in te stemmen met de volgende voorstellen:

  • I Voorschoolse voorzieningen voor ieder kind

  • II Gelijke kansen bonus voor leraar op kwetsbare scholen

  • III Veranker basisondersteuning in de wet

  • IV Automatisch bijstellen schooladvies

  • V Stimuleer brede scholengemeenschappen

  • VI Huiswerkbegeleiding voor wie dat nodig heeft

  • VII Betrek onderwijsinstellingen in strijd tegen stagediscriminatie

  • VIII Doorstroomfonds voor MBO-HBO

  • IX Maatwerk voor kwetsbare studenten

  • X Publiek bekostigde basiseducatie voor laaggeletterden

1. Een eerlijke start

Erni, lerares groep 1–2 in Amsterdam Nieuw West

«Dat je niet alleen je speelgoed eerlijk moet delen, maar ook moet accepteren dat je lievelingsvriendinnetje soms met andere kinderen speelt. Ingewikkelde dingen voor kinderen van vier jaar. Maar het is een wereld van verschil als kinderen voor hun vierde al wat ervaring hebben met hoe het is om onderdeel van een groep(je) te zijn. Dat ze al eens een volwassene, anders dan een familielid, hebben leren vertrouwen. En dat spelenderwijs is geoefend om gedurende een gesprekje de aandacht bij een bepaald onderwerp te houden. Kinderen die die ervaring niet hebben, pakken structuren moeilijker op. Ze lopen weg uit de kring en luisteren niet naar instructies. Daarnaast zijn ze vaak angstiger waardoor er om de haverklap paniekaanvalletjes uitbreken die als ik niet uitkijk overslaan op de rest van de groep. Het zijn met name de niet werkende ouders waarbij ik de worsteling zie om de jongere broertjes of zusjes uit het gezin naar de voorschool of kinderopvang te krijgen. Ik zie geen onwil. Maar wat voor ons misschien zo logisch lijkt, kan voor een ander eindeloos ingewikkeld zijn. Ik neem zulke ouders maar wat graag bij de hand, maar dat zou niet moeten hoeven.»

Iedereen wil dat haar of zijn kind zeker kan zijn van een eerlijke start als het op de basisschool begint. Maar het realiseren van die eerlijke start begint al veel eerder. Want waar het ene kind al vroeg leert spelen, praten en sociale vaardigheden ontwikkelt bij voorschoolse voorzieningen (peuterspeelzaal, kinderopvang of voor- en vroegschoolse educatie), blijven andere kinderen thuis. Ook zien we – met name in grote steden zoals Amsterdam – dat het aantal kinderen van minder kapitaalkrachtige ouders dat gebruik maakt van voorschoolse voorzieningen afneemt.3 Het gevolg is dat een groeiende groep kinderen zonder enige vorm van voorschoolse educatie begint op de basisschool. Deze kinderen kampen vaak zowel met een achterstand op het gebied van lezen en rekenen, als op sociaal gebied. Achterstanden die heel lastig in te halen zijn en bovendien de leraren van groep 1 en 2 voor een extra uitdaging stellen. Daarom wil de indiener dat elk kind het recht krijgt zich te ontwikkelen, al voordat het naar de basisschool gaat.

Voorstel

  • Voorschoolse voorzieningen voor ieder kind. De schrijver van deze nota wil dat alle kinderen zeker zijn van gelijke kansen. Dat begint al in de eerste jaren, en daarom bepleit zij dat een dekkend aanbod van voorschoolse voorzieningen voor alle kinderen een publieke taak wordt: de gratis voorschool. Daarnaast worden in lijn met het advies van de Sociaal Economische Raad4 en voortbordurend op de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvanglocaties onder het kabinet Rutte II de gescheiden circuits van voorschoolse voorzieningen niet langer als apart behandeld, maar gaan kinderen van verschillende sociaaleconomische achtergronden naar dezelfde voorzieningen. Dit aanbod moet ertoe leiden dat op den duur alle kinderen vanaf 2 jaar zestien uur per week welkom zijn bij voorschoolse voorzieningen. Deze initiatiefnota zet een eerste stap door de gratis voorschool voor alle kinderen vanaf 3 jaar. Op deze manier wordt de drempel voor ouders verlaagd om hun kind naar een peuterspeelzaal, kinderopvang of voor- en vroegschoolse educatie te brengen. Ongeacht de dikte van hun portemonnee.

