Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935070 nr. 3

35 070 Wijziging van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet in verband met het centraliseren van tolkvoorzieningen ten behoeve van de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de deelname aan het maatschappelijk verkeer van personen met een auditieve beperking, van de luisterlijnen voor volwassenen en jeugdigen en van het vertrouwenswerk jeugd (Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein, luisterlijnen en vertrouwenswerk jeugd)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Hoofdstuk 1. Achtergrond en aanleiding

Per 1 januari 2015 is de Wet werk en bijstand vervangen door de Participatiewet en zijn de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet in werking getreden. Met deze wetten zijn belangrijke taken op het gebied van de ondersteuning, hulp en zorg bij gemeenten neergelegd. Voor enkele voorzieningen geldt dat deze weliswaar per 2015 belegd zijn bij gemeenten, maar dat inmiddels duidelijk is geworden dat het voor de duurzame beschikbaarheid van deze voorzieningen beter is als die onder landelijke, ministeriële, verantwoordelijkheid komen te vallen. Dit geldt voor de tolkvoorziening voor auditief beperkten in het leefdomein en het werkdomein gemeentes, de luisterlijnen in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet en het vertrouwenswerk jeugd. De luisterlijn in het kader van de Jeugdwet is in de praktijk bekend onder het begrip «kindertelefoon». Waar in deze memorie van toelichting specifiek gesproken wordt over de luisterlijn in het kader van de Jeugdwet, zal daarom de term kindertelefoon worden gehanteerd. Voor de duidelijkheid zij vermeld dat daarmee steeds gedoeld wordt op de functie van een kindertelefoon en niet op de stichting De Kindertelefoon die momenteel die functie uitvoert.

Dit wetsvoorstel voorziet in het aanpassen van de Participatiewet, de Wmo 2015 en de Jeugdwet teneinde de verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen te centraliseren van gemeenten naar het Rijk. Hierna wordt allereerst ingegaan op de achtergrond van de tolkvoorziening voor auditief beperkten in het leefdomein en het centraliseren daarvan (hoofdstuk 2) en daarna op de achtergrond van de luisterlijnen Wmo 2015 en Jeugdwet en het vertrouwenswerk jeugd en het centraliseren van deze voorzieningen (hoofdstuk 3).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is verantwoordelijk voor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Staatssecretaris van SZW is verantwoordelijk voor de Participatiewet en de Minister voor Rechtsbescherming is mede-verantwoordelijk voor de Jeugdwet. Zij zijn daarom medeondertekenaars van dit wetsvoorstel. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is eveneens medeondertekenaar van dit wetsvoorstel, vanwege het feit dat het UWV – een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan – een nieuwe taak krijgt.1 Het voornemen tot dit wetsvoorstel is aangekondigd in brieven aan de Tweede Kamer van 8 maart 20172, 2 juni 20173 en 20 december 2017.4

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, tekent deze memorie van toelichting mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

§ 1.1 Leeswijzer

Dit wetsvoorstel voorziet in het aanpassen van de Participatiewet, de Wmo 2015 en de Jeugdwet teneinde de verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen te centraliseren van gemeenten naar het Rijk. Hierna wordt allereerst ingegaan op de achtergrond van de tolkvoorziening voor auditief beperkten in het leefdomein en het centraliseren daarvan (hoofdstuk 2) en daarna op de achtergrond van de luisterlijnen Wmo 2015 en Jeugdwet en het vertrouwenswerk jeugd en het centraliseren van deze voorzieningen (hoofdstuk 3).

Hoofdstuk 2. Tolkvoorziening

§ 2.1 Achtergrond en aanleiding

Het onderhavige wetsvoorstel regelt dat het UWV de uitvoering van de tolkvoorzieningen voor auditief beperkten in het kader van de arbeidsinschakeling Participatiewet en maatschappelijke participatie overneemt. Een gedeelte van de tolkvoorzieningen is op dit moment ondergebracht in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Participatiewet (resp. leefdomein en werkdomein gemeentes). De uitvoering is formeel belegd bij gemeenten. De feitelijke uitvoering van deze twee wetten heeft echter altijd plaatsgevonden op landelijk niveau en is tot 2018 voor het leefdomein georganiseerd geweest door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Omdat de tolkvoorzieningen van het onderwijs- en werkdomein in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetten ook op landelijk niveau gebeurt en er de wens is deze voorzieningen in gezamenlijkheid te organiseren, regelt dit wetsvoorstel dat ook de tolkvoorzieningen voor de Participatiewet en Wmo 2015 bij het UWV belegd worden. Het UWV heeft hierin een specifieke deskundigheid die het in staat stelt om tot een goede, onafhankelijke oordeelsvorming te komen.5

In 2016 is onderzoek gedaan door Significant naar de knelpunten in de uitvoering van de tolkvoorziening6. In dit onderzoek werden verschillende scenario’s geschetst voor de toekomstige doorontwikkeling van de tolkvoorzieningen. Daarbij gaf het rapport als aanbeveling om (naast het wegnemen van enkele knelpunten op korte termijn) op middellange termijn de uitvoering van de regelingen te centraliseren, bijvoorbeeld in de vorm van een gezamenlijk loket. Dit laatste kon rekenen op veel draagvlak bij zowel de auditief beperkten als bij de tolken.

Daar kwam bij dat vanaf 1 januari 2018 de tot dan toe gebruikte wijze van financiering van de tolkvoorziening niet meer mogelijk was. In de Bijzondere ledenvergadering van de VNG van 30 november 2016 is ingestemd met het voorstel dat vanaf 1 januari 2018 de individuele gemeenten zelf verantwoordelijkheid moesten nemen voor deze voorziening, gebruikmakend van een modeltolkregeling en een modelovereenkomst die de VNG heeft opgesteld. De algemene ledenvergadering van de VNG heeft in juni 2017 een definitief besluit genomen over de positionering van de doventolk. De cliëntorganisaties hebben hun zorgen geuit over deze ontwikkeling omdat het hun inziens niet in het belang van de cliënt is als deze voorziening bij gemeenten wordt belegd. Dit betekende dat een besluit genomen moest worden over het al dan niet verder decentraliseren van de tolkvoorzieningen.

Bij het nemen van deze beslissing stond het belang van de mensen met een auditieve beperking voorop. Vanuit dat perspectief kijkend, en lerend van het onderzoek van Significant, is gekozen door te ontwikkelen naar een geharmoniseerde, centrale doventolkvoorziening voor het werk-, leef- en onderwijsdomein, waarin de specifieke voorwaarden van de verschillende domeinen behouden kunnen blijven. Voor mensen met een auditieve beperking en de tolken betekent dit dat zij dan nog maar met één uitvoeringsorganisatie van doen hebben, waar één loket ingericht zal worden voor de drie domeinen. Het voornemen tot centralisatie en harmonisatie is reeds aangekondigd in de brief aan de Kamer van 8 maart 2017. Daarin is toegezegd een verkenning uit te voeren naar de wijze waarop dit het beste kan plaatsvinden. Uitkomst van de verkenning is dat het UWV de aangewezen partij is om de tolkvoorziening uit te voeren. Dit is aan de Kamer gemeld in de brief van 20 december 2017.

Centralisatie wordt overigens ook toegejuicht omdat de populatie auditief beperkten verspreid is over het land en de kwaliteit van dienstverlening gebaat is bij een centrale uitvoering waarbij er meer gespecialiseerde medewerkers kunnen worden ingezet.

§ 2.2. Doel en hoofdlijnen van het wetsvoorstel inzake de tolkvoorziening voor auditief beperkten

Dit wetsvoorstel heeft tot doel de (gemeentelijke) taken voor de tolkvoorzieningen voor auditief beperkten zoals deze voortvloeien uit de Participatiewet en Wmo 2015, bij het UWV neer te leggen. In deze wet wordt vastgelegd welke taken door het UWV moeten worden uitgevoerd. Dit is noodzakelijk om de volgende redenen.

Ten eerste omdat op deze wijze bereikt wordt dat de uitvoering van de tolkvoorzieningen op grond van alle onderscheiden wetten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, hierna Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna Wet WIA), Wet overige OCW-subsidies (hierna WOOS), Wmo 2015 en de Participatiewet) in de hand van één uitvoerder wordt gebracht. De tolkvoorzieningen voor het werkdomein (Wajong en Wet WIA) en het onderwijsdomein (WOOS) zijn op dit moment reeds ondergebracht bij het UWV. Ook de uitvoering van de tolkvoorziening Participatiewet is op dit moment in handen van het UWV, hoewel de wettelijke basis nog bij gemeenten ligt. De uitvoering van de doventolk voor het leefdomein ligt op dit moment nog bij Tolkcontact, hoewel ook hier de wettelijke basis nog bij de gemeenten ligt. De VNG heeft de Berengroep tot 1 januari 2018 gecontracteerd, en VWS heeft dat sindsdien gedaan. Het wettelijk regelen van de uitvoering van de tolkvoorziening Participatiewet door het UWV en het onderbrengen van het leefdomein bij het UWV ligt daarom voor de hand. Het levert voor de gebruikers van de tolkvoorzieningen een belangrijke meerwaarde op, omdat zij dan nog maar met één uitvoeringsorganisatie te maken hebben voor alle (voor hen mogelijk) relevante domeinen.

Ten tweede omdat op deze wijze wordt geborgd dat mensen met een auditieve beperking verzekerd zijn van het recht op tolkvoorzieningen voor het werk- en leefdomein ongeacht de gemeente waarin ze wonen. Het recht op een tolkvoorziening is essentieel voor de participatie van mensen met een auditieve beperking in de maatschappij. Met de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat op 14 juli 2016 in werking is getreden in Nederland, committeert de regering zich om toe te werken naar een inclusieve samenleving. De huidige regelgeving garandeerde geen afdoende rechtsbescherming omdat er thans geen formele mogelijkheid voor bezwaar is en de rechten niet wettelijk beschreven zijn. Het gebruik van een tolkvoorziening levert een belangrijke bijdrage aan de participatie van mensen met een auditieve beperking in de samenleving en is als zodanig een essentiële voorziening. De tolkvoorziening in het leef- en werkdomein is bedoeld voor mensen met een auditieve beperking, maar ook voor mensen die een auditieve en een visuele beperking hebben. Hierbij gaat het om verschillende tolken: Nederlandse gebarentaal, schrijftolken, tolken Nederlands ondersteund met Gebaren, orale tolken, tolken voor doofblinde mensen en de Dove Tolk Gebarentaal. De voorziening in het leefdomein is gericht op de privésfeer en bedoeld om deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk te maken, zoals kerk- en ziekenhuisbezoek. De betrokkene heeft recht op een standaard aantal uren tolkvoorziening per jaar. Daarnaast kan hij of zij onderbouwd om een aanvulling op het standaard aantal uren vragen. Ook voor de extra toegekende uren geldt dat die alleen gebruikt kunnen worden voor situaties in het leefdomein. De voorziening in de Participatiewet heeft betrekking op de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, zoals een re-integratietraject of een sollicitatietraining, of als iemand uit de doelgroep van de Participatiewet gaat werken. Betrokkenen vragen zelf de voorziening aan; dit in nauw overleg met de werkcoach of hun begeleider van de gemeente.

Het wetsvoorstel beoogt de bestaande rechten van gebruikers zoveel mogelijk intact te houden. Het karakter van de verschillende wetten, waarbij tolkvoorzieningen ingezet kunnen worden voor verschillende aan een specifieke wet gekoppelde doelen, blijft daarmee behouden. Zo ontstaat continuïteit in rechten, terwijl de uitvoering wel gecentraliseerd wordt. Voor de formulering van de wetgeving en langere regelgeving wordt daarom zoveel mogelijk aangesloten bij de regeling die de VNG de afgelopen jaren heeft gehanteerd voor de uitvoering van de tolkvoorzieningen.

