Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935093 nr. 7

35 093 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 22 februari 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in onderdeel A opgenomen artikel 2.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid vervalt «, of maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten waarop artikel 2.1.4, derde lid, van toepassing is,» en wordt na «bedraagt» ingevoegd «, onverminderd artikel 2.1.4a, vierde lid,».

b. In het vierde lid, onderdeel b, wordt na «inkomen» ingevoegd «over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode».

2. Het in onderdeel A opgenomen artikel 2.1.4a wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt na «maatwerkvoorziening,» ingevoegd «een krachtens artikel 2.1.4, derde lid, aangewezen voorziening,».

b. In het vierde lid wordt «één of meerdere maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budgetten tezamen» vervangen door «één of meerdere maatwerkvoorziening, persoonsgebonden budgetten of krachtens artikel 2.1.4, derde lid, aangewezen voorzieningen, tezamen».

c. In het vijfde lid wordt na «inkomen» ingevoegd «over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode».

d. In het zesde lid wordt «een omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid» vervangen door «een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid,.».

e. In het zevende lid vervalt «de maatwerkvoorziening voor».

3. Het in onderdeel A opgenomen artikel 2.1.4b wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, wordt «krachtens het derde lid omschreven» vervangen door «krachtens het vierde lid van het laatstgenoemde artikel omschreven».

b. In het vierde wordt «2.1.4a, derde lid» vervangen door «2.1.4a, vierde lid».

4. Onderdeel B komt te luiden:

B

In artikel 2.1.5, eerste lid, wordt «artikel 2.1.4» vervangen door «artikel 2.1.4a, eerste lid,».

5. Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

In artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel g, wordt «artikel 2.1.4» vervangen door «de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a»

6. In onderdeel E wordt «5.1.3, eerste lid,» vervangen door «5.2.2, onderdeel a,» en wordt «5.2.4, eerste tot en met derde lid» vervangen door «5.2.4, tweede en derde lid».

7. Onderdeel F wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt te luiden:

1. In het eerste lid wordt «artikel 2.1.4, zevende lid» vervangen door «artikel 2.1.4b, tweede lid», «artikel 2.1.4 of 2.1.5» vervangen door «artikel 2.1.4b, eerste lid, of 2.1.5» en wordt na «voor de uitvoering van artikel 2.1.4,» ingevoegd «2.1.4a, 2.1.4b».

b. onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

2. In het tweede lid wordt «artikel 2.1.4» wordt vervangen door «artikel 2.1.4, 2.1.4a».

8. Onderdeel G komt te luiden:

G

Artikel 5.2.1, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de artikelen 2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4;

9. De onderdelen H, I en J komen te luiden:

H

In artikel 5.2.2, onderdeel b, wordt «het uitvoeren van artikel 2.1.4» vervangen door «het uitvoeren van artikel 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b».

I

In de artikel 5.2.3 wordt «artikel 2.1.4, zevende lid» vervangen door «2.1.4b, tweede lid» en wordt «artikelen 2.1.4 en 2.15» vervangen door «de artikelen 2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4».

J

In artikel 5.2.4, eerste lid, wordt «artikel 2.1.4, zevende lid» vervangen door «2.1.4b, tweede lid» en wordt «artikelen 2.1.4 of 2.15» telkens vervangen door «artikel 2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4».

10. Na onderdeel J wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ja

In de artikelen 5.2.9, eerste lid, 5.3.2, eerste lid, 5.3.3, eerste en derde lid, 5.3.4, eerste lid, en 5.3.5, eerste lid, wordt «artikel 2.1.4, zevende lid» telkens vervangen door «artikel 2.1.4b, tweede lid».

11. Onderdeel K komt te luiden:

K

Artikel 8.3, zesde lid, komt te luiden:

6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, is betrokkene een bijdrage in de kosten van de zorg aan het college verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot deze bijdrage, waaronder in ieder geval regels overeenkomstig de regels die zijn gesteld over de bijdrage, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 1, van deze wet ten aanzien van de hoogte en invordering van die bijdrage. Artikel 2.3.8 is van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel II en III komen te luiden:

ARTIKEL II

In artikel 20, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL III

In artikel 57, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

C

Artikel IV wordt vernummerd tot XIII.