2. Kanjers voor de klas

Debbie, lerares groep 5 in Amsterdam Zuid Oost

«Je hebt ongelijkheid nodig om gelijke kansen te creëren. Op mijn school start gemiddeld de helft van de kinderen met onderwijsachterstanden. Veel uit gezinnen waar armoede heerst: ouders die 16 uur per dag moeten werken om rond te komen, en waar hele families één woning delen. Bij het zien van zo’n thuissituatie, gaan mijn onderwijsradartjes draaien: wat heeft dit kind nodig? Meer kennis van de wereld, meer woordenschat, meer aandacht voor sociale vaardigheden. Daar pas je je onderwijs op aan. Liefst voor élk kind. Maar wél binnen dezelfde tijd. Daarvoor is een goed gevulde gereedschapskist met didactische en pedagogische vaardigheden nodig. Betrokkenheid, extra tijdsinvesteringen en expertise die op dit moment onvoldoende worden erkend. Het gevolg is dat ik naast het kwantitatieve lerarentekort ook een kwalitatief lerarentekort zie ontstaan. Regelmatig krijgen ik en mijn collega’s aanbiedingen om als adviseur, coach, remedial teacher of in de beleidshoek te werken. Banen waarbij deze expertise wel wordt gewaardeerd in erkenning en salaris.»

Iedereen herinnert zich nog die ene juf of meester. Degene die jou zag, die je zelfvertrouwen gaf. Bij wie je jezelf durfde te zijn en fouten durfde te maken. Goed onderwijs en een eerlijke kans beginnen bij de leraar voor de klas. Maar vrijwel overal in het onderwijs is er op dit moment sprake van een toenemend tekort aan deze cruciale leraren. De afgelopen decennia is de aantrekkelijkheid van werken in het onderwijs steeds verder afgebrokkeld. Onder meer door de hoge werkdruk, steeds meer verantwoordelijkheden, bureaucratie en beperkte doorgroeimogelijkheden. En ook de salarissen in het onderwijs staan lang niet altijd in verhouding met de maatschappelijke meerwaarde van het beroep en wat men marktconform noemt.

Het primair onderwijs gaat verreweg het meest gebukt onder het lerarentekort. De laatste ramingen voorspellen dat daar in 2022 ruim 4.000 open vacatures voor fulltimers zijn. Een tekort dat bij ongewijzigd beleid oploopt tot 11.000 in 2027. Dit tekort raakt alle leraren, kinderen en ouders. Maar sommige scholen worden aanzienlijk harder geraakt dan andere. Zo blijkt uit onderzoek dat leraren vaker kiezen voor scholen met relatief minder leerlingen met onderwijsachterstanden.5 Een zorgelijke ontwikkeling, want juist deze kinderen hebben vaak extra aandacht en liefst de beste leraren nodig. Het lerarentekort dreigt hen zo nog verder op achterstand te zetten.

Voorstel

  • Kanjers voor de klas. Om er zeker van te zijn dat ieder kind een goede leraar heeft, heeft de PvdA in 2018 het kabinet opgeroepen om zowel maatregelen voor de korte termijn, als voor de lange termijn te nemen. Salarissen in het primair en speciaal voortgezet onderwijs moeten naar hetzelfde niveau als die in het voortgezet onderwijs. Gemeenten moeten gestimuleerd worden om betaalbare huizen en parkeerplekken voor leraren te creëren. En er moet geld komen voor extra handen in de klas en conciërges als deeloplossing van de te hoge werkdruk. Overige maatregelen zijn terug te lezen in het Noodpakket voor de Leraar.6

  • Gelijke kansen bonus voor leraar op kwetsbare scholen. De indiener wil dat scholen met relatief veel kinderen met onderwijsachterstanden in de gelegenheid worden gesteld om het werken voor leraren op hun school aantrekkelijker te maken. Het definiëren van welke scholen hiervoor in aanmerking komen kan op basis van dezelfde criteria die worden gebruikt bij de verdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen. In onder meer de Verenigde Staten is aangetoond dat een dergelijke financiële stimulans werkt7.

3. Passend onderwijs voor ieder kind

Erik, verliet school op zijn 12e omdat er geen passend onderwijs was

«Ik denk weleens: was ik maar crimineel en zat ik in de gevangenis. Dan had ik tenminste een diploma kunnen halen. Sinds mijn twaalfde jaar heb ik namelijk geen school meer gevonden die mij erbij wilde hebben. Tot mijn tiende ging ik naar een gewone basisschool. Maar vanwege het feit dat ik asperger heb, ging dat op een gegeven moment niet meer en moest ik naar het speciaal onderwijs. Helaas, in het speciaal onderwijs, voor kinderen met een indicatie voor speciale ondersteuning, was eigenlijk ook geen plek mij. Dat hebben we wel geprobeerd tot mijn twaalfde, maar ze hadden liever alleen «echte autisten.» Het maakt mij boos dat er geen school te vinden was die mij wel een plek kon of wilde bieden. Leren kan ik wel als iemand mij daarbij helpt. Nu heb ik niets en ik heb ook nog steeds moeite met sociale vaardigheden. Het is het lastig voor mij om een baan te vinden. En als ik er een vind, is het simpelweg heel ver onder mijn niveau. Een niveau dat echter nooit door een school is vastgesteld.»

Elk kind moet zeker zijn van passend onderwijs. Dat betekent dat scholen in staat moeten zijn om maatwerk te leveren. Dus ook extra ondersteuning voor kinderen die dat nodig hebben. Op die manier krijgen verschillende kinderen gezamenlijk gelijke kansen. Dat was de gedachte achter de wet passend onderwijs. Na de invoering daarvan vervielen de zogenaamde rugzakjes per kind, en werden de regionale samenwerkingsverbanden (regionale samenwerkingen tussen schoolbesturen, zorgaanbieders en gemeenten) verantwoordelijk gesteld om te bepalen hoeveel ondersteuning zij aanvroegen bij het Rijk. Dit leidt in de praktijk tot grote verschillen in de aard en mate van ondersteuning die scholen bieden: zo kan de ondersteuning die een leerling met een stoornis in het autismespectrum kan verwachten per regio erg verschillen. Dat komt mede doordat samenwerkingsverbanden vaak ruime definities en omschrijvingen gebruiken voor de extra ondersteuning die ze afspreken. Slotsom is dat er onder ouders en kinderen, maar ook onder leraren en schoolleiders veel onduidelijkheid bestaat over wat er wel en niet mogelijk is en wat men mag verwachten. Met grotere kansenongelijkheid én werkdruk tot gevolg.

Voorstel

  • Veranker basisondersteuning in de wet. Elk kind moet zeker zijn van onderwijs dat aansluit bij haar of zijn (zorg- en leer)behoefte. Het kan niet zo zijn dat scholen kinderen weren omdat ze niet in staat zouden zijn passend onderwijs te leveren. De indiener wil daarom dat er één minimaal niveau voor basisondersteuning wordt vastgelegd in de wet. Op die manier ontstaat er duidelijkheid over wat leraren, ouders en kinderen mogen verwachten. Zo voorkomen we dat ouders te horen krijgen dat er op de ene school wel en op de andere school geen plek is voor hun kind, omdat het aanbod van extra ondersteuning niet aan zou sluiten bij de behoefte van hun kind. En dat leraren niet weten wat er van ze mag worden verwacht, bij het bieden van extra ondersteuning.

4. Voordeel van de twijfel

Ankie, moeder van Djuri die werd ondergeadviseerd

«Achteraf denk ik: ze hebben hem niet goed gezien. Hij was erg speels, en lachte veel dingen weg. Ik herinner mij ook dat hij terughoudend was in het stellen van vragen. Mede daardoor was het denk ik lastig om te bepalen welk niveau hij aankon, en werd hij van groep 4 terug naar groep 3 geplaatst. Het was vooral tijdens sport en zwemles dat wij het strebertje in hem ontdekten, maar op school bleef dat uit of werd het in elk geval niet gezien. In groep 7 adviseerde zijn school om hem over te plaatsen naar het praktijkonderwijs. Wij hebben daar toen, vooral vanwege het sociale aspect om met zijn vriendjes door te groeien naar groep 8, geen gehoor aan gegeven. Een heel goede afweging achteraf, want de eindtoets in groep 8 wees uit dat hij toch iets meer kon dan het praktijkonderwijs hem zou hebben geboden. Hij kreeg het advies vmbo-beroepsgerichte leerweg. Al heel snel stroomde hij op tot de theoretische leerweg waar hij zijn eerste diploma behaalde. Vorig jaar slaagde hij voor zijn master of science aan de Universiteit Utrecht. In totaal heeft het hem zo’n vijf jaar vertraging opgeleverd.»

Het advies waarmee een kind groep 8 verlaat, heeft grote impact op je schoolcarrière. Kom je op het juiste schoolniveau terecht, of blijk je na verloop van tijd nog veel meer te kunnen? Het is een eerste echte graadmeter, die menig volwassene zich nog goed herinnert. Afgelopen jaar constateerde de OESO dat het op een correcte manier invullen van deze momentopname en de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs van cruciaal belang is om kansengelijkheid te waarborgen. Met andere woorden: sommige kinderen worden op dit belangrijke moment vaker dan anderen op een onterechte achterstand gezet. Nederland kent een systeem van enerzijds de eindtoets (meestal CITO) en anderzijds het schooladvies dat de leraar opstelt. Een combinatie van beide moet ervoor zorgen dat de betreffende leerling een passend schooladvies krijgt.8 In de huidige situatie moet de school een schooladvies naar boven bijstellen als dit lager is dan de uitslag van de eindtoets.9 Een school die dit nalaat, moet dat motiveren. Ouders die het vervolgens niet eens zijn met die motivatie, kunnen bezwaar maken. Maar niet iedere ouder is even mondig of in staat om haar of zijn weg te vinden in de hiervoor gangbare klachtenregeling.

Dit resulteert er onder meer in dat schooladviezen aan leerlingen met hoger opgeleide ouders vaker worden bijgesteld naar boven, dan die van leerlingen met ouders die maximaal een mbo2-opleiding hebben behaald.10 En ook per regio kan het nog verschillen. Zo blijken Groningse basisschoolleraren hun leerlingen vaker te onderschatten dan hun collega’s in de rest van Nederland.11

Voorstel

  • Automatisch bijstellen schooladvies. Alle kinderen moeten zeker zijn van het voordeel van de twijfel. Dat betekent niet dat kinderen boven hun niveau moeten worden geadviseerd, maar wel dat bij een hogere eindtoetsuitslag deze leidend moet zijn voor het uiteindelijke schooladvies. De indiener pleit daarom voor het automatisch naar boven bijstellen van schooladviezen wanneer de eindtoets hoger uitvalt. Hiermee wordt het risico, dat (onbedoelde) vooroordelen of de assertiviteit van ouders de doorslag geven, voorkomen.

5. Samen onder één dak

Jeroen, directeur brede scholengemeenschap in Rijkswijk

«Als een leerling binnenkomt met een leerachterstand, zegt dat nog niets over haar of zijn capaciteiten. Ik krijg leerlingen binnen die beginnen met een vmbo-kaderniveau, en aan het einde vertrekken met een havo of vwo-diploma. En omgekeerd, als blijkt dat een leerling toch iets te veel op de tenen moet lopen, is er de mogelijkheid om af te stromen. Dat afstromen is nooit leuk en doet vaak ook wat met de motivatie. Bij ons op school is de drempel echter laag en blijft de leerling binnen de vertrouwde omgeving met zijn schoolvrienden. Dat biedt een hoop voordelen, en ik geloof absoluut dat het uitval voorkomt. Daarnaast zie je hier in Den Haag veelal dat havo en vwo-scholen wit zijn, en de vmbo’s zwart. Op mijn school komen kinderen met verschillende achtergronden en niveaus elkaar tegen. Dat is van groot maatschappelijk belang want zij zullen elkaar later in de beroepspraktijk ook tegen gaan komen. Helaas kan ik met moeite in elk leerjaar een vwo klas organiseren. Het vwo staat op mijn school voortdurend onder druk omdat er een trek is naar categorale vwo’s en gymnasia. Ik houd de, soms kleine, vwo-klassen koste wat kost open, omdat ik mijn leerlingen de kans wil bieden om tot het hoogste niveau door te stromen, Maar hoe kleiner die klassen (nu nog maar één vwo-klas per leerjaar van gemiddeld 20 leerlingen tegenover drie a vier vmbo-klassen per leerjaar van rond de 30 leerlingen per klas) hoe hoger de relatieve kosten. Eigenlijk bekostig ik mijn vwo met geld dat ik ontvang vanuit het vmbo.»

De ontwikkeling van kinderen gaat ook na het moment van het schooladvies door. De een blijkt na een eerste jaar op het vwo beter op haar of zijn plaats te zijn tussen de havisten. De ander komt er na twee jaar havo achter ook het vwo wel aan te kunnen. Dergelijke wissels kunnen bij uitstek binnen een brede scholengemeenschap, die onder één dak vmbo, havo en vwo aanbieden. Inclusief brede brugklassen en/of zogenaamde dakpanklassen waar kinderen van meerdere niveaus samen leskrijgen. Daarnaast biedt de brede scholengemeenschap letterlijk een gemeenschap waarbinnen kinderen van verschillende opleidingsniveaus en achtergronden met elkaar in contact komen. Dit vormt een waardevol alternatief voor de homogene bubbels die steeds vaker ontstaan door een forse toename van kolossale vmbo-scholen en de groei van categorale gymnasia. Met name de groei van de tweede vorm, legt een grote druk op het voortbestaan van brede scholengemeenschappen. Doordat steeds meer potentiele vwo-leerlingen kiezen voor een categoraal gymnasium, komt het bekostigingsmodel van brede scholengemeenschappen onder druk te staan.

Voorstel

  • Stimuleer brede scholengemeenschappen. Brede scholengemeenschappen zijn bij uitstek de motor voor gelijke kansen die tevens een alternatief bieden voor de toenemende segregatie in het onderwijs, waardoor leerlingen van verschillende achtergronden en niveaus elkaar niet meer ontmoeten. In Nederland wordt relatief vroeg geselecteerd op welk niveau een kind voortgezet onderwijs gaat volgen. Brede scholengemeenschappen maken het makkelijker om het best passende niveau te vinden en eventueel te wisselen. De indiener wil een financiële impuls voor brede scholengemeenschappen op één locatie (unilocaties) inclusief brede brugklassen en/of dakpanklassen zodat deze ook voor de toekomst behouden blijven.

6. Een extra steuntje in de rug

Darine, geeft laagdrempelige huiswerkbegeleiding

«Ze missen vaak gewoon een plek. Ze komen uit grote gezinnen, net als ikzelf. Ik deelde ook mijn kamer met mijn broertje. Als hij een spelletje zat te spelen, kon ik mij niet op mijn huiswerk concentreren. Daarnaast is het vaak lastig om thuis om hulp te vragen. Ouders die er niet zijn of het ook niet precies weten. Ik spreek veel schooldirecteuren, vooral in het basisonderwijs, die huiswerkbegeleiding niet relevant vinden. Maar ondertussen zien ze wel steeds meer ouders die hun kinderen naar betaalde huiswerkbegeleiding sturen. De kinderen (basis en voortgezet onderwijs) die bij ons komen, hebben geen geld voor de doorgaans peperdure aanbieders van dat soort ondersteuning. Veel van hen kunnen best een havo- of vwo-advies krijgen, maar worden naar het vmbo verwezen omdat ze taalkundig en/of sociaal nog niet sterk genoeg zijn. Veel jongeren hebben het gevoel klem te zitten. Goede huiswerkbegeleiding is dan ook meer dan leren plannen. We bieden een veilige omgeving, en proberen de jongeren los te laten komen. Wij zijn als oudere broers en zussen, en werken ondertussen samen de onderwijsachterstanden weg. Dat gun ik elk kind.»

De portemonnee, de taal of de buurt van je ouders mogen nooit bepalend zijn voor de kansen die je krijgt. Toch zien we dat het steeds vaker uitmaakt wie je ouders zijn. Steeds meer ouders sturen hun kinderen naar dure examentrainingen, bijlesuren en huiswerkklassen. Het aantal (commerciële) aanbieders van schaduwonderwijs, zoals deze vormen van bijscholing worden genoemd, is de afgelopen jaren in rap tempo toegenomen.12 Er zijn ook scholen en gemeenten die zelf, al dan niet tegen een kleine vergoeding, huiswerkbegeleiding aanbieden. Maar lang niet allemaal, en ze bereiken daarmee lang niet alle kinderen die het goed zouden kunnen gebruiken. Het zijn nu vooral kinderen met hoogopgeleide of kapitaalkrachtige ouders die gebruik maken van het schaduwonderwijs. En geef ze eens ongelijk, als je het kan betalen? Maar het gevolg is wel dat het ook hier steeds vaker uitmaakt hoe dik de portemonnee of hoe hoog het opleidingsniveau van je ouders is voor de kansen die je krijgt.

Voorstel

  • Huiswerkbegeleiding voor wie dat nodig heeft. Elk kind dat dat nodig heeft, moet zeker zijn van een extra steuntje in de rug. Daarbij zijn primair de scholen aan zet. In de ideale wereld is het onderwijs zo allesomvattend dat ook dit binnen de taakomschrijving valt, maar dat is in de huidige omstandigheden (waaronder het lerarentekort) wensdenken. De indiener bepleit daarom dat alle scholen (primair en voortgezet) in de gelegenheid worden gesteld om alle kinderen die dat nodig hebben, maar niet kunnen betalen, toegankelijke huiswerkbegeleiding aan te bieden.

7. Iedereen een stageplek

Vienna, werd op haar 17e gediscrimineerd bij het zoeken en lopen van haar stage

«Het was tijdens mijn secretaresseopleiding op het mbo dat ik zeker twintig stageleerbedrijven belde. Maar ik hoorde, zodra ik mij had voorgesteld, de verwarring aan de andere kant van de lijn. Ze verwachtten natuurlijk niet dat Vienna zo’n lage jongensstem had. Geen van de bedrijven nodigde mij uit. Brieven schrijven werkte beter. Mijn CV was goed, en ik werd regelmatig uitgenodigd voor een gesprek. Maar steevast was de uitkomst ook daarvan dat ik «toch niet helemaal in het profiel paste.» Uiteindelijk was het een medewerker van mijn school die voor mij de boer op ging. Hij vond een plek, en zodoende werd ik aangenomen op een openbare basisschool. Maar alleen onder de voorwaarde dat ik geen make-up en enkel uniseks kleding zou dragen. Het is inmiddels wat jaren geleden, maar ik herinner mij nog een dag dat collega’s dachten dat ik tegen de afspraak in toch mascara droeg. Ze gingen zo ver dat ik moest bewijzen dat dat niet het geval was. Vanuit de kinderen op de school heb ik overigens nooit iets gemerkt. Ze vroegen weleens «ben jij een jongen of een meisje?», en als ik uitlegde hoe het zat zeiden ze «oké» en speelden verder.»

Een fijne stage-ervaring bij een goed leerbedrijf is niet alleen van grote meerwaarde maar ook een verplicht onderdeel van bijna elke beroepsopleiding. Voor sommige studenten is het binnenkomen bij zo’n stagebedrijf echter al een hels karwei. Te vaak blijkt dat studenten tientallen keren worden afgewezen.13 Vanwege een niet-westerse achternaam. Het dragen van een hoofddoek. Of vanwege hun genderidentiteit of -expressie. Het probleem van stagediscriminatie is helaas niet nieuw. De PvdA zorgde er eerder voor dat de eindverantwoordelijkheid voor het aanreiken van stageplaatsen bij onderwijsinstellingen kwam te liggen.14 Helaas blijkt dat niet voldoende, en blijven er studenten tussen wal en schip vallen. Soms zelfs met als gevolg dat ze hun opleiding niet kunnen afronden.

Voorstel

  • Betrek onderwijsinstellingen in strijd tegen stagediscriminatie. Alle mbo- en hbo-studenten moeten zeker zijn van een stageplaats. De huidige garantieverplichting laat te veel ruimte voor stagediscriminatie waarbij studenten nog altijd onterecht geen stageplaats vinden en daardoor het risico lopen hun opleiding niet af te kunnen maken. De indiener wil daarom dat de huidige «garantieverplichting» wordt omgezet in een «leveringsplicht», waarbij de onderwijsinstelling in samenwerking met het bedrijfsleven ook de verantwoordelijkheid draagt voor het daadwerkelijk plaatsen van studenten.

8. Het beste uit jezelf halen

Yannick, volgt de mbo-opleiding tot onderwijsassistent

«Op tijd weten welke vakken je nodig hebt voor een eventuele vervolgopleiding. Dat is best handig als je van plan bent na je mbo door te stromen naar het hbo. Bij mij op school zetten ze daar gelukkig vrij veel op in. Zo kan je hier, als je bijvoorbeeld vanuit een zorg en welzijnsopleiding van plan bent de vervolgopleiding event management op het hbo te gaan doen, er in het laatste jaar voor kiezen om het vak «economie» bij een andere mbo-opleiding te volgen. Ik weet van andere mbo-studenten dat lang niet alle mbo-opleidingen zoveel investeren in de voorbereiding op een eventuele vervolgopleiding.»

Studenten met een mbo-diploma zijn van cruciaal belang voor onze arbeidsmarkt. Zij verdienen hiervoor dezelfde erkenning als hun collega’s in het hbo en wetenschappelijk onderwijs. Daarom kwam er dankzij de PvdA een ov-kaart voor mbo-studenten, en pleitte de indiener eerder voor het openstellen van het Rijkstraineeprogramma voor studenten in het beroepsonderwijs.

Natuurlijk is het prima als je na je mbo direct aan de slag gaat. De arbeidsmarkt staat te springen om mensen met een mbo-diploma. Maar iedereen die dat wil en kan, moet ook door kunnen stromen naar het hoger onderwijs. We zien echter dat de doorstroom naar het hoger onderwijs vanuit het mbo nog altijd achterblijft bij die van havisten en vwo’ers. Vooral studenten uit gezinnen met een middel of laag inkomen stromen minder vaak door naar het hbo.15

Voorstel

  • Doorstroomfonds voor mbo-hbo. Opstromen, diploma’s stapelen (van vmbo tot universiteit) en op latere leeftijd verder gaan of beginnen met een opleiding moet makkelijker worden. De indiener wil dat doen door de overgang van mbo naar hbo, te vergemakkelijken. Niet door aan eisen te tornen, maar door maatwerk te leveren voor studenten die dat nodig hebben. Hiervoor bepleit de indiener een Mbo Doorstroomfonds waar mbo-studenten gedurende hun laatste mbo-jaar en eerste hbo-jaar terecht kunnen voor extra begeleiding. Hieronder valt onder meer professionele ondersteuning in het kader van studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding. Oefentrainingen voor hbo-toelatingstoetsen. En toegang tot bijlessen en coaching.

9. Inclusief hoger onderwijs

Ahmed, masterstudent in Leiden

«Plannen. En ook strak die planning nakomen. Dat gaat hier in Nederland net even anders dan in Guinea waar ik vandaan kom. Het was wennen toen ik net op de universiteit begon. Op het mbo en ook het hbo was het toch gemakkelijker omdat daar veel verplicht en in groepjes gebeurde. Het was fijn dat ik de Popcorner, een mini-organisatie binnen de universiteit, ontdekte. Een fysieke plek waar je terecht kan voor hulp. Waar ze niet alleen kijken naar wat je nodig hebt om je punten te halen, maar ook oog hebben voor je persoonlijke ontwikkeling. Een eerste studiejaar kan best onzeker voelen, zeker als je niveaus stapelt zoals ik heb gedaan. Dan denk je soms, kijkend naar je bindend studieadvies bijvoorbeeld, «kan ik het wel aan?» Bij de Popcorner kon ik daarover praten, wat mij meer zelfvertrouwen gaf. Ook ben ik dankbaar dat ze mij erop wezen dat er meer is dan alleen boeken. Dat je moet investeren in een sociaal leven, in een netwerk. Ze betrokken mij bij activiteiten en zo ontmoette ik meer andere studenten. Studenten die net als ik een bi-culturele achtergrond hebben, maar ook studenten van Nederlandse komaf. Nu, aan het einde van mijn master, ben ikzelf «buddy» voor een eerstejaarsstudent met bi-culturele achtergrond.»

Het Nederlandse hoger onderwijs is van goede kwaliteit, iets wat ook blijkt uit de hoge tevredenheidscijfers van Nederlandse studenten.16 En daar mogen we best trots op zijn, want kwalitatief hoger onderwijs is van onschatbare waarde voor onze toekomst. Maar dat is niet het hele verhaal. Uit onder meer de Staat van het Onderwijs blijkt dat studenten met een beperking, studenten met een migratie-achtergrond en eerste generatiestudenten minder vaak doorstromen naar het hoger onderwijs. En als ze doorstromen, eerder geneigd zijn om tussentijds te stoppen. De schrijver van deze nota pleit daarom voor maatwerk om de uitval van kwetsbare studenten te beperken. Gerichte programma’s zijn immers bewezen effectief om juist deze studenten hun weg te helpen vinden.17

Voorstel

  • Maatwerk voor kwetsbare studenten. Elke hoger onderwijsinstelling moet maatwerk ontwikkelen waarmee de uitval van eerstejaarsstudenten met een hoger risico op uitval, zoals studenten met een beperking, studenten met een migratie-achtergrond en eerste generatie studenten wordt verminderd. Dat kan via oormerking binnen de bestaande profileringsfondsen, of door het inrichten van een helpdesk.

10. Altijd een tweede kans

Ria, was tot tien jaar geleden laaggeletterd

«Jij bent dom, jij leert het nooit. Dergelijke uitspraken in mijn jeugd hebben mijn leven gevormd. Mijn schooltijd bracht ik achterin de klas door, bladerend in prentenboekjes. Ik was 55 jaar toen ik door de mand viel, en niet langer kon verhullen dat ik nauwelijks kon lezen en schrijven. Het was bij de huisarts. Ik had last van mijn keel en kon amper praten. Hij vroeg mij om mijn klachten op te schrijven. Toen hij zag wat ik had «opgeschreven», zei hij: hier kunnen we iets aan doen. Een week later liep ik een ROC binnen. Dat was een van de moeilijkste stappen in mijn leven. De schaamte zat heel, heel erg diep. Ik was er tot dan toe altijd van overtuigd dat ik de enige in heel Europa was die niet kon lezen en schrijven. Maar ineens zaten daar nog tien mensen. Mensen van mijn leeftijd die het ook niet konden. Het is een feestje om samen met hen te leren. En les te krijgen van professionals die de schaamte kunnen doorbreken en nooit een rode pen gebruiken omdat ze weten welke trauma’s daaraan vastzitten. Vroeger was ik stil en teruggetrokken. Nu doe ik vrijwilligerswerk en heb ik het gevoel dat ik nuttig ben. Voor het eerst ligt de wereld aan mijn voeten en dat maakt me een heel blij mens.»

Je bent nooit te oud om te leren. Vanuit die gedachte moet iedereen zeker zijn om zich ook daadwerkelijk een leven lang te kunnen ontwikkelen. Dat is geen luxe, maar dikwijls van essentieel belang als je beroep bijvoorbeeld drastisch verandert of zelfs verdwijnt. Daarnaast zijn er mensen die om wat voor reden dan ook aan de zijlijn staan, onder wie veel laaggeletterden. Zij kunnen niet goed lezen en schrijven, waardoor deuren gesloten blijven en volwaardig meedoen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij lastig is. In Nederland zijn er ongeveer 2,5 miljoen mensen boven de 16 jaar voor wie dit geldt.18 Meer dan de helft van hen heeft Nederlands als moedertaal. Juist voor hen is toegankelijke basiseducatie, waar aan vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen wordt gewerkt, van levensbelang.

Voorstel

  • Publiek bekostigde basiseducatie voor laaggeletterden. Zorg voor een landelijk en publiek gefinancierd en toegankelijk aanbod van arbeidsmarktrelevante cursussen basisvaardigheden. Waaronder lezen, schrijven en rekenen. Dit moet op basis van een geoormerkt budget met een landelijke kwaliteitskader.

Financiële consequenties

De voorstellen in deze initiatiefnota hebben de volgende financiële gevolgen (structureel) voor de Rijksbegroting. De indiener verzoekt de Kamer ermee in te stemmen het kabinet te vragen dekking te vinden op de Rijksbegroting 2019–2020.

Voorstellen

Kosten in miljoenen euro’s

I

I Voorschoolse voorzieningen voor ieder kind

500

II

II Gelijke kansen bonus voor leraar op kwetsbare scholen

30

III

III Veranker basisondersteuning in de wet

n.v.t.

IV

IV Automatisch bijstellen schooladvies

n.v.t.

V

V Stimuleer brede scholengemeenschappen

n.v.t.

VI

VI Huiswerkbegeleiding voor wie dat nodig heeft

140

VII

VII Betrek onderwijsinstellingen in strijd tegen stagediscriminatie

n.v.t.

VIII

VIII Doorstroomfonds voor MBO-HBO

34

IX

IX Maatwerk voor kwetsbare studenten

n.v.t.

X

X Publiek bekostigde basiseducatie voor laaggeletterden

64


X Noot
2

De Staat van het Onderwijs 2018

X Noot
8

Antwoord van Minister Slob op vragen van de leden Westerveld (GroenLinks) en Van den Hul (PvdA) aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over verschillen in schooladviezen tussen inkomensgroepen (Aanhangsel van de Handelingen 2018–2019, 685).

X Noot
9

In 2013 heeft de Kamer het amendement-Ypma (33 157, nr. 43) aangenomen met als bedoeling dat een schooladvies moet worden heroverwogen indien een leerling hoger scoort op de eindtoets en dat het uitgangspunt is dat het schooladvies in voornoemde gevallen naar boven wordt bijgesteld en dat als de school besluit het schooladvies niet te wijzigen dit dient te worden gemotiveerd.

X Noot
10

Antwoord van Minister Slob op vragen van de leden Westerveld (GroenLinks) en Van den Hul (PvdA) verschillen in schooladviezen tussen inkomensgroepen (Aanhangsel van de Handelingen 2018–2019, 685).

X Noot
13

Rooijen & de Winter-Koçak, Gelijke kansen op gelijke stages, Kennisplatform Integratie & Samenleving 2018

X Noot
14

Motie van het lid Jadnanansing; Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 39.

X Noot
16

Staat van het Onderwijs 2018

X Noot
17

OECD Review of Migrant Education 2018:The Resilience of Students with an Immigrant Background