In dit wetsvoorstel zijn de kaders op hoofdlijnen neergelegd. Uitwerking vindt plaats in lagere regelgeving. Dit betekent dat specifieke voorwaarden met betrekking tot bijvoorbeeld kwaliteit of urenaantal relatief flexibel te wijzigen zijn. Dit betekent dat er duidelijkheid en bestendigheid is over de rechten van auditief beperkten doordat deze rechten zijn vastgelegd op wetsniveau, maar dat flexibiliteit in de uitvoering behouden blijft door dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen.

Voor de Participatiewet betekent dit voorstel dat een juridische basis wordt gecreëerd voor de uitvoering van de taken die het UWV op dit moment reeds uitvoert. Daarnaast zal het UWV de taken voor het leefdomein op zich nemen. In de praktijk betekent de wijziging van beleid dat auditief beperkten hun aanvraag voor een tolkvoorziening moeten indienen bij het UWV. De aanvraag kan digitaal of op papier worden ingediend. Naast persoonsgegevens moet bewijs worden toegevoegd van de auditieve beperking. Het UWV stuurt na controle de beschikking op waarna de cliënt direct een beroep kan doen op een tolk. Eventuele bemiddeling tussen tolk en tolkgebruiker vindt dan plaats. UWV is hiervoor verantwoordelijk maar kan hiervoor een instantie inschakelen. Als de tolk zijn werk gedaan heeft, kan de factuur worden ingediend. De cliënt heeft hierbij de regie over de voor hem beschikbare tolkuren. De tolk wordt vervolgens uitbetaald door het UWV.

§ 2.3. Persoonsgegevens

Op grond van artikel 10g van de Participatiewet en artikel 3a.1 van de Wmo 2015 krijgt het UWV de (nieuwe) wettelijke taak om auditief beperkten uit de gemeentelijke populatie te ondersteunen met tolkdiensten in het kader van hun maatschappelijke participatie en hun arbeidsinschakeling.

Bij een eerste aanvraag voor een tolkvoorziening wordt mogelijk gevraagd naar medische gegevens zoals bijvoorbeeld een audiogram. Hierbij kan ook het bsn worden gevraagd. Medische gegevens kunnen alleen worden ingezien en beoordeeld door daartoe bevoegde functionarissen, namelijk verzekeringsartsen. De verzekeringsarts beoordeelt of er sprake is van een auditieve beperking. Met het oog op de AVG valt een audiogram onder een hoog beveiligingsniveau.

Op grond van artikel 73a Wet SUWI kan het UWV gegevens die het heeft verkregen bij de uitvoering van een bij of krachtens die of een andere wet, zoals de Participatiewet en de Wmo 2015, aan hen opgedragen taak, verwerken voor de uitvoering van een andere wettelijke taak. Hiermee is geregeld dat een aanvrager in verschillende domeinen niet opnieuw gegevens hoeft aan te leveren. Gegevens die bijvoorbeeld verband houden met de verwerking van een tolkvoorziening in het kader van onderwijs, ook kunnen worden gebruikt in het kader van de taak van het UWV voor de arbeidsinschakeling op grond van deze wet. Op die manier hoeft de aanvrager niet telkens dezelfde (medische) gegevens aan te leveren. Dit voorkomt administratieve fouten en administratieve lasten.

Artikel 73a van de Wet SUWI regelt verder dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens kunnen worden gebruikt en dat regels kunnenworden gesteld voor de wijze waarop de gegevensverstrekking plaatsvindt. Gegevens betreffende de gezondheid mogen in dat kader ook verwerkt worden op grond van artikel 9 AVG en artikel 30, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringswet AVG. Het gaat hier om het persoonsgegeven dat iemand auditief beperkt is.

Het UWV verwerkt gegevens die noodzakelijk zijn voor het toekennen van de tolkvoorzieningen. Het wetsvoorstel voldoet ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit die volgen uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het doel van dit wetsvoorstel is om auditief beperkten te ondersteunen bij hun leven en werken met tolkvoorzieningen zodat zij in staat worden gesteld zoveel mogelijk op gelijke voet te participeren in de maatschappij met personen zonder auditieve beperking. Om dit doel te kunnen bereiken zal het UWV informatie over de betrokkene moeten kunnen verwerken om tot een onderbouwde, passende en rechtmatige ondersteuning te komen. De proportionaliteit is gewaarborgd doordat er slechts gebruik wordt gemaakt van de meest noodzakelijke, tot het minimum beperkte gegevensset.

§ 2.4. Verhouding met andere regelgeving

In dit wetsvoorstel wordt rekening gehouden met de Wet WIA, Wajong en WOOS waarin reeds de tolkvoorzieningen voor het werk- en onderwijsdomein zijn opgenomen. Hierbij is opgenomen dat voorzieningen die reeds onder één bepaald domein vallen, niet vanuit een ander domein bekostigd kunnen worden. Dit maakt het mogelijk om per domein een bewuste afweging te maken over de mate waarin een tolkvoorziening noodzakelijk is voor de participatie van een auditief beperkte.

Kaderwet zelfstandig bestuursorganen

In de Wajong, de Wet WIA en de WOOS wordt het UWV bij wet aangewezen als uitvoeringsinstantie voor het verstrekken van tolkvoorzieningen (o.a. schrijftolken of tolken gebarentaal). Voorgesteld wordt om de gemeentelijke taken voor het leveren van tolkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en

de Participatiewet te centraliseren bij het UWV. Bij de toevoeging van een taak aan een bestaand zelfstandig bestuursorgaan dient getoetst te worden aan de in artikel 3 van de Kaderwet zelfstandig bestuursorganen neergelegde instellingsmotieven.

Er is sprake van taken die zelfstandig op basis van deskundigheid en zonder politieke bemoeienis worden uitgevoerd. Het gaat om het toekennen van wettelijk vastgelegde voorzieningen (beschikkingen in de zin van de Awb) naar aanleiding van lichamelijke beperkingen waarbij een onafhankelijke medische beoordeling wordt betrokken. Bij de besluitvorming spelen enkel de aard van de beperkingen van de cliënt en de (coördinatie van) reeds toegekende voorzieningen een rol (geen dubbele verstrekking). De Staatssecretaris van SZW onderscheidenlijk de Minister van VWS stelt op grond van lagere regelgeving de inhoudelijke kaders, de tarieven, de omvang van de voorziening en voorwaarden vast voor de verstrekking van de voorzieningen. Het UWV voert vervolgens strikt regelgebonden taken uit in een groot aantal individuele gevallen: de taken op grond van de artikelen 34a en 35 van de Wet WIA, 2.22 en 2.23 van de Wajong en artikel 19a van de WOOS: ruim 2500 dossiers.

Dit voorstel beoogt zoals genoemd hier de vergelijkbare taken voor het verstrekken van tolkvoorzieningen ten behoeve van maatschappelijke participatie en arbeidsinschakeling op grond van de Participatiewet aan toe te voegen (circa 7000 dossiers, waarbij er veel overlap zal zijn met de

dossiers die het UWV al heeft). Vanuit het oogpunt van doelmatigheid, met name de goede aansluiting bij andere zbo-taken van het UWV, is het van belang om ook deze taken door het UWV te laten uitvoeren. Een voordeel van deze keuze is dat geen andere uitvoerder kennis en expertise hoeft op te bouwen over deze specifieke materie en dat met het UWV als uitvoerder de continuering van een goede uitvoering gewaarborgd blijft. Op die manier worden de vruchten van de bestaande expertise en organisatie op het vlak van de tolkvoorzieningen zoveel mogelijk geplukt en wordt de cliënt één herkenbaar loket geboden waarachter taak en de bevoegdheid samen zijn gebracht. De motieven om deze taak bij het UWV te beleggen zijn dan ook de oordeelsvorming op basis van specifieke deskundigheid en de strikt regelgebonden uitvoering van grote aantallen individuele gevallen.

§ 2.5. Financiële gevolgen

Tot 2017 werden de tolkvoorzieningen in het werkdomein (Participatiewet) en het leefdomein (Wmo 2015) door de VNG georganiseerd. De VNG ontving hiervoor rechtstreeks een uitkering uit het Gemeentefonds. Per 2018 werd deze financiering gestopt.

VWS fungeert sinds 2018 tijdelijk als opdrachtgever voor de uitvoering van de tolkvoorzieningen. Dat doet zij totdat deze wet in werking treedt. Voor 2018 wordt dit gedekt uit de integratie-uitkering Sociaal domein, onderdeel Wmo. Naar verwachting neemt het gebruik van de tolkvoorziening in het leefdomein toe door de toename van participatie van de doelgroep. Volgens de huidige inzichten kan dit worden ingepast binnen de begroting van VWS.

De VNG schakelde voor de Participatiewet het UWV in voor de uitvoering van de tolkvoorzieningen. Vanaf 2018 worden de gelden uit de integratie-uitkering Sociaal Domein naar de Begroting van SZW overgeboekt om de uitgaven aan de doventolk in de Participatiewet te compenseren.

De uitvoeringskosten voor de Participatiewet worden opgevangen binnen de uitvoeringskosten voor voorzieningen van het hele werkdomein. Op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI wordt het UWV bekostigd met een rijksbijdrage van de Ministers van VWS en SZW voor het uitvoeren van de tolkdiensten als bedoeld in dit wetsvoorstel. Naar verwachting neemt het gebruik van de doventolk Participatiewet de komende jaren toe, vanwege de ingroei van de doelgroep van de Participatiewet, tot structureel ca. 950.000 euro. Hieronder zijn de budgettaire effecten voor de Participatiewet weergeven tot en met de begrotingshorizon, afgerond op honderdduizend euro:

Budgettaire effecten doventolk Werkdomein (x € mln)

2019

2020

2021

2022

2023

Uitgaven doventolk

0,2

0,2

0,3

0,4

0,5

Uitname integratie-uitkering Sociaal Domein

– 0,2

– 0,2

– 0,3

– 0,4

– 0,5

§ 2.6. Regeldrukeffecten en administratieve lasten

Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)

Op 12 juni 2018 is het ATR verzocht een advies uit te brengen over dit wetsvoorstel aangaande regeldruk. Het ATR heeft op 27 juni 2018 een positief advies uitgebracht op de regeldruk effecten. Het ATR is van oordeel dat nut en noodzaak van de maatregelen duidelijk en toereikend gemotiveerd zijn en dat er voldoende op werkbaarheid en uitvoerbaarheid is getoetst. Het ATR adviseert op een punt nog verbetering: het berekenen van de regeldruk gevolgen. Dit is in onderstaande paragraaf verwerkt.

Door alle tolkvoorzieningen onder te brengen bij één landelijke uitvoerder, waarbij één loket georganiseerd zal worden voor alle tolkvoorzieningen, dalen de uitvoeringslasten voor zowel de auditief beperkten als voor de tolken die gefinancierd worden via deze voorzieningen. Voor de burger betekent het dat deze één keer bewijs van de auditieve beperking kan aanleveren en dat het UWV één werkproces voor onderwijs, werk en het leefdomein kan inregelen. Vaak maakt een auditief beperkte burger immers gebruik van een tolkvoorziening in verschillende domeinen. De tolk heeft voor de bemiddeling met de auditief beperkte en voor de declaraties ook nog slechts te maken met één partij. Wel heeft de burger nog te maken met meerdere ingangen: het UWV voor het recht op de tolkvoorziening, en de partij die het UWV heeft ingehuurd voor bijvoorbeeld matching tussen tolk en gebruiker of een spoedopdracht.