D

Na artikel III worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IV

In artikel 39, tweede lid, van de Werkloosheidswet wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL V

In artikel 57, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL VI

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2:55, tweede lid, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

B

In artikel 3:47, tweede lid, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL VII

In artikel 30, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL VIII

In artikel 6.1.2 van de Wet langdurige zorg wordt «artikel 2.1.4» vervangen door «artikel 2.1.4b».

ARTIKEL IX

In de artikelen 16, onderdeel f, en 78, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg wordt «artikel 2.1.4» vervangen door «artikel 2.1.4b».

ARTIKEL X

In artikel 54, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL XI

In artikel 71, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

ARTIKEL XII

In artikel 40, tweede lid, van de Ziektewet, wordt «maatwerkvoorziening wordt verstrekt, bestaande uit» vervangen door «maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt vertrekt voor».

E

Aan artikel XIII (nieuw) wordt toegevoegd na «vastgesteld» ingevoegd «, met uitzondering van artikel I, onderdeel K, dat in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en terugwerkt tot 1 januari 2019».

Toelichting

Onderdeel A

Eerste tot derde lid

Aangevuld is dat wanneer algemene voorzieningen door cliënten worden afgenomen in combinatie met andere voorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt, alleen het abonnementstarief hoeft te worden betaald. De bijdrage cumuleren niet. Er is straks één bijdrage voor alle voorzieningen die onder het abonnementstarief vallen voor ongehuwde cliënten of gehuwde cliënten tezamen van € 19 per maand (zie ook artikel 1.2.2 Wmo 2015 voor de uitleg van het begrip «gehuwd»). De combinatie van een bijdrage voor een algemene voorziening die buiten het abonnementstarief valt en de abonnementsbijdrage per maand is wel mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan een incidentele ritprijs voor sociaal vervoer.

Beoogd wordt om persoonsgebonden budgetten (pgb’s) voor beschermd wonen en opvang onder de intramurale bijdragesystematiek te brengen. Dit kan via algemene maatregel van bestuur worden geregeld op grond van de huidige Wmo 2015. In zowel het pgb opvang als beschermd wonen zit een verblijfscomponent (huisvesting) in tegenstelling tot het pgb onder de Wlz (zie verder hiervoor de toelichting bij de wijziging van artikel I, onderdeel B tot en met D hieronder). Dit heeft als consequentie dat de bijdrage voor een pgb opvang ook buiten het abonnementstarief valt. Dit is in het voorstel aangepast door de beperking tot de leveringsvorm «maatwerkvoorziening» (levering in natura) te schrappen.

Ten slotte zijn nog redactionele verduidelijkingen gemaakt die verder geen inhoudelijke wijzigingen beogen op het oorspronkelijke voorstel.

Vierde tot en met tiende lid

In deze leden worden verwijzingen naar artikelen technisch en niet inhoudelijk aangepast.

Elfde lid en onderdeel E

Onder de Wmo 2015 geldt een overgangsrecht voor die vormen van zorg die vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zijn overgeheveld naar de Wmo 2015 (artikel 8.3 Wmo 2015). Gemeenten zijn of waren verantwoordelijk om op basis hiervan nog tijdelijk AWBZ-zorg te leveren. Geregeld is dat gemeenten die bijdrage ontvangen en dat de bijdrage, die krachtens de AWBZ was voorgeschreven, geldt als cliënten hun aanspraak op deze zorg nog verzilveren op basis van hun AWBZ-indicatiebesluit van het CIZ. Dit overgangsrecht is materieel uitgewerkt met uitzondering van degene die een GGZ-C indicatie heeft en op basis van artikel 8.4 Wmo 2015 een aanspraak op zorg heeft (beschermd wonen). Het is echter mogelijk dat op basis van nieuwe feiten, zoals een herberekening in het inkomen, een herziening kan plaatsvinden.

Inmiddels zijn sinds 2019 maatregelen doorgevoerd zoals het abonnementstarief Wmo 2015 en het verlagen van de vermogensinkomensbijtelling die geen onderdeel vormen van het overgangsrecht dat is gebaseerd op de AWBZ. Het is daarom wenselijk om het recht op grond van de Wmo 2015 ten aanzien van de bijdrage van toepassing te laten zijn op de bijdrage van deze overgangscliënten met een AWBZ-indicatie. Hierbij is het nodig om over 2019 met terugwerkende kracht de verlaging van de vermogensinkomensbijtelling door te voeren voor overgangscliënten.