Op handelingsniveau voor de gebruiker betekent het dat deze maar een keer het bewijs van de auditieve beperking hoeft aan te leveren. Dit bewijs kan ook in de andere domeinen worden hergebruikt. Op het niveau van de uitvoering is er verder wel één proces en loket, maar de vier verschillende wetten (onderwijs: WOOS, werk: WIA/Wajong en Participatiewet, leefdomein: Wmo 2015) met de afzonderlijke voorwaarden blijven gehanteerd. Op handelingsniveau van de gebruiker betekent dit dat de aanvraag voor de tolkvoorziening voor verschillende domeinen niet altijd samengevoegd kan worden. Voor het leefdomein kan de aanvraag per jaar gecontinueerd worden en hoeft de gebruiker alleen bij maatwerk een aparte aanvraag te doen. In het onderwijsdomein lopen de aanvragen en toekenningen per school-/studiejaar. Voor het werkdomein geldt dat het aanvragen en verlengen van de voorziening afhankelijk is van de ingangsdatum, aard en duur van het arbeidscontract of het moment, inhoud en duur van bijvoorbeeld re-integratie. Bij het vormgeven van het uitvoeringsproces zal het UWV erop gericht zijn de administratieve lasten voor de auditief beperkte en de tolk zo laag mogelijk te houden.

De effecten van de regeldruk voor de burger en tolk zijn dus licht positief. In de gedelegeerde regelgeving wordt expliciet aandacht besteed aan het hergebruik van het gegeven dat iemand een auditieve beperking heeft tussen de verschillende domeinen zodat een verdere reductie van uitvoeringslasten voor gebruikers bewerkstelligd wordt.

Dit wetsvoorstel heeft geen verdere regeldrukeffecten voor bedrijven en instellingen.

Berekening regeldruk(vermindering)

Uitgangspunt bij de berekening van de gevolgen op het gebied van regeldruk is het aantal gebruikers van de tolkvoorziening in het leefdomein: 7.031 in 2017. Verder waren er in 2015 1.752 gebruikers van deze voorziening in het onderwijsdomein en 720 in het werkdomein.7

De mensen die van een tolk in het werkdomein of onderwijsdomein gebruik maken, hebben ook recht op een tolkvoorziening in het leefdomein. Er zijn dus ongeveer 2.500 mensen van de 7.000 die direct voordeel genieten van het gaan naar één loket en proces. Ze kunnen terecht bij dezelfde partij voor informatie, hoeven maar één keer bewijs aan te leveren van de auditieve beperking en hebben tijdwinst bij het invullen van het aanvraagformulier van de verschillende domeinen doordat deze hetzelfde is vormgegeven in de verschillende domeinen. In totaal levert dat voor deze 2.500 personen naar verwachting per persoon een tijdwinst op ten opzichte van de huidige situatie: 1 uur per jaar formulieren invullen en 1 uur per jaar bewijs van de beperking inleveren.

Voor de tolken geldt dat ze bij één organisatie de factuur kunnen indienen. Uitgangspunt hierbij is klantvriendelijkheid naar de tolken toe vanuit die organisatie: door het handig verbinden van opdrachten, akkoord van de gebruikers en facturatie in een systeem, heeft de tolk zo min mogelijk administratieve lasten. Ten opzichte van de huidige situatie scheelt dit naar verwachting zo’n 4 uur per maand per tolk. In het leefdomein zijn 590 tolken actief, waarvan bijna 500 tolken Nederlandse Gebarentaal en ruim honderd schrijftolken, sommige tolken zijn zowel gebarentolk als schrijftolk.

 

Gebruikers

Tolken

Totale verlichting

Aantal

2.500

600

 

Uren besparing per jaar

2

48

 

Tarieven per uur (€)

15

54

 

Totale vermindering (€)

75.000 structureel

1.555.200 per jaar

Ca. 1,5 mln structureel per jaar

Voor zowel de tolken als de gebruikers is het relevant dat het UWV in samenwerking met de externe partij gaat inzetten op het gebruik van digitale middelen, waarbij met inachtneming van de eisen die verband houden met rechtmatigheid gebruiksvriendelijkheid en efficiëntie voorop staat. Het is onduidelijk tot hoeveel vermindering van regeldruk dit exact leidt omdat UWV nog doende is het uitvoeringsproces verder vorm te geven.

§ 2.7. Consultatie en advisering

Er is een uitvoeringstoets gevraagd aan UWV. Daarnaast is dit wetsvoorstel ook geconsulteerd bij de belangenorganisaties van auditief beperkten en tolken. Ook is het wetvoorstel voorgelegd voor internetconsultatie. Tot slot is het wetsvoorstel voorgelegd aan het Uitvoeringspanel gemeentes voor zover het de Participatiewet betreft.

Uitvoeringstoets UWV

Op 15 februari 2018 is UWV verzocht een uitvoeringstoets uit te brengen over dit wetsvoorstel. UWV heeft deze toets op 23 april 2018 uitgebracht. UWV is van oordeel dat de voorgestelde wetswijzigingen en de beoogde uitvoering haalbaar en uitvoerbaar zijn voor UWV. Ook in de invoeringsdatum van 1 juli 2019 is haalbaar, op voorwaarde dat de Europese Aanbestedingsprocedure tijdig is afgerond. Er is namelijk een implementatietijd te verwachten voor UWV en de door het UWV in te huren partij (zie hierna). Gezien het voorbehoud dat UWV niet per juli 2019 (volledig) de beoogde werkwijze kan invoeren, zal UWV voor de zekerheid starten met voorbereidingen op een overbruggingsscenario.

UWV kan de huidige doelgroepen werk en onderwijs uitbreiden met het leefdomein omdat het gaat om hetzelfde aanvraagproces. UWV zal wel extra kennis over de doelgroep opbouwen; UWV zal dit doen met ondersteuning door de belangenorganisaties. UWV schrijft reeds meermalen overlegd te hebben met belangenorganisaties en daar ook bij de implementatie en daarna mee door te gaan. UWV zal ook extra aandacht besteden aan het opbouwen van vakmanschap met het oog op de doelgroep.

UWV geeft aan het uitvoeren van de tolkvoorzieningen voor de drie domeinen (leef, werk en onderwijs) in twee onderdelen te zullen verdelen: UWV voert het proces van aanvraag tot en met beschikking uit, inclusief de daarbij behorende klantinteractie, en de betaling aan de tolk. Onder verantwoordelijkheid van UWV functioneert daarnaast een externe dienstverlener die begeleidende dienstverlening aan de tolkgebruiker en de tolk verleent. Het gaat dan om bemiddeling tussen tolk en tolkgebruiker, achterwacht en spoedgevallen, tolk op afstand, het afhandelen van facturen van tolken, het gebruiksvriendelijk accorderen van tolkfacturen en real-time inzicht in het budget van de klant door de klant zelf. De facto zullen tolkgebruikers dus met twee organisaties van doen hebben. Beide organisaties hebben hun eigen taak maar werken nauw samen. UWV schetst in de toets hoe het proces van aanvraag, toekenning en betaling zal verlopen en hoe zal worden samengewerkt met de in te huren externe partij. UWV is eindverantwoordelijk voor de hele dienstverlening.

Binnen UWV wordt de uitvoering van de tolkvoorziening van zeven regiokantoren gecentraliseerd naar één centraal punt. UWV is in het najaar 2017 met een proef gestart, en verwacht per juli 2019 een soepele invoering van een centrale uitvoering te kunnen realiseren voor alle drie de domeinen.

UWV zal de kwaliteitsstandaarden die VWS hanteert voor het leefdomein gebruiken bij de ontwikkeling van de dienstverlening bij UWV en bij de aanbesteding in het Programma van Eisen.

UWV voert de tolkvoorziening voor de Participatiewet uit sinds 2015. UWV acht het uitvoerbaar om dit permanent te doen.

Het uitvoeren van de tolkvoorziening voor de Wmo 2015 is een zogenaamde «andere taak» voor UWV. Normaliter is een voorwaarde voor het uitvoeren van een andere taak dat de uitvoering hiervan strikt gescheiden is van de uitvoering van de taken die UWV doet in opdracht van het Ministerie van SZW. In dit geval ligt een strikte scheiding niet voor de hand, en was daar ook geen sprake van in de afgelopen jaren voor het onderwijsdomein. UWV acht het verantwoord en uitvoerbaar om op deze manier vorm te geven aan deze opdrachten.

De uitvoeringstoets heeft ook betrekking op twee algemene maatregelen van bestuur (bij de Wmo 2015 en bij de Participatiewet) en twee ministeriële regelingen (idem). Hierin worden uitvoeringsdetails van de tolkvoorziening geregeld. Hieruit zijn geen specifieke aandachtspunten voor het wetsvoorstel naar voren gekomen.

Over de handhaafbaarheid meldt UWV dat die gericht zal worden op het al dan niet behoren tot de doelgroep van auditief beperkten, en tot de al dan niet rechtmatige declaratie. UWV geeft de suggestie mee om tolken waarbij misbruik van de voorziening is geconstateerd, uit te kunnen laten schrijven uit het Register Tolken Gebarentaal en Schrijftolken.

UWV benadrukt het belang van een heldere opdrachtgeverstructuur, nu UWV te maken heeft met drie opdrachtgevende Ministeries (SZW, OCW, VWS) waarbij er bij de twee laatste gevallen sprake is van een andere taak. UWV pleit er voor om in de toekomst met één opdrachtgever te maken te hebben. Daarnaast bepleit UWV verdergaande inhoudelijke harmonisatie tussen de domeinen.

Op het gebied van de ICT zullen er op een aantal punten aanpassingen gedaan moeten worden, zoals routering binnen UWV naar één uitvoeringskantoor, communicatie met de externe partij over het recht en over declaraties, en tot de mogelijkheid van het aanvragen door organisaties in plaats van door burgers. UWV beschrijft wat er nodig is voor een verantwoorde gegevensuitwisseling met de bestaande externe partijen en met gemeentes.

Op de onderdelen met betrekking tot de uitvoerings- en programmakosten wordt ingegaan in paragraaf 2.5 van deze memorie.

In reactie op de uitvoeringstoets is het wetsvoorstel op enkele ondergeschikte punten aangepast. De Minister van SZW heeft UWV toestemming gegeven voor het uitvoeren van deze andere taak met de kanttekening dat de rechtmatigheid van de verschillende domeinen gewaarborgd moet blijven.

De Minister van VWS zal samen met de Ministers van SZW en OCW in 2019 komen tot een heldere opdrachtgeverrelatie8. In dat verband zal ook de verdere harmonisatie van de regelgeving ter hand worden genomen.

De juridische opmerkingen zoals vermeld in de bijlage zijn verwerkt. De informatieplicht van de Wajong (artikel 3:40) is van overeenkomstige toepassing verklaard. Daardoor kan UWV een bestuurlijke boete opleggen bij verzaking daarvan.

Uitvoeringspanel gemeentes

Er zijn vooral informatieve vragen gesteld. Deze zijn beantwoord. De toelichting is naar aanleiding daarvan op een paar punten aangevuld ter verduidelijking. Het wetsontwerp is aangevuld met de bepaling dat ook een gemeente een tolkvoorziening kan aanvragen.

Overleg met belangenorganisaties

In het kader van de totstandkoming van dit wetsvoorstel is in de verschillende fasen ervan vanaf het voorjaar 2017 overleg gevoerd met de betrokken partijen (vertegenwoordigende belangenorganisaties van tolken en gebruikers). Het overleg richtte zich in eerste instantie op de keuze voor het UWV als verantwoordelijke uitvoerder voor de tolkvoorziening, maar gaandeweg ook op knelpunten en eisen voor gebruikers en tolken die naar voren komen bij de uitvoering van de voorziening. De vertegenwoordigende belangenorganisaties hebben naar aanleiding van de hen voorgelegde voorstellen suggesties gedaan ter verbetering van de concepten en de uitvoering.

De belangenorganisaties benadrukken dat het streven naar centralisatie en harmonisatie al sinds 2014 bestaat. In 2017 hebben zij aangegeven dat gebruikers van tolkvoorzieningen en tolken zelf niet gelukkig zijn met de keuze voor het UWV als uitvoeringsorgaan. Ervaringen uit het verleden zijn dat het UWV als starre organisatie wordt gezien, waarbij ook met name de communicatie niet goed aansluit op de doelgroep.

Er zijn ook voordelen om voor het UWV als uitvoerder van de tolkvoorziening te kiezen. Beslissingen van het UWV zijn besluiten in de zin van de Awb en als zodanig vatbaar voor bezwaar en beroep. Hiermee wordt gebruikers afdoende rechtsbescherming geboden. Het UWV besteedt bovendien een groot deel van de daadwerkelijke uitvoering uit aan een partij die veel kennis heeft over de doelgroep. Het UWV heeft toegezegd dat er bovendien wordt gewerkt aan het verbeteren van de voorziening, zoals de communicatie, snelheid en het centraliseren van de uitvoering van de tolkvoorziening naar één kantoor. Met deze noties kunnen de belangenorganisaties achter deze beweging naar het UWV staan, maar zij blijven graag in gesprek met zowel de betrokken departementen als het UWV over de kwaliteit van dienstverlening. Bovendien verwachten zij ook na harmonisatie van de uitvoering, harmonisatie in wet- en regelgeving door OCW, SZW en VWS. De belangenorganisaties blijven dan ook nauw betrokken bij de (aanloop naar de) uitvoering van de tolkvoorziening bijvoorbeeld bij de eisen van de aanbesteding.

Internetconsultatie

Tevens is een concept van het onderhavige wetsvoorstel van 24 maart tot en met 24 april 2018 voor consultatie aangeboden via internet. Daarop zijn in totaal 35 reacties gekomen vanuit tolken, gebruikers en verschillende organisaties. Hieronder volgt een samenvatting van de reacties uit beide consultaties en de wijze waarop deze zijn verwerkt in het wetsvoorstel.

De reacties uit de internetconsultatie zijn overwegend kritisch op de expertise en de huidige uitvoering van het UWV van de tolkvoorziening in het onderwijs- en werkdomein. De wens van centralisatie en harmonisatie van de voorziening wordt gedeeld, maar het UWV is daar volgens deze reacties niet de aangewezen partij voor. De expertise van de huidige bemiddelende partijen (Tolkcontact en Tolknet) tussen tolk en tolkgebruiker wordt geroemd; deze partijen hebben ook mensen in dienst met een auditieve beperking en snappen de communicatie die de doelgroep nodig heeft. Ook de uitbetaling van tolken door het UWV ging in het verleden niet altijd goed. Vanzelfsprekend hanteert het UWV bij het nemen van een beslissing op een aanvraag de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze partijen vinden dat evenwel niet passend bij deze voorziening, omdat cliënten regelmatig op korte termijn extra uren nodig hebben voor bijvoorbeeld een ziekenhuisbezoek of een begrafenis. Met het UWV is afgesproken dat daar waar snelheid geboden is, het UWV ervoor zal zorgen dat de extra uren op tijd worden beschikt.

In de reacties wordt veel ingegaan op de noodzaak maatwerk te leveren: mensen die extra uren nodig hebben, geven aan dat niet regels leidend moeten zijn, maar echt aandacht voor de mens. Specifiek voor doofblinden wordt aangegeven dat deze groep extra aanpassing nodig heeft in de communicatie. Verschillende reacties leggen een koppeling met het VN-verdrag handicap: mensen moeten mee kunnen doen in de samenleving.

De reacties benadrukken dat zorgvuldigheid bij de voorbereiding en invoering geboden is. Het UWV gaat een groot deel van de uitvoering aanbesteden en zal zelf alleen de fase van beschikken uitvoeren, en daarnaast voor de betaling zorgen. Dat was niet bekend tijdens de internetconsultatie. Dit zorgt ervoor dat gebruikers in de praktijk vooral te maken zullen krijgen met een partij met veel expertise op het gebied van tolken en tolkgebruikers. In de regelgeving zal duidelijk opgenomen worden dat het huidige maatwerk, ten behoeve van mensen die extra uren nodig hebben, gewaarborgd blijft in het leefdomein. De standaarduren die mensen krijgen zullen elk jaar automatisch verlengd worden in het leefdomein. Het UWV zal bovendien de ervaringen uit voorgaande aanbestedingen en de aanbesteding van de VNG verwerken in de nieuwe aanbesteding.

Hoofdstuk 3. Luisterlijn Wmo 2015, kindertelefoon en vertrouwenswerk jeugd

§ 3.1 Achtergrond en aanleiding

Luisterlijn Wmo 2015

In de huidige Wmo 2015 is bepaald dat gemeenten ervoor moeten zorgen dat voor ingezetenen telefonisch of elektronisch anoniem een luisterend oor en advies beschikbaar is. Gemeenten konden deze verantwoordelijkheid vanaf 2015 individueel uitvoeren, maar in een groot gedeelte van de gemeenten voert de landelijk opererende organisatie Sensoor – ook wel «het luisterend oor» genoemd- deze functie uit. Ook vóór 2015 voerde Sensoor deze voorziening uit, destijds op basis van een subsidie van het Ministerie van VWS. Het luisterend oor biedt telefonisch en per chat anoniem steun aan mensen die zich in een moeilijke situatie bevinden en daar met iemand over willen praten. De telefoonlijn is 24 uur per dag bereikbaar. Vrijwilligers zitten thuis of op locatie klaar voor een goed gesprek en, mocht dit nodig zijn, een concreet advies of een advies contact op te nemen met professionele hulpverlening. De insteek van het gesprek is persoonlijke aandacht van de vrijwilliger en een gesprek van mens tot mens. De luisterlijn helpt echter niet bij het formuleren van een hulpvraag en wijst ook niet actief door naar professionele hulpverlening.

Het luisterend oor kreeg in 2017 450.000 oproepen, die leidden tot 280.000 gesprekken per telefoon of chat, en werkt vanuit 21 locaties. Het luisterend oor heeft een landelijk telefoonnummer, maar ook 21 lokale nummers. Hierdoor kunnen bellers uit deze 21 regio’s de keuze maken om met iemand uit hun eigen regio te spreken.

Ook voor het luisterend oor geldt dat er de komende jaren behoefte aan ondersteuning op dit gebied zal blijven bestaan. Dit vraagt om continuïteit van de huidige voorziening.

Kindertelefoon

Vanaf 1979 tot 2005 werd de functie van kindertelefoon uitgevoerd door een groeiend aantal afzonderlijke organisaties, die allemaal hun eigen telefoonnummer hadden. In 1983 sloten 18 van de op dat moment 21 vestigingen zich aan bij het Landelijk Overleg Kindertelefoons. Vanaf 1992 konden de afzonderlijke vestigingen bereikt worden via één landelijk telefoonnummer en in 1995 werd de website www.kindertelefoon.nl gelanceerd. Sinds 2003 kunnen kinderen en jongeren ook via chat contact opnemen met de kindertelefoon. Met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg werd de functie van een kindertelefoon onderdeel van de taken van de provinciale bureaus jeugdzorg. Om de kwaliteit van de dienstverlening te borgen is sindsdien steeds meer ingezet op samenwerking en zijn uiteindelijk 11 van de 18 locaties gesloten en zijn de overblijvende 7 locaties uitgebreid. Bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de Jeugdwet in de Tweede Kamer is het belang van voortbestaan van de functie van een kindertelefoon onderkend, getuige ook de motie Dijsselbloem/Kooiman die daarover is aangenomen.9 Met de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid voor de functie van een kindertelefoon belegd bij de gemeenten. De VNG heeft per 1 januari 2015 ten behoeve van de gemeenten voor de uitvoering van deze wettelijke taak de landelijke stichting De Kindertelefoon bekostigd. Deze landelijke stichting heeft voor de uitoefening van de functie van een kindertelefoon een groot deel van het personeel overgenomen dat door de bureaus jeugdzorg daarvoor werd ingezet, alsmede de infrastructuur voor de dienstverlening via telefoon, chat en website. Daarmee werd de continuïteit van de dienstverlening veiliggesteld.

De Kindertelefoon voert deze functie kindvriendelijk en laagdrempelig uit, geniet landelijke bekendheid en werkt met professioneel getrainde en begeleide vrijwilligers. Kinderen en jongeren kunnen vertrouwelijk en gratis per telefoon of chat terecht bij de vrijwilligers van De Kindertelefoon met vragen en problemen. Deze voorziening biedt jeugdigen een luisterend oor, geeft antwoorden op vragen of bedenkt samen met de jeugdige een oplossing. De website en het forum van De Kindertelefoon zijn altijd beschikbaar. Indien de veiligheid in het geding is, kan een vrijwilliger van De Kindertelefoon samen met de jeugdige – indien deze dat wenst – contact opnemen met andere relevantie ketenpartners, waaronder het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK, hierna: Veilig Thuis). In dat kader zijn samenwerkingsafspraken gemaakt met de Veilig Thuis-organisaties.

Jaarlijks worden ruim 193.000 gesprekken gevoerd via de telefoon en chat. De verwachting is dat er ook de komende jaren behoefte aan ondersteuning op dit gebied zal blijven bestaan. Dit vraagt om continuïteit van de huidige voorziening en behoud van kennis.

Vertrouwenswerk jeugd

In de Jeugdwet is opgenomen dat gemeenten ervoor moeten zorgen dat jeugdigen, hun ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. De Jeugdwet regelt voorts dat de vertrouwenspersoon werkzaam dient te zijn bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die onafhankelijk opereert van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en Veilig Thuis. Het is de taak van de vertrouwenspersoon om de jeugdigen, ouders en pleegouders te ondersteunen, met name bij de uitoefening van hun rechten jegens de genoemde organisaties. Dit gaat overigens niet zover dat de vertrouwenspersoon op eigen initiatief namens de jeugdige, ouder of pleegouder kan optreden.

Onder de Jeugdwet hebben de gemeenten via de VNG het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (hierna: AKJ) gecontracteerd voor het leveren van onafhankelijk vertrouwenswerk voor iedereen die te maken heeft met jeugdhulp en daarbij behoefte heeft aan informatie, advies of ondersteuning. Het AKJ maakt daarbij gebruik van de diensten van vijf regionaal werkende Zorgbelang-organisaties. Deze organisaties leveren niet alleen vertrouwenspersonen in het jeugddomein, maar ook cliëntondersteuners in het brede sociale domein en zetten zich daarnaast actief in voor participatie van patiënten, cliënten en burgers in het zorg- en welzijnsbeleid.

Vertrouwenspersonen dragen bij aan de rechtsbescherming van de cliënten. Zij zijn in het bijzonder van waarde voor de meest kwetsbare doelgroepen: jongeren die in jeugdhulpinstellingen verblijven en de ouders/verzorgers die te maken krijgen met het gedwongen kader. Bij gedwongen hulp is sprake van (soms vergaand) overheidsingrijpen in het privé en gezinsleven van cliënten. Dergelijk overheidsingrijpen vraagt om extra waarborgen om de rechtspositie van jeugdigen en ouders te waarborgen. Toegang tot onafhankelijk vertrouwenswerk is een van die waarborgen. Onafhankelijk vertrouwenswerk is geen jeugdhulp, maar kan worden gezien als een randvoorwaarde om het jeugdhulpstelsel beter te laten functioneren. Het draagt bij aan de-escalering van conflicten en speelt daarnaast ook een rol in de structurele verbetering van de kwaliteit van de jeugdhulp, onder meer omdat vertrouwenspersonen gesignaleerde problemen bespreken met instellingen en gemeenten.

Jaarlijks ondersteunt het AKJ circa 7.000 cliënten bij circa 15.000 vragen, problemen en klachten. De verwachting is dat ook in de komende jaren behoefte aan ondersteuning op dit gebied zal blijven bestaan. Dit vraagt om continuïteit van de huidige voorziening en behoud van kennis en kwaliteit en de mogelijkheid een landelijk beeld te verkrijgen van de signalen en klachten waar vertrouwenspersonen bij worden betrokken.

Uitvoering vanaf 2015

Gemeenten hebben in de jaren 2015, 2016 en 2017 hun wettelijke taken inzake de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd (op enkele uitzonderingen na ten aanzien van de luisterlijn Wmo 2015) gezamenlijk uitgevoerd. De reden daarvoor is dat een belangrijke overeenkomst tussen deze voorzieningen is dat zij algemeen toegankelijk zijn en een onafhankelijke positie innemen: mensen kunnen er zonder tussenkomst van de gemeente gebruik van maken. De kosten van het gebruik van deze voorzieningen zijn dan ook niet te herleiden tot individuele gemeenten.

In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Jeugdwet per 2015 besloten de gemeenten deze voorzieningen voor drie jaar centraal door de VNG te laten organiseren en financieren. De reden daarvoor was dat de continuïteit van deze functies gewaarborgd diende te zijn, en dat de tijd ontbrak om een andere constructie uit te werken. Voor elk van deze functies heeft de VNG één organisatie bekostigd. De VNG werd daarvoor rechtstreeks uit het Gemeentefonds gefinancierd. Een dergelijke financieringsconstructie is echter niet conform de Financiële-verhoudingswet. Gemeenten dienen voor hun wettelijke taken immers rechtstreeks de middelen te ontvangen uit het Gemeentefonds. In overleg met het Rijk hebben gemeenten daarom toegewerkt naar een alternatieve constructie om de continuïteit van de voorzieningen vanaf 2018 te waarborgen. De VNG stelde in april 2017 aan gemeenten een constructie voor waarbij elke gemeente een drietal door de VNG opgestelde overeenkomsten aangaat met drie landelijk werkende organisaties en waarin een prijs per voorziening was opgenomen die gebaseerd was op het aantal inwoners per gemeente. Echter, op 1 juni 2017 hadden meer dan 100 gemeenten deze overeenkomst nog niet getekend, waardoor niet tijdig voldoende duidelijkheid bestond over de financiële dekking voor het continueren van de dienstverlening in 2018. Dit leidde tot grote zorgen over het voortbestaan van deze functies en tot grote onzekerheid bij de organisaties die deze diensten op dat moment ten behoeve van de gemeenten uitvoerden, namelijk de Stichting Advies- en Klachtenbureau Jeugd, de Stichting Kindertelefoon en de Stichting Sensoor.

§ 3.2. Doel en hoofdlijnen van het wetsvoorstel inzake de luisterlijn Wmo 2015, kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd

Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon in het kader van de Jeugdwet en het vertrouwenswerk jeugd onder de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS te brengen.

Voor de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd zijn de onafhankelijke positie en de algemene, landelijke, laagdrempelige beschikbaarheid van essentieel belang. Dat betekent dat mensen zonder tussenkomst van de gemeente (zonder onderzoek of afhankelijkheid van een beslissing) gebruik moeten kunnen maken van deze voorzieningen. In de praktijk is louter een formele, contractuele relatie tussen de VNG (namens de gemeenten) en de betreffende organisaties ontstaan en handelen de uitvoerende organisaties volledig onafhankelijk. De regering is dan ook van mening dat het centraliseren van deze voorzieningen geen afbreuk doet aan de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet en dat het tegelijkertijd wel een belangrijke waarborg biedt voor de kwaliteit en de beschikbaarheid van deze essentiële voorzieningen. Uit een peiling van de VNG bleek dat ook het merendeel van de gemeenten van mening was dat deze voorzieningen beter centraal georganiseerd en collectief gefinancierd kunnen worden.

Gelet op de in de vorige paragraaf beschreven bedreiging voor de continuïteit van de dienstverlening en het brede draagvlak voor een centrale organisatie en financiering van deze voorzieningen, besloot de toenmalige Staatssecretaris van VWS op 2 juni 2017 deze voorzieningen vanaf 1 januari 2018 via het Ministerie van VWS te financieren.10 De bedreiging voor het voortbestaan van deze organisaties betekende immers ook een onmiddellijk risico voor de beschikbaarheid van deze belangrijke landelijke functies. Zo zouden de organisaties direct te maken krijgen met vertrek van personeel en zou het vanwege het onzekere toekomstperspectief uiterst moeizaam zijn om nieuw personeel aan te trekken. Dit zou zeer ongewenste schade opleveren voor de mensen die een beroep moeten kunnen doen op de luisterlijn Wmo 2015, de kindertelefoon of op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Uitvoering in 2018

Ter uitvoering van deze toezegging heeft de VNG, in overleg met VWS en de betrokken organisaties, de lopende contracten met Stichting AKJ (hierna: AKJ) en Stichting Sensoor (hierna: Sensoor) verlengd tot en met 31 december 2018. Het contract met Stichting De Kindertelefoon (hierna: de Kindertelefoon) duurde al tot en met die datum. Vervolgens heeft VWS de drie lopende contracten van de VNG via een overeenkomst overgenomen per 1 januari 2018. Zodoende is optimale continuïteit gewaarborgd voor de betreffende organisaties èn voor de taken die zij uitvoeren.

Op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 zijn gemeenten formeel nog verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd. Daarom wordt voorgesteld de Jeugdwet en de Wmo 2015 zodanig aan te passen dat de verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen wordt belegd bij het Rijk. Het onderhavige wetsvoorstel regelt dan ook dat de Minister van VWS zorg draagt voor de beschikbaarheid van deze voorzieningen.

Luisterlijn Wmo 2015 en kindertelefoon

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld in de Wmo 2015 te bepalen dat de Minister van VWS er zorg voor draagt dat natuurlijke personen op ieder moment van de dag kosteloos en anoniem een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen. Daarnaast wordt voorgesteld in de Jeugdwet op te nemen dat jeugdigen kosteloos en anoniem een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen. Hiermee wordt aangesloten op de huidige verantwoordelijkheid van gemeenten voor deze voorzieningen. Voor kinderen en jongeren dient een luisterlijn beschikbaar te zijn die specifiek gericht is op hun beleving, ontwikkelingsniveau en problematiek. Daarom blijft voor jeugdigen in de Jeugdwet een «eigen» voorziening in stand.

Eigen bijdrage luisterlijn Wmo 2015

Een verandering ten opzichte van 2018 is dat per 1 januari 2019 geen eigen bijdrage meer wordt gevraagd. Voor het telefonisch contact met de landelijke luisterlijn werd dit voor 1 januari 2019 nog wel gevraagd. Het doel van de bijdrage was om een drempel op te werpen tegen misbruik van de luisterlijn. Echter, net als met nummers als 112 en andere noodnummers, zijn er andere manieren om misbruik te voorkomen en uiteindelijk nummers te blokkeren. Het bedrag per belminuut is ten aanzien van het doel onvoldoende effectief en werpt een drempel op voor de doelgroep van de luisterlijn. De regering stelt voor naar aanleiding van deze centralisatie de luisterlijn kosteloos aan te bieden. Wel betaalt de beller zijn eigen belkosten en zijn internetverbinding in het geval van de chat.

Fusie regionale luisterlijnen Wmo 2015 en landelijke organisatie

Zoals eerder aangegeven is in een groot gedeelte van de gemeenten de landelijk opererende organisatie Sensoor actief. Met ingang van 2018 wordt deze organisatie door VWS gefinancierd. Hiervoor heeft VWS een uitname uit het Gemeentefonds gedaan van € 0,25 per inwoner. Voor acht gemeenten is echter een uitzondering gemaakt omdat zij hun regionale luisterlijnen in 2018 nog zelf financieren. Dit gaat om de volgende gemeenten: Amsterdam, Berkelland, ’s-Gravenhage, Lansingerland, Pijnacker-Nootdorp, Rotterdam, Utrecht en Zoetermeer. Vanaf 1 januari 2019 financiert VWS voor alle gemeenten de luisterlijn het luisterend oor hetgeen leidt tot een uitname uit het Gemeentefonds van € 0,25 per inwoner van Nederland. In reactie hierop bereiden de organisatie Sensoor Nederland en een aantal regionale luisterlijnen een fusie voor, zodat er één landelijke luisterlijn zal zijn voor volwassenen die behoefte hebben aan een luisterend oor. Sensoor Nederland heet per 12 december 2019 – in gefuseerde vorm – De Luisterlijn.

Vertrouwenswerk jeugd

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld in de Jeugdwet te bepalen dat de Minister van VWS er zorg voor draagt dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. De formulering van de wettelijke taak komt naadloos overeen met de taakomschrijving die in de huidige tekst van de Jeugdwet geldt voor gemeenten ten aanzien van het vertrouwenswerk jeugd. Naast de opdracht om te voorzien in de beschikbaarheid van onafhankelijke vertrouwenspersonen, is geregeld dat de gemeenten, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig moeten informeren over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon.

Daarnaast moeten voornoemde organisaties de vertrouwenspersonen in de gelegenheid stellen hun taak uit te oefenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de vertrouwenspersonen, die waarborgen dat de eerder genoemde organisaties de vertrouwenspersonen daadwerkelijk in staat stellen hun taak uit te oefenen. Basis voor de regels zullen de regels zijn die hierover nu al in het Besluit Jeugdwet zijn gesteld.

Overigens spelen de vertrouwenspersonen ingevolge de Wmo 2015 desgevraagd ook een rol in het ondersteunen van cliënten die bij een melding bij Veilig Thuis betrokken zijn. De bepalingen in de Wmo 2015 zijn zoveel mogelijk aangepast op de nieuwe bepalingen over het vertrouwenswerk die in de Jeugdwet zijn opgenomen.

§ 3.3. Persoonsgegevens

Luisterlijn Wmo 2015 en kindertelefoon

Een belangrijke voorwaarde voor de laagdrempelige toegankelijkheid van de luisterlijn Wmo 2015 en de functie van een kindertelefoon is dat mensen volledig vertrouwelijke gesprekken kunnen voeren. De medewerkers van deze voorzieningen zullen daarom ook geen persoonsgegevens bijhouden in een dossier. In het geval van een mogelijke situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling kan de kindertelefoon met instemming van de jeugdige samen bellen met Veilig Thuis. Zodra het contact met Veilig Thuis tot stand is gebracht, zal de medewerker van de luisterlijn het contact verbreken en er «tussenuit stappen».

Vertrouwenswerk

De vertrouwenspersonen zijn slechts bevoegd in actie te komen voor zover de betrokkene daarvoor toestemming geeft. Om als vertrouwenspersoon goed te kunnen functioneren, zal het noodzakelijk zijn dat de vertrouwenspersoon persoonsgegevens verwerkt van degene die hij ondersteunt en van medewerkers die hulp verlenen aan de te ondersteunen persoon. Het kan gaan om situaties waarbij jeugdhulp wordt geleverd of op z’n minst de vraag speelt of behoefte aan jeugdhulp bestaat. Daarom zullen de noodzakelijk te verwerken persoonsgegevens al snel gegevens betreffende de gezondheid zijn. Voor zover het gaat om jeugdreclassering, kan het ook noodzakelijk zijn om strafrechtelijke gegevens te verwerken. Voor de werkzaamheden van Veilig Thuis gaat het om situaties van (vermoedelijke) mishandeling en dan kunnen de noodzakelijk te verwerken persoonsgegevens behalve gegevens betreffende de gezondheid ook strafrechtelijke gegevens betreffen. Om als vertrouwenspersoon goed te kunnen functioneren, is het noodzakelijk dat hij geen toestemming nodig heeft voor de noodzakelijke verwerking van de persoonsgegevens van medewerkers van de betreffende organisatie. De voorgestelde artikelen 1a.2 van de Jeugdwet en 4.2.6, vierde lid, van de Wmo 2015 voorzien daarom in een expliciete wettelijke grondslag voor de verwerking van de noodzakelijke persoonsgegevens door vertrouwenspersonen, waarbij is bepaald dat daarvoor geen toestemming vereist is van de betreffende medewerkers.

§ 3.4. Financiële gevolgen

De luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd werden tot en met 2017 door de VNG gefinancierd. Zoals hierboven vermeld, heeft de Minister van VWS ten behoeve van de financiering voor 2018 de drie contracten van de VNG via een overeenkomst overgenomen per 1 januari 2018. Zodoende is optimale continuïteit gewaarborgd voor de betreffende organisaties èn voor de taken die zij uitvoeren. Met ingang van 2018 worden deze voorzieningen dan ook niet meer uit het Gemeentefonds gefinancierd, maar uit de begroting van VWS.

Omdat gemeenten deze taken niet meer hoeven uit te voeren leidt dit tot een neerwaartse bijstelling van de integratie-uitkering Sociaal domein.11 Voor het totaal van deze taken gaat het om een structurele bijstelling vanaf 2018 van € 15.554.000,–. De VNG ging uit van € 50.000,– als kosten voor de uitvoering door de VNG ten behoeve van de gemeenten. Daarom is dat bedrag opgeteld bij de totale uitname uit het Gemeentefonds.

Budgettaire effecten (x € mln)

2018

2019

2020

2021

2022

struc

kindertelefoon

3,83

3,83

3,83

3,83

3,83

3,83

luisterlijn Wmo 2015

4,174

4,174

4,174

4,174

4,174

4,174

vertrouwenswerk jeugd

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

uitvoeringskosten VWS

0,05

0,05

0,05

0,05

0,05

0,05

bijstelling Gemeentefonds

15,554

15,554

15,554

15,554

15,554

15,554

NB: Vanaf 2019 wordt de uitgavenraming nog geactualiseerd op basis van de meest recente realisaties

§ 3.5. Effecten en uitvoeringslasten

Het centraliseren van de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd betekent voor de organisaties die deze landelijke voorzieningen uitvoeren een stabilisering van de uitvoeringslasten. Voor gemeenten betekent het een kleine vermindering van de uitvoeringslasten, omdat zij geen organisaties meer hoeven te belasten en te financieren voor het uitvoeren van deze taken. Deze lasten komen nu voor rekening van VWS. In vergelijking met de variant die door de VNG was voorgesteld voor de financiering vanaf 2018, wordt het aantal financiële relaties teruggebracht van driemaal 388 (aantal gemeenten op 1 januari 2018) tot 3.

De overgang van de gemeenten/VNG naar het Rijk brengt vanzelfsprekend wel een eenmalige extra inzet met zich mee. Doordat de contractering en financiering via de VNG liep en op basis van het onderhavige wetsvoorstel de organisaties die de betreffende voorzieningen gaan uitvoeren gefinancierd worden door VWS, zullen de lasten ongewijzigd blijven voor wat betreft het afleggen van verantwoording aan de financier.

Regeldrukeffecten

Omdat met dit wetsvoorstel verder geen feitelijke veranderingen worden aangebracht in de werkwijze in vergelijking met de voorgaande situatie, heeft dit wetsvoorstel geen regeldrukeffecten voor bedrijven, instellingen en burgers.

§ 3.6. Uitvoering

Luisterlijn Wmo 2015, kindertelefoon en vertrouwenswerk jeugd

Sinds 2015 heeft de VNG namens de gemeenten respectievelijk Sensoor, De Kindertelefoon en het AKJ gefinancierd om de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd uit te voeren. Met ingang van 2018 heeft de Minister van VWS de financieringsrelatie overgenomen van de VNG. Omwille van de continuïteit en van deze essentiële voorzieningen is de Minister van VWS voornemens om vanaf 2019 de beschikbaarheid van deze voorzieningen te waarborgen door dezelfde organisaties daarvoor te financieren.

Overige vertrouwenspersonen jeugd

Dit wetsvoorstel regelt onder andere dat de Minister van VWS ervoor moet zorgen dat er voldoende onafhankelijke vertrouwenspersonen beschikbaar zijn waarop jeugdigen, ouders of pleegouders of personen die bij een melding bij Veilig Thuis betrokken zijn een beroep kunnen doen. De vertrouwenspersonen die de Minister van VWS daarmee zal belasten en die door hem zullen worden gefinancierd, zijn niet per se de enige personen die als vertrouwenspersonen cliënten kunnen ondersteunen. Het staat jeugdigen, ouders en pleegouders en personen op wie een melding bij Veilig Thuis betrekking heeft, vrij iemand anders te vragen om hen als vertrouwenspersoon te ondersteunen. Deze persoon dient wel over een verklaring omtrent het gedrag te beschikken. Daarnaast dient hij – net als de vertrouwenspersonen die door de Minister van VWS gefinancierd zullen worden – beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger als vertrouwenspersoon te werken. Alleen vertrouwenspersonen die aan deze voorwaarden voldoen, maken aanspraak op de wettelijke rechtspositie die waarborgt dat de vertrouwenspersoon in de gelegenheid wordt gesteld zijn ondersteunende werk uit te voeren en daarvoor de benodigde informatie verkrijgt van de gemeente, jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling of Veilig Thuis. De voorwaarde dat iemand beroepsmatig of niet incidenteel als vertrouwenspersoon dient op te treden, vormt een kwalitatieve waarborg en voorkomt tevens dat een familielid van een cliënt zich als zijn vertrouwenspersoon opwerpt om gebruik te kunnen maken van de bedoelde rechtspositie. Dat is ongewenst omdat in veel situaties de familieleden zelf deel uitmaken van de problematiek rond de te ondersteunen persoon, alsmede van de aanpak daarvan.

§ 3.7. Consultatie en advisering

Het besluit om de verantwoordelijkheid voor de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk jeugd te centraliseren, is reeds voor de zomer van 2017 genomen. Uit een peiling van de VNG bleek destijds dat het merendeel van de gemeenten van mening was dat deze voorzieningen beter centraal georganiseerd en collectief gefinancierd kunnen worden. Gelet op de bedreiging voor de continuïteit van de dienstverlening en het brede draagvlak voor een centrale organisatie en financiering van deze voorzieningen, besloot de toenmalige Staatssecretaris van VWS deze voorzieningen vanaf 1 januari 2018 via VWS te financieren12. Het onderhavige wetsvoorstel regelt daarvoor louter de noodzakelijke wijziging van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Een concept van dit wetsvoorstel is voor reactie voorgelegd aan de VNG en de huidige uitvoerders van de betreffende functies. Zij steunen dit wetsvoorstel en hebben op enkele concrete formuleringen input geleverd. Zo wees Sensoor erop dat bellers in de toekomst weliswaar niet meer € 0,05 per minuut betalen, maar nog wel hun eigen belkosten. Dit is ter verduidelijking toegevoegd aan de memorie van toelichting. Over de term «luisterlijn» die in deze memorie van toelichting wordt gehanteerd, gaf Sensoor aan deze passend te vinden, omdat het niet gaat om professionele hulpverlening en ook niet om formele doorverwijzingen. Het gaat om het bieden van een luisterend oor, een gesprek van mens tot mens en indien nodig en gewenst een advies over het zoeken van de juiste hulp en het doorverwijzen naar een hulpverlenende instantie.

Stichting De Kindertelefoon gaf daarentegen aan bezwaar te hebben tegen de term «luisterlijn», omdat in deze term de breedheid van de functie onvoldoende tot uiting wordt gebracht. Naast het bieden van een luisterend oor worden antwoorden gegeven op vragen, wordt samen met de jeugdige gezocht naar een oplossing of doorverwezen naar nadere hulporganisaties. Stichting De Kindertelefoon pleit daarom voor het gebruik van de term «kindertelefoon», ook omdat kinderen en jongeren die term beter zullen herkennen. Omdat herkenbaarheid een belangrijke waarde is van de functie van een kindertelefoon, is aan het bezwaar van de stichting De Kindertelefoon gehoor gegeven en wordt in deze toelichting de term «kindertelefoon» gehanteerd op plaatsen waar specifiek gedoeld wordt op de luisterlijn in het kader van de Jeugdwet.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel A

In artikel 7 van de Participatiewet is de gemeente aangewezen tot ondersteuning bij arbeidsparticipatie van mensen die behoren tot de doelgroep van Participatiewet. Door een nieuw lid aan artikel 7 toe te voegen, is een uitzondering gemaakt op het slot van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en is de verantwoordelijkheid bij de gemeente weggenomen voor zover het de tolkvoorziening betreft. Het UWV wordt door de wijziging aangewezen om op grond van het voorgestelde artikel 10g van de Participatiewet zo nodig te voorzien in een tolkvoorziening voor het ondersteunen van auditief beperkten bij de arbeidsinschakeling. Dit laat onverlet dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor de arbeidsinschakeling van de auditief beperkten in den brede.

Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel C, behalve het voorgestelde artikel 3a.2 Wmo 2015

Dit artikel regelt de aanspraak op tolkdiensten door auditief beperkten in de Participatiewet en de Wmo 2015. Hieronder vallen tevens mensen die zowel auditief als visueel beperkt zijn. Naast tolkdiensten met gebarentaal gaat het ook om tactiele gebarentaal. Tolkdiensten met gebarentaal kunnen zowel op afstand of in de nabijheid van de auditief beperkte worden geleverd. Op grond van een algemene maatregel van bestuur worden deze aanspraken verder uitgewerkt en het aantal uren dienstverlening waarop men recht heeft.

Op grond van dit wetsvoorstel heeft het UWV de taak om tolkdiensten toe te kennen en te bekostigen in het kader van het leefdomein en het werkdomein. Bij het leefdomein, deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, gaat om het faciliteren van bezoeken aan het ziekenhuis, familie, religieuze bijeenkomsten en uitjes. De ondersteuning in het werkdomein – ondersteuning bij de arbeidsinschakeling – ziet bijvoorbeeld op het ondersteunen bij het solliciteren en reïntegratie. Personen die nu onder Wet WIA of Wajong vallen, blijven onder deze wetten vallen. Auditief beperkten die niet onder deze wetgeving vallen en op zoek gaan naar werk of werk hebben gevonden kunnen een beroep doen op deze voorziening op grond van de Participatiewet.

De aanvrager contracteert een tolk en het UWV vergoedt op declaratiebasis de tolkdienst aan de tolk. Door deze betaling betaalt het UWV in bestuursrechtelijke zin aan de klant en de klant civielrechtelijk aan de tolk. De aanvrager van tolkdiensten kan in bepaalde gevallen volgens de Wmo 2015 ook een instelling of een vanuit gemeenten georganiseerde dienst zijn (waarbij bijvoorbeeld een tolk bij een groepsbijeenkomst kan tolken). In lagere regelgeving worden deze situaties beschreven. Het gaat dan bijvoorbeeld om een GGZ-instelling met een bovengemiddeld aantal auditief beperkten. Op grond van het leefdomein geeft artikel 3a.1 ook de mogelijkheid om ambtshalve tolkvoorzieningen toe te kennen in plaats van naar aanleiding van een aanvraag. Het restkarakter van het leefdomein leidt ertoe dat in bijzondere of spoedeisende gevallen het UWV zelf een tolk gebarentaal regelt. Te denken valt aan dak- en thuislozen of bij ongelukken. De personen met een auditieve beperking moeten in principe ingezetenen van Nederland zijn. Voor de tolkvoorziening in het leefdomein wordt specifiek geregeld wanneer het UWV tolkvoorzieningen kan toekennen aan vreemdelingen die geen ingezetenen zijn van Nederland.

Voor de Participatiewet geldt dat behalve de auditief beperkte ook de gemeente die belast is met de re-integratie van deze personen een tolkvoorziening kan aanvragen. UWV zal deze dan ook vergoeden conform het bepaalde in de ministeriële regeling. De gemeente zal aanvragen als het gaat om een activiteit waaraan meerdere personen met een auditieve beperking deelnemen, bijvoorbeeld een sollicitatiecursus specifiek gericht op deze doelgroep.

Op grond van een algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de nadere invulling van de aanspraak van de tolkdiensten en de voorwaarden waaronder deze door het UWV worden bekostigd. Geregeld wordt hoeveel uur aan tolkdiensten iemand kan betrekken aan verschillende typen diensten. Daarnaast zal krachtens dit artikel worden geregeld dat iemand die zowel auditief als visueel beperkt is recht zal hebben op meer uren dan iemand die alleen auditief beperkt is. Tevens zal worden geregeld dat tolken moeten zijn opgenomen in het Register Tolken Gebarentaal en Schrijftolken.

De bekostiging door het UWV valt onder de definitie van subsidie in de subsidietitel (4.2) Awb. Deze titel is echter hier niet van toepassing. In de Wet WIA en de Wajong, die het UWV uitvoert, is eveneens bepaald dat titel 4.2 van de Awb niet van toepassing is op de verstrekking van voorzieningen (artikelen 119 Wet WIA en 6.6 Wajong). Dit heeft praktisch voordeel, omdat het gaat om een aanspraak op bepaalde voorzieningen in natura en de rechtstreekse vergoeding daarvan door het UWV. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen is ervoor gekozen om titel 4.2 niet van toepassing te verklaren.13

Omdat de bepalingen van de Awb niet van toepassing zijn, is, gelijk met artikel 19a Wet WOOS, een serie bepalingen van de Wajong van toepassing verklaard. Dit zorgt voor een uniforme werkwijze voor het UWV. Deze bepalingen regelen de intrekking en herziening van de aanspraak, terugvordering en een informatieplicht om als gebruiker de noodzakelijke gegevens bij het UWV aan te leveren. Daarbij is een artikel toegevoegd dat een bevoegdheid aan het UWV geeft tot het opleggen van een bestuurlijke boete bij niet-naleving van de informatieplicht (art. 3:40 en 3:74 Wajong) en een artikel toegevoegd dat zaken rond de betaalbaarstelling van de tolkdiensten regelt (art. 3:45 Wajong). Dit heeft mede betrekking op het opschorten van betalingen als blijkt dat er gegronde vermoedens zijn dat betalingen niet rechtmatig zijn of er bijvoorbeeld fraude in het spel is. Dit geeft tijd om de zaak nader te onderzoeken. Het Openbaar Ministerie kan overigens wegens valsheid in geschrifte optreden. Dit houdt in dat eventueel fraude door een tolk jegens het UWV gepleegd, via het strafrecht afgehandeld kan worden.

Daarnaast is nog het artikel toegevoegd de regelt dat het UWV een preferente schuldeiser is bij faillissement voor het terugvorderen van vergoedingen voor de voorzieningen (art. 3:60 Wajong). Dit zal met name kunnen spelen bij onverschuldigde of onterechte betalingen waarbij geen of nog een prestaties zijn geleverd (zie 3:57 Wajong).

Zoals gezegd zijn in dit artikel de bepalingen uit de Wajong, gelijk aan de WOOS, van overeenkomstige toepassing verklaard. Hieronder valt ook het artikel in die wet dat de herziening of intrekking van een toekenning regelt. Het UWV handelt volgens het vierde lid overeenkomstig dit artikel bij het herzien of intrekken van de toekenning van tolkdiensten.

Artikel 3.a.1, vijfde lid, van de Wmo 2015 en artikel 10g, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het UWV de mogelijkheid om een voorziening te weigeren als de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (vergelijkbaar met artikel 2.3.6, vijfde lid, onderdeel b, Wmo 2015).

Verder regelt dit artikel ook dat het UWV de tolkdiensten kan weigeren als de aanvragen bij het UWV op basis van een andere wet (de Wajong, de Wet WIA en de WOOS) aanspraak kan maken op tolkvoorzieningen die zijn getroffen voor de ondersteuning bij van de deelname aan onderwijs of arbeidsinschakeling of -ondersteuning. Personen die nu onder Wet WIA, Wajong of WOOS vallen, blijven onder deze wetten vallen. Dat betekent dat als een voorziening in een ander gebied valt, er in de regel geen vergoeding op grond van de Wmo 2015 mogelijk is. Elk gebied – onderwijs, arbeidsondersteuning en maatschappelijke participatie – kent eigen voorwaarden voor de toegang tot de voorzieningen.

De bepaling is geformuleerd als een bevoegdheid zodat in bepaalde gevallen ervoor kan worden gekozen om tolkdiensten voor een bepaalde activiteit vanuit verschillende domeinen te bekostigen. Het UWV vult deze bevoegdheid vervolgens in met eigen beleidsregels zodat duidelijk is uit welk domein een activiteit prioritair bekostigd wordt; zie titel 4.3 van de Awb). UWV sluit hierbij aan bij de bestaande praktijk. Tolksituaties die onder meer dan een voorziening kunnen vallen zijn bijvoorbeeld schoolreisjes waarbij die voorziening zowel uit het leefdomein als uit het onderwijsdomein kan worden bekostigd. Het is uiteraard wel de bedoeling dat dubbelverstrekking van diensten (een tolkactiviteit wordt tegelijk uit twee bronnen bekostigd) moet worden voorkomen. Het UWV kan, als het de tolkdiensten voor de verschillende domeinen toekent, goed controleren of er geen dubbelverstrekking plaatsvindt en sneller signalen van fraude oppikken.

Ten slotte is geregeld de Minister van VWS voor het leefdomein toezichthoudende ambtenaren kan aanwijzen. Uit hoofdstuk 5 van de Awb vloeit voort dat degenen die op grond van de wet als toezichthouder zijn aangewezen, beschikken over een aantal daaraan verbonden bevoegdheden en plichten. De verplichtingen en bevoegdheden die de Awb aan toezichthouders verleent, zijn kort samengevat: legitimatieplicht (artikel 5:12), de verplichting het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen (artikel 5:13), de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen met uitzondering van een woning als de bewoner daarvoor geen toestemming heeft gegeven, apparatuur mee te nemen en zo nodig de sterke arm daarbij in te zetten (artikel 5:15), de bevoegdheid inlichtingen (artikel 5:16) en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17) te vorderen, de bevoegdheid zaken te onderzoeken en monsters te nemen (artikel 5:18) en vervoermiddelen te onderzoeken (artikel 5:19). Verder is iedereen verplicht aan een toezichthouder binnen een gestelde termijn alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20), zij het dat daarbij een beroep kan worden gedaan op een beroepsgeheim.

Beoogd wordt om ambtenaren van het UWV aan te wijzen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de regels die aan de toekenning van de tolkvoorzieningen worden verbonden en de kwaliteitseisen die aan tolken worden gesteld. Hiertoe kan bestuursdwang door (de Raad van bestuur van) het UWV worden ingezet. Uiteraard kunnen ten onrechte uitbetaalde gelden aan tolken worden teruggevorderd met gebruikmaking van een dwangbevel (op grond van het van overeenkomstige toepassing verklaarde 3:57 Wajong).

Artikel II, onderdeel A en III, onderdeel A

Deze onderdelen zorgen ervoor, dat voor vertrouwenspersonen een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens moet zijn afgegeven. Door dit in de omschrijving van «vertrouwenspersoon» te regelen, zal dit gaan gelden voor alle vertrouwenspersonen die voor een cliënt willen gaan werken en niet alleen – zoals op dit moment is geregeld in artikel 4.1.9, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 4.2.6, derde lid, van de Wmo 2015 – voor vertrouwenspersonen die werkzaam zijn bij een rechtspersoon.

Voorts wordt geregeld dat iemand pas als vertrouwenspersoon in de zin van de wet geldt, indien hij het vertrouwenswerk beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger verricht.

Artikel II, onderdeel B

Het huidige artikel 2.2.4, eerste lid, Wmo 2015 draagt het college (van burgemeester en wethouders) op om te zorgen voor cliëntondersteuning (onderdeel a) en dat er op ieder moment van de dag telefonisch of elektronisch een luisterend oor en advies beschikbaar is (onderdeel b). Laatsbedoelde taak wordt met voorliggend wetsvoorstel (zie artikel 3a.2 Wmo 2015 hierna) aan de Minister van VWS opgedragen. Het nieuwe artikel 2.2.4, eerste lid, Wmo 2015 bevat dan ook slechts de opdracht aan het college om te zorgen voor cliëntondersteuning.

Artikel II, onderdeel C, voor zover het het voorgestelde artikel 3a.2 Wmo 2015 betreft

Dit artikel regelt dat de Minister van VWS ervoor zorgt dat mensen op ieder moment van de dag kosteloos en anoniem een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen. Dit is de nieuwe omschrijving van wat in artikel 2.2.4, eerste lid, van de huidige Wmo 2015 de taak van het beschikbaar stellen van «een luisterend oor en advies» wordt genoemd.

Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, zal gebruik van deze luisterlijn vanaf 1 januari 2019 voor de gebruiker kosteloos zijn in die zin, dat er geen gesprekskosten per minuut worden berekend. Om die reden is het woord «kosteloos» toegevoegd. Hiermee wordt bedoeld dat de luisterlijn geen kosten in rekening zal brengen. Indien een cliënt de luisterlijn gebruikt, zal hij wel de gebruikelijk kosten voor het telefoneren of internetgebruik verschuldigd zijn aan zijn telefoon- of internetprovider. Voorts is toegevoegd dat de gesprekken anoniem plaatsvinden.

Artikel III, onderdeel B

Voorgesteld wordt om de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor de functie van een kindertelefoon en voor het vertrouwenswerk in de Jeugdwet op te nemen in een nieuw hoofdstuk, te weten hoofdstuk 1a.

Artikel 1a.1, aanhef en onderdeel a, regelt dat de Minister van VWS ervoor zorgt dat jeugdigen kosteloos en anoniem een telefonisch of elektronisch gesprek kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen. Ten opzichte van het huidige artikel 2.6, eerste lid, onderdeel d, van de Jeugdwet, waarin staat dat jeugdigen advies kunnen krijgen over de door hen voorgelegde vragen met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, is de formulering van deze taak minder beperkt wat betreft de onderwerpen die de jeugdigen met deze voorziening kunnen bespreken en waar ze advies over kunnen krijgen. Ten opzichte van hoe deze functie tot nu toe door stichting De Kindertelefoon is ingevuld, verandert er niets: in de praktijk kunnen de gesprekken over uiteenlopende onderwerpen gaan. Voorts is, aansluitend bij de huidige praktijk en overigens ook op het bestaande en het nieuwe artikel over de luisterlijn in de Wmo 2015, aan het artikel toegevoegd dat de gesprekken «telefonisch of elektronisch» (denk aan e-mail, chat en website) moeten kunnen worden gevoerd. Zoals ook nu al geldt, is de dienstverlening van de luisterlijn voor de jeugdige kosteloos. Dat laat onverlet dat de jeugdige (of zijn ouders) wel de gebruikelijke kosten voor het telefoneren of het internetgebruik aan zijn telefoon- of internetprovider verschuldigd is.

Artikel 1a.1, aanhef en onderdeel b, draagt de Minister van VWS op ervoor te zorgen dat jeugdigen, ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Dat de vertrouwenspersoon «onafhankelijk» dient te zijn, wil zeggen dat hij onafhankelijk dient te zijn van gemeenten, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen of Veilig Thuis. Op dit moment geldt dit ingevolge het huidige artikel 2.6, tweede lid, van de Jeugdwet slechts voor de rechtspersoon waar vertrouwenspersonen voor werken. Voorgesteld wordt om deze eis te laten gelden voor de vertrouwenspersonen zelf. Uiteraard zal de Minister van VWS zich ervan vergewissen dat een rechtspersoon die zij voor de uitvoering van voorliggend onderdeel inschakelt ook zelf onafhankelijk is van gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen of Veilig Thuis.

Artikel 1a.2 van de Jeugdwet geeft een wettelijke basis aan de vertrouwenspersonen om persoonsgegevens te verwerken van degene die hij ondersteunt, alsmede van de personen die werken voor de gemeente, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling. Dit geldt niet alleen voor «gewone» persoonsgegevens maar ook voor persoonsgegevens betreffende de gezondheid en – dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor jeugdigen die na een verblijf in een justitiële jeugdinrichting jeugdhulp of jeugdreclassering nodig hebben – strafrechtelijke persoonsgegevens. De mogelijkheid om persoonsgegevens te verwerken geldt uiteraard slechts voor zover dat noodzakelijk is voor het goed kunnen vervullen van de rol van vertrouwenspersoon.

Artikel III, onderdelen C, D en F, artikel II, onderdeel D

De wijzigingen in het eerste lid van artikel 2.6 Jeugdwet vloeien voort uit de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk Jeugdwet van de gemeenten naar de Minister van VWS.

Het huidige artikel 2.6, tweede lid, van de Jeugdwet regelt enerzijds dat de gemeenten ervoor dienen te zorgen dat een vertrouwenspersoon werkt bij een onafhankelijke rechtspersoon en anderzijds dat hij vertrouwenspersonen in de gelegenheid dient te stellen om hun taken uit te oefenen. Het eerste deel van dit artikel dient te vervallen. Vanaf de datum van inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel is het immers de taak van de Minister van VWS om te zorgen voor de beschikbaarheid van onafhankelijke vertrouwenspersonen. Voor meer toelichting op dit punt wordt verwezen naar de toelichting op artikel III, onderdeel B. Het tweede deel van het bestaande artikel 2.6, tweede lid, is, nu het eerste deel van dat lid vervalt, in dat artikel minder op zijn plaats. Daarom wordt voorgesteld het op te nemen in artikel 2.5, tweede lid.

De huidige artikelen 4.1.9, tweede lid, Jeugdwet en 4.2.6, tweede lid, Wmo 2015 bepalen dat bij algemene maatregel van bestuur (amvb) regels worden gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden van vertrouwenspersonen en de verplichtingen van het college, de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis. Die regels zijn gesteld in hoofdstuk 4, paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet en hoofdstuk 4, paragraaf 2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Voorgesteld wordt om de delegatiebasis voor het stellen van regels waaraan de gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis zich dienen te houden, op te nemen in artikel 2.5, derde lid Jeugdwet (gemeenten), in een nieuw artikel 4.1.9, tweede lid, Jeugdwet (jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen), en in een nieuw artikel 4.2.6, derde lid, Wmo 2015 (Veilig Thuis). Het Besluit Jeugdwet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zullen hierop worden aangepast. Voorgesteld wordt de delegatiebasis voor het stellen van regels aan vertrouwenspersonen, alsmede, bij het aanpassen van die amvb's, de daarover opgenomen artikelen in het Besluit Jeugdwet (artikelen 4.1.1 en 4.1.2) en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikelen 4.2.2 en 4.2.3) te laten vervallen. Nu de Minister van VWS voor de beschikbaarheid van onafhankelijke vertrouwenspersonen zal gaan zorgen, ligt het meer in de rede dat de inhoud van deze artikelen voor zover nodig wordt verwerkt in de voorwaarden waaronder de Minister de werkzaamheden van vertrouwenspersonen bekostigt.

Daarnaast wordt voorgesteld om de verplichting van de gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis om hun cliënten of, voor Veilig Thuis, de personen die bij een melding betrokken zijn, te wijzen op de mogelijkheid van inschakeling van een vertrouwenspersoon, op wetsniveau te regelen. Deze verplichting is nu opgenomen in artikel 4.1.3 van het Besluit Jeugdwet en artikel 4.2.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met dit wetsvoorstel wordt dit nu opgenomen in de artikelen 2.5, eerste lid, van de Jeugdwet (voor gemeenten), 4.1.9, eerste lid, van de Jeugdwet (voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen) en artikel 4.2.6, eerste lid, van de Wmo 2015. In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zal, net zoals dat op dit moment gebeurt, op grond van artikel 4.2.6, tweede lid, van de Wmo 2015 geregeld worden wie precies geacht wordt bij een melding bij Veilig Thuis betrokken te zijn.

Voor een toelichting op het voorgestelde artikel 4.2.6, vierde lid, van de Wmo 2015 wordt verwezen naar de toelichting op het voorgestelde artikel 1a.2 van de Jeugdwet, die te vinden is bij de toelichting op artikel III, onderdeel B, van dit wetsvoorstel. Overigens kunnen de strafrechtelijke gegevens in dit kader bijvoorbeeld ook eventuele eerdere strafrechtelijke veroordelingen betreffen van iemand die bij Veilig Thuis is gemeld als mogelijke geweldpleger.

Artikel III, onderdeel E

Deze wijziging is redactioneel. Nu de resterende onderdelen van artikel 2.6, eerste lid, van de Jeugdwet worden verletterd, dient ook de verwijzing in artikel 2.7, vierde lid, van de te worden verletterd.

Artikel III, onderdeel G

De toevoeging aan artikel 9.2, eerste lid, Jeugdwet is nodig om te voorkomen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ i.o.) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) toezicht houden op de wijze waarop de Minister van VWS zich van zijn taken, bedoeld in artikel 1a.1 van de Jeugdwet kwijt. Nu de IGJ i.o. onderdeel is van het departement van VWS en de IVenJ van dat van Justitie en Veiligheid, zou het niet opnemen van de uitzondering in wezen betekenen, dat de Minister van VWS toezicht zou houden op zijn eigen taakuitoefening respectievelijk dat de Minister voor Rechtsbescherming toezicht zou houden op de taakuitoefening door de Minister van VWS. Dat is ongewenst.

Artikel IV

Bij de Wmo 2015 is bepaald dat het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep geen schorsende werking heeft (zie artikel 10 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van bijlage 2 van de Awb). Voor de Wajong, de Wet WIA, artikel 19a van de WOOS is in artikel 9 van bijlage 2 Awb geregeld dat het hoger beroep wel schorsende werking heeft. Deze bepaling harmoniseert de rechtsbescherming voor het UWV ten behoeve van de uitvoering van de tolkdiensten in de verschillende domeinen. Voorgesteld wordt om artikel 3a.1 van de Wmo 2015 in de lijst van artikel 9 Bijlage 2 Awb op te nemen en aldus uit te zonderen van artikel 10 bijlage 2 Awb.

Artikel V

De wijziging van bijlage 2 bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens (Wnt) is redactioneel en vloeit voort uit de wijzigingen die in artikel II, onderdelen A en D, en artikel III, onderdelen A, C, D en F, van dit wetsvoorstel zijn opgenomen. Geregeld blijft dat rechtspersonen waarvoor vertrouwenspersonen als bedoeld in de Jeugdwet werkzaam zijn, onder de reikwijdte van de Wnt vallen.

Artikel VI

De tolkvoorzieningen voor auditief beperkten in het leefdomein worden tot aan de invoering van dit wetsvoorstel uitgevoerd vanwege het Ministerie van VWS (zie paragraaf 1 van het algemene deel van deze toelichting). Dit artikel regelt dat tolkvoorzieningen, die door of vanwege de Minister van VWS zouden worden bekostigd (zijn toegekend), bij het UWV kunnen worden gedeclareerd. Het behelst overgangsrecht zodat het UWV de dienstverlening die met welnemen van VWS is betrokken kan overnemen. Toegekende rechten blijven dus geldig. Verder is geregeld dat de benodigde persoonsgegevens voor de uitvoering kunnen worden overgedragen. Het gaat logischerwijs om de inhoud van het besluit zodat de aanspraak helder is en bsn. Het bsn van een persoon wordt gebruikt met het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet te verwerken persoonsgegevens op die persoon betrekking hebben. Het opnemen van het bsn in de administratie dient op zodanige wijze te geschieden, dat aan de hand van het bsn vastgesteld kan worden op welke persoon bepaalde persoonsgegevens betrekking hebben. De gegevensverstrekking wordt vastgelegd krachtens artikel 73a van de Wet SUWI. Verder zijn bepalingen opgenomen voor het overnemen van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures bij de rechter jegens de Minister van VWS door het UWV en de handelingswijze rondom archiefbescheiden van lopende en afgesloten dossiers conform de Archiefwet 1995. Het UWV treedt in de plaats van de Minister in een geding als procespartij. Voor de Participatiewet zijn geen specifieke bepalingen nodig omdat UWV op dit moment al de tolkvoorziening uitvoert conform de bepalingen in dit wetsvoorstel.

Artikel VII

Nu de verantwoordelijkheid voor de luisterlijn Wmo 2015, de functie van een kindertelefoon en het vertrouwenswerk in de Jeugdwet, met uitzondering van de verantwoordelijkheid voor de luisterlijnen Wmo 2015 voor de gemeenten Amsterdam, Berkelland, ’s-Gravenhage, Lansingerland, Pijnacker-Nootdorp, Rotterdam, Utrecht en Zoetermeer, in de praktijk reeds met ingang van 1 januari 2018 van de gemeenten naar de Minister van VWS is overgegaan, krijgen de artikelen van dit wetsvoorstel terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018 (tweede lid). De genoemde gemeenten houden tot 1 januari 2019 hun eigen Wmo-luisterlijnen in stand, zodat voor hen het wetsvoorstel, mocht dit na die datum in werking treden, op dit punt terugwerkende kracht krijgt tot en met die datum. De terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018 respectievelijk 1 januari 2019 heeft geen belastende gevolgen voor burgers. Het derde lid zorgt ervoor dat de bijdrage die in 2018 nog voor het gebruik van de landelijke telefonische luisterlijn in de Wmo 2015 is gevraagd, voor dat jaar in stand kan blijven.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Artikel 6 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
2

Kamerstukken II 2016–2017, 32 805, nr. 51.

X Noot
3

Kamerstukken II 2016–2017, 31 839, nr. 582.

X Noot
4

Kamerstukken II 2017–2018, 32 805, nr. 59.

X Noot
5

Art. 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
6

Harmonisatie tolkvoorziening – Onderzoek naar knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen voor de tolkvoorziening in het leef-, werk- en onderwijsdomein. Kamerstukken II 2016–2017, 32 805, nr. 51 (Kamerbrief).

X Noot
7

Harmonisatie tolkvoorziening – Onderzoek naar knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen voor de tolkvoorziening in het leef-, werk- en onderwijsdomein. Kamerstukken II 2016–2017, 32 805, nr. 51 (Kamerbrief).

X Noot
8

Deze term verwijst naar de tussen SZW en zijn zelfstandige bestuursorganen gebruikelijke terminologie.

X Noot
9

Kamerstukken II 2011–2012, 33 000 XVI, nr. 152.

X Noot
10

Kamerstukken II 2016–2017, 31 839, nr. 582.

X Noot
11

Zoals ook reeds aangekondigd in de Septembercirculaire Gemeentefonds: Kamerstukken II 2017–2018, 34 775 B, nr. 4 (bijlage).

X Noot
12

Kamerstukken II 2016–2017, 31 839, nr. 582.

X Noot
13

Zie ook Kamerstukken II 2004–2005, 30 034, nr. 13, p. 8