De regels over de vaststelling en inning van de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten door het CAK (waaronder die over de hoogte en de invordering) zijn bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Deze regels zijn voor beschermd wonen geënt op het Bijdragebesluit zorg. In de afgelopen periode is de bijdrage onder de Wmo 2015 verlaagd. De ingevoegde bepaling regelt dat deze regels (met verlaging) ook van toepassing worden op de bijdrage als bedoeld in artikel 8.3, zesde lid, ten behoeve van het overgangsrecht. Hierdoor kunnen zowel het huidig kader als het kader dat is verbonden aan dit wetsvoorstel voor deze cliënten worden toegepast. Concreet betekent dit dat de groep met een (intramurale) GGZ-C-indicatie een bijdrage krijgt opgelegd conform de bijdrage die geldt voor beschermd wonen en de overige cliënten in het voorkomende geval het abonnementstarief betalen. In beide gevallen zijn deze bijdrage gunstiger qua hoogte dan onder het overgangsrecht. Daarbij hoeft het CAK niet twee systemen tegelijkertijd te hanteren bij het vaststellen en innen van de bijdragen. Ten slotte kan hiermee ook op enig moment het overgangsrecht ten aanzien van de bijdrage worden afgesloten zodat het oude recht niet meer hoeft te worden toegepast bij een herziening naar aanleiding van eerder onbekende feiten.

Onderdeel B tot en met D

De Sociale verzekeringsbank (SVB) dan wel het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) houden bij broninhouding de uitkering of inkomensvoorziening of het ziektegeld (zonder machtiging) in voor het CAK ten behoeve van de inning van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen (in natura). Deze inhouding wordt ook wel «broninhouding» genoemd.

Deze voorgestelde wijziging heeft tot doel broninhouding door te voeren voor persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Dit zorgt voor een vermindering in administratieve lasten voor verzekerden en instellingen.

De achtergrond hiervan is de verschuiving met ingang van 2020 van de bijdragesystematiek voor het pgb voor beschermd wonen van de extramurale bijdragesystematiek (art. 3.8 e.v. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) naar de intramurale bijdragesystematiek (art. 3:11 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 e.v.). De aanleiding voor de overheveling van de extramurale naar de intramurale bijdragesystematiek, is dat de intramurale systematiek beter past bij de woonsituatie van cliënten met een pgb voor beschermd wonen. Cliënten met beschermd wonen bevatten volgens artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 altijd een wooncomponent (het pgb moet toereikend zijn om als cliënt de maatwerkvoorziening in te betrekken). Cliënten die intramuraal wonen, zouden in de regel altijd de (vaak hogere) intramurale bijdrage moeten betalen. Dit past bij de omstandigheid dat mensen geen woonlasten hebben. Aangezien cliënten met een pgb voor beschermd wonen volgens de definitie geen woonlasten hebben, is het passend dat zij ook de intramurale bijdrage gaan betalen. Als cliënten geen vergoeding voor de wooncomponent ontvangen, dienen gemeenten geen pgb voor beschermd wonen af te geven maar een andere type pgb (bijvoorbeeld een uitgebreide vorm van begeleiding).

Als het persoonsgebonden budget voor deze intramurale vorm van ondersteuning onder dezelfde bijdragesystematiek valt wordt voorgesteld ook hier broninhouding mogelijk te maken. De bijdrage wordt dan bij het UWV en de SVB verrekend met de financiële verstrekkingen als omschreven in de artikelen 57, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 20, tweede lid, van de Algemene ouderdomswet, 39, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 57, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 2:55, tweede lid, en 3:47, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 30, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 54, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 71, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 40, tweede lid, van de Ziektewet.

SVB en UWV hebben deze wijziging getoetst en achten de wijziging uitvoerbaar en haalbaar. Het regelen van de mogelijkheid om broninhouding toe te passen voor cliënten met een pgb voor beschermd wonen leidt niet tot financiële effecten voor gemeenten of cliënten. Het gaat om enkele tientallen cliënten. De overheveling van de extramurale naar de intramurale systematiek heeft wel financiële effecten. Deze worden in de algemene maatregel van bestuur waarin deze overheveling geregeld wordt betrokken.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge